Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2009.

Besluit milieuverslaglegging

Uitgebreide informatie
Besluit van 17 november 1998, houdende uitvoering van titel 12.1 van de Wet milieubeheer (Besluit milieuverslaglegging)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 september 1998, nr. MJZ 98082053, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 8.45, 12.1, tweede lid, 12.4, tweede, derde en vijfde lid, en 12.5 van de Wet milieubeheer en artikel 2d van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 1998, nr. W08.98.0421);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 november 1998, nr. MJZ98112022, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
wet: Wet milieubeheer ;
vergunning: vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet of vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
bestuursorgaan: bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning te verlenen;
overheidsverslag: milieuverslag als bedoeld in artikel 12.4 van de wet;
Onze Ministers: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
bijlage I en II: de bij dit besluit behorende bijlage I , onderscheidenlijk bijlage II .
Artikel 2
Als categorie├źn van gevallen waarin inrichtingen ernstige nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, als bedoeld in artikel 12.1, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de in bijlage I genoemde categorie├źn.
1.
In het overheidsverslag worden, voorzover voor de betrokken inrichting relevant, de onderwerpen behandeld en gegevens vermeld, die zijn aangegeven in bijlage II .
2.
Kwantitatieve gegevens worden vermeld als jaarvrachten voor de gehele inrichting. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin kan bij regeling van Onze Ministers voor daarbij aangegeven kwantitatieve gegevens worden bepaald dat deze tevens op een andere daarbij aangegeven wijze worden vermeld, indien dit naar hun oordeel is vereist met het oog op:
a. de vaststelling van het door bestuursorganen te voeren milieubeleid en de controle op de voortgang van de uitvoering van dat beleid, of
b. de uitvoering van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
3.
Kwantitatieve gegevens worden voorzien van een toelichting, indien dit voor een goed begrip van die gegevens noodzakelijk is.
4.
Kwantitatieve gegevens komen op zorgvuldige en verifieerbare wijze met behulp van een bij de inrichting gedocumenteerd meet- en registratiesysteem tot stand.
5.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen modellen worden vastgesteld voor het opstellen van overheidsverslagen. Indien de eerste volzin toepassing vindt, wordt voor ieder model in ieder geval aangegeven:
a. voor welke categorie van de in bijlage I aangewezen gevallen het betrokken model geldt, en
b. welke gegevens bij welk onderwerp tenminste in het verslag worden vermeld.
6.
Bij de regeling, bedoeld in het vijfde lid, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid.
7.
Een bestuursorgaan kan bij het aanbrengen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan een vergunning bepalen dat daarbij aangegeven andere gegevens dan vermeld in bijlage II, onder 1 tot en met 13, in het overheidsverslag worden vermeld, dan wel dat de overeenkomstig het tweede tot en met het zesde lid te verstrekken kwantitatieve gegevens daarin op een andere daarbij aangegeven wijze worden vermeld. Van deze bevoegdheid wordt uitsluitend gebruik gemaakt in gevallen waarin dat redelijkerwijs nodig is met het oog op:
a. het bepalen van de mate waarin de betrokken inrichting of een onderdeel daarvan in het bijzonder nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, of
b. vervulling van de taak, bedoeld in artikel 18.2 van de wet, onderscheidenlijk artikel 29 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
8.
Een bestuursorgaan kan bij het aanbrengen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan een vergunning nadere eisen stellen met betrekking tot de behandeling in het overheidsverslag van het in bijlage II , onder 14 , genoemde onderwerp, en het bepaalde in het vierde lid.
Artikel 3a
Indien degene die de betrokken inrichting drijft, ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR rapportageplichtig is, worden in afwijking van artikel 3, eerste lid, en punt 2 van bijlage II , met betrekking tot het verslagjaar in het overheidsverslag:
a. niet de onderwerpen 1 tot en met 6 uit de in bijlage II opgenomen tabel behandeld voor zover over die onderwerpen reeds ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR wordt gerapporteerd;
b. geen gegevens vermeld voor zover die gegevens reeds ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR worden verstrekt.
Artikel 3b
Indien met toepassing van artikel 3, zevende lid, bij het verbinden van voorschriften aan een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet of artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is bepaald dat daarbij aangegeven andere gegevens dan vermeld in bijlage II, onder 1 tot en met 13 , in het overheidsverslag worden vermeld, blijven die voorschriften met betrekking tot het verslagjaar buiten toepassing voor zover die gegevens reeds ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR worden verstrekt.
1.
Een bestuursorgaan kan aan een vergunning voorschriften verbinden tot het overleggen van andere rapportages dan het overheidsverslag, uitsluitend indien dat redelijkerwijs nodig is om gegevens te verkrijgen die niet met de daartoe nodige frequentie in het overheidsverslag kunnen worden opgenomen, met het oog op:
a. het bepalen van de mate waarin de betrokken inrichting of een onderdeel daarvan in het bijzonder nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, of
b. de vervulling van de taak, bedoeld in artikel 18.2 van de wet, onderscheidenlijk artikel 29 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
2.
Indien voorschriften aan een vergunning worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, wordt in de motivering van het besluit aangegeven waarom aan artikel 3, zevende lid, geen toepassing wordt gegeven.
Artikel 4a
Indien met toepassing van artikel 4, eerste lid, aan een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet of artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een voorschrift is verbonden als in dat lid bedoeld, blijft dat voorschrift met betrekking tot het betrokken verslagjaar buiten toepassing voor zover de betrokken gegevens reeds ingevolge artikel 5, eerste lid, van de EG-verordening PRTR worden verstrekt.
1.
Het bestuursorgaan brengt de vergunning voor een inrichting die behoort tot een in bijlage I aangewezen categorie van gevallen, voor 1 januari 2004 in overeenstemming met artikel 4, eerste lid.
2.
Tot het tijdstip waarop de betrokken vergunning met artikel 4, eerste lid, in overeenstemming is gebracht, doch uiterlijk tot 1 januari 2004, zijn dat artikellid en artikel 3, eerste lid, in samenhang met bijlage II , onderwerp 14, niet van toepassing.
Artikel 5a
Een wijziging van de richtlijn, genoemd in bijlage I, onderdeel 22 , gaat voor de toepassing van dat onderdeel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 6
[Wijzigt het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A.]
Artikel 7
[Wijzigt het Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen.]
Artikel 8
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999, met uitzondering van:
a. artikel 6 dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2000 en
b. artikel 7 dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 9
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieuverslaglegging.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 17 november 1998
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de zevenentwintigste november 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 3b
Artikel 4
Artikel 4a
Artikel 5
Artikel 5a
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht