Let op. Deze wet is vervallen op 28 april 2012. U leest nu de tekst die gold op 27 april 2012.

Besluit Nationale havenraad

Uitgebreide informatie
Besluit van 7 mei 1986, tot instelling van de Nationale havenraad
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 februari 1986, nr. N 3286, Hoofddirectie van de Waterstaat, gedaan in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad;
Overwegende, dat voor de nationale beleidsvorming inzake zeehavenaangelegenheden wenselijk is de instelling van een college dat werkzaam is ten behoeve van coördinatie en samenwerking tussen de bij dat beleid betrokken overheden, andere openbare lichamen en het bedrijfsleven, en dat daartoe is samengesteld uit vertegenwoordigers uit de kringen van degenen die in het bijzonder bij die beleidsvorming zijn betrokken;
Gezien het rapport van de Voorlopige Nationale Havenraad (brief van 18 december 1985 (H 348-016) exh. 1526/86);
De Raad van State gehoord (advies van 29 april 1986, nr. W 09-86-0064 exh. 14585/86);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voornoemd van 2 mei 1986, nr. NH 13693;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Dit besluit verstaat onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
b. de raad: de Nationale havenraad, bedoeld in artikel 2.
Artikel 2
Er is een Nationale havenraad.
1.
De raad heeft tot taak het door overleg bevorderen van:
- de samenwerking tussen het havenbedrijfsleven, het rijk, de gemeenten en andere openbare lichamen, die bij zeehavenaangelegenheden betrokken zijn, bij de beleidsvoorbereiding en -uitvoering inzake zeehavenaangelegenheden van nationaal belang;
- de coördinatie van beslissingen over zeehavenaangelegenheden die zowel van het rijk als van een of meer gemeenten of andere openbare lichamen een besluitvorming vergen;
- de coördinatie tussen de gemeenten of andere openbare lichamen onderling met betrekking tot zeehavenaangelegenheden die in de eerste plaats tot hun verantwoordelijkheid behoren.
2.
De raad heeft voorts tot taak informatie die van belang kan zijn voor de beleidsvoorbereiding en -uitvoering inzake zeehavenaangelegenheden van nationaal belang, in te winnen en te verschaffen.
1.
De raad rapporteert aan de door de leden vertegenwoordigde instanties desgevraagd of eigener beweging over het overleg inzake zeehavenaangelegenheden van nationaal belang, als bedoeld in artikel 3.
2.
De raad kan een rapport omtrent een onderwerp dat een bepaalde niet in de raad vertegenwoordigde instantie in het bijzonder aangaat, aan deze toezenden.
3.
De raad zendt een afschrift van elk rapport aan Onze Minister.
1.
De raad brengt éénmaal per jaar schriftelijk verslag uit over zijn werkzaamheden waaraan door de raad kan worden toegevoegd een overzicht van de stand van zaken op het gebied van de zeehavenaangelegenheden die naar zijn oordeel van nationaal belang zijn.
2.
Het schriftelijk verslag en het overzicht bedoeld in het eerste lid, worden openbaar gemaakt. Van deze openbaarmaking wordt mededeling gedaan in de Nederlandse Staatscourant .
3.
Ten aanzien van dit verslag en dit overzicht is artikel 11 eerste lid van overeenkomstige toepassing.
1.
De raad heeft ten minste negentien en ten hoogste tweeëntwintig leden. Onze Minister stelt, de raad gehoord, het aantal vast.
2.
In de raad hebben in elk geval zitting:
a. een voorzitter;
b. ten minste zes vertegenwoordigers van het havenbedrijfsleven;
c. ten minste één vertegenwoordiger van de dagelijkse besturen van gemeenten en/of andere openbare lichamen betrokken bij het beheer en bestuur van zeehavens, uit elk van de commissies bedoeld in artikel 12 leden 5 en 6;
d. zes vertegenwoordigers van het rijk.
3.
Voor de leden in het vorige lid onder b , c en d wordt door Onze Minister, de raad gehoord, vastgesteld: de functie of hoedanigheid op grond waarvan een lid kan worden benoemd en door wie een voordracht wordt gedaan.
1.
De voorzitter wordt, de raad gehoord, bij koninklijk besluit benoemd, de overige leden worden door Onze Minister benoemd.
2.
De voorzitter wordt benoemd voor ten hoogste vier jaar; hij kan éénmaal worden herbenoemd.
3.
Voor elk lid, met uitzondering van de voorzitter, wordt door Onze Minister een vaste plaatsvervanger benoemd.
4.
Het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap vervalt, zodra een lid of een plaatsvervangend lid de functie of hoedanigheid op grond waarvan hij werd benoemd, verliest.
Artikel 8
De raad kiest uit zijn midden één of twee ondervoorzitters, die door de raad van die functie kunnen worden ontheven.
1.
De raad heeft een secretaris.
2.
Onze Minister kan aan de secretaris één of meer andere medewerkers toevoegen.
3.
De secretaris wordt door Onze Minister benoemd, de raad gehoord.
4.
De secretaris heeft in de vergaderingen van de raad een raadgevende stem.
5.
De secretaris regelt de werkzaamheden van het secretariaat en is voor de uitoefening van zijn taak verantwoording schuldig aan de raad.
Artikel 10
De voorzitter kan personen die geen lid zijn, uitnodigen aan een vergadering van de raad deel te nemen.
1.
De voorzitter en de secretaris ondertekenen de rapporten en andere schriftelijke stukken.
2.
De rapporten worden opgesteld overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van een vergadering, van afwijkende gevoelens wordt desgevraagd melding gemaakt.
3.
De leden kunnen minderheidsnota's bij een rapport voegen, indien het daarin door hen ingenomen standpunt is verdedigd in de vergadering waarin dat rapport werd behandeld.
1.
De raad kan op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging commissies instellen, waarvan ten minste de secretaris lid is.
2.
De commissies dienen de raad van advies ter voorbereiding van het overleg in de raad over bepaalde onderwerpen of van een bepaald rapport.
3.
De voorzitter van de raad kan deelnemen aan de vergaderingen van commissies die door de raad zijn ingesteld. Hij ontvangt alle stukken van die commissies.
4.
Bij de instelling van een commissie wijst de raad een voorzitter aan en voorziet in de regeling van het secretariaat.
5.
De raad stelt een commissie van de overige zeehavens in. In deze commissie heeft in elk geval zitting een vertegenwoordiger van elk van de colleges van burgemeester en wethouders van door Onze Minister aan te wijzen gemeenten en van de dagelijkse besturen van door Onze Minister aan te wijzen andere openbare lichamen.
6.
De raad stelt voorts voor elk van de daarvoor naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende zeehavenregio's een commissie in. In deze commissies hebben zitting vertegenwoordigers van openbare lichamen en van het havenbedrijfsleven uit die regio's.
7.
Ten aanzien van commissies zijn de artikelen 10 en 11 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13
Telkens binnen een termijn van vier jaar brengt de raad een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de raad aan een onderzoek wordt onderworpen.
Artikel 14
Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.
1.
Onze Minister kan de voorzitter een bezoldiging toekennen.
2.
Aan de deelnemers aan de vergaderingen van de raad en zijn commissies kan door Onze Minister een vergoeding voor reis- en verblijfkosten en een vacatiegeld worden toegekend.
Artikel 16
Het horen van de raad blijft achterwege bij de eerste vaststelling onderscheidenlijk benoeming als bedoeld in artikel 6, eerste en derde lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 9, derde lid.
Artikel 17
Het Besluit Voorlopige Nationale Havenraad ( Stb. 1980, 379), zoals gewijzigd bij het Besluit van 22 november 1984 ( Stb. 1984, 581) wordt ingetrokken.
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
2.
Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit Nationale havenraad.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 7 mei 1986
De minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de twaalfde mei 1986
De minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht