Besluit van 2 februari 1959, tot regeling van het ten overstaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid af te leggen notariële staatsexamen
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen van 23 december 1958, nr. 47570 I, afdeling Hoger Onderwijs en Wetenschappen;
Gelet op artikel III, A 2 en 3, en artikel IV van de wet van 30 oktober 1958, Stb. 494, tot wijziging van de hoger-onderwijswet en de Wet op het notarisambt;
De Raad van State gehoord (advies van 13 januari 1959, nr. 21);
Gezien het nader rapport van Onze minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen van 28 januari 1959, nr. 49060 I, afdeling Hoger Onderwijs en Wetenschappen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Het examen, bedoeld in artikel III, A 2 en 3, van de wet van 30 oktober 1958, Stb. 494, tot wijziging van de hoger- onderwijswet en de Wet op het notarisambt, wordt afgenomen door de faculteit der rechtsgeleerdheid, die daartoe uit haar midden een commissie benoemt van tenminste drie leden.
2.
De faculteit is bevoegd de commissie aan te vullen met tot de universiteit behorende hoogleraren buiten de faculteit, met tot de universiteit behorende lectoren of met anderen, die tot het afnemen van examens aan de faculteit zijn toegelaten. Van deze bevoegdheid moet gebruik worden gemaakt, indien in enig vak van het examen, bedoeld in het eerste lid, aan de universiteit uitsluitend onderwijs wordt gegeven door personen buiten de faculteit.
3.
Ook kan de commissie op verzoek van de faculteit door Onze minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen aangevuld worden met hoogleraren of lectoren van een andere Nederlandse universiteit of van een Nederlandse hogeschool of met andere deskundigen. Deze genieten uit 's Rijks kas vergoeding van reis- en verblijfkosten alsmede vacatiegeld, waarvan het bedrag door Onze voornoemde minister wordt bepaald.
4.
De commissie kiest uit haar midden een voorzitter en een secretaris. De voorzitter moet lid zijn van de faculteit.
5.
Tot het afnemen van het examen vergadert de commissie met tenminste drie leden.
6.
Bij de bepaling van de uitslag van het examen hebben de personen, met wie de commissie ingevolge het bepaalde in het tweede en het derde lid is aangevuld, een gewone stem.
1.
Het examen wordt gesplitst in drie gedeelten volgens het als bijlage bij het besluit van 4 juni 1878, Stb. 81, gevoegd programma.
2.
Niemand wordt tot het tweede gedeelte toegelaten, tenzij hij het eerste gedeelte met goed gevolg heeft afgelegd of daarvan is vrijgesteld; niemand wordt tot het derde gedeelte toegelaten, tenzij hij het tweede gedeelte met goed gevolg heeft afgelegd of daarvan is vrijgesteld.
3.
Het examen wordt mondeling afgenomen; de commissie kan bepalen, dat het derde gedeelte geheel of gedeeltelijk schriftelijk wordt afgenomen. Mondeling kan niet meer dan één persoon tegelijk worden geëxamineerd. De mondelinge examens worden in het openbaar gehouden.
4.
Het eerste en het tweede gedeelte van het examen duren elk een uur; de duur van het derde gedeelte van examen wordt door de commissie bepaald.
5.
Artikel 6 van het academisch statuut is op het examen van overeenkomstige toepassing; de commissie kan, wanneer van dit artikel gebruik wordt gemaakt, de duur van het examen verkorten.
1.
Zij die het examen wensen af te leggen moeten zich schriftelijk aanmelden bij de voorzitter van de commissie met opgave of zij zich aan het gehele examen, dan wel slechts aan een of meer gedeelten daarvan wensen te onderwerpen. In het laatste geval vermelden zij de gedeelten, waaraan zij zich wensen te onderwerpen.
2.
Zij leggen over:
a. bij aanmelding voor het gehele examen en bij aanmelding voor het eerste gedeelte, of, indien zij hiervan zijn vrijgesteld, bij aanmelding voor het tweede gedeelte: hun geboorte-akte, dan wel een uittreksel uit het bevolkingsregister van de gemeente waar zij gevestigd zijn, alsmede het getuigschrift op grond waarvan zij bevoegd zijn tot het afleggen van het examen;
b. bij aanmelding voor het tweede en derde gedeelte: een bewijs, dat zij het vorige gedeelte met goed gevolg hebben afgelegd of daarvan zijn vrijgesteld;
c. bij aanmelding voor een gedeelte of voor het gehele examen: het bewijs, dat zij de in hun geval volgens het bepaalde in artikel 5 verschuldigde som hebben gestort.
3.
De voorzitter bepaalt dag en uur waarop de examinandus voor het afleggen van het examen voor de commissie moet verschijnen en de secretaris doet de examinandus daarvan tijdig mededeling.
4.
Tot het afleggen van het examen wordt buiten de vakanties, bedoeld in artikel 91 der hoger-onderwijswet te allen tijde gelegenheid gegeven. Onze minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen is bevoegd in bijzondere gevallen op voorstel van de commissie te vergunnen, dat een examen ook gedurende een vakantie als vorenbedoeld kan worden afgelegd.
5.
De drie gedeelten van het examen behoeven niet aan dezelfde universiteit te worden afgelegd.
1.
Omtrent de uitslag van ieder afgelegd gedeelte van het examen wordt bij meerderheid van stemmen beslist. Staken de stemmen, dan wordt de geëxamineerde beschouwd als te zijn afgewezen.
2.
Aan hem, die het eerste of tweede gedeelte van het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt daarvan een bewijs afgegeven.
3.
Aan hem, die het derde gedeelte van het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt een getuigschrift uitgereikt volgens door Onze minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen vast te stellen model.
4.
Indien de examinandus voor het examen of enig gedeelte daarvan moet worden afgewezen, geschiedt deze afwijzing voor ten hoogste een jaar en geldt zij ook voor de overige universiteiten. Van die afwijzing wordt ten spoedigste mededeling gedaan aan de commissies voor het notariële staatsexamen bij de zusterfaculteiten.
Artikel 5
Voor het afleggen van het eerste gedeelte is telkens vijftig gulden verschuldigd, voor het afleggen van elk der volgende gedeelten is telkens vijf en twintig gulden verschuldigd.
Artikel 6
Hij, die het onderwijs aan de universiteit volgt ter voorbereiding van het ten overstaan van de faculteit der rechtsgeleerdheid af te leggen notariële staatsexamen, wordt met betrekking tot de berekening van het collegegeld geacht het onderwijs te volgen ter voorbereiding van een academisch examen.
Artikel 7
De wet van 30 oktober 1958, Stb. 494, tot wijziging van de hoger-onderwijswet en de Wet op het notarisambt treedt, evenals dit besluit, in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
Onze minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 2 februari 1959
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
Uitgegeven de twintigste februari 1959.
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht