Besluit van 11 december 2006, houdende wijziging van het Besluit prudentiële regels Wft ter implementatie van richtlijn nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) en richtlijn nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177) (Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 september 2006, nr. FM2006-02251 M;
Gelet op de artikelen 3:17, tweede lid, aanhef en onderdeel c, 3:53, derde lid, 3:57, tweede en zevende lid, 3:259, derde lid, 3:280b, 4:22 en 5:58, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht en de richtlijnen nr. 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177), en nr. 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (herschikking) (PbEU L 177);
De Raad van State gehoord, advies van 20 oktober 2006, nr. W06.060417/IV;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 4 december 2006, nr. FM2006-02508 U;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
[Wijzigt het Besluit prudentiële regels Wft.]
Artikel II
[Wijzigt het Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft.]
Artikel III
[Wijzigt het Besluit boetes Wft.]
Artikel IV
[Wijzigt het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft.]
Artikel V
[Wijzigt het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.]
Artikel VI
[Wijzigt het Besluit Marktmisbruik Wft.]
1.
Het minimumbedrag aan toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming die het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling berekent volgens een interne modellenmethode is in de boekjaren 2007, 2008 en 2009 ten minste gelijk aan 95, 90 onderscheidenlijk 80 procent van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen zoals berekend ingevolge de artikelen 60 tot en met 62 van het Besluit prudentiële regels Wft zoals deze luidden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.
2.
Het minimumbedrag aan toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming die het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het operationeel risico berekent ingevolge artikel 78 van het Besluit prudentiële regels Wft is in de boekjaren 2008 en 2009 ten minste gelijk aan 90 onderscheidenlijk 80 procent van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen zoals berekend ingevolge de artikelen 60 tot en met 62 van het Besluit prudentiële regels Wft zoals deze luidden voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.
1.
Het minimumbedrag aan toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming die het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling berekent volgens een interne modellenmethode is tot en met het boekjaar 2011 ten minste gelijk aan 80 procent van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen zoals berekend ingevolge de artikelen 60 tot en met 62 van het Besluit prudentiële regels Wft zoals deze luidden voor 1 januari 2007.
2.
Het minimumbedrag aan toetsingsvermogen van een bank of beleggingsonderneming die het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het operationeel risico berekent ingevolge artikel 78 van het Besluit prudentiële regels Wft is tot en met het boekjaar 2011 ten minste gelijk aan 80 procent van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen zoals berekend ingevolge de artikelen 60 tot en met 62 van het Besluit prudentiële regels Wft zoals deze luidden voor 1 januari 2007.
3.
Een bank of beleggingsonderneming die op of na 1 januari 2010 aanvangt met het berekenen van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen overeenkomstig de in het eerste of tweede lid genoemde berekeningsmethode, houdt tot en met het boekjaar 2011 een minimumbedrag aan toetsingsvermogen aan dat ten minste gelijk is aan 80 procent van het minimumbedrag aan toetsingsvermogen berekend overeenkomstig de berekeningsmethode die voorafgaand aan de toepassing van de in het eerste of tweede lid genoemde berekeningsmethode werd gehanteerd.
1.
Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling kan het bedrag van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling tot 1 januari 2008 berekenen ingevolge artikel 61 van het Besluit prudentiële regels Wft zoals dit luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, met dien verstande dat kredietderivaten worden beschouwd als een post buiten de balanstelling met een volledig risico als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, van genoemd artikel.
2.
Het bij of krachtens de artikelen 3:18a en 3:74a van de wet bepaalde alsmede het bij of krachtens artikel 24a en paragraaf 10.3 van het Besluit prudentiële regels Wft bepaalde is niet van toepassing op een financiële onderneming die het eerste lid toepast.
3.
Een financiële onderneming die het eerste lid toepast, kan het bij of krachtens paragraaf 10.4 van het Besluit prudentiële regels Wft bepaalde buiten beschouwing laten. Indien deze financiële onderneming de genoemde paragraaf niet buiten beschouwing laat, wordt zij voor de toepassing daarvan verondersteld artikel 61 van het Besluit prudentiële regels Wft toe te passen.
4.
Een financiële onderneming die het eerste lid toepast, vermindert het bedrag van het solvabiliteitsvereiste ter dekking van het operationeel risico, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wft, met een bedrag dat gelijk is aan het quotiënt van de waarde van de activa en posten buiten de balanstelling waarop het eerste lid wordt toegepast en de waarde van alle activa en posten buiten de balanstelling, vermenigvuldigd met het bedrag van dat solvabiliteitsvereiste.
5.
Een financiële onderneming die het eerste lid op alle activa en posten buiten de balanstelling toepast, kan het bij of krachtens hoofdstuk 10 van het Besluit prudentiële regels Wft bepaalde, zoals dat luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavig besluit, toepassen.
6.
Een financiële onderneming die het eerste lid op alle activa en posten buiten de balanstelling toepast, kan in plaats van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken 9, 10 en 13 van het Besluit prudentiële regels Wft het bepaalde ingevolge de artikelen 11, tweede lid, 20, derde lid, en 55, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 dan wel de artikelen 1 tot en met 8 van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002, zoals dat luidde op 31 december 2006, toepassen.
1.
De Nederlandsche Bank kan tot en met 31 december 2009 een financiële onderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft die een verzoek als bedoeld in artikel 69, vierde lid, van dat koninklijk besluit heeft ingediend, in geval van inwilliging van dat verzoek toestaan dat in plaats van de termijn van drie jaren een kortere termijn geldt, met dien verstande dat deze termijn niet korter is dan een jaar.
2.
De Nederlandsche Bank kan tot en met 31 december 2008 op verzoek van een financiële onderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft die artikel 69, vijfde lid, van dat koninklijk besluit toepast, toestaan dat in plaats van de termijn van drie jaren een termijn van twee jaren geldt.
3.
De Nederlandsche Bank kan een financiële onderneming toestaan dat artikel 94, eerste en tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft zoals dit luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel tot 1 januari 2013 van toepassing blijft op deelnemingen als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wft die vóór 20 juli 2006 zijn verworven.
4.
De Nederlandsche Bank kan toestaan dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 70, derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wft met zetel in Nederland in afwijking van dat lid tot 1 januari 2018 in plaats van een interne modellenmethode de artikelen 60 tot en met 61a van het Besluit prudentiële regels Wft toepast op posities in aandelen die zij op 31 december 2007 aanhield.
5.
Tot 1 januari 2012 kan de Nederlandsche Bank in het geval van vorderingen op ondernemingen in plaats van de termijn van negentig dagen in de definitie van wanbetaling in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wft een langere termijn vaststellen. De termijn is niet langer dan 180 dagen of, in het geval van vorderingen op ondernemingen met zetel in een andere lidstaat, niet langer dan de termijn die door de toezichthoudende instantie van die lidstaat is vastgesteld.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder richtlijn: richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145).
2.
Tot 1 januari 2011 kan de Nederlandsche Bank, op verzoek, aan een beleggingsonderneming die een limiet als bedoeld in artikel 102, eerste of tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wft overschrijdt toestemming verlenen om artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van dat koninklijk besluit niet toe te passen indien:
a. de beleggingsonderneming beleggingsdiensten en beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder punt 2, van de richtlijn verricht die verband houden met de financiële instrumenten genoemd in bijlage I, afdeling C, punten 5, 6, 7, 9 en 10 van de richtlijn;
b. de beleggingsonderneming dergelijke beleggingsdiensten en beleggingsactiviteiten niet voor of namens particuliere cliënten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder punt 10, van de richtlijn verricht;
c. overschrijdingen van de limieten, bedoeld in de aanhef, in verband met risico’s die voorvloeien uit overeenkomsten die financiële instrumenten zijn als bedoeld in onderdeel a, en betrekking hebben op grondstoffen of onderliggende waarden als bedoeld in bijlage I, afdeling C, punt 10, van de richtlijn, en worden berekend in overeenstemming met het bij of krachtens artikel 61, vijfde lid, onderdeel c, en bijlage B van het Besluit prudentiële regels Wft bepaalde, of uit overeenkomsten over de levering van grondstoffen of emissierechten; en
d. de beleggingsonderneming beschikt over een vastgelegde strategie voor beheer.
3.
De beleggingsonderneming stelt de Nederlandsche Bank onverwijld op de hoogte van de in het tweede lid, onderdeel d, bedoelde strategie en van alle wijzigingen daarvan. De beleggingsonderneming treft maatregelen om te zorgen voor voortdurende controle op de kredietwaardigheid van de debiteuren, in overeenstemming met het effect op het concentratierisico. Deze maatregelen stellen de beleggingsonderneming in staat adequaat op te treden bij iedere verslechtering van de kredietwaardigheid.
4.
Indien de beleggingsonderneming de interne grenzen, vastgelegd ingevolge de strategie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, overschrijdt, stelt zij onverwijld de Nederlandsche Bank op de hoogte van de omvang en de aard van de overschrijding en van de betrokken wederpartij.
5.
De toestemming, bedoeld in het tweede lid, vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een voorstel als bedoeld in artikel 119 van de herziene richtlijn banken tot wijziging van de bepalingen in titel V, hoofdstuk 2, afdeling 5, van de herziene richtlijn banken indien die wijziging vóór 31 december 2010 in werking treedt en die wijziging zich niet verdraagt met de toestemming.
1.
De Nederlandsche Bank kan tot 1 januari 2012 op verzoek toestaan dat een beleggingsonderneming waarop artikel 62a van het Besluit prudentiële regels Wft niet van toepassing is, niet voldoet aan artikel 60, eerste lid, onderdeel d, van dat koninklijk besluit indien:
a. de handelsportefeuille niet op enig moment meer bedraagt dan € 50 miljoen; en
b. het gemiddeld aantal relevante werknemers over het boekjaar niet meer bedraagt dan honderd.
2.
De beleggingsonderneming, bedoeld in het eerste lid, beschikt in plaats van het bedrag, bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wft over een bedrag dat ten minste gelijk is aan 12/88 van het hoogste van de volgende bedragen:
3.
De beleggingsonderneming verhoogt ten minste jaarlijks het bedrag waarover zij beschikt, zodat zij uiterlijk per 31 december 2011 beschikt over het bedrag, vereist op grond van artikel 60, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wft.
4.
De toepassing van het eerste tot en met derde lid leidt niet tot een verlaging van de minimumomvang van het toetsingsvermogen zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit prudentiële regels Wft , tenzij die verlaging een gevolg is van vermindering van de activiteiten waarover toetsingsvermogen wordt aangehouden.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder richtlijn: richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145).
2.
Onverminderd het derde lid hoeft een beleggingsonderneming tot 1 januari 2011 niet te voldoen aan het bepaalde in de hoofdstukken 9 en 10 van het Besluit prudentiële regels Wft indien:
a. haar belangrijkste werkzaamheden uitsluitend bestaan uit het bieden van beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder punt 2, van de richtlijn in verband met de financiële instrumenten, bedoeld in de richtlijn, bijlage I, Deel C, punten 5, 6, 7 en 10; en
b. de richtlijn beleggingsdiensten op 31 december 2006 niet op haar van toepassing was.
3.
Het tweede lid is niet langer van toepassing vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van een wijziging als bedoeld in artikel 65, derde lid, van de richtlijn indien die wijziging vóór 31 december 2010 in werking treedt en die wijziging zich niet verdraagt met dat lid.
Artikel XIII
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel XIV
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 11 december 2006
De Minister van Financiën
Uitgegeven de twintigste december 2006
De Minister voor Justitie
Inhoudsopgave
Artikel I
Artikel II
Artikel III
Artikel IV
Artikel V
Artikel VI
Artikel VII
Artikel VIIa
Artikel VIII
Artikel IX
Artikel X
Artikel XI
Artikel XII
Artikel XIII
Artikel XIV
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht