Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2004. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit in- en doorstroombanen

Uitgebreide informatie
Besluit van 17 december 1999, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidie voor het scheppen van arbeidsplaatsen door gemeenten in de collectieve en non-profit sector voor langdurig werklozen gericht op instroom in het arbeidsproces en doorstroom naar andere functies in het arbeidsproces (Besluit in- en doorstroombanen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en Onze Minister van Financiën van 13 juli 1999, nr. AM/RAW/99/35349;
Gelet op artikel 3, eerste en vierde lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 7 september 1999, nr. W12.99.033/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en Onze Minister van Financiën van 10 december 1999, nr. AM/RAW/99/78514;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. langdurig werkloze: een persoon die:
1°. twaalf maanden of langer een algemene bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Algemene bijstandswet dan wel een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers of de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen , of
2°. een uitkering ontvangt op grond van een wet, genoemd onder 1°, en die langer dan twaalf maanden als werkloos werkzoekende is ingeschreven bij de Centrale organisatie werk en inkomen, of,
3°. een dienstbetrekking heeft als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet inschakeling werkzoekenden of een arbeidsovereenkomst heeft als bedoeld in artikel 5 van voornoemde wet.
2.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder langdurig werkloze: de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inschakeling werkzoekenden, van wie de dienstbetrekking, bedoeld in die wet, overeenkomstig de artikelen 11, onderdeel a, of  23, eerste lid, onderdeel a, van die wet is opgezegd.
3.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek of een publiekrechtelijke aanstelling;
b. werknemer: de voormalig langdurig werkloze, die in een dienstbetrekking werkzaam is;
c. arbeidsplaats: een periode van één jaar waarin, bij een volledige werkweek van ten hoogste 32 uur per week, arbeid wordt verricht in dienstbetrekking op basis waarvan de subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt bepaald;
d. werkgever: een publiekrechtelijk lichaam of een instelling als bedoeld in het vierde of vijfde lid, tot welk een langdurig werkloze in dienstbetrekking staat en die – al of niet door het aangaan van die dienstbetrekking – ondernemer is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de ondernemingsraden;
f. Centrale organisatie werk en inkomen: de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
g. vergoeding: de vergoeding die door de gemeente aan een werkgever wordt verstrekt om een arbeidsplaats in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig werkloze te vervullen.
4.
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder instelling: een rechtspersoon, die:
a. op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet onderworpen is aan die belasting of op grond van de artikelen 5 of  6 van die wet is vrijgesteld van die belasting, of
b. op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 onderworpen is aan die belasting, doch waarbij de behartiging van het algemeen belang op de voorgrond staat en die voor de exploitatie mede afhankelijk is van subsidies.
5.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder instelling:
a. een rechtspersoon die kinderopvang aanbiedt die voldoet aan de eisen, gesteld bij of krachtens het Tijdelijk besluit kwaliteitsregels kinderopvang ;
b. een rechtspersoon waarbij op grond van de Circulaire beleidsregels extra arbeidsplaatsen zorgsector 1998, nr. MEVA/ABA-98102 van 10 februari 1998, vastgesteld door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens Onze Minister, een arbeidsplaats in de vorm van een dienstbetrekking met een langdurig werkloze kon worden vervuld, waarvan de kosten op grond van artikel 16 van de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen zoals deze regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, tot 1 januari 2000 vergoed werden door middel van subsidie van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of gefinancierd werden op grond van besluiten van het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg.
Artikel 2. Toepassingsgebied
De Algemene Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
1.
Onze Minister verstrekt subsidie aan de gemeente voor arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen die in de vorm van dienstbetrekkingen bij werkgevers worden vervuld en, voorzover de subsidie daarvoor toereikend is, andere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling voor werkzoekenden.
2.
Het gemeentebestuur toetst voor de besteding van de subsidie op grond van dit besluit bij toepassing van artikel 1, vierde lid, onderdeel b, of de daar bedoelde rechtspersoon aan dat onderdeel voldoet.
3.
Het gemeentebestuur stelt voor het tot stand brengen van arbeidsplaatsen op het gebied van openbare veiligheid en toezicht een beleid vast na bespreking in het reguliere overleg, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 1993 , tussen de burgemeester van de gemeente, waar de werkzaamheden op de dienstbetrekkingen in belangrijke mate worden verricht, de officier van justitie van het desbetreffende arrondissement en de korpschef van het regionale politiekorps.
1.
Ten behoeve van de werkgever verklaren burgemeester en wethouders van de gemeente, waarin de beoogde werknemer woonachtig is, voor de toepassing van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, zo nodig na overleg met de Centrale organisatie werk en inkomen, in een schriftelijk stuk, dat die persoon een langdurig werkloze is.
2.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, geeft tevens aan welk inkomen voor deze persoon aangewezen is om te voldoen aan artikel 8 of welke arbeidsduur voor die persoon aangewezen kan zijn in verband met bij die persoon gelegen factoren.
3.
Burgemeester en wethouders kunnen voor de toepassing van dit besluit personen, die in vergelijkbare omstandigheden verkeren als die bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, gelijkstellen met een langdurig werkloze.
1.
Een werkgever ontvangt van de gemeente een vergoeding voor de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze.
2.
De gemeente verstrekt de vergoeding slechts aan de werkgever:
a. indien de dienstbetrekking wordt aangegaan met een persoon, die volgens een door het gemeentebestuur, bedoeld in artikel 5, eerste lid, afgegeven schriftelijke verklaring een langdurig werkloze is;
b. indien de werkgever voor de loonkosten voortvloeiend uit het aangaan van die dienstbetrekking geen andere subsidie ontvangt of die kosten niet op andere wijze kan verminderen dan op grond van de hoofdstukken III en IV van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 79b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de artikelen 82, 82a of  97c van de Werkloosheidswet, tenzij een subsidie voor meerkosten als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt ontvangen;
c. indien de dienstbetrekking voldoet aan de vereisten van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 8, de vereisten van de beloning, bedoeld in de artikelen 9 en 10, en de werkgever artikel 11 omtrent scholing in acht neemt.
1.
De gemeente verstrekt pas een vergoeding aan een werkgever voor het vervullen van arbeidsplaatsen in de vorm van dienstbetrekkingen met langdurig werklozen:
a. nadat de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden , voor zover die door de werkgever is ingesteld, of het bij of krachtens de wet voor die onderneming ingestelde medezeggenschapsorgaan, over de totstandkoming van dergelijke arbeidsplaatsen positief heeft geadviseerd, en
b. indien bij de werkgever in de periode van zes maanden, voorafgaand aan de datum van aanvang van die dienstbetrekking, geen overeenkomsten of aanstellingen tot het verrichten van arbeid die vergelijkbaar is met de arbeid in die dienstbetrekking, zijn beëindigd op grond van bedrijfseconomische redenen, voor zover nodig met toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen, dan wel daartoe een procedure voor ontslag om bedrijfseconomische redenen in behandeling is.
2.
De concurrentieverhoudingen worden niet onverantwoord beïnvloed met de prijzen voor de goederen en diensten, die ten gevolge van de arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit, worden geleverd.
Artikel 8. Arbeidsduur
De arbeidsduur per week in een dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit, bedraagt bij aanvang van de dienstbetrekking ten minste zoveel uren, dat de werknemer niet is aangewezen op een uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, waarop hij recht zou hebben gehad indien met hem niet die dienstbetrekking zou zijn aangegaan, tenzij op grond van bij de werknemer gelegen factoren een andere arbeidsduur aangewezen is.
1.
Het loon, exclusief de vakantiebijslag, dat aan de werknemer in de dienstbetrekking wordt betaald en dat naar evenredigheid wordt verminderd indien de overeengekomen arbeidsduur minder is dan de normale arbeidsduur, bedoeld in artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bedraagt over de overeengekomen uitbetalingstermijn niet meer dan 130% van het bedrag, bedoeld in de artikelen 8 en 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid worden buiten beschouwing gelaten de toeslagen in verband met werk op ongebruikelijke tijdstippen, die op grond van de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst of rechtspositieregeling aan de werknemer worden betaald.
3.
Het loon, bedoeld in het eerste lid, is het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 , verminderd met tot dat loon behorende:
a. tantièmes, gratificaties, en andere beloningen die in de regel slechts eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend;
b. vergoedingen die worden verleend in het kader van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel en het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel ;
c. loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling;
d. loon ter zake waarvan de belasting ingevolge artikel 31 van die wet wordt geheven van de inhoudingsplichtige.
Artikel 10. Doorstroombanen
Burgemeester en wethouders kunnen de toestemming, bedoeld in het eerste lid, slechts geven indien voor het tot stand komen van de functie is voldaan aan artikel 7, eerste lid.
1.
De gemeente kan een werkgever toestaan, dat hij aan een werknemer een andere functie aanbiedt, waarin hij een loon betaalt dat meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2.
Op het loon, bedoeld in het eerste lid, is artikel 9 van toepassing waarbij voor «130%» wordt gelezen «150%».
1.
De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid scholing te volgen die bijdraagt aan het goed vervullen van de werkzaamheden in een dienstbetrekking als bedoeld in dit besluit, en het vergroten van zijn kans op een dienstbetrekking anders dan op grond van dit besluit, mits voor ten minste 80% van de overeengekomen arbeidsduur werkzaamheden worden verricht.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de voor het verrichten van werkzaamheden beschikbare tijd minimaal 60% van de overeengekomen arbeidsduur bedragen, indien opleidingen worden gevolgd die bestaan uit een beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs .
1.
Onze Minister verleent op of omstreeks 15 mei 2003 aan de gemeente voor het jaar 2003 een subsidie voor de uitvoering van artikel 3, eerste lid, op basis van een door burgemeester en wethouders bij wijze van aanvraag uiterlijk op 1 februari 2003 gedane opgave van het aantal feitelijk bezette arbeidsplaatsen op 30 juni 2002.
2.
Bij toepassing van het eerste lid wordt in aanvulling op dat lid aan de gemeenten door Onze Minister in totaal  € 45 000 000,– extra subsidie verleend. Deze subsidie wordt over de gemeenten verdeeld op basis van de verdeelmaatstaf, opgenomen in artikel 14, eerste lid, van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden.
3.
Gemeenten die op 30 juni 2002 geen feitelijk bezette arbeidsplaatsen als bedoeld in het eerste lid hebben gerealiseerd, ontvangen op of omstreeks 15 mei 2003 de subsidie, bedoeld in het tweede lid. De subsidie wordt, in afwijking van het tweede lid, vastgesteld volgens de bijlage bij dit besluit.
4.
De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand als volgt betaalbaar gesteld:
a. in de maanden januari tot en met april van het jaar 2003, in vier gelijke delen en in de maand mei in een deel ter grootte van tweemaal het daaraan voorafgaande maandelijkse bedrag, op basis van de verdeling van de voor het jaar 2002 toegekende arbeidsplaatsen;
b. in de maanden juni tot en met december van het jaar 2003, in zeven gelijke delen van de verleende subsidie, verminderd met de eerder betaalde voorschotten.
Het voorschot voor de maand januari wordt betaalbaar gesteld, ongeacht of door burgemeester en wethouders een aanvraag is ingediend.
5.
De subsidie, bedoeld in het tweede lid, wordt per maand bij wijze van voorschot op of omstreeks de vijftiende dag van iedere maand betaalbaar gesteld. De laatste volzin van het derde lid is van toepassing.
6.
Indien burgemeester en wethouders de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, niet of niet binnen de gestelde termijn indienen, worden de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd.
7.
Indien de betaalde voorschotten meer bedragen dan de verleende subsidie, wordt het teveel betaalde teruggevorderd.
8.
Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de subsidie uiterlijk op 1 juli 2004 een jaaropgave heeft ontvangen. De jaaropgave wordt voorzien van een verklaring van een accountant, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens. Na ontvangst van de jaaropgave stelt Onze Minister de subsidie binnen 12 maanden vast. Indien de jaaropgave niet is ontvangen binnen 12 maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in de tweede volzin, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
9.
Burgemeester en wethouders verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos alle inlichtingen die hij voor de informatievoorziening, de beleidsvorming en voor het betalen en vaststellen van de subsidie nodig heeft en werken mee aan door of namens Onze Minister ingesteld onderzoek, dat erop gericht is Onze Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van beleidsontwikkeling.
10.
Indien de inlichtingen, bedoeld in het negende lid, niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, kan Onze Minister de betaling van de voorschotten, bedoeld in het vierde en vijfde lid, opschorten. Hervatting van de betaling en nabetaling van de niet betaalde voorschotten vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het negende lid bedoelde gegevens.
11.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld voor de vorm en inhoud van:
a. de opgave, bedoeld in het eerste lid;
b. de jaaropgave en de verklaring, bedoeld in het achtste lid;
c. de inlichtingen die op grond van het negende lid worden verstrekt en de wijze en het tijdstip van verstrekking.
12.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
1.
Dienstbetrekkingen, die zijn aangegaan voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit en waarop de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen van toepassing was zoals deze regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dan wel vervuld zijn bij een instelling als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onderdeel b, worden aangemerkt als dienstbetrekkingen als bedoeld in dit besluit.
2.
Voor bijdragen en vergoedingen van het Rijk over tijdvakken tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit en ten aanzien van bezwaar en beroep tegen besluiten betreffende deze bijdragen en vergoedingen blijft de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen zoals deze regeling luidde tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.
3.
Voor besluiten betreffende dienstbetrekkingen bij instellingen als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, onderdeel b, die betrekking hebben op het tijdvak tot 1 januari 2000 en ten aanzien van bezwaar en beroep tegen dergelijke besluiten blijven Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dan wel het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg na 1 januari 2000 bevoegd.
1.
Artikel 6, tweede lid, onderdeel c, zoals dit luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 14 december 2001 houdende wijziging van enkele sociale zekerheidswetten (Belastingplan 2002 V – Sociale zekerheidswetgeving) (Stb. 644) , blijft van toepassing op de door een werkgever ontvangen subsidie op grond van de artikelen 16, 17 of  18, met uitzondering van artikel 18, derde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten , artikel 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden of artikel 81a van de Arbeidsvoorzieningswet 1996, zoals die artikelen luidden vóór genoemd tijdstip, voor een dienstbetrekking die vóór genoemd tijdstip is aangegaan, welke subsidie vóór genoemd tijdstip is aangevraagd.
2.
Het Besluit in- en doorstroombanen, zoals dit luidde vóór 1 januari 2003, blijft van toepassing op vóór 1 januari 2003 aan de gemeente verleende subsidie.
Artikel 21. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000 en vervalt met ingang van 1 januari 2004, tenzij voor dat tijdstip een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie aan de gemeente, bedoeld in dit besluit, is geregeld.
Artikel 22. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit in- en doorstroombanen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 december 1999
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Uitgegeven dertigste december 1999
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. In- en doorstroombanen
+ Hoofdstuk 3. Vergoeding aan de werkgever
+ Hoofdstuk 4. Subsidie aan de gemeente
+ Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht