Besluit van 18 oktober 2001, houdende de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van een commissie als bedoeld in Artikel 45 van het Algemeen militair ambtenarenreglement
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister-President en van de Staatssecretaris van Defensie van 8 oktober 2001, Directoraat Generaal Personeel, nr. P/2001006743;
Gelet op artikel 12g van de Militaire ambtenarenwet 1931 en artikel 45 van het Algemeen militair ambtenarenreglement,
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie
b. de belanghebbende: degene op wie het in artikel 2 bedoelde voornemen betrekking heeft.
1.
Ingesteld wordt een commissie als bedoeld in artikel 45, eerste lid van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
2.
De commissie heeft tot taak in voorkomend geval een advies uit te brengen over een voornemen ontslag te verlenen op grond van Artikel 12g van de Militaire ambtenarenwet 1931 aan een militair die op grond van het bepaalde in artikel 5, derde lid, of artikel 10, tweede lid, van de Wet veiligheidsonderzoeken uit een vertrouwensfunctie moet worden ontheven.
1.
Als leden van de commissie worden benoemd:
mr J. de Ruiter, (voorzitter),
mr B. L. J. Ahlers,
mr F. J. Akkerman,
Th. H. Dragt en
mr. A. W. Heringa
2.
Als plaatsvervangende leden worden benoemd:
mr. drs R. K. Visser (plv Voorzitter),
mevr. mr I. M. P. Quist-van Verseveld,
mr. J. Soons,
mr. P. J. Stolk en
P. W. van Vroonhoven.
Artikel 4
De commissie wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris. Zij worden door Onze Minister benoemd en ontslagen.
1.
Wanneer het advies van de commissie wordt gevraagd, worden daarbij door Onze Minister afschriften van de ter zake dienende stukken overgelegd.
2.
Wanneer uit een oogpunt van bronbescherming de inhoud van bepaalde stukken ter uitsluitende kennisneming van de commissie dient te blijven, wordt dat aan de commissie medegedeeld.
3.
De commissie is bevoegd voorts alle inlichtingen in te winnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht.
1.
Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de afschriften, bedoeld in artikel 5, stelt de voorzitter de datum voor een vergadering vast, die – behoudens dringende redenen – niet later dan vier weken na de ontvangst mag plaatsvinden.
2.
De secretaris geeft de belanghebbende alsmede Onze Minister onverwijld na de vaststelling kennis van plaats en tijdstip der vergadering onder mededeling van het bepaalde in het derde lid, alsmede van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, tweede volzin.
3.
De belanghebbende en zijn raadsman worden voor deze vergadering in de gelegenheid gesteld kennis en afschrift te nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover niet artikel 5, tweede lid, van toepassing is. In voorkomend geval wordt de belanghebbende daarvan mededeling gedaan.
1.
De commissie hoort ter vergadering de belanghebbende, tenzij deze heeft verklaard daarop geen prijs te stellen of zonder gegronde reden aan een daartoe gedane oproeping geen gevolg heeft gegeven. De belanghebbende kan zich ter vergadering van de commissie laten bijstaan door een raadsman.
2.
Onze Minister wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt ter vergadering van de commissie nader te doen toelichten.
3.
De commissie is bevoegd iedere ambtenaar ten aanzien waarvan zij het horen wenselijk acht te doen oproepen ter vergadering. De opgeroepen ambtenaar verstrekt desgevraagd alle inlichtingen. Indien dit uit een oogpunt van bronbescherming noodzakelijk is, verstrekt de ambtenaar de inlichtingen slechts in het bijzijn van de commissie.
4.
De commissie kan al dan niet op verzoek van de belanghebbende andere personen horen.
1.
De commissie vergadert niet indien niet tenminste de voorzitter en twee andere leden, dan wel hun plaatsvervangers aanwezig zijn.
2.
De vergaderingen van de commissie zijn niet openbaar.
1.
De commissie beslist bij meerderheid van stemmen. Noch de voorzitter, noch een der andere leden onthoudt zich van deelneming aan enige stemming. Indien de stemmen staken geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
2.
Het advies van de commissie wordt met redenen omkleed. Indien in de commissie een minderheidsstandpunt bestaat, wordt dit, alsmede de daaraan ten grondslag liggende argumenten, desverlangd in het advies opgenomen. Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
3.
Behoudens dringende redenen wordt het advies niet later dan vier weken na de in artikel 6, eerste lid, bedoelde vergadering uitgebracht aan Onze Minister.
Artikel 10
Aan de (plaatsvervangende) leden van de commissie wordt voor elke dag dat zij een vergadering hebben bijgewoond een vacatiegeld van hfl 150,– toegekend.
Onze Minister van Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 18 oktober 2001
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken,
De Staatssecretaris van Defensie,
Uitgegeven de vijftiende november 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Instelling
+ § 2. Samenstelling
+ § 3. Werkwijze
+ § 4. Vacatiegelden
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht