Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit mandaat, volmacht en machtiging EL&I 2011

Uitgebreide informatie
Besluit van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 26 april 2011, nr. WJZ/11059881, houdende regels inzake mandaat, volmacht en machtiging voor het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie 2011 (Besluit mandaat, volmacht en machtiging EL&I 2011)
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit inrichting organisatie en formatie rijksdienst 2011;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
b. de secretaris-generaal: de secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
c.
1°. de directeur-generaal van Agro;
2°. de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging;
3°. de directeur-generaal van Internationale Betrekkingen;
4°. de directeur-generaal van Natuur en Regio;
5°. de directeur-generaal van Ondernemen en Innovatie;
6°. de loco secretaris-generaal;
7°. de directeur van de Auditdienst;
8°. de directeur Bedrijfsvoering;
9°. de directeur Bureau Bestuursraad;
10°. de directeur Communicatie;
11°. de directeur Financieel-Economische Zaken;
12°. de directeur Wetgeving en Juridische Zaken;
13°. de Consumentenautoriteit;
14°. de directeur van PIANOo;
15°. de directeur van het Centraal Planbureau;
16°. de directeur van de Dienst ICT Uitvoering;
17°. de directeur van de Dienst Landelijk Gebied;
18°. de inspecteur-generaal der mijnen;
19°. de inspecteur-generaal van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit;
20°. de directeur-generaal Uitvoering;
21°. de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom;
d. P&O-aangelegenheden: aangelegenheden op het gebied van personeel, organisatie en formatie en het daarmee samenhangende budget;
e. BBRA: Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 ;
f. ARAR: Algemeen Rijksambtenarenreglement .
Artikel 2
De organisatie van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie wordt vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage .
Artikel 3
Het in dit besluit ten aanzien van de minister bepaalde is van overeenkomstige toepassing voor de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
1.
Mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit heeft geen betrekking op:
a. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling met betrekking waartoe een wettelijk voorschrift zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet;
b. bevoegdheden, privaatrechtelijke rechtshandelingen en andere handelingen dan een besluit of een privaatrechtelijke rechtshandeling waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet.
2.
Aangelegenheden waarvan de aard zich tegen verlening van mandaat, volmacht of machtiging verzet zijn in ieder geval:
a. beslissingen die belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kunnen hebben;
b. beslissingen omtrent politieke beleidswijzigingen en omtrent de uitbreiding of beperking van de bemoeienissen van de minister;
c. beslissingen waaruit belangrijke financiële consequenties voor het rijk voortvloeien, behoudens voor zover een beslissing een rechtstreeks gevolg is van de bestaande aard en omvang van de regeringsbemoeienis op economisch gebied;
d. het vaststellen van ministeriële regelingen en beleidsregels, met uitzondering van ministeriële regelingen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, en artikel 7, derde lid;
e. delegatie van bevoegdheden;
f. het beslissen op een bezwaarschrift tegen een besluit dat door de minister of namens de minister door de secretaris-generaal is genomen;
g. aangelegenheden met betrekking tot de secretaris-generaal.
3.
Voorts heeft mandaat, volmacht en machtiging in de zin van dit besluit geen betrekking op het afdoen van stukken bestemd voor:
a. de Koningin en het Kabinet der Koningin;
b. de raad van ministers of de daaruit gevormde vaste colleges;
c. een minister of een staatssecretaris;
d. de voorzitter van de Eerste of de Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie;
e. de Raad van State, behoudens voor zover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
f. de Algemene Rekenkamer behoudens voor zover het betreft gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;
g. een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges , met uitzondering van Actal;
h. autoriteiten in binnen- of buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan een minister of staatssecretaris.
Artikel 5
Bij of krachtens dit besluit verleend mandaat, volmacht en machtiging heeft geen betrekking op:
a. het beslissen op een bezwaarschrift door degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen en
b. aangelegenheden waarbij de gemandateerde belanghebbende is.
1.
Aan de secretaris-generaal wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:
a. aangelegenheden op het gebied van de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, zoals nader omschreven in de toelichting bij het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499);
b. het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid;
c. het vaststellen van circulaires, met uitzondering van circulaires die naar het oordeel van de secretaris-generaal door de minister of een hoofd van dienst moeten worden vastgesteld;
d. het vaststellen van de werkterreinen van de hoofden van dienst;
e. aangelegenheden op het werkterrein van de hoofden van dienst:
1°. ten aanzien waarvan de secretaris-generaal in een incidenteel geval aan een hoofd van dienst mededeling heeft gedaan dat zij door hem zullen worden behandeld of
2°. die door een hoofd van dienst aan de secretaris-generaal ter afhandeling worden voorgelegd, tenzij zij naar het oordeel van de secretaris-generaal door een ander hoofd van dienst moeten worden behandeld;
f. aangelegenheden op het gebied van de Wet openbaarheid van bestuur , voor zover niet vallend onder artikel 4, tweede lid, onderdeel a, of behorend tot het werkterrein van een hoofd van dienst;
g. het uitoefenen van de bevoegdheden van de minister inzake benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges, voor zover daarvoor geen mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan een hoofd van dienst;
h. aangelegenheden op het gebied van personeel, financiën, organisatie en bedrijfsvoering, voor zover niet vallend onder het werkterrein van een hoofd van dienst.
2.
Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, behoren in ieder geval:
a. het vaststellen van de organisatie en formatie van de diensten bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 14°;
b. het vaststellen van de apparaatskosten van de diensten;
c. het vaststellen van interne circulaires;
d. beslissingen op bezwaarschriften inzake personeelsaangelegenheden;
e. personeelsaangelegenheden met betrekking tot de hoofden van dienst;
f. besluiten ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 15 of hoger van bijlage B van het BBRA geldt, respectievelijk kandidaten voor functies waarvoor die salarisschalen gelden, inhoudende:
1°. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
2°. het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
3°. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
4°. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
5°. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;
6°. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR;
7°. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR;
8°. het bevorderen naar een hogere salarisschaal;
9°. het beslissen omtrent toekennen van een terugkeergarantie;
10°. het nemen van besluiten omtrent schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10 000 op grond van artikel 69 van het ARAR;
11°. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid.
1.
Aan de hoofden van dienst wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor aangelegenheden op zijn werkterrein, als bedoeld in de bijlage van dit besluit, waaronder begrepen de P&O-aangelegenheden van zijn dienst, met uitzondering van aangelegenheden waarvoor mandaat, volmacht en machtiging is verleend aan de secretaris-generaal of aan een ander hoofd van dienst.
2.
Aan de hoofden van dienst wordt voorts, ieder voor zijn werkterrein, mandaat en machtiging verleend voor aangelegenheden inzake de benoeming, ontslag en vergoeding van leden van adviescommissies ter zake van subsidieverlening.
3.
Aan de directeuren-generaal wordt, ieder voor zich, mandaat en machtiging verleend voor het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in artikel 31a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en het nemen van besluiten die noodzakelijk zijn ter uitvoering van verordeningen op het gebied van het Europese Visserijbeleid.
Artikel 8
Aan de directeur-generaal van Energie, Telecom en Mededinging wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en verrichten van overige handelingen die verband houden met:
a. de Mijnbouwwet , het Mijnbouwbesluit en de Mijnbouwregeling , met uitzondering van het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen waarvoor in artikel 14, onderdelen a tot en met c, mandaat, volmacht en machtiging wordt verleend aan de inspecteur-generaal der mijnen;
b. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Mijnraad;
c. benoeming, schorsing, ontslag en vergoeding van de leden van de Technische commissie bodembeweging;
d. benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Toezicht van de Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland;
e. benoeming en ontslag van de bestuursleden van de stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten.
Artikel 9
Aan de directeur-generaal van Internationale Betrekkingen wordt mandaat en machtiging verleend inzake benoeming, ontslag en vergoeding van leden van het Nationaal Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen.
Artikel 10
Aan de directeur-generaal van Ondernemen en Innovatie wordt mandaat en machtiging verleend inzake benoeming, ontslag en vergoeding van de leden van de Gemeenschappelijke Raadgevende Commissie.
Artikel 11
Aan de directeur Bedrijfsvoering wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en verrichten van overige handelingen ten aanzien van ambtenaren voor wie salarisschaal 1 tot en met 14 van bijlage B van het BBRA geldt, inhoudende:
a. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81, eerste lid, onderdelen e tot en met l, van het ARAR;
b. het verlenen van ontslag op grond van artikelen 49l, 96 en 99 van het ARAR en het verlenen van ontslag in combinatie met een financiële regeling;
c. het schorsen van een ambtenaar op basis van artikel 91 van het ARAR;
d. het verminderen van de bezoldiging tijdens schorsing op basis van artikel 92 van het ARAR;
e. het verlenen van buitengewoon verlof op basis van artikel 34 van het ARAR;
f. het beslissen omtrent toekennen van een terugkeergarantie;
g. het nemen van besluiten omtrent schadeloosstellingen boven een bedrag van € 10 000 op grond van artikel 69 van het ARAR;
h. het toekennen van financiële tegemoetkomingen op grond van sociaal flankerend beleid.
1.
Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van verzoeken van de Nationale ombudsman en bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep, met uitzondering van:
a. bezwaar- en beroepschriften inzake personeelsaangelegenheden;
b. bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten die in mandaat zijn genomen of behandeld door een functionaris of door die functionaris aangewezen ambtenaren die mandaat, volmacht en machtiging heeft verkregen voor het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen die besluiten.
2.
Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt voorts volmacht en machtiging verleend voor het aangaan van verplichtingen inzake het verlenen van opdrachten aan externe juridische dienstverleners, met uitzondering van verplichtingen op het werkterrein van de hoofden van dienst, genoemd in artikel 1, onderdeel c, onder 13°, 17°, 20°, en 21°, en het werkterrein van het hoofd van dienst, genoemd in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, voor zover het betreft het Programma herijking juridisch instrumentarium en gebiedsinrichting.
3.
Aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken wordt tevens mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met besluiten op grond van de artikelen 86, 90 en 91 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Artikel 13
Aan de directeur-generaal Uitvoering en aan de directeur-hoofdinspecteur van het Agentschap Telecom wordt, ieder voor zich, mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het behandelen van niet op personeelsaangelegenheden betrekking hebbende bezwaar- en beroepschriften, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften en het instellen van (hoger) beroep, tegen besluiten die in mandaat zijn genomen of behandeld door hem of door hem aangewezen ambtenaren of tegen besluiten ter zake waarvan de behandeling van bezwaar en beroep anderszins aan hem is opgedragen.
Artikel 14
Aan de inspecteur-generaal der mijnen wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met:
c. de Mijnbouwregeling , met uitzondering van artikel 1.2.1 en paragraaf 1.4 en artikel 12.1, tweede lid;
Artikel 15
Mandaat en volmacht worden uitgeoefend met inachtneming van:
a. ter zake geldende algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Aanwijzingen voor de rijksdienst en andere van toepassing zijnde regelingen, circulaires en instructies;
b. de in de beschrijving van de administratieve organisatie voorgeschreven medeparaafprocedures alsmede andere afspraken omtrent afstemming en coördinatie;
1.
Het krachtens mandaat of volmacht ondertekenen van stukken geschiedt als volgt:
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
namens deze:
(handtekening)
(naam functionaris)
(functie)
2.
Bij ondertekening van stukken krachtens mandaat en volmacht door functionarissen die onder de hoofden van dienst, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 5° ressorteren, wordt onder de functie van de functionaris tevens de naam van het dienstonderdeel vermeld.
1.
De secretaris-generaal kan aan een hoofd van dienst binnen diens werkterrein ondermandaat en machtiging verlenen voor benoeming en ontslag van ambtenaren en andere personen in organen van rechtspersonen en colleges.
2.
De secretaris-generaal kan aan een hoofd van dienst mandaat, volmacht en machtiging verlenen voor P&O-aangelegenheden van zijn dienst, waarvoor de secretaris-generaal of de directeur Bedrijfsvoering krachtens dit besluit mandaat, volmacht en machtiging heeft verkregen.
1.
De hoofden van dienst kunnen, ieder voor zijn werkterrein, voor aangelegenheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en voor zover van toepassing voor aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 14, ondermandaat, volmacht en machtiging verlenen aan hun plaatsvervangers, en wat het werkterrein van ondergeschikte organisatie-onderdelen of functionarissen betreft, aan de hoofden van die onderdelen of aan die functionarissen en aan hun plaatsvervangers.
2.
Voor P&O-aangelegenheden geldt, in afwijking van het eerste lid, dat geen ondermandaat, volmacht en machtiging mag worden verleend voor de volgende aangelegenheden:
a. het aanstellen in vaste of tijdelijke dienst en het beëindigen van vaste of tijdelijke aanstellingen;
b. het opdragen van een andere functie op basis van artikel 57 van het ARAR;
c. het opdragen van tijdelijke andere werkzaamheden op basis van artikel 58 van het ARAR;
d. het opleggen van disciplinaire straffen op grond van artikel 81 van het ARAR;
e. het bevorderen naar een hogere salarisschaal;
f. het toekennen van beloningen;
g. het nemen van besluiten omtrent schadeloosstellingen op grond van artikel 69 van het ARAR.
3.
De secretaris-generaal kan aan hoofden van dienst schriftelijk toestemming geven voor het, in afwijking van het tweede lid, verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging.
1.
Het verlenen van ondermandaat en volmacht alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken.
2.
Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat, volmacht en machtiging als bedoeld in de artikelen 17 en 18 wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de directeur Wetgeving en Juridische Zaken, de directeur Financieel-Economische Zaken, de directeur Bedrijfsvoering, de directeur van de Auditdienst en de Algemene Rekenkamer.
1.
De uit dit besluit voor de secretaris-generaal voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op een door de secretaris-generaal aangewezen directeur-generaal.
2.
De uit dit besluit voor de hoofden van dienst voortvloeiende bevoegdheden gaan in geval van afwezigheid over op hun plaatsvervanger, met uitzondering van de bevoegdheid tot het verlenen van ondermandaat, volmacht en machtiging.
1.
Indien afwezigheid of ontstentenis van de minister eraan in de weg staat dat een door de minister genomen besluit door hem wordt ondertekend, kan, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich ertegen verzet, een besluit namens de minister worden ondertekend door de secretaris-generaal.
2.
In het geval bedoeld in het eerste lid geschiedt het ondertekenen als volgt:
De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,
namens deze,
overeenkomstig het door de minister genomen besluit:
(handtekening)
(naam)
secretaris-generaal
1.
Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2010 wordt ingetrokken.
2.
De volgende op het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2010 berustende besluiten blijven na inwerkingtreding van dit besluit in stand:
a. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal voor Energie, Telecom en Markten van het Ministerie van Economische Zaken 2010, met dien verstande dat telkens waar Markten staat, gelezen moet worden: ‘Mededinging’;
b. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor het directoraat-generaal voor Ondernemen en Innovatie van het Ministerie van Economische Zaken 2010;
c. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging WJZ 2010;
d. Het Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging Consumentenautoriteit 2007;
e. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging voor het Centraal Planbureau 2007;
f. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging inspecteur-generaal der mijnen 2009;
g. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Agentschap NL 2011;
h. Het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Agentschap Telecom 2010.
3.
Het Mandaatbesluit LNV secretaris-generaal en directeuren-generaal wordt ingetrokken.
4.
Het Mandaatbesluit LNV Bureau Bestuursraad wordt ingetrokken .
5.
Het Mandaatbesluit LNV Directie Organisatie en Bedrijfsvoering wordt ingetrokken.
6.
Het Mandaatbesluit LNV Directie Financieel-Economische Zaken wordt ingetrokken.
7.
Het besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 10 mei 2001, Nr. TRCJZ/2001/1670, houdende verlening van mandaat aan de directeur Voorlichting , wordt ingetrokken.
8.
Het Mandaatbesluit LNV beleidskern wordt ingetrokken.
9.
Het Mandaatbesluit personele aangelegenheden LNV wordt ingetrokken. De op dit besluit gebaseerde besluiten van de directeur van de Algemene Inspectiedienst, de directeur van de Dienst ICT Uitvoering, de directeur van de Dienst Landelijk Gebied, de directeur van de Plantenziektenkundige Dienst, de algemeen directeur van de Dienst Regelingen en de inspecteur-generaal van de Voedsel en Waren Autoriteit blijven in stand.
Artikel 23
Een afschrift van dit besluit wordt gezonden aan de secretaris-generaal, de hoofden van dienst en de Algemene Rekenkamer.
Artikel 24
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 2011.
Artikel 25
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging EL&I 2011.
Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 26 april 2011
De
Minister
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Mandaat, volmacht en machtiging
+ § 3. Instructies
+ § 4. Ondermandaat
+ § 5. Vervanging
+ § 6. Ondertekening bij afwezigheid minister
+ § 7. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht