1.
Tenzij toepassing wordt gegeven aan een mogelijkheid tot afwijken als bedoeld in de artikelen 2, derde tot en met zevende lid, 3 of 6, tweede lid, geldt bij de vaststelling van het nationale waterplan, het beheerplan voor de rijkswateren, een regionaal waterplan of een beheerplan voor de regionale wateren dat het plan voor elk daarin opgenomen oppervlaktewaterlichaam de volgende Europese milieukwaliteitseis voor water verwezenlijkt: met ingang van 22 december 2015 is een goede oppervlaktewatertoestand bereikt.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt bij de vaststelling van een plan als bedoeld in dat lid dat betrekking heeft op een periode die na 21 december 2015 begint, dat een goede chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het de stoffen betreft waarvoor dit in bijlage I bij dit besluit is bepaald, is bereikt met ingang van 22 december 2021.
3.
In afwijking van het eerste lid geldt bij de vaststelling van een plan als bedoeld in dat lid dat betrekking heeft op een periode die na 21 december 2015 begint, dat een goede chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het de in artikel 5a gestelde milieukwaliteitseis betreft, is bereikt met ingang van 22 december 2021.
4.
In een geval als bedoeld in artikel 3, lid 8 ter, van de richtlijn prioritaire stoffen geldt in afwijking van het tweede lid in plaats van de datum 21 december 2015 de datum 21 december 2018 en in plaats van de datum 22 december 2021 de datum 22 december 2027.
5.
In afwijking van het eerste lid geldt bij de vaststelling van een plan als bedoeld in dat lid dat betrekking heeft op een periode die na 21 december 2021 begint, dat een goede chemische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het de stoffen betreft waarvoor dit in bijlage I bij dit besluit is bepaald, is bereikt met ingang van 22 december 2027.
6.
Voor de oppervlaktewaterlichamen die in het nationale waterplan als schelpdierwater zijn aangewezen, houdt een goede oppervlaktewatertoestand tevens in dat in schelpdieren geen bacteriële besmetting aanwezig is in een mate die schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid.
7.
Een goede oppervlaktewatertoestand als bedoeld in het eerste lid houdt in dat zowel de chemische toestand, bedoeld in de artikelen 5 en 5a, als de ecologische toestand, bedoeld in artikel 6, vastgesteld overeenkomstig die artikelen goed zijn.
Artikel 5
Een oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede chemische toestand indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat is voldaan aan de Europese milieukwaliteitseisen voor water, genoemd in bijlage I bij dit besluit.
Artikel 5a
Bij de vaststelling van het nationale waterplan, het beheerplan voor de rijkswateren, een regionaal waterplan of een beheerplan voor de regionale wateren geldt dat het plan voor elk daarin opgenomen waterlichaam de volgende Europese milieukwaliteitseis voor water verwezenlijkt: de concentratie van een prioritaire stof die de neiging heeft te accumuleren in sediment of in biota is, bepaald overeenkomstig het monitoringsprogramma, aan het eind van de planperiode in sediment en biota niet significant toegenomen.
1.
Een oppervlaktewaterlichaam verkeert in een goede ecologische toestand indien overeenkomstig het monitoringsprogramma is vastgesteld dat voor de kwaliteitselementen die voor het type natuurlijk oppervlaktewaterlichaam waartoe het oppervlaktewaterlichaam behoort, zijn genoemd in bijlage V, paragraaf 1.1, bij de kaderrichtlijn water, is voldaan aan de volgende Europese milieukwaliteitseisen voor water:
de algemene definities van de goede ecologische toestand die voor het desbetreffende type zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2, de tabellen 1.2.1 tot en met 1.2.4, bij de kaderrichtlijn water.
2.
Van de in het eerste lid bedoelde Europese milieukwaliteitseisen voor water kan worden afgeweken indien:
a. het een kunstmatig waterlichaam of sterk veranderd waterlichaam betreft, en
b. voor dat waterlichaam, onder vermelding van de reden van de afwijking, een goed ecologisch potentieel is vastgesteld in het beheerplan voor de rijkswateren, indien het rijkswateren betreft, dan wel het regionale waterplan, indien het regionale wateren betreft.
3.
Een goed ecologisch potentieel als bedoeld in het tweede lid komt, gegeven de fysische omstandigheden die voortvloeien uit de kunstmatige of sterk veranderde kenmerken van het oppervlaktewaterlichaam, zoveel mogelijk overeen met de Europese milieukwaliteitseisen voor water voor de biologische, hydromorfologische en fysisch-chemische kwaliteitselementen van de goede ecologische toestand van de meest vergelijkbare typen natuurlijk oppervlaktewaterlichaam. Het wordt vastgesteld met inachtneming van de algemene definities van een goed ecologisch potentieel die zijn opgenomen in bijlage V, paragraaf 1.2, tabel 1.2.5, bij de kaderrichtlijn water.
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemeen
- § 2. Oppervlaktewater
+ § 3. Grondwater
+ § 4. Waterwinlocaties
+ § 5. Monitoring
+ § 6. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht