Let op. Deze wet is vervallen op 24 augustus 2003. U leest nu de tekst die gold op 23 augustus 2003.

Besluit Nationale frequentie commissie

Uitgebreide informatie
Besluit Nationale frequentie commissie
De minister van Verkeer en Waterstaat,
Overwegende dat met ingang van 1 januari 1989 het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (PTT) is verzelfstandigd;
dat taken van het Staatsbedrijf der PTT op departementaal terrein zijn ondergebracht in een afzonderlijke dienst van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, de bij besluit van 7 juni 1988, nr. BSG 88/30211, ingestelde Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
dat deze hoofddirectie is belast met de ambtelijke voorbereiding en uitvoering van de aan de minister voornoemd opgedragen taken op het gebied van telecommunicatie en post;
dat het bovenstaande onverlet laat dat het gewenst is dat er een orgaan is waarin met instanties die belast zijn met een aantal taken met betrekking tot het beheer van frequentiebanden overleg wordt gevoerd over alle aangelegenheden, die verband houden met het gebruik van het radiofrequentie-spectrum, zoals geregeld bij of krachtens de Wet op de telecommunicatievoorziening (Stb. 1988, 520);
dat het gelet op vorenstaande overwegingen gewenst is de Nationale frequentiecommissie opnieuw te regelen;
Besluit:
1.
Er is een Nationale frequentie commissie (NFC), hierna aan te duiden als de commissie.
2.
De commissie heeft als taak het plegen van overleg over het te voeren beleid inzake het gebruik en de verdeling van het radiofrequentiespectrum, in het bijzonder betreffende:
1) het feitelijk gebruik en de verdeling van het radiofrequentiespectrum;
2) de basisvoorwaarden voor het gebruik van toe te wijzen delen van het radiofrequentie spectrum;
3) de grondslagen voor het beheer van het radiofrequentiespectrum of delen daarvan;
4) het voorkomen en de bestrijding van radiostoringen;
5) de uitvoering van het beheer van het radiofrequentie spectrum;
6) de uit te dragen standpunten in internationaal overleg over frequentie-aangelegenheden.
3.
De commissie dient in zijn standpuntbepaling inzake het gebruik en de verdeling van het radiofrequentie-spectrum rekening te houden met het beleid ten aanzien van het gebruik van het radiofrequentie-spectrum in buitengewone omstandigheden zoals bedoeld in hoofdstuk 14 van de Telecommunicatiewet; de taak van de commissie heeft evenwel geen betrekking op dit beleid.
4.
Het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post draagt zorg voor de rapportage van de uitkomsten van het overleg bedoeld in het tweede lid aan de minister van Verkeer en Waterstaat; indien ten aanzien van de uitkomst van het overleg over een bepaald onderwerp door één of meer leden een minderheidsstandpunt wordt ingenomen, wordt dit standpunt – op verzoek van het desbetreffende lid of de desbetreffende leden – in de rapportage vermeld.
5.
Ieder lid is gerechtigd om vertrouwelijke behandeling van de door hem ingebrachte documenten van de commissie te verlangen.
1.
De commissie bestaat uit de volgende door de minister van Verkeer en Waterstaat te benoemen leden:
a. twee leden afkomstig uit de Rijksdienst voor Radiocommunicatie van het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat die optreden als voorzitter en vice-voorzitter;
b. drie leden, op voordracht van de minister van Defensie, één uit elk der drie krijgsmachtdelen;
c. één lid, op gezamenlijke voordracht van de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken, afkomstig uit de Politieverbindingsdienst;
d. één lid, op voordracht van de Directeur-Generaal der Rijksluchtvaartdienst;
e. één lid, op voordracht van de Raad van Bestuur van Koninklijke KPN N.V.;
f. één lid op voordracht van de Raad van Beheer van de NV NOZEMA.
2.
De leden dragen zorg voor hun plaatsvervanging in de commissie.
Artikel 3
Het secretariaat van de commissie wordt verzorgd door de Rijksdienst voor Radiocommunicatie van het directoraat-generaal Telecommunicatie en Post. De directeur Rijksdienst voor Radiocommunicatie treft hiertoe de nodige voorzieningen. Het secretariaat staat onder leiding van de secretaris. De secretaris kan niet tegelijkertijd lid zijn van de commissie.
Artikel 4
De secretaris en de leden dienen – alvorens zij hun werkzaamheden bij de commissie aanvangen – onderwerpen te worden aan een veiligheidsonderzoek overeenkomstig de nationale en NAVO veiligheidsvoorschriften.
Artikel 5
De commissie kan zich laten bijstaan door adviseurs en kan subcommissies of werkgroepen instellen. De commissie, subcommissie en werkgroepen kunnen deskundig uitnodigen om mondeling of schriftelijk inlichtingen te verstrekken. In een subcommissie of een werkgroep dienen ten minste twee (plaatsvervangende) leden van de commissie zitting te nemen.
Artikel 6
De commissie stelt een reglement van orde vast tot nadere regeling van de werkwijze van de commissie, haar subcommissies en haar werkgroepen.
1.
De commissie wordt ingesteld voor een periode van vier jaar.
2.
Binnen een periode van drie en een half jaar brengt de commissie een rapport uit aan de minister van Verkeer en Waterstaat, waarin de taakstelling van de commissie aan een onderzoek wordt onderwerpen en waarin voorstellen kunnen worden gedaan voor daarin gewenste veranderingen.
Artikel 8
De Beschikking Nationale frequentie commissie 1982 (Stcrt. 1982, 98) wordt ingetrokken.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 mei 1990.
2.
Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Besluit Nationale frequentie commissie’.
3.
Dit besluit wordt gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.
's-Gravenhage, 25 april 1990
De
minister
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht