Let op. Deze wet is vervallen op 15 maart 2013. U leest nu de tekst die gold op 14 maart 2013.

Besluit kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur

Uitgebreide informatie
Besluit van 3 juli 1996, houdende regels in verband met kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur (Besluit kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 maart 1996, nr. HDTP/96/755/HP Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Gelet op artikelen 4a, 4b, 9, 12, 15, 21, 23, 41, aanhef, onder a en b, en 48 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen en artikel 24 van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur;
De Raad van State gehoord (advies van 19 juni 1996, nr. W09.96.0138);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat a.i., van 1 juli 1996, nr. HDTP/96/1691/HW, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;
b. de houder van de concessie: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;
c. een houder van een infrastructuurvergunning: een houder van een infrastructuurvergunning als bedoeld in artikel 2 van de Vergunningenwet kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur.
1.
Voorzieningen die de houder van de concessie op grond van artikel 4 a van de wet ter beschikking stelt aan een houder van een infrastructuurvergunning, zijn in ieder geval:
a. lokaties waar koppelingen van de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een infrastructuurvergunning aan de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie naar het oordeel van een houder van een infrastructuurvergunning gewenst zijn en door de houder van de concessie gerealiseerd kunnen worden, en
b. koppelvlakken tussen de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een infrastructuurvergunning en de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie die voldoen aan de door een houder van een infrastructuurvergunning gevraagde capaciteit, kwaliteit en eigenschappen.
2.
De houder van de concessie stelt de in het eerste lid bedoelde voorzieningen aan een houder van een infrastructuurvergunning ter beschikking binnen vier weken nadat deze een verzoek daartoe aan de houder van de concessie heeft gedaan indien de gevraagde voorzieningen in vooraanleg reeds aanwezig zijn. In geval de gevraagde voorzieningen niet in vooraanleg aanwezig zijn dient de houder van de concessie binnen vier weken aan een houder van een infrastructuurvergunning een bindende offerte te leveren waarin in ieder geval is opgenomen:
a. een beschrijving van de te leveren voorzieningen, waarbij is uitgegaan van de door een houder van een infrastructuurvergunning gevraagde voorzieningen, en
b. de prijs waarvoor en de termijn waarbinnen de gevraagde voorzieningen door de houder van de concessie geleverd zullen worden.
1.
Een houder van een infrastructuurvergunning is verplicht binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na het afgeven van de infrastructuurvergunning een ieder in het gebied waarop de infrastructuurvergunning betrekking heeft, tegen vergoeding het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking te stellen.
2.
In de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, kan voor wat betreft de termijnen waarbinnen het gebruik van vaste verbindingen ter beschikking wordt gesteld, onderscheid gemaakt worden tussen verschillende houders van een infrastructuurvergunning.
Artikel 4
Na afloop van de in artikel 3 bedoelde termijnen is met betrekking tot het door een houder van een infrastructuurvergunning ter beschikking stellen van voorzieningen ten behoeve van koppelingen aan de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie, onderscheidenlijk aan de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur van een andere houder van een infrastructuurvergunning, artikel 2 van overeenkomstige toepassing.
1.
De houder van een infrastructuurvergunning draagt er zorg voor dat bij de bedrijfsvoering met betrekking tot de kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur het telefoon- en telegraafgeheim, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Grondwet , wordt nageleefd.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de overige verplichtingen van een houder van een infrastructuurvergunning.
3.
De krachtens het tweede lid gestelde regels zien mede op de vermindering van de ongelijkwaardigheid in de mededingingspositie, welke het gevolg is van de eerdere aanleg en exploitatie van kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur door de houder van de concessie.
Artikel 7
[Wijzigt het Besluit draadomroep- en kabelinrichtingen.]
Artikel 8
[Wijzigt het Besluit limitering aansprakelijkheid telecommunicatie. ]
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 juli 1996.
Artikel 10
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 3 juli 1996
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de elfde juli 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Opdrachten aan de houder van de concessie
+ § 3. Opdrachten aan een houder van een infrastructuurvergunning
+ § 4. Verplichtingen voor een houder van een infrastructuurvergunning
+ § 5
+ § 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht