Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels tot uitvoering van diverse bepalingen van hoofdstuk 5.4 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit marktmisbruik Wft)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 20 april 2006, nr. FM 2006-00969 M;
Gelet op richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96), richtlijn nr. 2003/124/EG van de Europese Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (PbEU L 339), richtlijn nr. 2003/125/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de juiste voorstelling van beleggingsaanbevelingen en de bekendmaking van belangenconflicten betreft (PbEU L 339), richtlijn nr. 2004/72/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat gebruikelijke marktpraktijken, de definitie van voorwetenschap met betrekking tot van grondstoffen afgeleide instrumenten, het opstellen van lijsten van personen met voorwetenschap, de melding van transacties van leidinggevende personen en de melding van verdachte transacties betreft (PbEU L?162) en richtlijn nr. 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PbEU L?390), alsmede de artikelen 5:56, zesde lid, 5:57, derde lid, 5:58, derde lid, 5:59, vierde en achtste lid, 5:60, eerste lid, aanhef en onderdeel d, derde, vijfde en zesde lid, 5:62, derde lid, 5:64, eerste lid, 5:65 en 5:68, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van 3 juli 2006, nr. W06.06.0135/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9?oktober 2006, nr. FM 2006-01695U;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet op het financieel toezicht ;
b. koersgevoelige informatie: informatie als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de wet;
c. privé-transactie: transactie in een financieel instrument voor eigen rekening of ten behoeve van een derde op wiens beleggingen de betrokkene, anders dan uit hoofde van het verlenen van een beleggingsdienst, invloed uitoefent.
Artikel 2
Artikel 5:56, eerste en derde lid, van de wet is niet van toepassing op de volgende categorieën transacties:
a. het in het kader van een personeelsregeling aan personen als bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, of aan werknemers toekennen van financiële instrumenten, indien daarbij een bestendige gedragslijn wordt gehanteerd met betrekking tot de voorwaarden en de periodiciteit van de regeling;
b. het in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel a uitoefenen van toegekende opties, omwisselen van converteerbare obligaties of uitoefenen van uitgegeven warrants dan wel soortgelijke rechten op aandelen of certificaten van aandelen, op de expiratiedatum van het desbetreffende recht, dan wel binnen een periode van vijf werkdagen voorafgaande aan die datum, alsmede het verkopen van de met de uitoefening van deze rechten verworven aandelen of certificaten van aandelen binnen deze periode, indien de rechthebbende in dit laatste geval ten minste vier maanden voor de expiratiedatum schriftelijk aan de uitgevende instelling kenbaar heeft gemaakt tot verkoop te zullen overgaan of een onherroepelijke volmacht tot verkoop aan de uitgevende instelling heeft verleend;
c. een transactie waarvan het verrichten of bewerkstelligen noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan een verplichting tot levering van aandelen of certificaten van aandelen;
d. het aangaan van een overeenkomst waarbij een rechthebbende op financiële instrumenten zich onherroepelijk jegens een bieder verplicht om in het kader van een voorgenomen of in voorbereiding zijnd openbaar bod, financiële instrumenten waarop het openbaar bod betrekking heeft aan de bieder aan te bieden, indien die rechthebbende het aantal financiële instrumenten waarop de overeenkomst betrekking heeft in een schriftelijke verklaring aan de bieder vastlegt;
e. het aangaan van een overeenkomst waarbij een rechthebbende op financiële instrumenten of een potentiële rechthebbende op financiële instrumenten zich voorafgaand aan een uitgifte of herplaatsing van die financiële instrumenten onherroepelijk verplicht tot aankoop van een of meer van die financiële instrumenten, indien de rechthebbende of de potentiële rechthebbende het aantal financiële instrumenten of het bedrag waarop de overeenkomst betrekking heeft in een schriftelijke verklaring aan de uitgevende instelling die de financiële instrumenten uitgeeft of herplaatst vastlegt;
f. het bij wijze van dividenduitkering uitgeven of, anders dan in de vorm van keuzedividend, verkrijgen van aandelen of certificaten van aandelen;
g. het, slechts beschikkend over voorwetenschap met betrekking tot de handel, te goeder trouw handelen ter bediening van opdrachtgevers door een tussenpersoon;
h. het door werknemers van een rechtspersoon waarbinnen voorwetenschap aanwezig is verrichten of bewerkstelligen van een transactie indien deze werknemers zelf slechts beschikken over koersgevoelige informatie met betrekking tot de handel;
i. het in het kader van een terugkoopprogramma of stabilisatie, als bedoeld in hoofdstuk II onderscheidenlijk hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336), verrichten of bewerkstelligen van transacties in financiële instrumenten op een markt in financiële instrumenten, niet zijnde een gereglementeerde markt, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, voor zover die transacties voldoen aan de in de verordening genoemde voorwaarden, met dien verstande dat onder het begrip «gereglementeerde markt» in de verordening mede wordt verstaan: markt in financiële instrumenten, niet zijnde een gereglementeerde markt, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet;
j. het verkopen van in het kader van een personeelsregeling als bedoeld in onderdeel a toegekende aandelen, certificaten van aandelen of soortgelijke effecten onmiddellijk nadat verkoop volgens de voorwaarden van de toekenning voor het eerst mogelijk wordt, waarbij de betrokkene de opbrengst van de verkoop onmiddellijk aanwendt ter voldoening van een uit de toekenning voortvloeiende belastingplicht.
Artikel 3
Van meedelen in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie als bedoeld in artikel 5:57, eerste lid, onderdeel a, van de wet is in elk geval sprake voorzover:
a. degene die voornemens is een openbaar bod op financiële instrumenten uit te brengen, aan rechthebbenden op die financiële instrumenten, waarvan bekendheid met hun bereidheid om hun financiële instrumenten aan hem aan te bieden redelijkerwijs noodzakelijk is voor de beslissing tot het uitbrengen van het openbaar bod, informatie verschaft die zij nodig hebben om zich over hun bereidheid uit te kunnen spreken; of
b. degene die voornemens is financiële instrumenten uit te geven of te herplaatsen, aan rechthebbenden op financiële instrumenten of potentiële rechthebbenden op financiële instrumenten, waarvan bekendheid met hun bereidheid om financiële instrumenten aan te kopen redelijkerwijs noodzakelijk is voor de beslissing tot het uitgeven of herplaatsen van financiële instrumenten, informatie verschaft die zij nodig hebben om zich over hun bereidheid uit te kunnen spreken.
1.
De Autoriteit Financiële Markten onderzoekt regelmatig of bepaalde categorieën transacties of handelsorders uitgezonderd zouden moeten zijn van de verboden, bedoeld in artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de wet. Zij brengt daarover advies uit aan Onze Minister. Bij haar onderzoek neemt zij in ieder geval de volgende factoren in acht:
a. de mate van transparantie van de categorie transacties of handelsorders voor de relevante gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële instrumenten;
b. de noodzaak om de werking van de marktkrachten en de goede wisselwerking tussen vraag en aanbod op de relevante gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële instrumenten te waarborgen;
c. het effect van het verrichten of bewerkstelligen van de desbetreffende categorie transacties of handelsorders op de marktliquiditeit en de marktefficiëntie van de relevante gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële instrumenten;
d. de mate waarin het verrichten of bewerkstelligen van de desbetreffende categorie transacties of handelsorders aansluit bij het handelsmechanisme van de relevante gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële instrumenten en beleggers in staat stelt passend en tijdig te reageren op de nieuwe marktsituatie die door deze categorie transacties of handelsorders ontstaat;
e. het risico dat voortvloeit uit het verrichten of bewerkstelligen van de desbetreffende categorie transacties of handelsorders voor de integriteit van direct of indirect gelieerde relevante gereglementeerde markten en andere direct of indirect gelieerde relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële instrumenten voor het betrokken soort financieel instrument binnen de Europese Unie;
f. het resultaat van enigerlei onderzoek naar de desbetreffende categorie transacties of handelsorders door een bevoegde autoriteit in de zin van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 april 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L?96);
g. de structurele kenmerken van de relevante gereglementeerde markten en andere relevante van overheidswege toegelaten markten in financiële instrumenten.
2.
De Autoriteit Financiële Markten draagt er zorg voor dat:
a. zij alvorens tot vaststelling van haar advies over te gaan, vertegenwoordigende organisaties van belanghebbenden raadpleegt, alsmede andere bevoegde autoriteiten in de zin van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 april 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96);
b. zij haar advies openbaar maakt, waarbij zij tevens een beschrijving geeft van de desbetreffende categorie transacties of handelsorders en van de factoren die in aanmerking zijn genomen bij haar advies;
c. zij zo spoedig mogelijk van haar advies kennis geeft aan het Comité van Europese effectenregelgevers, ingesteld bij Besluit nr. 2001/527/EG van de Europese Commissie van 6 juni 2001 (PbEG L191).
3.
Indien bepaalde categorieën transacties of handelsorders bij ministeriële regeling van de verboden, bedoeld in artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de wet, zijn uitgezonderd, onderzoekt de Autoriteit Financiële Markten regelmatig of de uitzondering nog gerechtvaardigd is. Daarbij neemt zij de factoren, bedoeld in het eerste lid, en de procedures, bedoeld in het tweede lid, in acht. Indien zij van oordeel is dat haar advies gewijzigd of aangepast zou moeten worden, brengt zij dienovereenkomstig advies uit aan Onze Minister.
4.
De categorieën transacties of handelsorders waarop artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de wet niet van toepassing zijn, worden met inachtneming van het advies van de Autoriteit Financiële Markten, bedoeld in het eerste lid, aangewezen bij ministeriële regeling.
Artikel 5
De in artikel 5:60, eerste lid, onderdeel d, van de wet bedoelde categorieën van personen zijn:
a. echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen van de in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde personen, of andere personen die op daarmee vergelijkbare wijze samenleven met de in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde personen;
b. kinderen van de in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde personen die onder hun gezag vallen of die onder curatele zijn gesteld en waarvoor deze personen als curator zijn benoemd;
c. andere bloed- of aanverwanten van de in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet bedoelde personen, die op de datum van de desbetreffende transactie ten minste een jaar een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd met deze personen; en
d. rechtspersonen, trusts als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht trustkantoren, of personenvennootschappen:
1°. waarvan de leidinggevende verantwoordelijkheid berust bij een persoon als bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet, of bij een persoon als bedoeld in onderdeel a, b of c;
2°. die onder de zeggenschap staan van een persoon als bedoeld onder 1°;
3°. die zijn opgericht ten gunste van een persoon als bedoeld onder 1°; of
4°. waarvan de economische belangen in wezen gelijkwaardig zijn aan die van een persoon als bedoeld onder 1°.
1.
Een melding als bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, van de wet bevat de volgende gegevens:
a. de naam van de meldingsplichtige;
b. het adres van de meldingsplichtige;
c. de naam van de betrokken uitgevende instelling;
d. de reden voor de melding;
e. een omschrijving van de bij de desbetreffende transactie betrokken financiële instrumenten;
f. de aard van de transactie;
g. de datum en de plaats van uitvoering van de transactie;
h. de prijs en de omvang van de transactie.
2.
De melding wordt gedaan met gebruikmaking van door de Autoriteit Financiële Markten vastgestelde meldingsformulieren.
Artikel 7
Aan de meldingsverplichting, bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, van de wet, is voldaan indien op grond van artikel 5:38, eerste of tweede lid, of 5:48, zesde lid, van de wet aan de Autoriteit Financiële Markten melding is gedaan van een door de betrokken transactie bewerkstelligde wijziging als bedoeld in het desbetreffende lid.
Artikel 8
Artikel 5:60, eerste lid, van de wet, is niet van toepassing op transacties die op grond van een schriftelijke overeenkomst van lastgeving worden verricht of bewerkstelligd door een financiële onderneming waaraan het ingevolge het Deel Markttoegang financiële ondernemingen of het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet is toegestaan individuele vermogens te beheren, indien bij die overeenkomst is bepaald dat de volmachtgever geen invloed uitoefent op transacties die de financiële onderneming als gevolmachtigde verricht of bewerkstelligt.
1.
Een melding als bedoeld in artikel 5:62, eerste lid, van de wet bevat de volgende gegevens:
a. een beschrijving van de transactie of de opdracht, het type order en het type handelsplatform;
b. de redenen voor het redelijk vermoeden dat de transactie of de opdracht in strijd is met artikel 5:56, eerste of derde lid, of 5:58, eerste lid, van de wet;
c. gegevens waaruit de identiteit blijkt van de personen namens wie de transactie is uitgevoerd of die daartoe opdracht hebben gegeven, alsmede van de andere personen die bij deze transactie of opdracht betrokken zijn, alsmede gegevens waaruit, indien mogelijk, blijkt of de persoon die opdracht heeft gegeven tot de transactie dit voor eigen rekening of voor rekening van een derde heeft gedaan;
d. de hoedanigheid waarin de beleggingsonderneming optreedt;
e. overige gegevens die redelijkerwijs van betekenis kunnen zijn voor het onderzoek door de Autoriteit Financiële Markten.
2.
Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet beschikbaar zijn ten tijde van de melding, doet de beleggingsonderneming in ieder geval opgave van de redenen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. De beleggingsonderneming verstrekt onverwijld alle overige gegevens zodra zij daarover beschikt.
3.
De melding geschiedt per post, elektronische post, fax of telefoon, met dien verstande dat de melding in het laatste geval schriftelijk wordt bevestigd indien de Autoriteit Financiële Markten daarom verzoekt.
1.
De lijst van personen, bedoeld in artikel 5:59, eerste lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:
a. de naam van alle personen die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van koersgevoelige informatie;
b. de reden waarom deze personen op de lijst zijn vermeld;
c. de datum waarop de lijst is opgesteld en bijgewerkt.
2.
Degene die verplicht is tot het bijhouden van een lijst als bedoeld in het eerste lid, werkt de lijst onverwijldbij indien:
a. de reden waarom een persoon op de lijst is vermeld is gewijzigd;
b. een persoon aan de lijst dient te worden toegevoegd;
c. een persoon die op de lijst staat geen toegang meer heeft tot koersgevoelige informatie.
3.
Degene die verplicht is tot het bijhouden van een lijst als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de omstandigheid dat en het tijdstip waarop een persoon geen toegang meer heeft tot voorwetenschap onverwijld op de lijst.
4.
Degene die verplicht is tot het bijhouden van een lijst als bedoeld in het eerste lid, bewaart de verouderde gegevens ten minste vijf jaar na de opstelling of bijwerking van de lijst.
Artikel 11
Een reglement als bedoeld in artikel 5:65 van de wet bevat regels ten aanzien van:
a. de taken en bevoegdheden van de persoon, bedoeld in artikel 5:60, vierde lid, van de wet, indien de desbetreffende uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:65 van de wet overgaat tot de aanwijzing van een dergelijke persoon;
b. de verplichtingen van werknemers en van de personen, bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, ten aanzien van het bezit van en transacties in op de uitgevende instelling betrekking hebbende financiële instrumenten;
c. indien van toepassing, de periode waarin de personen, bedoeld in artikel 5:60, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, geen transacties in op de uitgevende instelling betrekking hebbende financiële instrumenten mogen verrichten of bewerkstelligen.
Artikel 15
Een ieder die beleggingsaanbevelingen uitbrengt, vermeldt in de beleggingsaanbeveling duidelijk en opvallend:
a. de naam en functie van de natuurlijke persoon die de beleggingsaanbeveling heeft opgesteld; en
b. de naam van de persoon die verantwoordelijk is voor het uitbrengen van de beleggingsaanbeveling.
1.
Een uitbrenger van een beleggingsaanbeveling treft redelijke maatregelen om te waarborgen dat in de beleggingsaanbeveling:
a. melding wordt gemaakt van het feit dat de beleggingsaanbeveling gebaseerd is op betrouwbare bronnen of, indien van toepassing, dat wordt betwijfeld of een bron betrouwbaar is;
b. feiten duidelijk kunnen worden onderscheiden van informatie die niet op feiten is gebaseerd; en
c. projecties, prognoses en richtkoersen duidelijk als zodanig worden omschreven en dat wordt vermeld welke belangrijke vooronderstellingen hieraan ten grondslag liggen.
2.
Onverminderd het eerste lid, treft een uitbrenger van een beleggingsaanbeveling, indien dit een in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet genoemde persoon is, dan wel een met de beleggingsonderneming gelieerde rechtspersoon, redelijke maatregelen om te waarborgen dat in de beleggingsaanbeveling:
a. alle wezenlijk inhoudelijke bronnen worden vermeld, met inbegrip van de betrokken uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet, alsmede het feit of de beleggingsaanbeveling aan deze uitgevende instelling is bekendgemaakt en naar aanleiding daarvan is gewijzigd voordat deze is verspreid;
b. de betekenis ervan op afdoende wijze wordt uitgelegd en dat wordt vermeld op welke wijze de beleggingsaanbeveling is gebaseerd op de belangrijke aannames;
c. grondslagen of methoden voor de beoordeling van een financieel instrument of een uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet of voor de vaststelling van een richtkoers voor een financieel instrument, op adequate en beknopte wijze worden vermeld;
d. melding wordt gemaakt van de geplande frequentie van eventuele bijstellingen van de beleggingsaanbeveling en van alle belangrijke wijzigingen in het eerder bekendgemaakte publicatiebeleid;
e. duidelijk en opvallend melding wordt gemaakt van de datum waarop de beleggingsaanbeveling voor de eerste keer is uitgebracht en van de datum en het tijdstip waarop elke vermelde koers van een financieel instrument betrekking heeft; en
f. indien van toepassing, duidelijk en opvallend melding wordt gemaakt van het feit dat het in de beleggingsaanbeveling opgenomen advies afwijkt van het advies in de meest recente beleggingsaanbeveling met betrekking tot hetzelfde financieel instrument, bedoeld in artikel 5:53, zesde lid, onderdeel a, van de wet of dezelfde uitgevende instelling, bedoeld in dat onderdeel, dat door dezelfde natuurlijke persoon is opgesteld en in een periode van twaalf maanden onmiddellijk daaraan voorafgaand is uitgebracht, alsmede van de datum waarop deze eerdere beleggingsaanbeveling is uitgebracht.
1.
Een uitbrenger van een beleggingsaanbeveling vermeldt in de beleggingsaanbeveling duidelijk en opvallend de belangen of belangenconflicten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze afbreuk kunnen doen aan de objectiviteit van de beleggingsaanbeveling.
2.
Indien de uitbrenger van een beleggingsaanbeveling een rechtspersoon is, is de in het eerste lid bedoelde verplichting van overeenkomstige toepassing op iedere in het kader van een arbeidsovereenkomst of anderszins voor hem werkzame natuurlijke of rechtspersoon die bij het opstellen van de beleggingsaanbeveling betrokken was.
3.
Afbreuk kan in elk geval worden gedaan aan de objectiviteit van de beleggingsaanbeveling indien een in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet genoemde persoon of een met de beleggingsonderneming gelieerde rechtspersoon, voor of tijdens het uitbrengen van de beleggingsaanbeveling:
a. een aanzienlijke deelneming heeft in de uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet, of wanneer deze uitgevende instelling een aanzienlijke deelneming heeft in de in de aanhef van dit lid genoemde personen of ondernemingen;
b. een ander wezenlijk financieel belang heeft in de uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet;
c. optreedt als marketmaker of als liquiditeitsverschaffer met betrekking tot de financiële instrumenten van de uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet;
d. partij is bij een overeenkomst met de uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet, met betrekking tot het uitbrengen van de beleggingsaanbeveling;
e. partij is bij enige andere overeenkomst met de uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet; of
f. gedurende de voorafgaande twaalf maanden beroeps- of bedrijfsmatig financiële instrumenten van de uitgevende instelling, bedoeld in artikel 5:53, vijfde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet, bij uitgifte ervan, heeft overgenomen of geplaatst.
4.
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien het vermelden van de belangen of belangenconflicten, bedoeld in dat lid, door de uitbrenger van een beleggingsaanbeveling of een met hem gelieerde rechtspersoon zou leiden tot de openbaarmaking van vertrouwelijke commerciële informatie en de overeenkomst, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, de voorafgaande twaalf maanden van kracht was of gedurende deze periode heeft geleid tot een vergoeding aan deze uitbrenger van een beleggingsaanbeveling of een met hem gelieerde rechtspersoon of een toezegging daartoe.
5.
Indien de uitbrenger van een beleggingsaanbeveling een rechtspersoon is, vermeldt deze zijn belangen of belangenconflicten of de belangen of belangenconflicten van de met hem gelieerde rechtspersonen die relevant zijn met betrekking tot de beleggingsaanbeveling:
a. welke bekend waren of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij bekend waren aan de personen die bij het opstellen van de beleggingsaanbeveling betrokken waren; of
b. welke bekend waren of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij bekend waren aan andere personen dan bedoeld in onderdeel a, voordat de beleggingsaanbeveling onder cliënten werd verspreid of openbaar werd gemaakt aan het publiek.
6.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet maakt eens in de drie maanden openbaar welk gedeelte van de in die periode gegeven beleggingsaanbevelingen een advies om «te kopen», «aan te houden», «te verkopen», of een gelijkwaardige formulering bevat, alsmede aan welk gedeelte van de uitgevende instellingen, bedoeld in artikel 5:53, zesde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet een dergelijk advies is gegeven voor wie de beleggingsonderneming tijdens de voorafgaande twaalf maanden belangrijke zakenbankdiensten heeft verricht.
1.
Een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het kader van een arbeidsovereenkomst of anderszins voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet werkzaam is en die betrokken was bij het opstellen van een beleggingsaanbeveling, deelt aan de beleggingsonderneming mede of zijn beloning gekoppeld is aan door de beleggingsonderneming of een met haar gelieerde rechtspersoon verrichte zakenbanktransacties, voorzover de beleggingsonderneming hiervan niet reeds op de hoogte is.
2.
Indien de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, aandelen van een uitgevende instelling als bedoeld in artikel 5:53, zesde lid, onderdeel a, onder 3°, van de wet ontvangt of verwerft voordat deze aandelen aan het publiek worden aangeboden, deelt hij ook de koers waartegen deze aandelen zijn verworven en de verwervingsdatum mede aan de beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet, voorzover de beleggingsonderneming hiervan niet reeds op de hoogte is.
3.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet vermeldt de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens in de beleggingsaanbeveling.
4.
Een natuurlijke persoon die in het kader van een arbeidsovereenkomst of anderszins voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 5:64, tweede lid, onderdeel a, van de wet werkzaam is en een door een derde uitgebrachte beleggingsaanbeveling uitbrengt, vermeldt in deze beleggingsaanbeveling duidelijk en opvallend de naam van de voor de beleggingonderneming bevoegde toezichthouder.
1.
Indien de beleggingsaanbeveling, bedoeld in artikel 16 of 17, eerste, tweede of derde lid, niet schriftelijk openbaar wordt gemaakt, kan bij de beleggingsaanbeveling worden vermeld welke voor het publiek direct en gemakkelijk toegankelijke vindplaats toegang geeft tot deze vereiste informatie.
2.
Indien de openbaar te maken informatie, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, b of c, onevenredig lang is in verhouding tot de lengte van de beleggingsaanbeveling en zich geen wijziging heeft voorgedaan in de gehanteerde methode of grondslag van de beoordeling, kan in de beleggingsaanbeveling naar een voor het publiek direct en gemakkelijk toegankelijke vindplaats worden verwezen waar deze vereiste informatie toegankelijk is.
3.
Indien de openbaar te maken informatie, bedoeld in artikel 17, eerste, tweede, derde, vijfde of zesde lid, of 18, eerste of tweede lid, onevenredig lang is in verhouding tot de lengte van de beleggingsaanbeveling, kan in deze beleggingsaanbeveling naar een voor het publiek direct en gemakkelijk toegankelijke vindplaats worden verwezen waar de vereiste informatie toegankelijk is.
Artikel 20
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet, treft adequate maatregelen teneinde belangenconflicten met betrekking tot transacties in financiële instrumenten te beheersen.
Artikel 21
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet, treft adequate maatregelen teneinde:
a. te vermijden dat koersgevoelige informatie bekend wordt buiten de kring van personen die uit hoofde van de uitoefening van werk, beroep of functie daarmee bekend dienen te zijn;
b. te waarborgen dat aan de onderneming verbonden personen de uiterste zorgvuldigheid betrachten in de behandeling van informatie waarvan zij weten of redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze informatie moet worden aangemerkt als koersgevoelig.
1.
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet, niet zijnde een clearinginstelling, treft adequate maatregelen teneinde te vermijden dat zij:
a. transacties uitvoert of laat uitvoeren met als oogmerk een financieel instrument te verwerven of aan te bieden dat is uitgegeven door een onderneming die clustermunitie als bedoeld in artikel 2 van het op 30 mei 2008 te Dublin tot stand gekomen Verdrag inzake clustermunitie (Trb. 2009, 45), of cruciale onderdelen daarvan, produceert, verkoopt of distribueert;
b. leningen verstrekt aan een onderneming als bedoeld in onderdeel a;
c. niet vrij verhandelbare deelnemingen in het kapitaal van een onderneming als bedoeld in onderdeel a verwerft.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het uitvoeren of laten uitvoeren van transacties met als oogmerk een financieel instrument te verwerven of aan te bieden dat is uitgegeven door een onderneming die meer dan de helft van het aandelenkapitaal in een onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, houdt en op leningen aan of niet vrij verhandelbare deelnemingen in een zodanige onderneming.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. transacties gebaseerd op een index die voor minder dan vijf procent bestaat uit ondernemingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
b. transacties in door derden beheerde beleggingsinstellingen die voor minder dan vijf procent bestaan uit ondernemingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a; en
c. investeringen in nauwkeurig omschreven projecten van een onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor zover de financiering niet wordt aangewend voor de productie, verkoop of distributie van clustermunitie.
4.
Onverminderd het eerste lid, dienen ondernemingen die financiële instrumenten, leningen of niet vrij verhandelbare deelnemingen als bedoeld in het eerste lid bezitten, deze binnen een redelijke termijn van de hand te doen of te beëindigen.
Artikel 22
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet, wijst een persoon aan die belast is met het interne toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde en stelt regels ten aanzien van de uitoefening van dat toezicht.
Artikel 23
Een onderneming als bedoeld in artikel 5:68, eerste lid, van de wet, houdt van de door haar voor eigen rekening verrichte transacties in financiële instrumenten een administratie bij, die de volgende gegevens bevat:
a. de per dag verrichte transacties;
b. de financiële instrumenten waarop elke transactie betrekking heeft;
c. de datum en het tijdstip waarop elke transactie is uitgevoerd;
d. voor zover van toepassing, de identiteit van de derde die de transactie heeft uitgevoerd;
e. de koers of de koersen waartegen de transacties zijn uitgevoerd.
1.
Een onderneming als bedoeld in het tweede lid beschikt over een gedragscode voor privé-transacties door aan de onderneming verbonden personen die direct of indirect bij de transacties van de onderneming in financiële instrumenten zijn betrokken dan wel anderszins uit hoofde van werk, beroep of functie regelmatig over voorwetenschap beschikken of kunnen beschikken, tenzij de onderneming met toepassing van artikel 25, derde lid, besluit geen personen aan te wijzen als insider als bedoeld in artikel 25. Zij draagt er zorg voor dat de gedragscode bekend is bij ieder wie het aangaat en ziet toe op de naleving ervan.
2.
Het eerste lid is van toepassing op:
a. clearinginstellingen;
b. banken die geen beleggingsdiensten mogen verlenen of beleggingsactiviteiten mogen verrichten, beheerders van beleggingsinstellingen, beheerders van icbe’s, beleggingsmaatschappijen, financiële instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling hebben verkregen, maatschappij voor collectieve belegging in effecten, ondernemingsspaarfondsen, pensioenfondsen en verzekeraars, die beschikken over een gekwalificeerde deelneming in een uitgevende instelling of waarvan de transacties in financiële instrumenten gedurende het afgelopen kalenderjaar € 20 miljoen of meer hebben bedragen.
3.
Tot de transacties in financiële instrumenten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden niet gerekend:
a. de transacties van een bijkantoor buiten Nederland of een dochtermaatschappij van de onderneming; en
b. de transacties van een buiten Nederland gevestigde onderneming waarvan de onderneming een bijkantoor is.
4.
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b, worden de volgende transacties buiten beschouwing gelaten:
a. transacties in obligaties uitgegeven door de Staat der Nederlanden, andere overheden en overheidslichamen, internationale verdragsorganisaties en supranationale publiekrechtelijke lichamen;
b. transacties in financiële instrumenten waarvan het beheer is overgedragen aan een derde, op zodanige voorwaarden dat de onderneming geen invloed heeft op de fondsselectie of op afzonderlijke transacties;
c. transacties in indexfondsen of in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen die alleen openstaan voor professionele marktpartijen.
1.
De gedragscode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, bevat regels die gelden voor alle in dat lid bedoelde personen, en aanvullende regels voor insiders.
2.
Een onderneming wijst als insider aan:
a. de personen die het dagelijks beleid van de onderneming bepalen of mede bepalen;
b. personen van wie de werkzaamheden bestaan uit het verrichten of bewerkstelligen van transacties in financiële instrumenten, of uit het aanbieden, verrichten, afwikkelen of controleren van diensten op het gebied van bemiddeling in financiële instrumenten of op het gebied van vermogensbeheer;
c. andere personen die uit hoofde van hun verbondenheid aan de onderneming regelmatig over voorwetenschap beschikken of kunnen beschikken.
3.
Een onderneming kan besluiten een in het tweede lid, onderdeel a of b, bedoelde persoon niet aan te wijzen als insider als deze niet regelmatig over voorwetenschap beschikt of kan beschikken.
4.
Een onderneming voorziet in procedures voor het aanwijzen van insiders en voor de toepassing van het derde lid, en houdt een lijst bij van de personen die als insider zijn aangewezen.
Artikel 26
De gedragscode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, bepaalt dat een in dat lid bedoelde persoon iedere vermenging van zakelijke en privé-belangen, respectievelijk de redelijkerwijs voorzienbare schijn daarvan, die te maken heeft met transacties in financiële instrumenten, vermijdt.
1.
De gedragscode, bedoeld in artikel 24, eerste lid, bepaalt dat een insider als bedoeld in artikel 25, tweede lid:
a. door hem verrichte privé-transacties meldt op de in de gedragscode voorgeschreven wijze en met inachtneming van de in de gedragscode opgenomen voorschriften;
b. naar zijn beste vermogen bevordert dat derden, op wier beleggingen hij invloed uitoefent of kan uitoefenen, de interne toezichthouder, bedoeld in artikel 22, op diens verzoek alle informatie verstrekken omtrent enige door hen verrichte of bewerkstelligde privé-transactie.
2.
De gedragscode kan bepalen dat melding van transacties in bepaalde categorieën financiële instrumenten, waarvan melding niet bijdraagt aan het doel van de gedragscode, achterwege kan blijven.
Artikel 30
Artikel 24, eerste lid, is tot de eerste dag van de zevende maand na de datum van inwerkingtreding niet van toepassing op ondernemingen als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onderdeel b, die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit werkzaam zijn en ingevolge hoofdstuk IVA van de Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 waren vrijgesteld van artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Artikel 31
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 32
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit marktmisbruik Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Uitzonderingen op de wettelijke verboden
+ Hoofdstuk 3. Meldingsveprlichtingen, lijsten van personen die toegang hebben tot koersgevoelige informatie en het reglement
+ Hoofdstuk 4
+ Hoofdstuk 5. Voorkoming van publiekmisleiding door beleggingsaanbevelingen
+ Hoofdstuk 6. Optreden op markten in financiële instrumenten
+ Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht