Besluit van 5 juni 2014, houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren)
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 19 oktober 2012, nr. 291872, Directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303), verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 47), richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2009, L 10); richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182), richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 311), richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203), richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PbEG 1999, L 94), richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PbEG 1998, L 221), richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG 1996, L 125), richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de beschikkingen 89/187/EEG en 91/664//EE (PbEG 1996, L 12523), richtlijn 90/167/EEG van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 092), de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, 1) en de artikelen 2.1, derde en vijfde lid, 2.2, tweede, derde, zevende, negende en tiende lid, 2.3, tweede en vierde lid, onderdeel a, 2.8, tweede en vierde lid, 2.9, derde lid, 2.10, eerste tot en met vierde lid, 2.16, eerste lid, 7.1, 7.2, eerste lid, 7.3, vijfde lid, 7.5, vierde lid, 7.8, eerste lid, en 10.4, eerste lid, van de Wet dieren;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 januari 2013, no. W15.12.0441/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken 4 juni 2014, nr. WJZ / 14038273;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bedrijfsbehandelplan: een overzicht dat specifiek is voor een bedrijf, waarin aandoeningen en ziektes zijn opgenomen die voorkomen of waarvan het aannemelijk is dat deze voor kunnen komen bij door een houder gehouden dieren en waarbij is weergegeven op welke wijze de aandoeningen en ziektes worden behandeld;
bedrijfsgezondheidsplan: een plan dat specifiek is voor een bedrijf, bestaande uit:
1°. een analyse van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren en van de toepassing van diergeneesmiddelen bij door een houder gehouden dieren;
2°. een overzicht van te treffen maatregelen ter verbetering van de diergezondheidssituatie van door een houder gehouden dieren;
big: varken vanaf de geboorte tot aan het spenen;
daarmee verband houdende activiteiten: datgene dat daaronder wordt verstaan in artikel 2, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009;
derde land: land, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
gezelschapsdier: zoogdier, vogel, vis, reptiel of amfibie, kennelijk bestemd om te houden voor liefhebberij of gezelschap, met uitzondering van een dier dat behoort tot een in bijlage II bij dit besluit opgenomen diersoort of diercategorie, niet zijnde konijn, bruine rat, tamme muis, cavia, goudhamster en gerbil;
pluimvee: hoenderachtigen, eenden of ganzen;
varken: varken dat kennelijk wordt gehouden voor de fokkerij of voor de mesterij;
verordening (EG) nr. 1099/2009: verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303);
wet: Wet dieren ;
zeug: varken van het vrouwelijk geslacht na de worp van haar eerste biggen, kennelijk bestemd voor de fokkerij.
Wet op de dierproeven van Besluit houders van dieren">
Artikel 1.2. Verhouding met Wet op de dierproeven
Dit besluit is met uitzondering van de artikelen 1.19 en 1.20 niet van toepassing op dieren waarop de Wet op de dierproeven van toepassing is.
a. het zich ontdoen van een dier;
b. het schoppen van een dier;
c. het zodanig slaan van een dier dat dit letsel ten gevolge heeft;
d. het onderwerpen van een dier aan een explosieve, bijtende of brandende stof;
e. het weiden van een dier op niet beweidbaar land of, anders dan voor korte duur, weiden op slecht beweidbaar land;
f. het zich vervoeren of verplaatsen, het zich laten vervoeren of laten verplaatsen of een ander doen vervoeren of doen verplaatsen op een dier of in of op een vervoermiddel dat wordt voortbewogen door een dier, indien dat vervoeren of verplaatsen de krachten van dat dier kennelijk te boven gaat, of indien het dier daartoe kennelijk niet geschikt is.
1.
De criteria, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de wet, zijn:
a. dieren:
van de desbetreffende diersoort of diercategorie kunnen zonder specialistische kennis en vaardigheden worden gehouden, gelet op:
i de mate waarin het dier behoefte heeft aan bewegen en een specifieke leefomgeving;
ii de gemiddelde grootte van het dier op volwassen leeftijd;
iii de behoefte van het dier aan periodes van activiteit of inactiviteit gedurende een dag of een seizoen;
iv de behoeften van het dier met betrekking tot foerageren en eten, waaronder de rantsoensamenstelling;
v de mate waarin het dier behoefte heeft aan veiligheid en schuilgelegenheid;
vi de behoeften van het dier met betrekking tot voortplanting en grootbrengen van jongen;
vii de behoefte van het dier met betrekking tot schoonmaakgedrag;
viii de sociale of biosociale behoeften van het dier;
ix de mate waarin het dier behoefte heeft aan prikkels en afleiding, of
behoren tot een diersoort of diercategorie die bij artikel 2.1 zijn aangewezen, of
b. het houden van dieren van de desbetreffende diersoort of diercategorie:
levert geen onaanvaardbare mate van gevaar op voor mens of dier,
is niet verboden bij artikel 13, of 14, derde lid, van de Flora- en Faunawet in samenhang met artikel 75 van die wet, of
levert gelet op de subonderdelen i tot en met ix van onderdeel a, onder 1°, geen onaanvaardbare aantasting op van het welzijn of de gezondheid van die dieren.
2.
Het verbod, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet, is uitsluitend van toepassing op zoogdieren.
Artikel 1.5. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen.
1.
De bewegingsvrijheid van een dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.
2.
Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.
3.
Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.
4.
De houder van een dier dat in een gebouw of kooi wordt gehouden, draagt er zorg voor dat het dier daaruit niet kan ontsnappen.
Artikel 1.7. Verzorgen van dieren
Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier:
a. wordt verzorgd door een persoon die beschikt over de voor die verzorging nodige kennis en vaardigheden;
b. slechts onder de hoede wordt gesteld van een persoon die kennelijk tot de verzorging in staat is;
c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd;
d. een toereikende behuizing heeft onder voldoende hygiënische omstandigheden;
e. een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier;
f. toegang heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen;
g. voldoende verse lucht of zuurstof krijgt.
1.
Een ruimte waarin een dier wordt gehouden, wordt voldoende verlicht en verduisterd om aan de ethologische en fysiologische behoeften van het dier te voldoen.
2.
Behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft en inrichtingen voor de beschutting voor een dier zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en bevatten geen scherpe randen of uitsteeksels waaraan het dier zich kan verwonden.
3.
In de ruimte waarin een dier wordt gehouden, worden geen materialen en, in voorkomend geval, bodemdekking gebruikt die ongeschikt of schadelijk zijn voor het dier.
4.
De materialen, bedoeld in het derde lid, kunnen eenvoudig worden gereinigd en ontsmet.
Artikel 1.9. Toepassingsbereik
Als diercategorieën als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet worden aangewezen ganzen, honden en katten.
Artikel 1.10. Gevallen waarin dieren mogen worden gedood
Als gevallen als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de wet worden aangewezen gevallen waarin:
a. een dier wordt gedood ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier;
b. een dierenarts heeft vastgesteld dat doden in het belang van het dier is;
c. dat doden bij of krachtens enig wettelijk voorschrift of ingevolge een EU-verordening is voorgeschreven;
d. een dier wordt gedood ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier;
e. een dier wordt gedood vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken.
Artikel 1.11. Reikwijdte
De artikelen 1.12 tot en met 1.14 zijn van toepassing op zoogdieren, reptielen, amfibieën en vogels.
Artikel 1.12. Besparen vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden
Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden bespaard.
1.
Een dier wordt gedood door middel van een methode die waarborgt dat de dood onmiddellijk of na bedwelming, maar vóórdat de bewusteloosheid is geweken, intreedt.
2.
In afwijking van het eerste lid behoeft een dier niet te worden bedwelmd indien een dier moet worden gedood:
a. ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of
b. ter beëindiging van ondraaglijk lijden van het dier.
1.
Het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten worden uitgevoerd door personen die aantoonbaar de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voor de daarin te onderscheiden diersoorten of categorieën dieren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde kennis en vaardigheden.
Artikel 1.15. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
voortplantingstechniek: handeling of direct met elkaar samenhangende handelingen, bestemd om geslachtsproducten te winnen, bevruchting tot stand te brengen met behulp van gewonnen geslachtsproducten, of dracht tot stand te brengen op andere dan natuurlijke wijze, alsmede handelingen die bijdragen aan het tot stand brengen van dracht;
geslachtsproducten: sperma, eicellen en embryo's alsmede delen daarvan.
Artikel 1.16. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën en vogels.
1.
Voortplantingstechnieken worden toegepast op zodanige wijze dat bij het dier niet onnodig pijn, letsel, stress of ander ongerief wordt veroorzaakt.
2.
Het is verboden sperma te winnen door middel van elektrische prikkeling.
3.
Het tweede lid geldt niet voor spermawinning ten behoeve van een door de European Association of Zoos and Aquaria gecoördineerd Europees fokprogramma, mits het dier onder algehele narcose is gebracht en de elektrische prikkeling geschiedt door of onder toezicht van een dierenarts.
Artikel 1.18. Verbod gebruik van levend aas
Het is verboden bij het vissen in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdelen c en d, van de Visserijwet 1963, levende vissen, amfibieën, reptielen, vogels of zoogdieren als aas te gebruiken.
Artikel 1.19. Reikwijdte scheiden dieren van ouderdier
Als diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet worden aangewezen honden, katten, konijnen, papegaaiachtigen, apen behorende tot de soort van de Chimpansee, de Rhesus-aap, de Beermakaak, de Java-aap, de Marmoset, de Doeroecoeli of de Doodshoofdaap, varkens en nertsen.
1.
De leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, is voor:
a. honden: 7 weken;
b. katten: 7 weken;
c. konijnen: 6 weken;
d. papegaaiachtigen: de voor de desbetreffende soort papegaaiachtigen in bijlage I bij dit besluit vermelde leeftijd;
e. Chimpansees: 4 jaar;
f. Rhesus-apen: 2 jaar;
g. Beermakaken: 2 jaar;
h. Java-apen: 2 jaar;
i. Marmosets: 1 jaar;
j. Doeroecoeli’s: 1,5 jaar;
k. Doodshoofdapen: 9 maanden;
l. varkens: 28 dagen;
m. nertsen: 8 weken.
2.
Indien de dieren onmiddellijk na het scheiden worden ondergebracht in groepen met soortgenoten of indien het konijnen betreft op het geboortebedrijf verblijven totdat zij ten minste de leeftijd, bedoeld in het eerste lid, hebben bereikt, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, in afwijking van het eerste lid, voor:
a. konijnen: 4 weken;
b. Chimpansees: 3 jaar;
c. Rhesus-apen: 1 jaar;
d. Beermakaken: 1 jaar;
e. Java-apen: 1 jaar;
f. Marmosets: 8 maanden;
g. Doeroecoeli’s: 1 jaar;
h. Doodshoofdapen: 7 maanden.
3.
In afwijking van het eerste lid, is de leeftijd, bedoeld in artikel 2.2, zevende lid, van de wet, voor varkens 21 dagen, indien de biggen naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die:
a. volledig worden leeggemaakt en grondig zijn gereinigd en ontsmet voordat een nieuwe groep biggen is binnengebracht, en
b. gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen zijn gehouden om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken.
4.
Artikel 2.2, zevende lid, van de wet, is niet van toepassing indien de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier.
Artikel 1.21. Verrichten van ingrepen door de houder
Als diergeneeskundige handeling als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen het door de houder van een dier bij dat dier toepassen van een diergeneesmiddel waarvan toepassing krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet aan die houder is toegestaan, waaronder begrepen het verrichten van een lichamelijke ingreep, indien die ingreep onderdeel uitmaakt van de voor dat diergeneesmiddel voorgeschreven toedieningswijze, voor zover de toediening subcutaan of intramusculair plaatsvindt en de handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
1.
Het is een houder van een dier verboden om een diergeneesmiddel of een diervoeder met medicinale werking op of in de nabijheid van de ruimte of het terrein waar dieren worden gehouden danwel zijn bedrijf aanwezig te doen zijn, indien toepassing van dit diergeneesmiddel bij de aanwezige dieren of het voederen van het diervoeder met medicinale werking aan deze dieren niet is toegestaan volgens de informatie die krachtens wettelijk voorschrift of verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU 2004, L 136), is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking of bij deze verpakking is gevoegd.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld:
a. voor de uitvoering van een EU-rechtshandeling inzake het gebruik van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking met bijzondere eigenschappen en
b. over het bewaren en de te bewaren hoeveelheid van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking om te waarborgen dat de te bewaren hoeveelheid beperkt blijft tot toepassing bij de dieren waarvoor deze hoeveelheid is voorgeschreven en afgeleverd.
1.
Een houder van een dier past geen diergeneesmiddelen of diervoeders met medicinale werking toe, indien volgens de informatie die krachtens wettelijk voorschrift of verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PbEU 2004, L 136), is aangebracht op de verpakking van het diergeneesmiddel of het diervoeder met medicinale werking danwel bij deze verpakking is gevoegd, die toepassing aan een dierenarts of aan een andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste en vijfde lid, van de wet is voorbehouden.
2.
In afwijking van het eerste lid kan een dierenarts een diergeneesmiddel als bedoeld in de artikelen 5.1, eerste lid, of 5.2, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen dat aan een dierenarts of een arts is voorbehouden, met toepassing van de artikelen 5.1, derde lid, of 5.2, derde lid, van het Besluit diergeneeskundigen door de houder van het dier laten toepassen, met uitzondering van diergeneesmiddelen die substanties met hormonale werking, thyreostatische werking of ß-agonisten bevatten als bedoeld in bijlagen II en III bij richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij daarin bij die richtlijn is voorzien.
3.
In afwijking van het eerste lid kan een houder van dieren een diergeneesmiddel toepassen in de gevallen die zijn aangewezen krachtens artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en c, van het Besluit diergeneesmiddelen.
1.
Een houder van een dier volgt bij de uitvoering van voorschriften in een bijsluiter of op het etiket van een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking de nadere aanwijzingen op die een dierenarts in het recept voor dat diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking heeft gegeven.
2.
Wanneer de nadere aanwijzingen in een recept betrekking hebben op een diergeneesmiddel dat met toepassing van de artikelen 5.1 of 5.2 van het Besluit diergeneeskundigen is voorgeschreven, volgt de houder van dieren de nadere aanwijzingen, bedoeld in het eerste lid, op ook als deze afwijken van de bijsluiter of het etiket bij het diergeneesmiddel.
Artikel 1.25. Administratie diergeneesmiddelen door houders van dieren
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de administratie van de ontvangst en toepassing van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking door de houder van een dier en over het administreren van gegevens inzake het zich ontdoen van resten en lege verpakkingen van diergeneesmiddelen en diervoeders met medicinale werking.
Artikel 1.26. Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen
Het is degen die een dier houdt verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld in artikel 5.7, het eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen toe te passen, indien uit de in dat lid bedoelde gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn.
1.
Een houder van dieren die bij ministeriële regeling aan te wijzen diergeneesmiddelen ontvangt, doet in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen melding in een register dat daartoe door Onze Minister is aangewezen.
2.
De beheerder van een register verstrekt aan de houder van dieren, op basis van de melding, informatie over het gebruik van de betreffende diergeneesmiddelen.
3.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de gegevens die bij de melding worden verstrekt;
b. de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan;
c. de aard van de informatie die wordt verstrekt.
4.
Tarieven voor een vergoeding die de beheerder van een register in rekening brengt voor het verwerken van een melding als bedoeld in het eerste lid, en het verstrekken van informatie als bedoeld in het tweede lid, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
5.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de voorwaarden voor aanwijzing van registers en de gevallen waarin een aanwijzing kan worden ingetrokken, dan wel geschorst;
b. goedkeuring van tarieven en de gevallen waarin een besluit tot goedkeuring kan worden ingetrokken, dan wel geschorst.
1.
Een houder van dieren draagt er in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen zorg voor dat er overeenkomstig artikel 5.9, eerste lid, van het Besluit diergeneeskundigen een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan worden opgesteld.
2.
Een houder van dieren handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan dat in overleg met hem is opgesteld, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken.
Artikel 2.1. Aanwijzing productiedieren
Als diersoorten of diercategorieën als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën die worden genoemd in bijlage II bij dit besluit, met dien verstande dat pluimvee waarbij een lichamelijke ingreep is verricht die krachtens de wet niet is toegestaan, niet is aangewezen.
Artikel 2.2. Reikwijdte
Deze paragraaf en de artikelen 2.9 en 2.10 zijn van toepassing op dieren die met het oog op de productie van producten, afkomstig van die dieren of voor andere landbouwdoeleinden worden gefokt of gehouden, met uitzondering van vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren.
Artikel 2.3. Houden van productiedieren
Wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, wordt het voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.
1.
Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen.
2.
Een dier dat wordt gehouden in een veehouderijsysteem waar zijn welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens, wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd.
3.
Een dier dat in een ander systeem wordt gehouden dan het systeem, bedoeld in het tweede lid, wordt zo vaak gecontroleerd dat lijden wordt voorkomen.
4.
Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een passend onderkomen dat zo nodig is voorzien van droog strooisel.
5.
Wanneer de zorg, bedoeld in artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, geen verbetering in de toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.
6.
Een dier krijgt voedsel met ten minste de tussenpozen die bij zijn fysiologische behoeften passen.
7.
Het toegediende voer en drinken alsmede de wijze van toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe.
1.
Onverminderd artikel 1.8, eerste lid, wordt een dier niet permanent in het duister of in kunstlicht gehouden zonder dat dit voor een passende periode wordt uitgeschakeld en is, indien het beschikbare natuurlijke licht niet voldoende is voor de ethologische en fysiologische behoeften van het dier, in de ruimte waarin het dier wordt gehouden geschikt kunstlicht aanwezig.
2.
In een ruimte waarin dieren worden gehouden is voldoende verlichting aanwezig voor een grondige controle van die dieren op elk willekeurig tijdstip.
3.
Het materiaal dat wordt gebruikt voor de behuizing waarin een dier wordt gehouden is niet schadelijk voor het dier en kan grondig gereinigd en ontsmet worden.
4.
De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier zijn niet schadelijk voor het dier.
5.
Indien de gezondheid en het welzijn van een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, is dat voorzien van een passend noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt.
6.
Indien het ventilatiesysteem, bedoeld in het vijfde lid, uitvalt, treedt een alarmsysteem in werking, dat regelmatig wordt getest.
7.
Voeder- of drinkinstallaties zijn zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voer en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen dieren tot een minimum worden beperkt.
8.
De in dit artikel bedoelde apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van een dier wordt ten minste eenmaal per dag gecontroleerd.
9.
Indien bij de controle, bedoeld in het achtste lid, defecten worden geconstateerd, worden deze onmiddellijk hersteld of, indien herstel niet mogelijk is, worden de nodige maatregelen getroffen om de gezondheid en het welzijn van het dier veilig te stellen.
Artikel 2.6. Verrichten van ingrepen door de houder
Als handeling als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet wordt aangewezen het door de houder van het dier verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.5, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen.
Artikel 2.7. Te verstrekken inlichtingen
De houder van een dier dat voor de productie van levensmiddelen bestemd is, verstrekt, onverminderd artikel 8.4, tweede lid, van de wet, aan de door Onze Minister krachtens de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.14, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren en de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit desgevraagd alle inlichtingen over het voorschrijven van diergeneesmiddelen en het uitvoeren van behandelingen met diergeneesmiddelen bij dieren die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd.
1.
Het is verboden een dier te verkopen, voor de verkoop aan te bieden, in de handel te brengen of af te leveren voor de slacht als voedselproducerend dier als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), indien het vlees van het dier een farmacologisch actieve werkzame stof bevat:
a. die een maximum residulimiet overschrijdt als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van deze verordening of
b. waarvoor een actiedrempel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening is vastgesteld.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na de behandeling van een dier met een diervoerder met medicinale werking.
Artikel 2.9. Toediening stoffen
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 2.19, derde lid, van de wet, worden geen stoffen aan een dier toegediend, behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG (PbEG 1996, L 125), tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.
1.
Onverminderd artikel 1.25 en het overigens krachtens de artikelen 2.2, negende of tiende lid, en 2.19 van de wet bepaalde wordt door de houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar door de houder bewaard.
Artikel 2.11. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
beer: geslachtsrijp varken van het mannelijk geslacht dat kennelijk bestemd is voor de fokkerij;
gebruiksvarken: varken met een leeftijd van ten minste tien weken tot aan het moment waarop het wordt geslacht dan wel een beer of gelt is geworden;
gelt: geslachtsrijp varken van het vrouwelijk geslacht dat nog niet heeft geworpen, kennelijk bestemd voor de fokkerij;
gespeend varken: gespeend varken met een leeftijd tot 10 weken;
spenen: blijvend onttrekken van biggen aan een zogende zeug;
stal: ruimte bestemd voor het houden van één of meer varkens;
volwassen beer: beer van 18 maanden of ouder;
zogende zeug: zeug tot aan het spenen van de biggen.
Artikel 2.12. Verrichten van ingrepen door de houder
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het varken:
a. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.3, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan zeven dagen;
c. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.3, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen, mits dit geschiedt met betrekking tot een bepaald dier op aanwijzing van een praktiserende dierenarts.
1.
Gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen worden in afzonderlijke groepen gehouden.
2.
Een groep gespeende varkens wordt uiterlijk één week na het spenen gevormd.
3.
Een groep gebruiksvarkens wordt gevormd uit varkens afkomstig uit één groep gespeende varkens.
4.
Aan een eenmaal gevormde groep gespeende varkens of gebruiksvarkens worden geen varkens toegevoegd.
1.
Er worden maatregelen getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens.
2.
Bij tekenen van ernstige gevechten tussen varkens vindt onmiddellijk onderzoek plaats naar de oorzaken daarvan.
1.
In afwijking van artikel 2.13, eerste lid, is het toegestaan:
a. een zeug ten behoeve van het zogen van de biggen, tezamen met de biggen, individueel te houden;
b. een gelt of zeug individueel te houden:
vanaf één week voor het berekende tijdstip van werpen tot het tijdstip van werpen;
vanaf het spenen tot en met vier dagen na de dag van natuurlijke dekking of kunstmatige inseminatie;
c. gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten of zeugen tijdelijk af te zonderen van de groep voor de periode die nodig is:
voor het om gezondheidsredenen onderzoeken of behandelen van het varken;
voor het drachtigheidsonderzoek of het winnen van sperma;
voor identificatie, wassen, ontsmetten of wegen van het varken;
voor voeropname;
om de stal te reinigen;
d. varkens tijdelijk af te zonderen van de groep indien de varkens buitengewoon agressief zijn of ziek of gewond zijn, dan wel door andere varkens zijn aangevallen.
2.
Bij een tijdelijke afzondering van de groep als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, beschikken de varkens over voldoende ruimte om zich te kunnen omdraaien, voor zover specifiek veterinair advies niet anders luidt.
Artikel 2.16. Algemene eisen stalinrichting
Stallen waarin varkens worden gehouden zijn op zodanige wijze ingericht dat de varkens:
a. toegang hebben tot een schone en comfortabele ruimte met een adequate waterafvoer, waar alle varkens tegelijk kunnen liggen;
b. kunnen rusten en ongehinderd kunnen opstaan;
c. andere varkens kunnen zien.
1.
De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gelten na dekking of zeugen zonder biggen, die in een groep worden gehouden, bedraagt per gelt of zeug ten minste 2,25 m 2 .
2.
De voor de varkens beschikbare oppervlakte van een stal bestemd voor gespeende varkens, gebruiksvarkens en niet in een groep gehouden gelten of zeugen bedraagt per varken met een gemiddeld gewicht ten minste:
a. tot 15 kg: 0,20 m 2 ;
b. van 15 tot 30 kg: 0,30 m 2 ;
c. van 30 tot 50 kg: 0,50 m 2 ;
d. van 50 tot 85 kg: 0,65 m 2 ;
e. van 85 tot 110 kg: 0,80 m 2 ;
f. van meer dan 110 kg: 1,0 m 2 .
3.
De in het eerste lid bedoelde beschikbare oppervlakte
a. wordt per gelt of zeug met 10% vergroot indien deze dieren in groepen van minder dan zes varkens worden gehouden, of
b. kan per gelt of zeug met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.
4.
De in het tweede lid bedoelde beschikbare oppervlakte kan per gespeend varken of gebruiksvarken met een gemiddeld gewicht van meer dan 15 kg, met 10% worden verkleind indien deze dieren in groepen van meer dan 40 varkens worden gehouden.
1.
De voor de varkens beschikbare vloer van een stal bestaat niet geheel uit roostervloer, tenzij de vloer is bestemd voor gespeende varkens of zogende zeugen met biggen en niet is vervaardigd van beton.
2.
Indien de vloer van de in artikel 2.17, eerste lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de voor gelten of zeugen zonder biggen beschikbare vloer per gelt of zeug ten minste 1,3 m 2 .
3.
Indien de vloer van de in artikel 2.17, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer per varken ten minste 40% van de ingevolge artikel 2.17 voorgeschreven beschikbare oppervlakte per varken.
4.
Indien de vloer van de in artikel 2.17, tweede lid, bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt, in afwijking van het derde lid, vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de oppervlakte van het dichte deel van de voor varkens beschikbare vloer per varken met een gemiddeld gewicht ten minste:
a. tot 30 kg: 0,24 m 2 ;
b. van 30 tot 50 kg: 0,35 m 2 ;
c. van 50 tot 85 kg: 0,45 m 2 ;
d. van 85 tot en met 110 kg: 0,60 m 2 ;
e. van meer dan 110 kg: 0,75 m 2 .
5.
Indien de vloer van de in artikel 2.20 bedoelde stal gedeeltelijk uit roostervloer bestaat, bedraagt de oppervlakte van het dichte deel van de vloer ten minste twee derden van de totale vloeroppervlakte.
6.
Een vloer of een gedeelte daarvan, die is voorzien van gierdoorlatende openingen, wordt als dicht beschouwd indien:
a. het totaal aan gierdoorlatende openingen niet meer bedraagt dan 5% van de totale oppervlakte van het dichte deel van de vloer, en
b. de breedte van gierdoorlatende spleten ten hoogste 10 mm en de doorsnede van ronde gierdoorlatende openingen ten hoogste 20 mm bedraagt.
1.
Gelten en zeugen worden niet aangebonden gehouden.
2.
De zijden van de stal waarin een groep gelten en zeugen wordt gehouden, zijn langer dan 2,8 meter. Indien minder dan zes gelten of zeugen in een groep worden gehouden, zijn de zijden van de stal waarin deze groep wordt gehouden langer dan 2,4 meter.
3.
In een stal waarin gelten of zeugen zonder biggen in voerligboxen worden gehouden, heeft elk varken de beschikking over een vrije ruimte met een lengte van ten minste 2 meter.
4.
Een stal bestemd voor een gelt of een zeug is zodanig ingericht dat achter de gelt of de zeug voldoende vrije ruimte beschikbaar is voor het natuurlijke of het begeleide werpen.
5.
Een stal bestemd voor een zogende zeug met biggen, waarin de zeug zich vrij kan bewegen en kan omdraaien, is voorzien van een bescherming voor de biggen.
6.
In een stal waarin een zogende zeug met biggen zich niet vrij kan bewegen of omdraaien, beschikken de biggen over voldoende ruimte om ongehinderd te kunnen worden gezoogd.
1.
Een beer wordt op zodanige wijze gehuisvest dat hij zich kan omdraaien en andere varkens kan horen, ruiken en zien.
2.
De beschikbare oppervlakte in een stal bestemd voor een beer bedraagt ten minste:
a. voor een beer jonger dan 12 maanden: 4 m 2 ;
b. voor een beer van 12 maanden tot 18 maanden: 5 m 2 ;
c. voor een beer van 18 maanden of ouder: 6 m 2 ;
d. ingeval de stal tevens voor het dekken wordt gebruikt: 10 m 2 .
3.
De beschikbare oppervlakte in een stal als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, is voor een beer vrij beschikbaar.
1.
De spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer is over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk en bedraagt bij stallen bestemd voor:
a. zeugen zonder biggen en gelten na dekking: ten hoogste 20 mm;
b. zogende zeugen met biggen: ten hoogste 10 mm bij betonroostervloeren en 12 mm bij andere roostervloeren;
c. gespeende varkens: ten hoogste 14 mm bij betonroostervloeren en 15 mm bij andere roostervloeren;
d. gebruiksvarkens: ten hoogste 20 mm.
2.
De balkbreedte van de roosterbalken van een betonroostervloer bedraagt bij een stal bestemd voor:
a. biggen en gespeende varkens: ten minste 50 mm;
b. gebruiksvarkens, gelten na dekking en zeugen: ten minste 80 mm.
1.
Varkens beschikken permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.
2.
Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen over voldoende en adequaat nestmateriaal, tenzij dit in verband met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.
3.
Het dichte deel van de vloer van een stal bestemd voor een beer of een zogende zeug met biggen is voorzien van strooisel als bedoeld in het eerste lid dan wel, voor wat betreft een zogende zeug met biggen, bedekt met een rubber mat.
4.
Biggen beschikken over een dichte vloer of een vloer bedekt met een rubber mat waarvan de oppervlakte ten minste 0,6 m 2 per toom biggen bedraagt.
1.
De lichtintensiteit in een stal bestemd voor varkens bedraagt verticaal op dierhoogte gemeten ten minste 40 lux gedurende ten minste 8 uur per dag.
2.
In een stal bestemd voor varkens wordt een continue geluidsniveau van 85 dBA of hoger alsmede constant of plotseling lawaai vermeden.
Artikel 2.24. Parasietbehandeling en schoonmaak
Drachtige zeugen en gelten worden zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten behandeld en worden voordat zij in het kraamhok worden gebracht grondig schoongemaakt.
Artikel 2.25. Voedersysteem
Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.
1.
Varkens worden ten minste eenmaal per dag gevoederd.
2.
Varkens ouder dan twee weken beschikken permanent over voldoende vers water.
3.
Aan guste en drachtige zeugen en gelten wordt een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer verstrekt om hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien.
Artikel 2.27. Invoer vanuit derde land
De invoer van varkens die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de varkens vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (Gecodificeerde versie; PbEG 2009, L 47).
Artikel 2.28. Verrichten van ingrepen door de houder
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door houder van het rund:
a. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.1, onderdeel d, van het Besluit diergeneeskundigen, bij runderen, mits het dier jonger is dan vier weken;
b. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.4, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, mits de ingreep geschiedt op aanwijzing van een plaatselijk praktiserende dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast en voor zover deze handeling wordt verricht bij runderen jonger dan twee maanden met behulp van een elektrische of heteluchtmethode dan wel bij runderen ouder dan zes maanden door middel van een draadzaag;
d. het intraveneus toedienen aan een rund van een vloeistof die als werkzame bestanddelen uitsluitend calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 450 ml;
e. openleggen van zoolzweren bij runderen.
Artikel 2.29. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
eenlingbox: ruimte met ten minste drie wanden bestemd voor het huisvesten van één kalf;
kalf: rund behorend tot de soort Bos primigenius taurus, van ten hoogste zes maanden;
stal: ruimte bestemd voor het, al dan niet in eenlingboxen, houden van één of meer kalveren;
vleeskalf: kalf dat kennelijk wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten hoogste acht maanden;
vleesstierkalf: kalf van het mannelijk geslacht dat wordt opgefokt tot een rund bestemd om met het oog op de vleesproductie te worden geslacht op een leeftijd van ten minste acht maanden.
Artikel 2.30. Toepassingsbereik
De artikelen 2.32 en 2.33 zijn niet van toepassing op een kalf dat door de moeder wordt gezoogd.
1.
Een kalf wordt niet aangebonden gehouden.
2.
In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om kalveren in groepshokken aan te binden tijdens het voederen van melk of een melkvervangend preparaat voor ten hoogste één uur.
3.
Het aanbinden, bedoeld in het tweede lid, vindt plaats met een verbindingsmiddel dat zodanig is ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij het kalf optreedt en het kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken.
4.
Een verbindingsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt regelmatig geïnspecteerd en eventueel bijgesteld om te zorgen dat het gemakkelijk zit.
5.
Een kalf wordt niet gemuilkorfd.
1.
Een kalf ouder dan 8 weken wordt niet in een eenlingbox gehuisvest.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een dierenarts heeft bepaald dat een kalf in verband met zijn gezondheid of gedrag moet worden geïsoleerd om te worden behandeld.
3.
Indien een kalf anders dan in eenlingboxen wordt gehouden, heeft een kalf met een levend gewicht van:
a. minder dan 150 kg, de beschikking over ten minste 1,5 m 2 vloeroppervlakte;
b. 150 kg tot 220 kg, de beschikking over ten minste 1,7 m 2 vloeroppervlakte;
c. 220 kg of meer, de beschikking over ten minste 1,8 m 2 vloeroppervlakte.
1.
Indien een kalf in een eenlingbox wordt gehouden, heeft die eenlingbox een breedte van ten minste de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het kalf rechtop staat, en een lengte van ten minste 1,1 maal de lichaamslengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel (tuber ischii).
2.
Met uitzondering van een eenlingbox die voor het isoleren van zieke dieren wordt gebruikt, zijn de wanden van een eenlingbox zodanig uitgevoerd dat naast elkaar gehouden kalveren elkaar kunnen zien en aanraken.
1.
De stal is zodanig ingericht dat een kalf zonder problemen kan liggen, rusten, opstaan en zich zonder problemen kan likken.
2.
Indien kalveren in een stal met ligboxen worden gehouden, is het aantal ligboxen ten minste gelijk aan het aantal kalveren.
1.
De vloer van een stal is stroef en aangepast aan het gewicht en de grootte van de kalveren en vormt een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de eigenschappen van de vloer.
1.
De ligruimte van een stal is comfortabel en zindelijk, beschikt over een behoorlijke afvoer en is niet schadelijk voor de kalveren.
2.
De vloer van de stal van kalveren jonger dan twee weken is ingestrooid met adequaat strooisel.
3.
Kalveren met uitzondering van vleesstierkalveren ouder dan twee maanden beschikken over ligruimte die is ingestrooid of is voorzien van een kunststof mat, houten lattenrooster of rubber toplaag.
4.
De oppervlakte van de ligruimte bedraagt in stallen waarin de kalveren niet zijn aangebonden of niet in eenlingboxen zijn gehuisvest, voor kalveren tot een leeftijd van drie maanden ten minste 0,50 m 2 beschikbare ruimte per kalf en voor kalveren ouder dan drie maanden ten minste 0,70 m 2 beschikbare ruimte per kalf.
1.
Kalveren beschikken over passend dag- of kunstlicht.
2.
Van passend dag- of kunstlicht is in ieder geval sprake indien de oppervlakte van lichtdoorlatend materiaal in wand of dak van een stal bestemd voor vleeskalveren ten minste 2% van de vloeroppervlakte van de stal bedraagt en van een stal bestemd voor andere kalveren dan vleeskalveren ten minste 5% bedraagt van die oppervlakte, waarbij het materiaal zodanig is aangebracht dat het licht in de stal gelijkmatig is gespreid.
1.
Indien kalveren in groepshokken worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch voedersysteem worden gevoederd, is de breedte van het voerhek zodanig dat alle kalveren tegelijk kunnen eten.
2.
De breedte van het voerhek bedraagt ten minste 0,40 m per kalf.
3.
In stallen voorzien van een systeem van voorraadvoedering beschikken kalveren over ten minste één eetplaats per drie kalveren.
Artikel 2.39. Voeder- en drinkinstallaties
De installaties die voor het voederen en drenken worden gebruikt, zijn op zodanige wijze ontworpen, gebouwd en geplaatst en worden op zodanige wijze onderhouden, dat gevaar voor verontreiniging van het voor de kalveren bestemde voer en water wordt beperkt.
Artikel 2.40. Apparatuur
Maatregelen als bedoeld in artikel 2.5, negende lid, bestaan in ieder geval uit het toepassen van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat.
1.
Kalveren worden ten minste tweemaal per dag gevoederd.
2.
Onverminderd de artikelen 1.7, onderdeel e, en 2.4, zesde lid, beschikken kalveren over voer dat beantwoordt aan de met hun gedrag samenhangende behoeften.
3.
De voeding bevat voldoende ijzer om een gemiddeld hemoglobinegehalte van ten minste 4.5 mmol/l te bereiken.
4.
Aan kalveren ouder dan twee weken wordt dagelijks een hoeveelheid vezelhoudend voer verstrekt, welke hoeveelheid voor kalveren van 8 tot 20 weken oud wordt verhoogd van 50 gram tot 250 gram per dag.
1.
In afwijking van artikel 1.7, onderdeel f, kunnen aan een kalf ouder dan twee weken ook andere vloeistoffen dan water worden verstrekt om in zijn behoefte aan drinken te voorzien.
2.
Bij warm weer en voor zieke kalveren is permanent vers drinkwater beschikbaar.
3.
Kalveren krijgen zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen zes uur na hun geboorte, koebiest te drinken.
Artikel 2.43. Inspectie
In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden op stal gehouden kalveren ten minste tweemaal per dag en in de open lucht gehouden kalveren ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd.
1.
De stal, eenlingboxen, uitrusting en gereedschap voor kalveren worden op passende wijze gereinigd en ontsmet teneinde kruiscontaminatie en ziekteverwekkers te voorkomen.
2.
Uitwerpselen, urine en niet opgegeten of gemorst voer worden zo vaak mogelijk verwijderd, zodat de reuk zoveel mogelijk wordt beperkt en geen vliegen en knaagdieren worden aangetrokken.
Artikel 2.45. Zieke en gewonde dieren
Het afzonderen, bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, vindt plaats in een adequate ruimte die is voorzien van droog en comfortabel strooisel en die plaats biedt aan ten minste 1% van het aantal gehouden kalveren en indien dit minder is dan één, aan ten minste één kalf.
Artikel 2.46. Invoer vanuit derde land
De invoer van kalveren die vanuit een derde land via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de de Europese Unie worden gebracht, is slechts toegestaan indien de kalveren vergezeld gaan van een geldig, door de bevoegde autoriteit van dat derde land afgegeven, volledig ingevuld en gedagtekend certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2008/119/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (Gecodificeerde versie; PbEU 2008, L 10).
Artikel 2.47. Verrichten van ingrepen door de houder
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van het pluimvee:
a. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.1, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen ten behoeve van het afnemen van bloed bij kippen, kalkoenen en eenden, voor zover deze handeling niet krachtens een ander wettelijk voorschrift aan anderen is voorbehouden.
b. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan twee dagen;
d. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel e, van het Besluit diergeneeskundigen, mits het dier niet ouder is dan twee dagen;
e. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel n, van het Besluit diergeneeskundigen.
Artikel 2.48. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
bezettingsdichtheid: totale levende gewicht van vleeskuikens die tegelijkertijd in de stal per vierkante meter bruikbare oppervlakte aanwezig zijn;
bruikbare oppervlakte: van strooisel voorziene oppervlakte die te allen tijde voor vleeskuikens toegankelijk is;
dagelijkse mortaliteit: aantal vleeskuikens dat op dezelfde dag in een stal gestorven is, met inbegrip van de vleeskuikens die zijn gedood als bedoeld in hoofdstuk 5, gedeeld door het aantal vleeskuikens dat op die dag in de stal aanwezig was, vermenigvuldigd met 100;
gecumuleerde dagelijkse mortaliteit: som van de dagelijkse mortaliteitscijfers;
koppel: groep vleeskuikens die in een stal zijn ondergebracht en gelijktijdig in die stal aanwezig zijn;
pluimveebedrijf: productieplaats waar vleeskuikens worden gehouden;
richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43//EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182);
stal: gebouw op een pluimveebedrijf waar een koppel vleeskuikens wordt gehouden;
vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees.
Artikel 2.49. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op:
a. pluimveebedrijven met minder dan 500 vleeskuikens;
b. pluimveebedrijven met alleen vermeerderingsdieren;
c. broederijen;
d. vleeskuikens in extensieve scharrel- en vrije-uitloophouderijen als bedoeld in bijlage V onder b, c, d en e, bij verordening (EG) nr. 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee (PbEU 2007, L 157);
e. vleeskuikens gehouden overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 11, derde lid, van de verordening, genoemd in onderdeel d;
f. vleeskuikens gehouden overeenkomstig verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PbEU 1991, L 198).
1.
Het is verboden vleeskuikens te houden.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing indien:
a. de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 33 kg/m 2 , en
b. wordt voldaan aan de artikelen 2.51 tot en met 2.54.
3.
In afwijking van het eerste lid en het tweede lid, onderdeel a, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 33 kg/m 2 , indien:
a. de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 39 kg/m 2 , en
b. wordt voldaan aan de artikelen 2.55 tot en met 2.58.
4.
In afwijking van het eerste lid, het tweede lid, onderdeel a en het derde lid, is het toegestaan vleeskuikens te houden met een hogere bezettingsdichtheid dan 39 kg/m 2 , indien:
a. de bezettingsdichtheid niet hoger is dan 42 kg/m 2 , en
b. wordt voldaan aan het gestelde bij of krachtens de artikelen 2.55 tot en met 2.64.
Artikel 2.51. Houden, huisvesten en verzorgen
Vleeskuikens worden gehouden, gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de punten 1 tot en met 10 van bijlage I van richtlijn 2007/43/EG.
1.
De houder registreert voor elke stal de volgende gegevens:
a. het aantal binnengebrachte vleeskuikens;
b. de bruikbare oppervlakte;
c. de kruising of het ras van de vleeskuikens, indien bekend;
d. ten aanzien van iedere controle, het aantal dood aangetroffen vleeskuikens met een indicatie van de oorzaken, indien bekend, alsmede het aantal gedode vleeskuikens, met de reden, en
e. het resterende aantal vleeskuikens in het koppel nadat er vleeskuikens uit zijn verwijderd voor verkoop of slacht.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaren bewaard en worden bij een inspectie of op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzamelen en verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de bezettingsdichtheid.
1.
Wanneer een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, aan de houder en een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet, gegevens heeft verstrekt met betrekking tot de dagelijkse mortaliteit, de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit of de resultaten van de post mortem keuring die wijzen op slechte dierenwelzijnsomstandigheden, neemt de desbetreffende houder passende maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn.
2.
Onze Minister treft, ingeval een dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, informatie heeft verstrekt als bedoeld in het eerste lid, maatregelen ter verbetering van het dierenwelzijn, die onder meer kunnen inhouden:
a. een verplichting voor de houder tot het opstellen van een plan van aanpak;
b. een verbod voor de houder op het houden van vleeskuikens, tenzij de bezettingsdichtheid niet hoger is dan een bij die maatregel vast te stellen gewicht per vierkante meter, gedurende een bij die maatregel bepaalde periode.
3.
Het plan van aanpak, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
1.
De houder van vleeskuikens, voor zover deze een natuurlijke persoon is, is in het bezit van een door Onze Minister erkend certificaat waaruit blijkt dat hij passende cursussen heeft voltooid of gelijkwaardige ervaring heeft opgedaan.
2.
Van gelijkwaardige ervaring als bedoeld in het eerste lid is in elk geval sprake wanneer de ervaring is opgedaan voor 1 februari 2011.
3.
De cursussen, bedoeld in het eerste lid, zijn toegespitst op welzijnsaspecten en hebben in ieder geval betrekking op:
a. de voorschriften van bijlage I van richtlijn 2007/43/EG en de artikelen 2.56 en 2.57;
b. de fysiologie, met name de drink- en voederbehoeften, het diergedrag en het begrip stress;
c. de praktische aspecten van de zorgzame omgang met vleeskuikens en van het vangen, laden en transporteren van vleeskuikens;
d. eerste hulp voor vleeskuikens, het noodslachten en het doden van vleeskuikens;
e. preventieve maatregelen op het gebied van bioveiligheid.
4.
De houder verstrekt instructies en advies over de relevante voorschriften inzake dierenwelzijn, inclusief die met betrekking tot de dodingsmethoden die op de pluimveebedrijven worden toegepast, aan de personen die hij in dienst heeft of die voor hem diensten verrichten en die voor vleeskuikens zorgen of vleeskuikens vangen en laden.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en derde lid.
1.
De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 33 kg/m 2 , stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn.
2.
Indien Onze Minister daarom verzoekt, stuurt de houder een samenvatting van de informatie, bedoeld in artikel 2.56, tweede lid, toe.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.
1.
De houder legt per stal een verzameling van documenten aan waarin de productiesystemen in detail zijn beschreven.
2.
De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval informatie over technische details van de stal en de uitrusting van de stal, waaronder:
a. een plattegrond van de stal met inbegrip van de afmetingen van de door de vleeskuikens ingenomen oppervlakten;
b. het ventilatiesysteem en het koel- of verwarmingssysteem en de locatie van deze systemen;
c. het ventilatieschema met de beoogde parameters over luchtkwaliteit, zoals luchtstroming, luchtsnelheid en temperatuur;
d. de voeder- en watervoorziening en de locatie ervan;
e. de alarm- en reservesystemen die in werking treden in geval van een storing van de automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren;
f. het vloertype, en
g. het normaliter gebruikte strooisel.
3.
De verzameling documenten, bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek aan Onze Minister ter beschikking gesteld.
4.
Indien de documenten op grond van het derde lid aan Onze Minister ter beschikking zijn gesteld, brengt de houder Onze Minister onverwijld op de hoogte van eventuele wijzigingen in de beschreven stal, uitrusting of procedures die van invloed kunnen zijn op het welzijn van de dieren.
Artikel 2.57. Ventilatie en koelverwarmingssystemen
De houder rust elke stal van zijn pluimveebedrijf uit met een ventilatiesysteem en met koel- of verwarmingssystemen, die zo zijn ontworpen en gebouwd en die zo functioneren dat:
a. de concentratie van ammoniak niet hoger is dan 20 ppm en de concentratie van kooldioxide niet hoger is dan 3.000 ppm, gemeten ter hoogte van de kop van de vleeskuikens;
b. de binnentemperatuur de buitentemperatuur met niet meer dan 3°C overschrijdt wanneer het buiten in de schaduw warmer is dan 30°C, en
c. de gemiddelde relatieve vochtigheidsgraad in de stal over een periode van 48 uur niet hoger is dan 70% bij een buitentemperatuur van minder dan 10°C.
1.
De houder draagt er zorg voor dat de documentatie bij een koppel vleeskuikens dat ter slachting wordt aangeboden, gegevens bevat over:
a. de door de houder berekende dagelijkse mortaliteit en gecumuleerde dagelijkse mortaliteit en
b. de kruising of het ras van de vleeskuikens.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt, worden onder toezicht van de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, door de exploitant van het slachthuis geregistreerd met vermelding van het pluimveebedrijf van herkomst en de stal van het desbetreffende pluimveebedrijf. De aannemelijkheid van de juistheid van de gegevens wordt door de exploitant van het slachthuis geverifieerd, rekening houdend met het aantal geslachte vleeskuikens en met het aantal vleeskuikens dat dood bij het slachthuis aankomt.
1.
De houder die voornemens is een zodanig aantal vleeskuikens te gaan houden dat de bezettingsdichtheid hoger zal worden dan 39 kg/m 2 , stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen en geeft daarbij aan hoe hoog de bezettingsdichtheid zal zijn.
2.
Artikel 2.55, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
In de twee jaren, voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, zijn door ambtenaren als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de wet, dan wel in voorkomend geval door ambtenaren als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren op het pluimveebedrijf geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf onderscheidenlijk van het Vleeskuikenbesluit 2010 waargenomen.
2.
Ingeval er op het pluimveebedrijf in de twee jaren, bedoeld in het eerste lid, geen toezicht op de naleving van deze paragraaf heeft plaatsgevonden, geldt in afwijking van het eerste lid, dat er alsnog toezicht plaatsvindt, en hierbij geen tekortkomingen in de naleving van deze paragraaf worden waargenomen.
Artikel 2.61. Gidsen voor goede praktijken
De houder maakt bij de bedrijfsvoering gebruik van gidsen voor goede praktijken, die aanbevelingen bevatten voor de naleving van deze paragraaf.
1.
De gecumuleerde dagelijkse mortaliteit van ten minste zeven opeenvolgende gecontroleerde koppels van een stal bedraagt voorafgaand aan de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, minder dan de som van:
a. 1% en
b. 0,06%, vermenigvuldigd met de slachtleeftijd van de dieren, uitgedrukt in dagen.
2.
Ingeval de gecumuleerde dagelijkse mortaliteit meer bedraagt dan de som, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister besluiten het eerste lid buiten toepassing te laten, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de hogere gecumuleerde dagelijkse mortaliteit heeft verstrekt en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voorkomen van de aandoening voetzoollaesies bij vleeskuikens.
2.
De houder voldoet aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften.
3.
Indien de houder niet kan voldoen aan de krachtens het eerste lid vastgestelde voorschriften, kan Onze Minister ontheffing verlenen van het tweede lid, indien de houder naar het oordeel van Onze Minister een toereikende verklaring voor de buitengewone aard van de overschrijding van de norm, heeft verstrekt, en heeft aangetoond dat er sprake is van overmacht.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een nieuw pluimveebedrijf: een pluimveebedrijf waar vleeskuikens worden gehouden en dat van start gaat na de inwerkingtreding van deze paragraaf.
2.
De artikelen 2.60 tot en met 2.62 zijn niet van toepassing op een pluimveebedrijf waar voorafgaand aan 1 februari 2011 vleeskuikens worden gehouden tot het tijdstip waarop door een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, eerste lid, van de wet toezicht is uitgeoefend op de naleving van deze paragraaf.
3.
De houder van een pluimveebedrijf als bedoeld in het tweede lid stelt Onze Minister binnen 15 dagen na inwerkingtreding van deze paragraaf in kennis van zijn voornemen om een zodanig aantal vleeskuikens te houden dat de bezettingsdichtheid na de inwerkingtreding van deze paragraaf hoger zal zijn dan 39 kg/m 2 .
4.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op:
a. een nieuw pluimveebedrijf;
b. een pluimveebedrijf waar voorheen vleeskuikens werden gehouden op een wijze als bedoeld in artikel 2.49, eerste lid, en dat overstapt op het houden van vleeskuikens op een wijze waarop deze paragraaf van toepassing is.
1.
De houder die voornemens is wijziging aan te brengen in het door hem te houden aantal vleeskuikens, waardoor de bezettingsdichtheid lager wordt dan 33 of 39 kg/m 2 , stelt Onze Minister ten minste 15 dagen voordat het desbetreffende koppel in de stal wordt geplaatst, in kennis van zijn voornemen.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.64, derde lid, en in het eerste lid, plaatsvindt.
Artikel 2.65a. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
koppel: een groep ouderdieren die in een stal is ondergebracht, waarbij het leeftijdsverschil tussen de oudste hen en de jongste hen ten hoogste zeven dagen is;
legnest: afgescheiden ruimte voor een individueel ouderdier of een groep ouderdieren die geschikt is voor het leggen van eieren;
ouderdier: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;
plateau: horizontaal aangebrachte verhoging van hout of kunststof waardoor geen mest kan vallen;
strooisel: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand, zaagsel of ander materiaal met een losse structuur dat de dieren in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen;
vleeskuiken: dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van vlees;
zitstok: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout of kunststof waar het dier op kan zitten of rusten.
Artikel 2.65b. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden ouderdieren van vleeskuikens en dieren van tien weken of ouder die worden opgefokt tot ouderdier van vleeskuikens.
1.
De houder van ouderdieren registreert dagelijks, voor zover van toepassing, voor elke stal de volgende gegevens:
a. het aantal binnengebrachte ouderdieren, onderscheiden naar geslacht;
b. het aantal ouderdieren dat niet-levend wordt afgevoerd;
c. het resterend aantal ouderdieren in het koppel dat levend wordt afgevoerd, onderscheiden naar geslacht.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.
1.
Een ouderdier beschikt ten minste over:
a. 1.300 cm 2 vloeroppervlakte per ouderdier, waaronder het legnest, waarbij de oppervlakte van in de stal aangebrachte plateaus die zich ten minste 35 cm boven de vloeroppervlakte bevinden mogen worden meegerekend en waarvan ten minste 300 cm 2 per ouderdier is bedekt met strooisel;
b. een hoogte van 70 cm boven de vloeroppervlakte;
c. een zitstok met een lengte van ten minste 7 cm per ouderdier, met een vrije ruimte van ten minste 10 cm onder de zitstok en ten minste 35 cm daarboven;
d. een voerbak waarvan de lengte van de voor ouderdieren toegankelijke kant per ouderdier ten minste 12,5 cm bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, een per ouderdier toegankelijke plek van ten minste 5 cm.
2.
Onverminderd het eerste lid, onderdeel a, beschikken ouderdieren die in een kooi worden gehouden over een totale vloeroppervlakte van ten minste 2.850 cm 2 .
3.
De oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, is horizontaal en is dicht of bestaat uit roosters van hout of kunststof, niet zijnde draadroosters.
4.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, beschikt een ouderdier van een koppel waarvan de hennen een eindgewicht van ten hoogste 2,4 kg bereiken over ten minste 1.200 cm 2 bruikbare oppervlakte per ouderdier.
5.
Onverminderd de artikelen 1.7, onderdeel e, en 2.4, zesde lid beschikt een ouderdier als bedoeld in het vierde lid permanent over luzerne, snijmaissilage of daarmee vergelijkbaar ruwvoer.
Artikel 2.65e. Huisvesting ouderdieren tijdens opfok
Een dier dat wordt opgefokt om te worden gehouden als ouderdier beschikt over een vloeroppervlakte van ten minste 666 cm 2 per dier.
1.
In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
2.
In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
3.
De houder van ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.
Artikel 2.66. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
legkip: legrijp dier van de soort Gallus gallus dat wordt gehouden voor de productie van andere eieren dan broedeieren;
huisvestingssysteem: voorziening waarin legkippen op dezelfde wijze worden gehouden;
kooi: afgesloten ruimte bestemd voor het houden van één of meer legkippen waarin de legkippen zich niet vrijelijk over de vloer van de stal of op en naar verschillende niveaus binnen de stal kunnen bewegen;
bruikbare oppervlakte: een ten minste 30 cm breed oppervlak met een helling van ten hoogste 8 graden met boven het gehele oppervlak een vrije ruimte van ten minste 45 cm hoogte. De oppervlakte van het nest wordt niet tot de bruikbare oppervlakte gerekend;
nest: afgescheiden ruimte voor een individuele legkip of een groep legkippen die geschikt is voor het leggen van eieren en waarin een legkip niet in contact kan komen met bodembestanddelen die bestaan uit draadgaas;
strooisel: houtkrullen, stro, gehakseld stro, turf, zand of ander materiaal met een losse structuur dat legkippen in staat stelt aan hun ethologische behoeften te voldoen;
zitstok: horizontaal aangebrachte stok of lat van hout, metaal of kunststof zonder scherpe randen waar de legkip op kan zitten of rusten, in ieder geval niet bestaande uit draadgaas.
Artikel 2.67. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is niet van toepassing op houders van legkippen die minder dan 350 legkippen houden.
1.
Legkippen worden ten minste gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.70, 2.73, 2.74, eerste en tweede lid, 2.75 en 2.76.
2.
In afwijking van het eerste lid is het toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 2.71 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.71 en 2.73 tot en met 2.76.
3.
In afwijking van het eerste lid is het tot en met 31 december 2020 toegestaan legkippen in een kooi als bedoeld in artikel 2.72 te houden indien de legkippen ten minste worden gehuisvest en verzorgd overeenkomstig de artikelen 2.72 tot en met 2.76, voor zover het een huisvestingssysteem betreft waarvan de gebruiker kan aantonen dat:
a. het voor 18 april 2008 is gebouwd, of
b. ten behoeve van dit huisvestingssysteem voor 18 april 2008:
en dat het huisvestingssysteem voor 18 april 2010 is gebouwd en in gebruik is genomen.
een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is verleend, of
een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, is gedaan en:
een aanvraag voor een milieuvergunning is gedaan, of
een melding als bedoeld in artikel 7 van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan,
1.
Onze Minister registreert houders van legkippen overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203) of overeenkomstig de op grond van dat artikel vastgestelde uitvoeringsbepalingen. Hij verstrekt daartoe aan houders van legkippen een nummer dat geschikt is om de voor de menselijke consumptie in de handel gebrachte eieren te kunnen traceren.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
3.
Het is verboden legkippen te houden zonder te beschikken over een nummer als bedoeld in het eerste lid.
1.
Legkippen beschikken ten minste over:
a. 1.111 cm 2 bruikbare oppervlakte per legkip;
b. één nest per 7 legkippen dan wel een gemeenschappelijk nest van 1 m 2 per 120 legkippen;
c. een met strooisel bedekte oppervlakte van 250 cm 2 per legkip waarbij in ieder geval een derde deel van het grondoppervlak met strooisel is bedekt;
d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip die niet is aangebracht boven het strooisel. De horizontale afstand tussen de zitstokken bedraagt ten minste 30 cm en tussen de zitstokken en de wand ten minste 20 cm;
e. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat;
f. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt of, indien het een ronde voerbak betreft, ten minste 4 cm per legkip, en
g. een bereikbare watervoorziening bestaande uit:
een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 2,5 cm per legkip bedraagt;
een ronde drinkbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 1 cm per legkip bedraagt, of
één drinknippel of één waterbakje per 10 legkippen. Bij watervoorziening via nippels of drinkwaterbakjes zijn per legkip ten minste twee nippels of drinkwaterbakjes bereikbaar.
2.
In een huisvestingssysteem waarin de legkippen zich vrij op en tussen de verschillende niveaus kunnen verplaatsen:
a. is het aantal niveaus op enig punt boven de vloer beperkt tot vier;
b. bedraagt de vrije hoogte tussen de niveaus ten minste 45 cm;
c. zijn de voeder- en watervoorzieningen zo over de ruimte verdeeld dat alle legkippen er gelijke toegang toe hebben, en
d. komen de uitwerpselen van de legkippen die zich op de hogere niveaus bevinden niet op de voor de legkippen toegankelijke lagere niveaus terecht.
3.
In een huisvestingssysteem waarin de legkippen toegang hebben tot een ruimte buiten:
a. geven over de hele lengte van het gebouw verdeelde uitgangen rechtstreeks toegang tot de ruimte buiten;
b. zijn de uitgangen ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed;
c. hebben de beschikbare uitgangen een gezamenlijke breedte van ten minste 2 m per 1.000 legkippen;
d. heeft de ruimte buiten om verontreiniging te voorkomen een grondoppervlakte die is afgestemd op de bezettingsgraad en het bodemtype, en
e. is de ruimte buiten voorzien van beschutting tegen slecht weer en roofdieren, en indien nodig van passende drinkvoorzieningen.
4.
Een overdekte ruimte mag tot de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde oppervlakte worden gerekend indien de ruimte in ieder geval vanaf 6 uur na het begin van de lichtperiode in de stal onbeperkt toegankelijk is voor de legkippen, gedurende ten minste 10 uren, en de toegangen tot de ruimte ten minste 35 cm hoog en 40 cm breed zijn en een gezamenlijke breedte hebben van ten minste 2 m per 1.000 legkippen.
5.
De oppervlakken die tot de bruikbare oppervlakte wordt gerekend bieden steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.
1.
Een kooi als bedoeld in artikel 2.68, tweede lid, heeft:
a. een hoogte van ten minste 60 cm aan de zijde van de kooi waar de voerbak zich bevindt;
b. een hoogte van ten minste 50 cm boven de bruikbare oppervlakte;
c. een oppervlakte van ten minste 25.000 cm 2 , en
d. ten minste twee zitstokken.
2.
Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2.68, tweede lid, hebben ten minste de beschikking over:
a. 800 cm 2 bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en 900 cm 2 bruikbare oppervlakte per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram;
b. een nest;
c. een met strooisel bedekte ruimte waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;
d. een zitstok met een lengte van ten minste 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van ten minste 20 cm;
e. een voerbak met een lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant van ten minste 12 cm per legkip met een gewicht van ten hoogste twee kilogram en van ten minste 14,5 cm per legkip met een gewicht van meer dan twee kilogram;
f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en
g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.
3.
De zitstokken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden op verschillende hoogtes in de kooi geplaatst.
4.
Het nest, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is minder verlicht dan andere gedeelten van de kooi en heeft een oppervlak van ten minste:
a. 2.700 cm 2 , wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of
b. 90 cm 2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.
5.
De met strooisel bedekte ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, heeft een oppervlak van ten minste:
a. 2.700 cm 2 , wanneer in de kooi 30 of minder legkippen worden gehouden, of
b. 90 cm 2 per legkip, wanneer in de kooi meer dan 30 legkippen worden gehouden.
1.
Legkippen die worden gehuisvest in een kooi als bedoeld in artikel 2.68, derde lid hebben ten minste de beschikking over:
a. 750 cm 2 oppervlakte waarvan 600 cm 2 bruikbare oppervlakte per legkip, met dien verstande dat de kooi boven andere plaatsen dan de bruikbare oppervlakte op elk punt ten minste 20 cm hoog moet zijn en dat de totale oppervlakte van een kooi niet kleiner mag zijn dan 2.000 cm 2 ;
b. een nest;
c. een met strooisel bedekte ruimte die ten minste 20 cm hoog is, waar de legkippen kunnen scharrelen en bodempikken;
d. een zitstok met een lengte van 15 cm per legkip en een vrije ruimte boven de zitstok van 20 cm;
e. een voerbak waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 12 cm per legkip bedraagt;
f. een passende voorziening die het doorgroeien van nagels tegengaat, en
g. een continu werkende drinkgoot waarvan de lengte van de voor de legkippen toegankelijke kant ten minste 10 cm per legkip bedraagt dan wel drinknippels of drinkwaterbakjes, waarvan er ten minste twee voor een legkip bereikbaar zijn.
2.
De bodem van de kooi biedt steun aan alle naar voren gerichte tenen van beide poten van de legkip.
1.
Het geluidsniveau wordt zo laag mogelijk gehouden. Aanhoudend of plotseling lawaai wordt vermeden. Constructie, opstelling, onderhoud en werking van ventilatietoestellen, voedermachines of andere apparaten veroorzaken zo weinig mogelijk lawaai.
2.
Het huisvestingssysteem is zodanig opgezet dat een legkip niet kan ontsnappen.
1.
De legkippen worden ten minste eenmaal per dag door de houder geïnspecteerd.
2.
De inrichting van het huisvestingssysteem is zodanig dat alle lagen en kooien rechtstreeks en moeiteloos kunnen worden geïnspecteerd en de legkippen gemakkelijk kunnen worden verwijderd.
3.
Rijen kooien zijn van elkaar gescheiden door gangen van ten minste 90 cm breed.
4.
De bodem van de onderste kooi is ten minste 35 cm boven de vloer van het gebouw geplaatst.
5.
De vorm en de grootte van de kooiopening zijn zodanig dat een volwassen legkip uit de kooi kan worden gehaald zonder dat dit lijden of verwondingen veroorzaakt.
1.
Er is voldoende goed werkende verlichtingsapparatuur aanwezig voor een grondige inspectie van iedere legkip op elk willekeurig tijdstip.
2.
Een stal waarin legkippen zijn ondergebracht is gedurende de lichtperiode zodanig verlicht dat de legkippen elkaar duidelijk kunnen zien, dat zij hun omgeving visueel kunnen verkennen en dat zij hun gebruikelijke activiteiten kunnen ontplooien. In geval van verlichting met daglicht zijn de lichtopeningen zodanig gepositioneerd dat het licht gelijkmatig over de stal en de kooien wordt verdeeld.
3.
Per 24 uur is er een ononderbroken duisternisperiode van 8 uur waarin de legkippen kunnen rusten. Bij de vermindering van kunstlicht wordt een periode van halfduister in acht genomen om de legkippen de gelegenheid te geven zonder verwondingen op stok te gaan.
1.
De uitwerpselen van legkippen worden regelmatig verwijderd. Dode legkippen worden dagelijks verwijderd.
2.
Lokalen, uitrusting en gereedschappen waarmee de legkippen in aanraking komen, worden regelmatig grondig gereinigd en ontsmet, in elk geval telkens wanneer de kooien om sanitaire redenen worden leeggemaakt, en ook voordat een nieuwe partij legkippen wordt binnengebracht. Zolang de stal of de kooien bezet zijn, worden alle oppervlakken en alle installaties goed schoon gehouden.
Artikel 2.76a. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
bezettingsdichtheid: totale levend gewicht van de dieren die tegelijkertijd in de stal aanwezig zijn per vierkante meter oppervlakte die voor hen beschikbaar is;
koppel: een groep vleeskalkoenen van hetzelfde geslacht, waarbij het leeftijdsverschil tussen het oudste dier en het jongste dier ten hoogste zeven dagen is;
ouderdier: dier dat wordt gehouden voor de productie van broedeieren;
uitvalpercentage: het aantal dieren van een koppel dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven, gedeeld door het totaal aantal dieren waaruit het koppel aan het begin van het productieproces bestond, vermenigvuldigd met 100;
verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3);
vleeskalkoen: dier van de soort Meleagris gallopavo dat wordt gehouden voor de productie van vlees.
Artikel 2.76b. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen.
1.
De houder van vleeskalkoenen of ouderdieren registreert per koppel de volgende gegevens:
a. het aantal binnengebrachte vleeskalkoenen of ouderdieren;
b. het aantal vleeskalkoenen of ouderdieren dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven of is gedood, per dag;
c. het totale levend gewicht van de vleeskalkoenen of ouderdieren bij aflevering aan het slachthuis, binnen twee weken na die aflevering.
2.
De houder van vleeskalkoenen registreert ten hoogste een maand na aflevering van een koppel het uitvalpercentage van mannelijke en van vrouwelijke vleeskalkoenen en de oorzaak van de sterfte, indien dat percentage hoger is dan:
a. 5% bij een koppel vrouwelijke dieren;
b. 9% bij een koppel mannelijke dieren.
3.
De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden drie jaar bewaard.
1.
Vleeskalkoenen worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
a. 58 kg/m 2 voor mannelijke dieren;
b. 48 kg/m 2 voor vrouwelijke dieren.
2.
Dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
a. 56 kg/m 2 voor mannelijke dieren;
b. 49 kg/m 2 voor vrouwelijke dieren.
3.
Ouderdieren worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
a. 46 kg/m 2 voor mannelijke dieren;
b. 29 kg/m 2 voor vrouwelijke dieren.
4.
Indien in een stal verrijkingselementen zijn aangebracht die door de vleeskalkoenen kunnen worden aangeraakt en die geschikt zijn om ten minste 10% van die dieren in de stal tegelijkertijd afleiding te bieden, bedraagt de bezettingsdichtheid voor vleeskalkoenen, in afwijking van het eerste lid:
a. 59 kg/m 2 voor mannelijke dieren;
b. 49 kg/m 2 voor vrouwelijke dieren.
1.
De houder van vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen voorziet de stalvloer die niet is gelegen onder de voedsel- of watervoorziening van strooisel.
2.
Het strooisel:
a. bestaat uit stro of houtkrullen en is niet verontreinigd;
b. is droog en rul, en heeft een droge stofgehalte van ten minste 80% op het moment dat het in de stal wordt gebracht;
c. is aangebracht in een laag die dik genoeg is om dieren de mogelijkheid te bieden om een stofbad te nemen, uitwerpselen te absorberen en de stalvloer te isoleren.
1.
Indien vleeskalkoenen en ouderdieren worden gehouden in een ruimte die mechanisch wordt geventileerd bedraagt de luchtverversingscapaciteit ten minste 4 m 3 per kg levend gewicht per uur.
2.
Een koppel vleeskalkoenen of dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden de eerste vijf dagen na aankomst op het bedrijf waar ze worden gehouden als vleeskalkoen of worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier in een ruimte gehouden waar de temperatuur op dierhoogte 35 tot 39° Celsius bedraagt.
1.
Onverminderd artikel 2.5, eerste en tweede lid, worden vleeskalkoenen en ouderdieren gehouden in een ruimte waar een aaneengesloten rustperiode wordt gehanteerd van ten minste acht uur per etmaal, waarin die ruimte niet of nauwelijks kunstmatig wordt verlicht.
2.
De lichtintensiteit in een ruimte bestemd voor vleeskalkoenen of ouderdieren bedraagt op dierhoogte ten minste 20 Lux, tenzij een lagere lichtsterkte tijdelijk noodzakelijk is om letsel als gevolg van pikkerij te voorkomen.
Artikel 2.76h. Vervoer
Tijdens vervoer dat op Nederlands grondgebied begint en eindigt, worden vleeskalkoenen die zwaarder zijn dan 7 kg vervoerd in containers als bedoeld in artikel 2, onderdeel g, van verordening (EG) nr. 1/2005.
1.
In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
2.
In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
3.
De houder van vleeskalkoenen en ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.
Artikel 2.76j. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
fokram: mannelijk konijn dat ten minste eenmaal gedekt heeft of waarvan ten minste eenmaal sperma is afgenomen;
gespeend konijn: konijn dat is gescheiden van de voedster en dat wordt gehouden om te worden geslacht of om te worden geselecteerd als opfokkonijn;
konijn: dier van de soort Oryctolagus cuniculus;
koppel: een groep konijnen die in dezelfde kalenderweek is gespeend;
opfokkonijn: konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram;
spenen: scheiden van een jong van een voedster;
voedster: vrouwelijk konijn vanaf drie dagen voor het berekende tijdstip van haar eerste worp;
vrije hoogte: ruimte die niet wordt belemmerd door obstakels.
Artikel 2.76k. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden:
a. gespeende konijnen;
b. opfokkonijnen;
c. voedsters en fokrammen die worden gehouden voor de productie van konijnen die worden gehouden om te worden geslacht of om te worden gebruikt als opfokkonijn.
1.
De houder van konijnen registreert zich bij Onze Minister.
2.
De in het eerste lid bedoelde registratie vindt plaats met als doel het bevorderen van een effectief systeem van toezicht en handhaving van de op de houder van toepassing zijnde regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn.
3.
Bij de registratie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de houder de volgende gegevens:
a. naam, adres en woonplaats van de houder;
b. voor zover de houder een natuurlijk persoon is, de geboortedatum en het geslacht van de houder;
c. voor zover de houder een rechtspersoon betreft, de datum van oprichting en het inschrijfnummer van de houder bij de kamer van Koophandel;
d. adres en locatie van het bedrijf waar de dieren worden gehouden;
e. de gehouden diersoort.
4.
Wijziging van de gegevens, bedoeld in het derde lid, wordt binnen twee weken na het ontstaan van de wijziging door de houder doorgegeven aan de hand van een middel.
1.
De houder van gespeende konijnen, voedsters, fokrammen of opfokkonijnen registreert maandelijks de volgende gegevens:
a. het aantal levend geboren konijnen;
b. het aantal konijnen dat gespeend is;
c. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die op het bedrijf zijn aangevoerd;
d. de aantallen gespeende konijnen, voedsters, fokrammen en opfokkonijnen die levend worden afgevoerd;
e. de uitvalpercentages, bedoeld in artikel 2.81, eerste lid;
f. de uitkomst van de consultatie, bedoeld in artikel 2.81, eerste lid, de maatregelen, bedoeld in artikel 2.81, tweede lid, en de uitkomst van de evaluatie, bedoeld in artikel 2.81, derde lid.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.
1.
De houder van konijnen berekent maandelijks het uitvalpercentage voor gespeende konijnen, voedsters en opfokkonijnen, op de volgende wijze:
a. voor gespeende konijnen: het aantal dieren van een koppel dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door de som van het aantal dieren waaruit het koppel na het spenen bestond en het aantal dieren dat aan de groep is toegevoegd, vermenigvuldigd met 100;
b. voor voedsters en opfokkonijnen: het aantal voedsters of opfokkonijnen dat niet-levend van het bedrijf is afgevoerd, gedeeld door het aantal voedsters of opfokkonijnen dat die maand gemiddeld op het bedrijf aanwezig was, vermenigvuldigd met 100.
2.
Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen hoger is dan 10%, consulteert de houder een dierenarts met als doel dat percentage te verlagen.
3.
Naar aanleiding van de consultatie, bedoeld in het tweede lid, neemt de houder maatregelen om het uitvalpercentage te verlagen.
4.
Indien het uitvalpercentage van gespeende konijnen, voedsters of opfokkonijnen gedurende een jaar hoger is dan 10%, evalueert de houder in samenwerking met een dierenarts de werking van de maatregelen, bedoeld in het derde lid en past de houder die maatregelen aan, indien nodig.
1.
Een voedster beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte van 4.500 cm 2 per voedster, waaronder:
1°. een van nestmateriaal voorziene nestruimte van ten minste 700 cm 2 die verbonden is met de kooi, en
2°. een horizontaal plateau met een oppervlakte van ten minste 900 cm 2 en een breedte van ten minste 20 cm;
b. een vrije hoogte van 60 cm boven een vloeroppervlakte van 950 cm 2 ;
c. een doorgang van de bodem naar het plateau met een breedte van 25 cm.
2.
Een konijn dat wordt opgefokt tot voedster of fokram beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte van 2.000 cm 2 per dier;
b. een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte.
3.
Een fokram beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte van 4.000 cm 2 per dier;
b. een hoogte van 60 cm.
4.
Een gespeend konijn wordt gehouden in een groep die bestaat uit ten minste twee konijnen en beschikt over een kooi met ten minste:
a. een vloeroppervlakte, waarbij de oppervlakte van een in de kooi aangebracht plateau van ten minste 10 cm breed kan worden meegerekend, van:
1°. 700 cm 2 per dier, indien de groep bestaat uit minder dan vijf dieren;
2°. 600 cm 2 per dier, indien de groep bestaat uit vijf of meer dieren;
b. een hoogte van 40 cm boven 80% van de vloeroppervlakte indien in de kooi geen plateau is aangebracht, of een vrije hoogte van 40 cm boven 20% van de vloeroppervlakte indien in de kooi een plateau is aangebracht.
5.
Indien in een kooi een plateau is aangebracht, bedraagt de afstand tussen de vloeroppervlakte en het plateau en tussen het plateau en de bovenkant van de kooi ten minste 25 cm.
6.
Indien de vloeroppervlakte uit gaas bestaat:
a. heeft de bovenliggende draad een diameter van ten minste 2,4 mm;
b. bedraagt de afstand tussen het middelpunt van de bovenliggende draden ten minste 10 mm en ten hoogste 16 mm;
c. plaatst de houder in een kooi als bedoeld in het eerste en derde lid een mat van ten minste 900 cm 2 van plastic of van materiaal met vergelijkbare eigenschappen als plastic.
7.
Konijnen beschikken permanent over ruwvoer of knaagmateriaal dat voorziet in hun knaagbehoefte.
Artikel 2.76p. Minimum dekleeftijd
Het is verboden om een vrouwelijk konijn te laten dekken of insemineren voordat het 15 weken oud is.
1.
Onverminderd artikel 2.5, eerste en tweede lid, worden konijnen gehouden in een ruimte waar een dag- en nachtritme wordt gehanteerd waarbij het ten minste acht uur licht is en ten minste acht uur donker, in beide gevallen ten minste vier uur aaneengesloten.
2.
In een ruimte bestemd voor voedsters en fokrammen:
a. wordt na een periode van licht als bedoeld in het eerste lid een schemerperiode gehanteerd van ten minste een uur;
b. bedraagt de lichtintensiteit op dierhoogte ten minste 20 Lux gedurende ten minste acht uur per dag.
1.
In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
2.
In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de voer- en watervoorzieningen van konijnen ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.
Artikel 2.76s. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
compartiment: ruimte waarin de dieren vrij kunnen bewegen en waarin geen scheidingswanden zijn aangebracht;
fokdier: dier dat gepaard heeft of een jaar of ouder is;
nerts: dier van de soort Mustela vison;
nestbox: slaapplaats voor nertsen;
opgroeiende nerts: gespeende nerts die nog niet gepaard heeft en jonger is dan één jaar;
pup: nog niet gespeende nerts;
stereotiep gedrag: langdurig en herhaaldelijk vertoon van dezelfde gedragingen, met uitzondering van gedrag dat normaliter wordt vertoond tijdens het uur voorafgaand aan het moment waarop de dieren worden gevoerd;
verrijkingsobject: object dat door nertsen kan worden aangeraakt en dat bedoeld is om de nertsen afleiding te geven.
Artikel 2.76t. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op bedrijfsmatig gehouden nertsen.
1.
De houder van nertsen registreert de volgende gegevens:
a. het aantal fokdieren dat op het bedrijf aanwezig was op 1 mei, 1 juli en 1 augustus;
b. het aantal pups dat op het bedrijf aanwezig was op 1 juli en 1 augustus;
c. het aantal opgroeiende nertsen dat op het bedrijf aanwezig was op 1 augustus;
d. het aantal nertsen dat in januari of februari op het bedrijf aanwezig was en stereotiep gedrag vertoont of een kale staartpunt van ten minste 1 cm heeft;
e. de handelingen die zijn verricht om stereotiep gedrag of kale staartpunten te voorkomen of te verminderen.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden drie jaar bewaard.
1.
Nertsen worden gehouden in een leefruimte die voldoet aan de eisen in dit artikel.
2.
Een leefruimte bestaat uit één of meer compartimenten, waaraan in ieder geval een nestbox is gekoppeld.
3.
De leefruimte bestaat ten minste uit één compartiment met een afmeting van ten minste 85 cm lengte, 30 cm breedte en 45 cm hoogte, waarbij de hoogte wordt berekend als afstand tussen de onder- en bovenkant van het compartiment en waarbij eventueel aangebrachte plateaus niet worden meegerekend.
4.
Elk fokdier beschikt over een nestbox.
5.
De nestbox heeft een afmeting van ten minste 20 cm lengte, 20 cm breedte en 15 cm hoogte.
6.
De nestbox is permanent voorzien van voldoende strooisel, dat droog is en bestaat uit stro, houtkrullen, zaagsel of ander materiaal met vergelijkbare eigenschappen.
7.
Indien de leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten zijn de compartimenten horizontaal, verticaal of horizontaal en verticaal gecombineerd met elkaar geschakeld.
8.
In het geval, bedoeld in het zevende lid, heeft elk compartiment ten minste een vloeroppervlakte van 1.700 cm 2 en ten minste een hoogte van 40 cm.
9.
Indien een leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten wordt het vloeroppervlak van de leefruimte bepaald door de som van de vloeroppervlakten van de onderscheidenlijke compartimenten, ongeacht of de compartimenten horizontaal of verticaal zijn geschakeld.
1.
In een leefruimte worden maximaal twee fokdieren zonder pups of twee opgroeiende nertsen gehouden.
2.
In afwijking van het eerste lid:
a. is per extra nerts tenminste 850 cm 2 extra vloeroppervlak beschikbaar, indien in een leefruimte meer dan twee fokdieren of meer dan twee opgroeiende nertsen worden gehouden;
b. is tot 1 augustus van enig jaar ten minste een vloeroppervlakte van 2.550 cm 2 beschikbaar, indien in een leefruimte één fokdier met maximaal drie pups worden gehouden;
c. is tot 1 juli van enig jaar ten minste een vloeroppervlakte van 2.550 cm 2 beschikbaar en tussen 1 juli en 1 augustus van enig jaar ten minste twee compartimenten, indien in een leefruimte één fokdier met meer dan drie pups wordt gehouden, of
d. is vanaf 1 augustus van enig jaar een vloeroppervlakte van 2.550 cm 2 voor twee dieren en 850 cm 2 extra voor elke nerts beschikbaar, indien in een leefruimte één fokdier met één of meer pups wordt gehouden.
3.
Vanaf 1 augustus van enig jaar is per viertal nertsen of een gedeelte daarvan een vloeroppervlakte van de nestbox van 400 cm 2 beschikbaar. Voor elk dier extra in de leefruimte is 100 cm 2 extra vloeroppervlakte van de nestbox beschikbaar.
1.
In iedere leefruimte is tenminste één verrijkingsobject aanwezig.
2.
Van 1 augustus tot 1 maart van het daaropvolgende jaar is per drie of minder nertsen ten minste één verrijkingsobject aanwezig.
3.
Indien als verrijkingsobject een plateau is aangebracht in de leefruimte, is de afstand tussen het plateau en de bovenzijde van het compartiment ten minste 12,5 cm, de afstand tussen het plateau en de bodem ten minste 25 cm en is de oppervlakte ten minste 450 cm 2 .
4.
Indien als verrijkingsobject een cilinder is aangebracht in de leefruimte, heeft die een lengte van ten minste 15 cm en een diameter van ten minste 12 cm.
Artikel 2.76y. Controles
De houder van nertsen controleert dagelijks de kwaliteit van het strooisel.
Artikel 2.76z. Actieplan
De houder van nertsen beschikt over een actieplan waarin staat vermeld welke maatregelen worden getroffen om stereotiep gedrag en kale staartpunten bij nertsen te voorkomen of te verminderen.
Artikel 2.77. Verrichten van ingrepen door de houder
Als handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen het door de houder van een op een landbouwbedrijf gehouden dier:
a. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.5, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen, bij geiten die worden gehouden met het oog op de melkproduktie, mits de ingreep geschiedt op aanwijzing van een dierenarts nadat deze een plaatselijke verdoving ten behoeve van deze ingreep heeft toegepast en voor zover deze handeling wordt verricht bij geiten jonger dan één maand met behulp van een electrische of heteluchtmethode dan wel bij geiten ouder dan zes maanden door middel van een draadzaag;
b. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel a, van het Besluit diergeneeskundigen, bij schapen, geiten, vissen en paarden;
c. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen, bij schapen en geiten;
d. verrichten van de ingreep, bedoeld in artikel 2.6, onderdeel c, van het Besluit diergeneeskundigen, bij schapen en geiten;
f. openleggen van zoolzweren bij schapen en geiten.
1.
Het is de eigenaren of gebruikers van erven, landerijen of andere terreinen verboden daarop een hond te houden, die:
a. aan een ketting of op andere wijze is vastgelegd, indien niet is voldaan aan artikel 3.2;
b. is ingesloten in een ren, indien niet is voldaan aan artikel 3.3, of
c. is ingesloten in een ren en daarin aan een ketting of op een andere wijze is vastgelegd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de hond incidenteel is vastgelegd of in een ren wordt gehouden.
1.
Het bevestigingsmiddel, waarmee de hond is vastgelegd, en de halsband, waaraan dat middel is bevestigd, zijn zodanig ontworpen dat er geen wurging of verwonding bij de hond optreedt.
2.
Het bevestigingsmiddel heeft een zodanige lengte dat het dier voldoende bewegingsruimte wordt gelaten.
3.
De hond wordt niet door obstakels belemmerd in de bewegingsvrijheid die hem door het bevestigingsmiddel, bedoeld in het eerste lid, wordt gelaten.
4.
De hond heeft toegang tot een hok dat:
a. voldoende ruimte biedt aan die hond;
b. de hond bescherming biedt tegen nadelige weersinvloeden en kou;
c. eenvoudig kan worden gereinigd.
a. is uitsluitend bestemd voor het verblijf van één hond of meerdere honden;
b. is aan één zijde open;
c. heeft voldoende oppervlak en hoogte voor de hond of honden die erin wordt gehouden.
2.
De bodem van de ren wordt zodanig onderhouden dat deze schoon blijft en niet drassig wordt.
3.
Artikel 3.2, vierde lid, is van toepassing.
4.
In de ren bevinden zich geen voorwerpen waaraan de hond zich kan verwonden.
1.
Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.
2.
In ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:
a. ernstige erfelijke afwijkingen en ziekten worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;
b. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;
c. ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen;
d. voortplanting op onnatuurlijke wijze plaatsvindt;
e. het aantal nesten of nakomelingen dat een gezelschapsdier krijgt de gezondheid of het welzijn van dat dier of de nakomelingen benadeelt.
3.
Een hond krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste één nest.
4.
Een kat krijgt binnen een aaneengesloten periode van twaalf maanden ten hoogste twee nesten of ten hoogste drie nesten in een aaneengesloten periode van vierentwintig maanden.
5.
Op het fokken van paarden (inclusief pony’s) en ezels die anders dan voor landbouwdoeleinden worden gehouden, zijn het eerste en tweede lid, met uitzondering van het tweede lid, onder d, van toepassing.
Artikel 3.5. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
beheerder: degene die dagelijks leiding geeft aan in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten;
inrichting: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.
1.
Het is verboden gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan deze paragraaf.
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen.
1.
De activiteiten, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, worden verricht in een inrichting die bij Onze Minister overeenkomstig artikel 3.8 is aangemeld.
2.
In afwijking van het eerste lid, is het toegestaan gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden of af te leveren buiten een inrichting indien dit plaatsvindt op een tentoonstelling, beurs of markt, voor zover daarbij is voldaan aan de artikelen 3.8, vijfde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, derde lid, 3.14, zesde lid, en 3.17 tot en met 3.20.
1.
De aanmelding van een inrichting geschiedt door degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten worden verricht of door de beheerder, indien dat degene is onder wiens verantwoordelijkheid de activiteiten worden verricht. Na de aanmelding wordt aan de inrichting een uniek nummer toegekend.
2.
Bij de in het eerste lid bedoelde aanmelding wordt opgave gedaan van de volgende gegevens:
a. de naam, adres, woonplaats, het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten worden verricht, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister;
b. het adres van de inrichting en een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die voor het houden van gezelschapsdieren worden gebruikt of zullen worden gebruikt;
c. de naam, adres, woonplaats en geboortedatum van de beheerder;
d. de onder dit besluit vallende activiteiten die in de inrichting worden verricht;
e. de diergroep of diergroepen waarmee de activiteiten worden verricht;
f. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van de op de inrichting werkzame beheerder;
g. de datum waarop met de uitoefening van de activiteiten een aanvang wordt gemaakt.
3.
Voor de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.
4.
Aanmelding van een inrichting geschiedt voor aanvang van de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.
5.
Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, doet uiterlijk twee weken voor het tijdstip waarop de tentoonstelling, beurs of markt aanvang neemt, een melding van het houden van de tentoonstelling, beurs of markt bij Onze Minister en doet daarbij opgave van de volgende gegevens:
a. de naam, adres, woonplaats en het burgerservicenummer of het nummer van de inschrijving in het handelsregister van degene onder wiens verantwoordelijkheid de tentoonstelling, beurs of markt wordt gehouden, of, indien die activiteiten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, de naam en het adres van vestiging van de rechtspersoon en het nummer van de inschrijving in het handelsregister;
b. het adres en plaats waar de tentoonstelling, beurs of markt plaatsvindt;
c. de datum of data waarop de tentoonstelling, beurs of markt wordt georganiseerd;
d. de diergroep of diergroepen die aanwezig zullen zijn op de tentoonstelling, beurs of markt;
e. een kopie van het bewijs van vakbekwaamheid van de persoon die aanwezig is op de beurs of tentoonstelling, beurs of markt, bedoeld in artikel 3.11, vierde lid.
1.
Bij wijziging van één of meer van de gegevens, bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, wordt binnen vier weken na het intreden daarvan aan Onze Minister melding gemaakt van de wijziging door degene die ten tijde van het intreden van die wijziging op de inrichting verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten.
2.
Op de melding, bedoeld in het eerste lid, is artikel 3.8, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
1.
In een inrichting wordt een deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven met daarin in ieder geval de volgende gegevens:
a. naam, adres en woonplaats van degene van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn;
b. bewijs van inenting van honden en katten.
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden ten minste twee jaar schriftelijk of digitaal in de administratie van de inrichting bewaard vanaf het tijdstip dat een dier niet meer in de inrichting aanwezig is.
3.
Van het bewijs van inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt gedurende een periode van twee jaar schriftelijk of digitaal een kopie in de administratie van de inrichting bewaard.
4.
Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op inrichtingen waar gezelschapsdieren gehouden worden ten behoeve van opvang en onbekend is van wie de gezelschapsdieren afkomstig zijn.
5.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing ten aanzien van inrichtingen waar honden worden gehouden ten behoeve van de in artikel 3.6, eerste lid, bedoelde activiteiten, indien de honden overeenkomstig hoofdstuk 2 van het Besluit identificatie en registratie van dieren geregistreerd zijn.
1.
In de inrichting is een beheerder werkzaam die in het bezit is van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht.
2.
Een kopie van het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid wordt bij een inspectie ter naleving van dit besluit aan de daartoe aangewezen ambtenaar ter beschikking gesteld.
3.
Bij langdurige ziekte, ontslag of overlijden van de beheerder kan, voor de duur van een periode van ten hoogste 12 aaneengesloten maanden, worden afgeweken van het eerste lid met dien verstande dat de persoon die dagelijks leiding in de inrichting geeft over de in artikel 3.6 bedoelde handelingen over voldoende relevante werkervaring beschikt en dit kan aantonen.
4.
Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor de aanwezigheid van een persoon die een erkend bewijs van vakbekwaamheid bezit als bedoeld in het eerste lid.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde bewijs van vakbekwaamheid.
1.
Onverminderd de artikelen 1.5 tot en met 1.8 wordt een gezelschapsdier gehouden in een daarvoor geschikte ruimte. Dit houdt tenminste in dat:
a. het dier over voldoende bewegingsruimte beschikt;
b. de ruimte en de daarin gebruikte materialen zijn aangepast aan de fysiologische en ethologische behoeften van het dier;
c. het dier zo nodig bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s;
d. bij huisvesting van een hoogdrachtig of zogend dier, het met haar jongen de beschikking heeft over voldoende en geschikte nestruimte;
e. het dier niet tengevolge van de wijze waarop het gehuisvest is onnodige angst en stress ervaart;
f. het aantal en de samenstelling van dieren en diersoorten per verblijf zodanig is dat dit niet het welzijn of de gezondheid van het dier nadelig beïnvloedt.
2.
Degene die een tentoonstelling, beurs of markt als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor geschikte huisvesting van dieren gedurende de tentoonstelling, beurs of markt, die voldoet aan de artikelen 1.5 tot en met 1.8 en het eerste lid, met dien verstande dat dieren als bedoeld in onderdeel d niet worden toegelaten.
1.
Een inrichting beschikt over ten minste drie afzonderlijke ruimtes voor het huisvesten en verzorgen van zieke of van ziekte verdachte gezelschapsdieren in afzondering van andere dieren, dan wel over de mogelijkheid deze ruimtes in te richten zodra dit nodig is.
2.
De in het eerste lid bedoelde ruimtes zijn:
a. een quarantaineruimte voor gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in de inrichting de gezondheidstatus onbekend is of de vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is;
b. een isolatieruimte voor gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte;
c. een ruimte voor huisvesting van gezelschapsdieren die ziek zijn, maar geen besmettelijke ziekte hebben of niet verdacht worden van het dragen van een besmettelijke ziekte.
3.
Gezelschapsdieren geplaatst in de in het tweede lid bedoelde ruimtes, worden solitair gehuisvest, tenzij dat vanuit veterinair oogpunt niet noodzakelijk is.
4.
De ruimtes, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, vormen een volledig afgescheiden onderdeel van een inrichting.
5.
De ruimte, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kan bestaan uit een gedeelte van het binnenverblijf dat kan worden afgescheiden van overige binnenverblijven en dieren.
1.
In de inrichting wordt gebruik gemaakt van een protocol waaruit blijkt dat de gezondheid van gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven dagelijks gecontroleerd wordt, maatregelen ter voorkoming van ziekten worden genomen en zieke gezelschapsdieren op passende wijze worden verzorgd.
2.
Indien verzorging geen of onvoldoende verbetering in de toestand van een ziek gezelschapsdier bewerkstelligt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.
3.
Gezelschapsdieren waarvan bij binnenkomst in een inrichting de gezondheid- of vaccinatiestatus onbekend of onvolledig is, worden onmiddellijk in quarantaine geplaatst.
4.
Gezelschapsdieren verdacht van een besmettelijke ziekte en dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte worden na binnenkomst in de inrichting onmiddellijk in een isolatieruimte geplaatst.
5.
Een hond of kat mag de quarantaineruimte van de inrichting niet verlaten gedurende ten minste 7 dagen nadat de in artikel 3.15, onderdeel a, bedoelde inentingen hebben plaatsgevonden, tenzij het de teruggave aan de eigenaar betreft.
6.
Degene die een tentoonstelling, beurs of markt, als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, organiseert, draagt zorg voor een veterinaire gezondheidscontrole van de dieren voordat toegang wordt verstrekt en laat geen dieren toe verdacht van een besmettelijke ziekte of dieren met klinische verschijnselen van een besmettelijke ziekte.
Artikel 3.15. Inenting honden en katten
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:
a. inentingen voor honden en katten die in de inrichting verblijven;
b. het bewijs van inenting van honden en katten;
c. inentingen die plaats vinden voordat honden en katten worden verkocht of afgeleverd.
Artikel 3.16. Huisvesting honden
Een hond wordt, passend bij zijn ethologische en fysiologische behoefte, dagelijks in de gelegenheid gesteld tijd door te brengen buiten de ruimte waarin deze gehouden wordt, indien de gezondheidstoestand van de hond zich daar niet tegen verzet.
1.
Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt een overeenkomstig deze paragraaf geregistreerde inrichting, een circus of een dierentuin is.
3.
De in het eerste lid bedoelde informatie heeft in ieder geval betrekking op de verzorging, de huisvesting en het gedrag van het gezelschapsdier en de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier.
Artikel 3.18. Informatieverstrekking over gezondheidsstatus
Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt alle relevante informatie verstrekt met betrekking tot de gezondheidsstatus van het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier, waaronder ten minste het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b.
Artikel 3.19. Verkoopverbod aan personen jonger dan zestien jaar
Een gezelschapsdier wordt niet verkocht aan een persoon jonger dan zestien jaar.
Artikel 3.20. Verpakking
Indien een gezelschapsdier bij verkoop of aflevering wordt verpakt, vindt dit op zodanige wijze plaats dat het welzijn of de gezondheid van het gezelschapsdier niet onnodig worden benadeeld.
Artikel 3.21. Verbod huisvesting of tentoonstelling in etalageruimte
Gezelschapsdieren worden niet in een etalageruimte van een inrichting gehuisvest of tentoongesteld.
Artikel 3.22. Socialisatie
Indien een gezelschapsdier in een inrichting verblijft tijdens de periode waarin het dier ontvankelijk is voor socialisatie, wordt ervoor zorg gedragen dat het dier:
a. went aan de omgang met de mens en relevante diersoorten en aan houderijomstandigheden en
b. in voldoende mate in de gelegenheid is tot het leren en tonen van soorteigen gedrag.
Artikel 3.23. Huisvesting honden en katten buiten inrichting
Honden en katten die tijdelijk gehouden worden ten behoeve van opvang omdat daarvan afstand is gedaan, of omdat de eigenaar op het moment van opvang onbekend is, kunnen in afwijking van artikel 3.7, eerste lid, en artikel 3.14, derde tot en met vijfde lid, tijdelijk buiten de inrichting gehuisvest worden ten behoeve van socialisatie, resocialisatie, behandeling van gedragsproblemen of intensieve zorgverlening in geval van ziekte, mits de locatie en verblijfsduur uit de administratie van de inrichting blijken.
Artikel 4.1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
dierentuin: permanente inrichting waar levende wilde dieren worden gehouden om gedurende ten minste zeven dagen per jaar te worden tentoongesteld aan het publiek, met uitzondering van circussen en dierenwinkels;
dierenverblijf: ruimte waar dieren worden gehouden;
diergroep: dieren levend in een groep, die gelet op hun omvang en kenmerken afzonderlijk niet te individualiseren zijn;
wilde dieren: dieren behorende tot diersoorten of diercategorieën waarvan de daartoe behorende dieren van nature in het wild leven met uitzondering van de diersoorten of diercategorieën, genoemd in bijlage II bij dit besluit, en honden en katten.
1.
Het is verboden een dierentuin te exploiteren zonder een daartoe door Onze Minister verstrekte vergunning.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. inrichtingen waar wilde dieren worden gehouden van ten hoogste tien diersoorten, niet zijnde diersoorten die op grond van de artikelen 4 en 5 van de Flora- en faunawet zijn aangewezen;
b. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften:
naast wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten worden in hoofdzaak dieren behorend tot de diersoorten of diercategorieën, genoemd in bijlage II bij dit besluit, gehouden;
de dieren worden niet tijdelijk of langdurig ten behoeve van verzorging of verpleging opgevangen;
c. inrichtingen die voldoen aan elk van de volgende voorschriften:
er worden wilde dieren van ten hoogste tien diersoorten gehouden;
de dieren worden niet tijdelijk of langdurig ten behoeve van verzorging of verpleging opgevangen;
het tentoonstellen van de dieren aan het publiek is van ondergeschikt belang voor de inrichting; of
d. inrichtingen waar dieren gedurende ten hoogste twaalf maanden voor verzorging of verpleging worden opgevangen en waar de dieren na het verstrijken van die periode weer in vrijheid worden gesteld of elders worden ondergebracht.
3.
De vergunning, bedoeld in het eerste lid, geldt tevens voor beperkte wijzigingen en uitbreidingen van een dierentuin, indien:
a. wordt voldaan aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften;
b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk aan Onze Minister is gemeld; en
c. Onze Minister aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan deze paragraaf en de aan de vergunning verbonden beperkingen en voorschriften.
1.
Een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, wordt op aanvraag verstrekt.
2.
De vergunningaanvraag bevat in ieder geval de volgende gegevens:
a. het aantal en de soorten te houden wilde dieren;
b. het aantal dagen per jaar dat de diersoorten worden tentoongesteld aan het publiek;
c. informatie over het aantal personeelsleden en hun kwalificatie;
d. een plattegrond met een weergave van:
de locatie van de quarantainevoorziening en de behandelruimte;
de afmeting en inrichting van de dierenverblijven en de daarin verblijvende aantallen dieren, per diersoort;
e. een afschrift van het beleidsprotocol, bedoeld in artikel 4.12.
3.
Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag voor een vergunning, bedoeld in het eerste lid.
1.
Alvorens op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, wordt beslist, wordt een dierentuin door Onze Minister geïnspecteerd.
2.
Een vergunning wordt verstrekt indien aan de navolgende eisen wordt voldaan:
a. bij de inrichting van de dierenverblijven rekening is gehouden met:
het soorteigen bewegingsgedrag, door het verblijf te voorzien van zoveel mogelijk elementen lijkend op de natuurlijke leefomgeving;
het klimaat waarin het dier van nature leeft en het soorteigen bioritme, door het verblijf te voorzien van adequate beschutting en bescherming tegen voor de desbetreffende diersoort extreme weersomstandigheden en een adequate klimaatbeheersing en verlichting;
het soorteigen sociale gedrag, door het verblijf te voorzien bij solitaire huisvesting van een voor de diersoort geschikte rust- en schuilplaats en bij groepshuisvesting van een rust- en schuilplaats die een dier de mogelijkheid biedt zich af te zonderen van de andere dieren;
het soorteigen paringsgedrag, door de dieren op adequate wijze van elkaar te scheiden of door in het verblijf waarin de dieren gedurende de paringstijd worden gehouden voorzieningen aan te brengen waardoor het soorteigen paringsgedrag mogelijk wordt gemaakt;
het soorteigen uitscheidingsgedrag, door het verblijf indien nodig te voorzien van een voor de diersoort geschikte mestplaats;
de ruimte die nodig is om het aantal dieren te houden dat blijkens de aanvraag in het verblijf zal worden gehouden;
b. de dierenverblijven zijn voorzien van een adequate afscheiding die het uitbreken van de dieren voorkomt en die een veilige barrière tussen de dieren en het publiek vormt;
c. het beleidsprotocol, bedoeld in artikel 4.12, voldoet aan de in dat artikel gestelde eisen;
d. er is voorzien in een adequate quarantainevoorziening en een behandelruimte;
e. er kan worden voldaan aan de artikelen 1.6, 1.7, 1.8, 4.7 en 4.8.
Artikel 4.5. Registratie vergunningen
Onze Minister registreert de vergunningen, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, in een openbaar register.
Artikel 4.6. Nadere voorschriften en beperkingen
De voorschriften en beperkingen die op grond van artikel 7.5, eerste lid, van de wet aan een vergunning kunnen worden verbonden, strekken tot nadere uitwerking van de artikelen 4.7 tot en met 4.12.
1.
De vergunninghouder houdt de dieren op zodanige wijze dat:
a. het soorteigen gedrag van de dieren wordt gerespecteerd en zoveel mogelijk in stand wordt gehouden;
b. de sociale levenswijze van de dieren in het wild zo veel mogelijk tot uitdrukking komt, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier;
c. rekening wordt gehouden met de behoeften van het individuele dier;
d. zieke of gewonde dieren indien nodig worden afgezonderd in een passend onderkomen;
e. het in een dierenverblijf verblijvende aantal dieren, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, onderdeel d, niet wordt overschreden.
2.
Van de voorschriften, bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, en in het eerste lid van dit artikel, onderdelen a, b en e, kan tijdelijk worden afgeweken indien er opvang wordt geboden aan een dier of diergroep waarvoor voldoende deskundigheid aanwezig is, maar waardoor de capaciteit van de dierentuin wordt overschreden en mits de opvang niet elders op betere wijze kan plaatsvinden.
1.
De vergunninghouder verzorgt de dieren op zodanige wijze dat:
a. het toedienen van het voer is afgestemd op de fysiologische behoeften van de diersoort en de natuurlijke wijze van voedselvergaring stimuleert;
b. de verzorging is afgestemd op de behoeften van het dier;
c. de conditie en de gezondheid van het dier dagelijks worden gecontroleerd;
d. in voorkomend geval op passende wijze wordt gezorgd voor gewonde en zieke dieren, indien nodig door een dierenarts.
2.
Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen.
3.
De dierenverblijven worden zo vaak als nodig grondig gereinigd en ontsmet.
4.
Zwemwater, stro of ander bodembedekkend materiaal wordt naar behoefte van de diersoort vervangen.
1.
De vergunninghouder voert een inzichtelijk register van elk dier of elke diergroep, waaruit de mutaties van de dieren en de ziektegeschiedenis blijken, en waarin in ieder geval de volgende gegevens zijn opgenomen:
a. de wetenschappelijke soortnaam en het aantal dieren dat van die soort in de dierentuin wordt gehouden;
b. het geslacht, indien mogelijk en relevant;
c. de datum van verkrijging of de geboortedatum;
d. bij overdracht of verkrijging: de bestemming en de herkomst van de dieren en in voorkomend geval de nummers van de in- en uitvoerdocumenten en certificaten;
e. de identificatie van het dier of de diergroep door het ringnummer, het tatoeagenummer, het microchipnummer of, indien een registratienummer ontbreekt, een omschrijving aan de hand van bijzondere uiterlijke kenmerken;
f. bij vertrek van een dier of diergroep: de datum en de reden van vertrek en de naam en het adres van de eindbestemming;
g. bij bezoek van de dierenarts: de datum van dit bezoek, alsmede de gezondheidstoestand van het dier;
h. in geval van sterfte: de datum en de oorzaak van de sterfte.
2.
Het register, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste een maal per maand bijgewerkt.
3.
Bij vertrek gaat het dier of de diergroep vergezeld van een afschrift van alle op basis van het eerste lid bijgehouden relevante gegevens en documenten.
4.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden gedurende vijf jaar na de dood of het vertrek van het dier of de diergroep bewaard en worden op verzoek aan de bevoegde autoriteiten overgelegd.
1.
De vergunninghouder bevordert de instandhouding van de diersoorten, waartoe de door hem gehouden dieren behoren, door het uitvoeren van ten minste een van de volgende activiteiten:
a. de deelname aan onderzoek dat gunstige gevolgen heeft voor het behoud van de diersoorten, de opleiding van het personeel in voor het onderzoek relevante vaardigheden en de uitwisseling van de verkregen informatie met andere dierentuinen;
b. zoveel mogelijk deelnemen aan programma’s met betrekking tot het fokken van dieren in gevangenschap, het herstel van de populatie of het herintroduceren van soorten in hun natuurlijke omgeving;
c. het opvangen van dieren uit opvangcentra en in beslag genomen dieren.
2.
In de dierentuin wordt, in het kader van een informatief en educatief programma met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten, onder meer informatie verstrekt over de tentoongestelde soorten en hun natuurlijke habitat.
Artikel 4.11. Overige voorschriften
De vergunninghouder verzekert zich er bij een overdracht van dieren van dat de ontvangende partij de dieren houdt, huisvest en verzorgt op een wijze die overeenkomt met de voorschriften in deze paragraaf.
Artikel 4.12. Beleidsprotocol
De vergunninghouder beschikt over een beleidsprotocol met daarin opgenomen:
a. een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren;
b. het beleid met betrekking tot de voeding en de preventieve en curatieve diergeneeskundige verzorging van de dieren dat is opgesteld onder begeleiding van een dierenarts;
c. het doel van de activiteiten, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, en van het programma, bedoeld in artikel 4.10, tweede lid;
d. een eenduidig beleid met betrekking tot de in artikel 4.10 genoemde onderwerpen,
en handelt dienovereenkomstig.
1.
Indien de vergunninghouder niet voldoet aan de artikelen 1.6, 1.7 of 1.8 of aan de bij of krachtens deze paragraaf gestelde voorschriften kan de dierentuin op last van Onze Minister geheel of gedeeltelijk worden gesloten voor het publiek.
2.
Onze Minister kan in het geval, bedoeld in het eerste lid, de exploitant verplichten tot het aanpassen, verwijderen of aanbrengen van specifieke voorzieningen binnen de daarbij vermelde termijn, die ten hoogste twee jaar bedraagt.
3.
Indien een exploitant niet binnen de gestelde termijn voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, wordt de vergunning door Onze Minister ingetrokken of gewijzigd en wordt de dierentuin geheel of gedeeltelijk gesloten.
1.
Het is verboden met andere zoogdieren dan die behoren tot de diersoorten, genoemd in bijlage IV , deel te nemen aan een circus of een ander optreden.
2.
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid te vervoeren ten behoeve van:
a. een in Nederland gevestigd circus of een in Nederland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die met die dieren deelneemt aan een circus of een ander optreden, of
b. een niet in Nederland gevestigd circus of een niet in Nederland gevestigde natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die met die dieren deelneemt aan een circus of een ander optreden in Nederland.
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet van toepassing op optredens in dierentuinen als bedoeld in artikel 4.1.
Artikel 5.1. Doden van productiedieren
Paragraaf 3 van hoofdstuk 1 is niet van toepassing op het doden van dieren en op met het doden verband houdende activiteiten, waarop verordening (EG) nr. 1099/2009 van toepassing is.
verordening (EG) nr. 1099/2009 van Besluit houders van dieren">
Artikel 5.2. Uitvoering verordening (EG) nr. 1099/2009
1.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor een goede uitvoering van verordening (EG) nr. 1099/2009.
2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:
a. het aanwijzen van een bevoegde autoriteit;
b. het verstrekken, schorsen en intrekken van getuigschriften van vakbekwaamheid;
c. het goedkeuren van opleidingsprogramma’s en de inhoud en uitvoeringsbepalingen van examens;
d. het uitvoeren van controles en inspecties die relevant zijn voor de bescherming van dieren bij het doden en met het doden verband houdende activiteiten;
e. gidsen voor goede praktijken;
f. het doden, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren buiten een slachthuis.
1.
Het is verboden buiten het slachthuis rundvee, eenhoevigen of loopvogels te slachten of te doden voor particulier huishoudelijk verbruik.
2.
Varkens, geiten en schapen worden buiten het slachthuis uitsluitend gedood na voorafgaande bedwelming met een penschiettoestel.
Artikel 5.4. Eisen aan doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming
Bij het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, wordt voldaan aan de artikelen 5.5 tot en met 5.9 en aan de terzake krachtens artikel 5.2 gestelde regels.
1.
De exploitant van een inrichting die beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 4 van verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europese Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEG 2004, L 226), meldt voorafgaand aan het doden aan Onze Minister dat in de inrichting dieren volgens de islamitische of israëlitische ritus zullen worden gedood.
2.
Indien vanaf de dag waarop is gemeld dat in die inrichting dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zullen worden gedood meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn gedood doet de exploitant, bedoeld in het eerste lid, een nieuwe melding voordat hij het doden hervat.
3.
De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt gedaan op een daartoe beschikbaar gesteld formulier.
Artikel 5.6. Personen die onbedwelmd doden
Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt uitsluitend door personen die daartoe:
a. door het Opperrabbinaat voor Nederland zijn gemachtigd, voor zover het doden volgens de Israëlitische ritus betreft, of
b. door één of meer organisaties die geacht kunnen worden alle of bepaalde groepen islamieten in Nederland te vertegenwoordigen, zijn aangewezen, voor zover het doden volgens de islamitische ritus betreft en deze personen daarvan door een schriftelijk bewijs aan de op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren of andere personen hebben doen blijken.
1.
Het doden van dieren zonder voorafgaande bedwelming, bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, van de wet, geschiedt overeenkomstig de door de op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren of andere personen in het belang van de bescherming van het te doden dier gegeven aanwijzingen.
2.
De in het eerste lid, bedoelde aanwijzingen kunnen betrekking hebben op:
a. de gang van zaken rond het slachtproces, daaronder mede verstaan de wijze waarop en de volgorde waarin dieren worden aangeboden voor de doding;
b. het aantal personen dat betrokken dient te zijn bij het fixeren, doden en verbloeden van het dier;
c. het staken van het dodingsproces indien onvoldoende is gegarandeerd dat daarbij wordt voldaan aan de eisen van de verordening (EG) nr. 1099/2009 en van deze paragraaf.
3.
Onverminderd het tweede lid mag, naast de bij de dodingshandelingen betrokken personen en de personen die tijdens de dodingshandelingen de israëlitische of islamitische ritus verrichten, ten hoogste één persoon bij het doden aanwezig zijn.
1.
Runderen worden gefixeerd door middel van een toestel dat is voorzien van een tijd-mechanisme dat gedurende 45 seconden na het bedienen daarvan, de opheffing van de fixatie onmogelijk maakt; dit mechanisme wordt onmiddellijk na het toebrengen van de halssnede in werking gesteld.
2.
Na het toebrengen van de halssnede blijven schapen en geiten gedurende ten minste dertig seconden gefixeerd in de positie die de dieren innamen op het moment van het toebrengen van de halssnede.
1.
Het toebrengen van de halssnede gebeurt met een vlijmscherp mes door een persoon die niet tevens belast is met het fixeren van de dieren.
2.
Bij schapen, geiten en pluimvee worden ten minste gedurende 30 seconden en bij runderen ten minste gedurende 45 seconden na het aanbrengen van de halssnede geen verdere slachthandelingen verricht.
Artikel 6.1. Overgangsrecht vleeskalkoenen
In afwijking van artikel 2.76f, eerste lid, bedraagt de in dat lid bedoelde luchtverversingscapaciteit in stallen die voor 1 juni 2003 zijn gebouwd en sindsdien niet zijn verbouwd ten minste 3 m 3 per kg levend gewicht per uur.
1.
Tot en met 22 april 2016 is het toegestaan om een voedster als bedoeld in artikel 2.78 buiten de periode van drie dagen voor het berekende tijdstip van werpen tot en met 18 dagen na het werpen te huisvesten in een kooi als bedoeld in artikel 2.76o, tweede lid.
2.
Tot en met 22 april 2016 is het degene die konijnen houdt in een huisvestingssysteem dat op 23 april 2006 reeds in gebruik was toegestaan om af te wijken van de artikelen 2.76o, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, onderdelen b en c, tweede lid en het vierde tot en met zesde lid, onderdelen a en b, op voorwaarde dat de houder ten minste 50 punten behaalt volgens de tabel in bijlage III bij dit besluit.
3.
Onze Minister kan tot en met 22 april 2016 ontheffing verlenen van de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, aan een konijnenhouder als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006, zoals dat luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit lid.
4.
Een ontheffing als bedoeld in het derde lid wordt verleend voor een periode van een jaar.
5.
Ontheffingen, verleend op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de Verordening welzijnsnormen konijnen (PPE) 2006 worden aangemerkt als ontheffingen als bedoeld in het derde lid.
6.
Het tweede lid is niet van toepassing op degene aan wie een ontheffing is verleend als bedoeld in het derde of vijfde lid, en die is ingetrokken.
1.
Artikel 2.18, vierde lid, is gedurende 10 jaar na het in dat lid bedoelde tijdstip niet van toepassing indien de gebruiker van de stal kan aantonen dat:
a. de stal vóór het in artikel 2.18, vierde lid, bedoelde tijdstip in gebruik is genomen, en
b. de stal of de vloer van de stal na het in artikel 2.18, vierde lid, bedoelde tijdstip niet is verbouwd of herbouwd.
2.
In afwijking van artikel 2.11 wordt in dit artikel verstaan onder stal: de kleinste eenheid waarin varkens kunnen worden gehuisvest.
1.
Inrichtingen waaraan op het tijdstip van inwerkintreding van artikel 5.5 krachtens artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren vrijstelling van de artikelen 44, vierde tot en met zevende lid en achtste lid, onderdeel b, tweede volzin, van die wet, is verleend behoeven geen melding als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, te doen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien in de desbetreffende inrichting vanaf de datum waarop paragraaf 2 van hoofdstuk 5 in werking treedt, meer dan een jaar geen dieren zonder voorafgaande bedwelming volgens de islamitische of israëlitische ritus zijn geslacht.
1.
De artikelen 3.8, vijfde lid, 3.12, derde lid, en 3.14, zesde lid, zijn gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing.
2.
Artikel 3.11, vierde lid, is ten aanzien van:
a. honden en katten gedurende vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing;
b. andere gezelschapsdieren dan honden en katten gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing.
1.
Artikel 3.11, eerste lid, is gedurende een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel niet van toepassing:
a. indien degene die verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat de inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit;
b. ten aanzien van andere gezelschapsdieren dan honden en katten, indien degene die verantwoordelijk is voor de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten desgevraagd kan aantonen dat het een inrichting betreft waarvoor een aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, waar ook andere gezelschapsdieren werden gehouden dan honden en katten.
2.
Het erkende bewijs van vakbekwaamheid op basis van het Honden- en kattenbesluit 1999 , zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, voor zover activiteiten worden verricht met honden en katten.
1.
Een aanmelding bij Onze Minister die is verricht op grond van artikel 3, eerste lid van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, geldt als een aanmelding als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, voor activiteiten met honden of katten, voor zover die activiteiten bij die eerdere aanmelding zijn gemeld.
2.
Artikel 3.8, vierde lid, is gedurende een periode van vier maanden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel niet van toepassing op een inrichting, indien degene onder wiens verantwoordelijkheid de in artikel 3.6 bedoelde activiteiten op die inrichting worden verricht:
a. desgevraagd kan aantonen dat de inrichting vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel in gebruik is genomen en het een inrichting betreft waarvoor geen aanmeldingsplicht bestond op basis van artikel 3, eerste lid, van het Honden- en Kattenbesluit 1999, en
b. binnen vier maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel, de inrichting bij Onze Minister aanmeldt.
1.
Artikel 3.13, eerste lid, en artikel 3.14, derde en vierde lid, zijn gedurende een periode van drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van die artikelen niet van toepassing.
2.
De artikelen 9 en 10 van het Honden- en kattenbesluit 1999, zoals dat gold onmiddellijk voor intrekking van dat besluit, blijven van toepassing, gedurende drie jaar vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 3.13 en 3.14.
1.
Het Honden- en Kattenbesluit 1999 wordt ingetrokken.
2.
In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen van het Honden- en kattenbesluit 1999 van toepassing, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van intrekking van dat besluit, op inrichtingen van waaruit honden en katten worden betrokken door inrichtingen die dierproeven verrichten, met inachtneming van artikel 27 van het Honden- en kattenbesluit 1999, tot het tijdstip waarop de wijziging van de Wet op de dierproeven ter implementatie van Richtlijn 2010/63 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEU L 276) in werking is getreden.
Artikel 7.1. Intrekking
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. het Besluit verbod gebruik van levend aas ;
b. het Besluit welzijn productiedieren ;
c. het Varkensbesluit ;
d. het Kalverenbesluit ;
e. het Vleeskuikenbesluit 2010 ;
f. het Dierentuinenbesluit ;
g. het Besluit ritueel slachten ;
h. het Besluit doden van dieren .
1.
[Wijzigt het Besluit diergeneesmiddelen.]
2.
[Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.]
3.
[Wijzigt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.]
Artikel 7.3. Inwerkingtreding
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 7.4. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit houders van dieren.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Wassenaar, 5 juni 2014
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
Uitgegeven de negentiende juni 2014
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemeen
+ Hoofdstuk 2. Houden van dieren voor landbouwdoeleinden
+ Hoofdstuk 3. Houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden
+ Hoofdstuk 4. Houden van dieren voor vertoning
+ Hoofdstuk 5. Doden van dieren voor de productie van dierlijke producten
+ Hoofdstuk 6. Overige bepalingen
+ Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht