Let op. Deze wet is vervallen op 6 mei 2007. U leest nu de tekst die gold op 5 mei 2007.

Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM 2005

Uitgebreide informatie
Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM 2005
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op het Koninklijk besluit van 18 oktober 1988 (Stb. 1988, 499), houdende de regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal;
Gelet op het Organisatiebesluit VROM 2005;
Besluit:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. minister: minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
b. ministerie: ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
c. staatssecretaris: staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
d. algemene leiding: secretaris-generaal en de vervanging van de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie;
e. diensthoofd:
1°. de algemene leiding, voor zover deze is belast met de dagelijkse leiding van de Concernstaf, de Auditdienst en de directie Internationale Zaken;
2°. de plaatsvervangend secretaris-generaal, voor zover deze is belast met de dagelijkse leiding van de Gemeenschappelijke Dienst;
3°. de directeur-generaal Milieu;
4°. de directeur-generaal Wonen;
5°. de directeur-generaal Ruimte;
6°. de inspecteur-generaal;
7°. de directeur-generaal Rijksgebouwendienst.
f. mandaat: de bevoegdheid om in naam van minister of staatssecretaris besluiten te nemen of beleidsregels vast te stellen, het ministerie betreffende;
g. volmacht: de bevoegdheid om namens de Staat der Nederlanden in naam van minister of staatssecretaris het ministerie betreffende privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten;
h. machtiging: de bevoegdheid om in naam van minister of staatssecretaris handelingen te verrichten die noch besluiten noch privaatrechtelijke rechtshandelingen zijn en het ministerie betreffen.
1.
Aan de algemene leiding wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met de taken, genoemd in artikel 3.1 van het Organisatiebesluit VROM 2005 en de taak, vermeld in het Koninklijk besluit van 18 oktober 1988 (Stb. 1988, 499).
2.
Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
a. besluiten tot toepassing van disciplinaire maatregelen als bedoeld in artikel 80 tot en met artikel 84 en artikel 91 en 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement ;
b. besluiten tot toepassing van mogelijke hardheidclausules toegestaan door de minister van BZK aan de minister zoals opgenomen in het Algemeen Rijksambtenarenreglement en interne regelgeving van het ministerie;
d. besluiten tot toepassing van mogelijke hardheidsclausules toegekend door de minister van BZK aan onze minister zoals opgenomen in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 en daaruit afgeleide regelingen en interne regelgeving van het ministerie;
e. het vaststellen van eventuele niet-individuele regelingen voorzover de Ambtenarenwet , het Algemeen Rijksambtenarenreglement , het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dan wel daaruit voortvloeiende regelgeving deze mogelijkheid biedt;
f. het vaststellen van regels op het gebied van de bedrijfsvoering, waaronder begrepen personeelsaangelegenheden, het ministerie betreffende;
g. het geven van aanwijzingen op het gebied van bedrijfsvoering, waaronder begrepen personeelsaangelegenheden, het ministerie betreffende.
3.
Aan de algemene leiding wordt mandaat verleend tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, die zijn gericht tegen besluiten die verband houden met taken van de algemene leiding, genoemd in artikel 3.1 van het Organisatiebesluit VROM 2005, tenzij het besluiten betreft die door de algemene leiding, minister of staatssecretaris zijn genomen.
4.
Tot de beslissingen op bezwaarschriften, als bedoeld in het derde lid, behoren in ieder geval beslissingen op bezwaarschriften:
a. die zijn gericht tegen besluiten, bedoeld in het tweede lid;
b. die voortvloeien uit het Besluit Reorganisaties VROM 2001.
1.
Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend met betrekking tot de aangelegenheden die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005 , voor zover deze bevoegdheden niet zijn toebedeeld aan de algemene leiding op grond van artikel 2 en voor zover deze al niet reeds bij of krachtens de wet aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn toebedeeld.
2.
Tot de aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval:
a. de taken van integraal management, met inbegrip van aangelegenheden op organisatorisch, personeel, financieel en materieel gebied en aangelegenheden met betrekking tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;
b. het met voorafgaande goedkeuring van de algemene leiding inzetten en uitvoeren van organisatieveranderingen en formatieveranderingen;
c. het vaststellen van de formatie tot schaal 13 van de onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende onderdelen, met dien verstande dat functiewaarderingsbesluiten met betrekking tot de functionarissen, die rechtstreeks vallen onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting, en die functies, die niet opgenomen zijn in de formatie, zijn voorbehouden aan de algemene leiding;
d. het leidinggeven aan de rechtstreeks onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende functionarissen;
e. het optreden als bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden in de overlegvergadering met de medezeggenschap van het onder het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau dan wel de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting ressorterende organisatieonderdeel.
3.
Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het nemen van beslissingen op bezwaarschriften tegen besluiten die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005 , behoudens het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.
Aan het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting wordt mandaat verleend tot het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met hun taken en de taken van de onder hen ressorterende onderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005 .
5.
Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn gemachtigd tot het aangaan van (financiële) verplichtingen, voorzien in de vastgestelde begrotingen van hun organisatieonderdelen.
6.
Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk planbureau de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn bevoegd tot het uitvoeren van de taken en het uitoefenen van de bevoegdheden ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens, als bedoeld in de Regeling Wet bescherming persoonsgegevens Ministerie VROM , binnen hun organisatieonderdelen.
1.
Het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting zijn bevoegd tot het verlenen van ondermandaat en het doorverlenen van hun volmacht of machtiging aan onder hen ressorterende functionarissen ten aanzien van aangelegenheden die verband houden met de taken van hun organisatieonderdelen, genoemd in het Organisatiebesluit VROM 2005 , met dien verstande dat geen ondermandatering plaatsvindt voor besluiten met betrekking tot de inzet van externen voor de categorieën interim-management, organisatie en formatieadvies, beleidsadvies en communicatieadvies.
2.
De uitoefening door het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden, geschiedt bij schriftelijk besluit, met voorafgaande instemming van de algemene leiding.
3.
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden hebben tevens betrekking op het uitoefenen van de dagelijkse leiding van het onderdeel waarvoor de betreffende functionarissen verantwoordelijk zijn, met inbegrip van verantwoordelijkheden op organisatorisch, financieel en materieel gebied en specifieke door het diensthoofd, de directeur Ruimtelijk Planbureau, de directeur Milieu- en Natuurplanbureau dan wel de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting toegekende bevoegdheden.
4.
Het diensthoofd van de Gemeenschappelijke Dienst draagt zorg voor het beheer van dit besluit en de besluiten, bedoeld in het eerste en derde lid.
1.
Aan de minister blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van besluiten met betrekking tot kaders van departementaal beleid en aangelegenheden die op grond van interdepartementale regelgeving of afspraken op het niveau van de minister dienen te worden afgehandeld.
2.
Dit besluit is niet van toepassing, voor zover mandaat, volmacht of machtiging zijn verleend aan een andere instantie dan de in dit besluit genoemde.
3.
In afwijking van artikel 3, is de directeur VROM Administratiekantoor van de Gemeenschappelijke Dienst bevoegd tot het in opdracht van de beslissingsbevoegde functionaris opstellen en ondertekenen van beschikkingen en correspondentie op het terrein van de personeels- en salarisadministratie van het ministerie.
4.
De directeur Facilitaire en Informatiedienst is bevoegd tot het in opdracht van de beslissingsbevoegde functionaris aangaan van ministeriebrede financiële verplichtingen tot een bedrag van € 1000,– exclusief BTW per verplichting.
1.
Het diensthoofd informeert terstond de minister, de staatssecretaris en de algemene leiding bij zwaarwegende omstandigheden en gebeurtenissen, aangaande de hem toegekende taken en bevoegdheden. Zwaarwegende omstandigheden zijn in ieder geval die omstandigheden of gebeurtenissen van dusdanige aard dat deze naar redelijke verwachting van invloed zijn op beeldvorming, politieke ruimte van minister of staatssecretaris dan wel een ordelijk beheer van het ministerie.
2.
Elke functionaris aan wie bij of krachtens dit besluit mandaat is verleend, heeft een informatie- en signaleringsplicht jegens degene die het mandaat heeft verleend.
1.
Indien een besluit op grond van in dit besluit toegekende bevoegdheden wordt afgedaan, luidt de ondertekening:
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
voor deze:
dan wel, voortvloeiend uit de taakverdeling tussen de Minister en de Staatssecretaris:
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
voor deze:
2.
Bij ondertekening van besluiten en stukken op grond van de volmacht van het diensthoofd wordt de aanduiding van de minister voorafgegaan door: namens de Staat der Nederlanden.
1.
De Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004 wordt ingetrokken.
2.
De Regeling bevoegdheden secretaris-generaal VROM met betrekking tot personeelsaangelegenheden 2004 wordt ingetrokken.
Artikel 9
Besluiten tot mandaatverlening die berusten op artikel 8 van de Regeling taken en bevoegdheden VROM 2004 berusten na inwerkingtreding van dit besluit op artikel 4 van dit besluit.
1.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandaat, volmacht en machtiging VROM 2005.
2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 23 december 2004
De
Minister
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Definities
+ Paragraaf 2. Mandaat, volmacht en machtiging van de algemene leiding
+ Paragraaf 3. Mandaat, volmacht en machtiging diensthoofd, directeuren planbureau’s en de directeur Nederlandse Emissieautoriteit in oprichting
+ Paragraaf 4. Begrenzing mandaat, volmacht en machtiging
+ Paragraaf 5. Overige bepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht