Let op. Deze wet is vervallen op 28 augustus 2004. U leest nu de tekst die gold op 27 augustus 2004.

Besluit instelling adviescommissie opleiding intensieve verpleging

Uitgebreide informatie
Besluit instelling adviescommissie opleiding intensieve verpleging
De staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
Overwegende dat in 1986 door de commissie Opleiding Intensieve Verpleging ingesteld door de minister van Volksgezondheid en Milieuhygiƫne bij besluit van 6 juli 1979, is geadviseerd omtrent de inhoud van een opleidingsregeling voor de intensieve verpleging;
dat behoefte bestaat aan een commissie die ter zake nader advies uitbrengt en daarbij beziet in hoeverre het wenselijk is om voor de intensieve verpleging een opleidingsregeling tot stand te brengen alsmede in hoeverre, ingeval een dergelijke opleidingsregeling wenselijk wordt geoordeeld, het eerstbedoelde advies, mede gezien de sedertdien plaatsgevonden ontwikkelingen, als uitgangspunt kan worden gehanteerd;
Besluit:
1.
Ingesteld wordt een adviescommissie opleiding intensieve verpleging, hierna te noemen: de commissie.
2.
De commissie wordt ingesteld voor de periode van een jaar.
1.
De commissie heeft tot taak de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur schriftelijk te adviseren omtrent de vraag of een opleidingsregeling voor de intensieve verpleging wenselijk is, en ingeval de commissie een dergelijke opleidingsregeling wenselijk acht, omtrent de inhoud van een zodanige regeling. Zij beziet daarbij in hoeverre het in 1986 door de commissie Opleiding Intensieve Verpleging ter zake uitgebrachte advies, mede gezien de sedertdien plaatsgevonden ontwikkelingen, als uitgangspunt voor het opstellen van een regeling als bovenbedoeld kan worden gehanteerd.
2.
Bij de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, toetst de commissie in ieder geval aan de aanwijzingen inzake terughoudendheid met regelgeving en neemt zij bij haar advies omtrent de inhoud van een opleidingsregeling voor de intensieve verpleging als uitgangspunt dat een zodanige regeling voor de overheid geen meerkosten tot gevolg dient te hebben.
1.
Tot lid van de commissie worden benoemd:
a. de heer O. Tan, tevens voorzitter, op voordracht van het Academisch ziekenhuis te Utrecht;
b. de heer E. W. J. A. Kiebert, op voordracht van de Nationale Ziekenhuisraad;
c. de heer F. W. M. Lindsen, op voordracht van de Vereniging van Opleidingsinstituten voor Verplegende en Verzorgende Beroepen;
d. de heer A. de Jonge, op voordracht van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care;
e. de heer H. B. J. Barends, op voordracht van de Overleggroep hoofden opleidingen Academische Ziekenhuizen;
f. mevrouw J. Hoogeveen, op voordracht van de verpleegkundige Adviesraad van de Nederlandse Hartstichting;
g. de heer Th. Swinkels, op voordracht van de Nederlandse Maatschappij voor Verpleegkunde;
h. de heer J. M. van de Burg, op voordracht van de Vereniging Abvo Kabo (bond van ambtenaren en van personeel in de gezondheidszorg, het welzijnswerk en de sociale werkvoorziening);
i. de heer J. van Schijndel, op voordracht van de Christelijke Federatie Overheidspersoneel;
2.
Tot adviserend lid van de commissie wordt benoemd de heer H. Fortrie, werkzaam bij de Geneeskundige Hoofdinspectie van de Volksgezondheid.
3.
Tot secretaris van de commissie wordt benoemd mevrouw mr. M. H. Ruseler-Meijs, werkzaam bij de hoofdafdeling Verplegende en Verzorgende Beroepen en Opleidingen van het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
4.
Op verzoek van de commissie kunnen ook andere personen dan de personen, genoemd in het eerste tot en met derde lid, de vergaderingen van de commissie bijwonen.
Artikel 4
De commissie regelt haar werkwijze naar eigen inzicht, met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.
Artikel 5
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt met inachtneming van de bepalingen van het Besluit Algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stb. 1980, 182) op overeenkomstige wijze als bij het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. De bescheiden worden na be?indiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
Artikel 6
Deze beschikking treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van plaatsing in de Nederlandse Staatscourant.
Afschrift van deze beschikking zal worden gezonden aan de in artikel 3 genoemde personen en de Algemene Rekenkamer.
Rijswijk, 7 juni 1989
De
staatssecretaris
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht