Let op. Deze wet is vervallen op 5 augustus 2005. U leest nu de tekst die gold op 4 augustus 2005.

Besluit luchtkwaliteit

Uitgebreide informatie
Besluit van 11 juni 2001, houdende uitvoering van richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163) en richtlijn 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) (Besluit luchtkwaliteit)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 20 februari 2001, nr. MJZ2001020 595, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163), alsmede op de artikelen 6, 7, 8, 10 van richtlijn 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296), de artikelen 53, 59 en 89 van de Wet inzake de luchtverontreiniging en de artikelen 5.1, 5.2, 5.2a en 5.3 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 17 april 2001, nr W08.01.0107/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 8 juni 2001, nr. MJZ 2001060667, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet milieubeheer ;
b. grenswaarde: grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de wet ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;
c. richtwaarde: richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de wet ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;
d. alarmdrempel: kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij kortstondige overschrijding risico's voor de gezondheid van de mens inhoudt;
e. plandrempel: een kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat bij overschrijden aanleiding geeft tot het opstellen van een plan als bedoeld in artikel 25 of  26;
f. stikstofoxiden: het totale aantal volumedelen stikstofmonoxide en stikstofdioxide per miljard volumedelen, uitgedrukt in microgrammen stikstofdioxide per m 3 ;
g. zwevende deeltjes: in de buitenlucht voorkomende stofdeeltjes;
h. PM 10 : zwevende deeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren met een efficiencygrens van 50 procent bij een aërodynamische diameter van 10 micrometer;
i. uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m 3 lucht bij een temperatuur van 293 K en een druk van 101,3 kiloPascal;
j. 8 uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in microgram per m 3 lucht bij een temperatuur van 293 K en een druk van 101,3 kiloPascal;
k. 24 uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese-Tijd, uitgedrukt in microgram per m 3 lucht bij een temperatuur van 293 K en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide en bij heersende temperatuur en druk voor PM 10 ;
l. winterhalfjaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over 24 uurgemiddelde concentraties van 1 oktober tot en met 31 maart, uitgedrukt in microgram per m 3 lucht bij een temperatuur van 293 K en een druk van 101,3 kilo Pascal;
m. jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over 24 uurgemiddelde concentraties in een kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m 3 lucht bij een temperatuur van 293 K en een druk van 101,3 kiloPascal voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, lood en benzeen en bij heersende temperatuur en druk voor PM 10 ;
n. P-percentiel: concentratiewaarde waarvoor geldt dat P procent van de in een kalenderjaar beschikbare uurgemiddelde dan wel 8 uurgemiddelde concentraties (N) van koolmonoxide lager is dan die concentratiewaarde, met dien verstande, dat indien P procent van N geen heel getal is naar beneden wordt afgerond;
o. meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen luchtmonsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot uurgemiddelde, dan wel 8 uurgemiddelde onderscheidenlijk 24 uurgemiddelde concentraties;
p. meetperiode: periode van 1 januari tot en met 31 december in een kalenderjaar;
q. vangstrendement: de verhouding tussen de door het filter afgevangen massa lood en de werkelijke massa lood in het luchtvolume voor bemonstering;
r. bebouwde kom: de bebouwde kom, zoals vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
s. motorvoertuig: een motorvoertuig in de zin van artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
t. inrichting: een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wetaangewezen categorie;
u. zone: een gedeelte van het Nederlandse grondgebied;
v. agglomeratie: een stedelijk gebied met ten minste 250 000 inwoners.
2.
Dit besluit is niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
1.
Onze Minister wijst voor de toepassing van dit besluit zones onderscheidenlijk agglomeraties aan.
2.
Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de vijf jaar in hoeverre de indeling van zones en agglomeraties voor de meting van de luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 19 aanpassing behoeft.
3.
Aan het tweede lid wordt voor de eerste maal gevolg gegeven voor 19 juli 2006.
Artikel 3
Onze Minister overweegt ten minste eenmaal in de acht jaar in hoeverre de in de artikelen 5 tot en met 17 genoemde waarden herziening behoeven en stelt de Staten-Generaal in kennis van zijn bevindingen daaromtrent.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling worden voor de toepassing van dit besluit regels vastgesteld aangaande de wijze van meten en de frequentie daarvan.
Artikel 5
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van zwaveldioxide kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de volgende grenswaarden voor zwaveldioxide in acht:
a. 350 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden;
b. 125 microgram per m 3 als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal drie maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
Artikel 6
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van zwaveldioxide kunnen hebben, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km 2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen of van autosnelwegen, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, als grenswaarden voor zwaveldioxide in acht:
a. 20 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie;
b. 20 microgram per m 3 als winterhalfjaargemiddelde concentratie.
Artikel 7
Bestuursorganen nemen voor zwaveldioxide een alarmdrempel in acht van 500 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden van ten minste 100 km 2 .
1.
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van stikstofdioxide kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de volgende grenswaarden voor stikstofdioxide in acht:
a. 200 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en
b. 40 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.
2.
Het eerste lid, onder a, is met ingang van 1 januari 2010 van toepassing bij wegen waarvan ten minste 40 000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken.
3.
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van stikstofdioxide kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, tot 1 januari 2010 bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, voor stikstofdioxide een grenswaarde in acht van 290 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
4.
Indien ten gevolge van maatregelen die door één of meer bestuursorganen zijn genomen met het oog op het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, in een kalenderjaar voor het jaar 2010 de grenswaarde wordt bereikt van 200 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie, met maximaal 18 overschrijdingen per kalenderjaar, nemen bestuursorganen, in afwijking van het tweede en derde lid, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van stikstofdioxide kunnen hebben, deze grenswaarde met ingang van het jaar volgend op het jaar waarin de grenswaarde, bedoeld in de eerste volzin is bereikt, in acht.
Artikel 9
Bestuursorganen nemen voor stikstofdioxide de volgende plandrempels, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties, in acht:
a. tot 1 januari 2002, 58 microgram per m 3 ;
b. in 2002, 56 microgram per m 3 ;
c. in 2003, 54 microgram per m 3 ;
d. in 2004, 52 microgram per m 3 ;
e. in 2005, 50 microgram per m 3 ;
f. in 2006, 48 microgram per m 3 ;
g. in 2007, 46 microgram per m 3 ;
h. in 2008, 44 microgram per m 3 ;
i. in 2009, 42 microgram per m 3 .
Artikel 10
Bestuursorganen nemen voor stikstofdioxide bij de wegen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, de volgende plandrempels, gedefinieerd als uurgemiddelde concentraties waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mogen worden overschreden, in acht:
a. tot 1 januari 2002, 290 microgram per m 3 ;
b. in 2002, 280 microgram per m 3 ;
c. in 2003, 270 microgram per m 3 ;
d. in 2004, 260 microgram per m 3 ;
e. in 2005, 250 microgram per m 3 ;
f. in 2006, 240 microgram per m 3 ;
g. in 2007, 230 microgram per m 3 ;
h. in 2008, 220 microgram per m 3 ;
i. in 2009, 210 microgram per m 3 .
Artikel 11
Bestuursorganen nemen voor stikstofdioxide een alarmdrempel in acht van 400 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie gedurende drie achtereenvolgende uren, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 100 km 2 .
Artikel 12
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van stikstofoxiden kunnen hebben, in gebieden met een oppervlakte van ten minste 1000 km 2 die gelegen zijn op een afstand van ten minste 20 km van agglomeraties of op een afstand van ten minste 5 km van andere gebieden met bebouwing, van inrichtingen of van autosnelwegen, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, als grenswaarde voor stikstofoxiden 30 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie in acht.
Artikel 13
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van zwevende deeltjes (PM 10 ) kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de volgende grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM 10 ) in acht:
a. tot 1 januari 2005, 125 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie;
b. tot 1 januari 2005, 250 microgram per m 3 als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden;
c. uiterlijk met ingang van 1 januari 2005, 40 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie;
d. uiterlijk met ingang van 1 januari 2005, 50 microgram per m 3 als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
1.
Bestuursorganen nemen voor zwevende deeltjes (PM 10 ) de volgende plandrempels, gedefinieerd als 24 uurgemiddelde concentraties die maximaal 35 maal per kalenderjaar mogen worden overschreden, in acht:
a. tot 1 januari 2002, 70 microgram per m 3 ;
b. in 2002, 65 microgram per m 3 ;
c. in 2003, 60 microgram per m 3 ;
d. in 2004, 55 microgram per m 3 .
2.
Bestuursorganen nemen voor zwevende deeltjes (PM 10 ) de volgende plandrempels, gedefinieerd als jaargemiddelde concentraties in acht:
a. tot 1 januari 2002, 46 microgram per m 3 ;
b. in 2002, 45 microgram per m 3 ;
c. in 2003, 43 microgram per m 3 ;
d. in 2004, 42 microgram per m 3 .
Artikel 15
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van lood kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet voor lood een grenswaarde van 0,5 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie in acht.
Artikel 16
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van koolmonoxide kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de volgende grenswaarden voor koolmonoxide in acht:
a. 6.000 microgram per m 3 als 98-percentiel van 8 uurgemiddelde concentraties, en
b. 40.000 microgram per m 3 als 99,9-percentiel van uurgemiddelde concentraties.
Artikel 17
Bestuursorganen nemen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van benzeen kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, een grenswaarde van 10 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie in acht.
Artikel 18
Bestuursorganen houden bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van benzeen kunnen hebben, behoudens voorzover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, rekening met een richtwaarde van 5 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie.
1.
Gedeputeerde staten stellen in zones en agglomeraties de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 10 ) en lood vast met gebruikmaking van vaste meetpunten.
2.
Voor de meting van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1.000 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 75 microgram per m 3 . Het in de eerste volzin bepaalde is niet van toepassing in de in artikel 6, bedoelde gebieden.
3.
Voor de meting van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide wordt in de in artikel 6, bedoelde gebieden gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 12 microgram per m 3 .
4.
Voor de meting van de luchtverontreiniging door stikstofdioxide wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 32 microgram per m 3 .
5.
Voor de meting van de luchtverontreiniging door stikstofoxiden wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 500 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor jaargemiddelde concentraties, groter dan 24 microgram per m 3 .
6.
Voor de meting van de luchtverontreiniging door zwevende deeltjes (PM 10 ) wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 400 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 25 procent voor 24 uurgemiddelde concentraties, groter dan 30 microgram per m 3 .
7.
Voor de meting van de luchtverontreiniging door lood wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie minder is dan 50 procent voor concentraties, groter dan 0,25 microgram per m 3 .
1.
Burgemeester en wethouders inventariseren eenmaal in de drie jaar de plaatsen binnen de bebouwde kom, waar naar hun redelijke verwachting mensen worden blootgesteld aan luchtverontreiniging:
a. door stikstofdioxide die meer dan achttien maal per kalenderjaar hoger is dan 200 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie;
b. door stikstofdioxide die hoger is dan 40 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie;
c. door zwevende deeltjes (PM 10 ) die hoger is dan 125 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie tot 1 januari 2005;
d. door zwevende deeltjes (PM 10 ) die meer dan achttien maal per kalenderjaar hoger is dan 250 microgram per m 3 als 24 uurgemiddelde concentratie tot 1 januari 2005;
e. door zwevende deeltjes (PM 10 ) die hoger is dan 40 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie;
f. door zwevende deeltjes (PM 10 ) die meer dan 35 maal per kalenderjaar hoger is dan 50 microgram per m 3 als 24 uurgemiddelde concentratie;
g. door koolmonoxide die hoger is dan 4800 microgram per m 3 als 98-percentiel van 8 uurgemiddelde concentraties;
h. door benzeen die hoger is dan 10 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie.
2.
Burgemeester en wethouders stellen bij wegen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM 10 ), koolmonoxide en benzeen vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde wegen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van burgemeester en wethouders het hoogst is.
3.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt op verzoek van burgemeester en wethouders, bij wegen die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd en onder het beheer van het Rijk vallen, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM 10 ), koolmonoxide en benzeen vast en rapporteert omtrent de resultaten daarvan voor 1 april van het jaar waarin de inventarisatie is verricht, aan burgemeester en wethouders. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Gedeputeerde staten stellen op verzoek van burgemeester en wethouders, bij inrichtingen die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, en bij wegen die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd en onder het beheer van de provincie vallen, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM 10 ), koolmonoxide en benzeen vast en rapporteren omtrent de resultaten daarvan voor 1 april van het jaar waarin de inventarisatie is verricht aan burgemeester en wethouders. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
5.
Burgemeester en wethouders dienen een verzoek om vaststelling van de luchtverontreiniging, als bedoeld in het derde en vierde lid, in voor 1 februari van het jaar waarin de inventarisatie is verricht.
6.
Burgemeester en wethouders stellen in elk van de twee jaren, die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling als bedoeld in het tweede lid heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM 10 ), koolmonoxide en benzeen, bedoeld in het eerste lid, vast bij wegen waar mensen aan die luchtverontreiniging worden blootgesteld en waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in de artikelen 8, eerste en derde lid, 13, 16 onderscheidenlijk 17, genoemde waarden overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, en het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
7.
Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid vindt voor de eerste maal in 2002 plaats.
1.
De vaststelling voor stikstofdioxide bij wegen, bedoeld in artikel 20, tweede, derde, vierde en vijfde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 19, vierde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
2.
De vaststelling voor stikstofdioxide bij inrichtingen, bedoeld in artikel 20, vierde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 19, vierde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.
3.
De vaststelling voor zwevende deeltjes (PM 10 ), bedoeld in artikel 20, tweede, derde, vierde en vijfde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 19, zesde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties en niet meer dan een factor twee van de werkelijke 24 uurgemiddelde concentraties afwijken.
4.
De vaststelling voor koolmonoxide, bedoeld in artikel 20, tweede, derde, vierde en vijfde lid, vindt plaats door middel van:
a. een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 60.000 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie niet meer is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties groter dan 10. 000 microgram per m 3 , en de systematische afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie niet meer is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties groter dan 4.000 microgram per m 3 , dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 30 procent van de werkelijke uurgemiddelde en 8 uurgemiddelde concentraties afwijken.
5.
De vaststelling voor benzeen, bedoeld in artikel 20, tweede, derde, vierde en vijfde lid, vindt plaats door middel van:
a. een meetmethode waarvan de onderste analysegrens ten hoogste 0,5 microgram per m 3 bedraagt, de bovenste analysegrens ten minste 3.600 microgram per m 3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent in monsters met concentraties hoger dan 1 microgram per m 3 , de totale afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie niet meer is dan 20 procent en de systematische afwijking tussen de gemeten en de werkelijke concentratie niet meer is dan 10 procent, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 30 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
1.
Gedeputeerde staten inventariseren eenmaal in de drie jaar de plaatsen waar naar hun redelijke verwachting mensen worden blootgesteld aan luchtverontreiniging, die in overwegende mate wordt veroorzaakt door één of meer inrichtingen die:
a. voor zwaveldioxide meer dan 24 maal per kalenderjaar hoger is dan 350 microgram per m 3 als uurgemiddelde concentratie;
b. voor zwaveldioxide meer dan 3 maal per kalenderjaar hoger is dan 125 microgram per m 3 als 24 uurgemiddelde concentratie;
c. voor lood hoger is dan 0,5 microgram per m 3 als jaargemiddelde concentratie.
2.
Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, onderscheidenlijk lood vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van gedeputeerde staten het hoogst is.
3.
Gedeputeerde staten stellen op plaatsen, die ingevolge het eerste lid zijn geïnventariseerd, in elk van de twee jaren die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door zwaveldioxide vast waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in de artikelen 5 en 15, genoemde waarden overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4.
De vaststelling voor zwaveldioxide, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 19, derde lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 60 procent van de werkelijke uurgemiddelde concentraties afwijken.
5.
De vaststelling voor lood, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, overeenkomstig artikel 19, zevende lid, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze niet meer dan 50 procent van de werkelijke jaargemiddelde concentraties afwijken.
6.
Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt voor de eerste maal in 2002 plaats.
1.
Voorzover Onze Minister met overeenkomstige toepassing van de artikelen 19, 20 en 22 de luchtverontreiniging vast stelt en de in de artikelen 20, eerste lid, en 22, eerste lid, bedoelde plaatsen inventariseert, zijn Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, onderscheidenlijk gedeputeerde staten en burgemeester en wethouders, daartoe niet verplicht.
2.
Het bestuursorgaan dat de in de artikelen 20, eerste lid, en 22, eerste lid, bedoelde plaatsen inventariseert en krachtens de artikelen 19, 20 en 22 de luchtverontreiniging vaststelt, draagt zorg voor de bekostiging daarvan.
1.
Onze Minister kan door middel van metingen overeenkomstig dit besluit een toetsing doen plaatsvinden van de naleving van de artikelen 19, 20 en 22 en, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 59, vijfde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, en artikel 5.3, tweede lid, van de wet, van de naleving van door hem gestelde nadere regelen.
2.
De bij deze toetsing gebleken hoogte van de luchtverontreiniging treedt in de plaats van een anderszins vastgestelde hoogte van de luchtverontreiniging.
1.
Burgemeester en wethouders stellen voor plaatsen waar de in de artikelen 9 en 10, genoemde plandrempels voor stikstofdioxide worden overschreden, een plan op waarin wordt aangegeven op welke wijze voldaan zal gaan worden aan de in artikel 8, eerste lid, onder b en tweede lid, genoemde waarden, binnen de in dat artikel gestelde termijnen.
2.
Het plan bevat ten minste de in de bijlage, behorende bij dit besluit genoemde gegevens.
3.
Burgemeester en wethouders stellen gedeputeerde staten in kennis van het plan voor 1 mei van het jaar volgend op het jaar waarin de overschrijding van de plandrempels voor stikstofdioxide ingevolge artikel 20 is vastgesteld en ingevolge artikel 27, tweede lid, onder b, is gerapporteerd.
4.
Burgemeester en wethouders rapporteren eenmaal in de drie jaar voor 1 mei aan gedeputeerde staten omtrent de voortgang van de uitvoering van het plan.
1.
Onze Minister stelt voor plaatsen waar de in artikel 14, genoemde plandrempels voor zwevende deeltjes (PM 10 ) worden overschreden, een plan op waarin wordt aangegeven op welke wijze voldaan wordt aan de in artikel 13, onder c en d, genoemde waarden, binnen de daarvoor gestelde termijnen.
2.
Het plan bevat ten minste de in de bijlage, behorende bij dit besluit genoemde gegevens.
3.
Het plan wordt vastgesteld voor 1 september van het jaar volgend op het jaar waarin de overschrijding van de plandrempels ingevolge artikel 19 en 20 is vastgesteld.
1.
Burgemeester en wethouders doen van een inventarisatie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, voor 1 mei van het jaar waarin die inventarisatie is verricht, aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag.
2.
Burgemeester en wethouders doen op basis van de vaststelling van de luchtverontreiniging door stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM 10 ), koolmonoxide en benzeen bedoeld in artikel 20, tweede tot en met vijfde lid, voor 1 mei van het jaar waarin de vaststelling heeft plaatsgevonden aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag van:
a. de plaatsen waar overschrijding van de in de artikelen 8, 13, 16 en 17 genoemde waarden is opgetreden, alsmede van de hoogte van de luchtverontreiniging op die plaatsen;
b. de plaatsen waar overschrijding van de in de artikelen 9 en 10, genoemde plandrempels voor stikstofdioxide onderscheidenlijk de in artikel 14, genoemde plandrempels voor zwevende deeltjes (PM 10 ) is opgetreden alsmede van de hoogte van de luchtverontreiniging op die plaatsen;
c. de reden van de overschrijding van de in onderdeel a of b, bedoelde waarden of plandrempels;
d. de gebruikte meetmethode, de data waarop of de periode waarin de overschrijding van de in onderdeel a of b, bedoelde waarden of plandrempels is opgetreden ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van metingen is verricht;
e. de aan deze vaststelling ten grondslag liggende gegevens ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van een andere methode is verricht, en
f. de maatregelen die zij hebben genomen of nog zullen nemen om de in de artikelen 8, 13, 16 en 17 genoemde waarden te bereiken of te handhaven.
1.
Gedeputeerde staten doen in een jaar waarin een inventarisatie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderscheidenlijk 22, eerste lidof een vaststelling als bedoeld in artikel 20, tweede, derde, vierde of vijfde lid onderscheidenlijk 22, eerste, tweede of derde lidheeft plaatsgevonden, voor 1 juli schriftelijk verslag aan Onze Minister van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM 10 ), lood, koolmonoxide en benzeen in de provincie alsmede van de maatregelen en plannen om de in de artikelen 5, 8, 13, 15, 16 en 17 genoemde waarden te bereiken of te handhaven. Zij betrekken in hun verslag de resultaten van de ingevolge artikel 20 verrichte metingen, de ingevolge artikel 27 opgestelde verslagen en de ingevolge artikel 25, bedoelde plannen. In het verslag wordt melding gemaakt van overschrijding van de in artikelen 6 en 12 genoemde waarden.
2.
In het in het eerste lid bedoelde verslag geven gedeputeerde staten een overzicht van de luchtverontreiniging door zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden en zwevende deeltjes (PM 10 ) in de binnen de provincie gelegen agglomeraties, alsmede van de maatregelen en plannen om de toepasselijke in de artikelen 5, 8, 13, 15, 16 en 17 genoemde waarden te bereiken of te handhaven. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
1.
Omtrent het nemen van maatregelen ter handhaving van de in de artikelen 5, 8, 13, 15, 16 en 17 genoemde waarden, bevorderen gedeputeerde staten een regelmatig overleg met de betrokken andere bestuursorganen binnen het gebied van de provincie en met de inspecteur.
2.
Indien overschrijding van de in de artikelen 5 tot en met 8, 11, 12 en 13 genoemde waarden plaatsvindt dan wel dreigt plaats te vinden, geschiedt het verstrekken van informatie aan het publiek mede overeenkomstig de Smogregeling 2001.
3.
Indien overschrijding van de in de artikelen 7 en 11 genoemde alarmdrempels plaatsvindt dan wel dreigt plaats te vinden, geschiedt het nemen van maatregelen mede overeenkomstig de Smogregeling 2001.
Artikel 30
[Wijzigt het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer.]
Artikel 31
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. Besluit luchtkwaliteit zwaveldioxide en zwevende deeltjes (zwarte rook);
b. Besluit luchtkwaliteit stikstofdioxide;
c. Besluit luchtkwaliteit koolstofmonoxide en lood;
d. Besluit luchtkwaliteit benzeen.
Artikel 32
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 33
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit luchtkwaliteit.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 juni 2001
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven veertiende juni 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Definities en algemene bepalingen
+ § 2. Grenswaarden en alarmdrempel voor zwaveldioxide
+ § 3. Grenswaarden, plandrempels en alarmdrempel voor stikstofdioxide
+ § 4. Grenswaarde voor stikstofoxiden
+ § 5. Grenswaarden en plandrempels voor zwevende deeltjes (PM 10 )
+ § 6. Grenswaarde voor lood
+ § 7. Grenswaarden voor koolmonoxide
+ § 8. Grenswaarde en richtwaarde voor benzeen
+ § 9. Controle van de luchtkwaliteit
+ § 10. Toetsing van de vaststelling van de luchtverontreiniging
+ § 11. Plannen
+ § 12. Rapportage
+ § 13. Overleg en maatregelen
+ § 14. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht