Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2008. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2008.

Besluit op de ruimtelijke ordening 1985

Uitgebreide informatie
Besluit van 2 december 1985, ter uitvoering van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 januari 1985, no. MJZ 2515023, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 2a, eerste en tweede lid, 2c, 3, tweede lid, 4a, negende lid, 17, tiende lid, 18, eerste en derde lid, 18a, eerste en tweede lid, 19, vierde lid, 36, 51, tweede, vierde en vijfde lid, 52, eerste en derde lid, 53, derde lid, 55, tweede lid, en 57 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede de artikelen 45 en 76, derde lid, van de Wet geluidhinder;
De Raad van State gehoord (advies van 23 september 1985, no. W08.85.0054/14.5.39);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 25 november 1985, no. MJZ 25N5055, Centrale Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
de wet: de Wet op de Ruimtelijke Ordening .
1.
In een planologische kernbeslissing wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.
2.
In een planologische kernbeslissing wordt tevens herkenbaar aangegeven welke van de daarin opgenomen beslissingen van zodanig belang zijn dat afwijking daarvan slechts mogelijk is met toepassing van artikel 2b van de wet.
3.
In het plan kan worden aangegeven in hoeverre bij de herziening of intrekking van het plan of onderdelen daarvan toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 2a, tweede, derde, vierde of vijfde lid, van de wet.
1.
Een structuurschets geeft inzicht in mogelijke ontwikkelingen die van belang kunnen zijn voor het nationaal ruimtelijk beleid op de lange termijn, de middellange termijn daarbij tevens in beschouwing genomen, en bevat de hoofdlijnen en beginselen voor één of meer aspecten van dit beleid. Een structuurschets gaat vergezeld van één of meer kaarten waarop de hoofdlijnen en beginselen voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht.
2.
Een structuurschema bevat met betrekking tot een bepaalde sector van het rijksbeleid hoofdlijnen en beginselen van algemeen belang voor het nationaal ruimtelijk beleid en geeft in het bijzonder inzicht in de ruimtelijke aspecten van die sector op de lange termijn, de middellange termijn daarbij tevens in beschouwing genomen. Een structuurschema gaat vergezeld van één of meer kaarten waarop de ruimtelijke aspecten van het beleid in die sector voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht.
3.
Een ontwerp voor een structuurschets of voor een structuurschema bevat de elementen genoemd in het eerste of tweede lid.
Artikel 6
Gedeputeerde Staten verrichten ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied van de provincie onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de provincie.
1.
Een streekplan, een plan tot uitwerking daarvan, als bedoeld in artikel 4a, tiende lid, van de wet alsmede ontwerpen daarvoor worden vervat in:
a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig, van de fasen, waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen voltrekken;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin deze hoofdlijnen voor zover mogelijk in beeld zijn gebracht.
2.
Een streekplan, een plan tot uitwerking daarvan alsmede ontwerpen daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, voorzover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft;
b. de rapportering over het bij de voorbereiding van het streekplan gevoerde overleg en over de uitkomsten daarvan;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding;
d. een beschrijving van de mate waarin of de wijze waarop de onder a bedoelde ontwikkeling in hoofdlijnen is afgestemd op, dan wel leidt tot aanpassing van het provinciale milieubeleid, zoals dat is vastgelegd in het geldende provinciale milieubeleidsplan, of het provinciale waterhuishoudingsbeleid, zoals dat is vastgelegd in het geldende provinciale waterhuishoudingsplan;
e. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop en de termijn waarbinnen het geldende provinciale milieubeleidsplan of waterhuishoudingsplan zal worden herzien.
3.
In een streekplan wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.
Artikel 8
De kaarten worden ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften:
a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond;
b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven;
c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van bij voorkeur 1 op 50 000;
d. indien het plan wordt vervat in meerdere kaartbladen wordt een overzichtskaart op kleinere schaal daaraan toegevoegd;
e. op de kaarten worden schaal en noordpijl aangegeven.
1.
Burgemeester en wethouders verrichten ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.
2.
Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan heeft het in het eerste lid bedoelde onderzoek van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.
Artikel 10
Bij de voorbereiding van een structuurplan, een bestemmingsplan of een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet plegen burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan of de vrijstelling betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met de besturen van de gemeenten wier belangen rechtstreeks in het geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan of de vrijstelling in het geding zijn.
1.
Een structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in:
a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig, van de fasen, waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen voltrekken, alsmede van de relatie tot het omringende gebied;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarin deze ontwikkeling voorzover mogelijk in beeld is gebracht.
2.
Een structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek, voor zover dit onderzoek op het plan betrekking heeft;
b. de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding;
3.
Artikel 8 is van toepassing, met dien verstande, dat de schaal bij voorkeur 1 op 25 000 bedraagt.
1.
Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in:
a. een omschrijving van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven, die met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan begrepen gronden worden toegekend, alsmede in voorkomend geval, een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop met het plan dat doel of die doeleinden worden nagestreefd;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden worden aangewezen;
c. voor zover nodig, voorschriften omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daarop bevindende opstallen;
d. voor zover nodig, regelen dan wel grenzen als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, en 15 van de wet.
2.
Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek voor zover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft;
b. de uitkomsten van het in artikel 10 bedoelde overleg;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding;
e. in voorkomend geval, vermelding van het ontbreken van overeenstemming over verdeling van de hogere kosten als bedoeld in artikel 31a, eerste lid, van de wet.
1.
Een bestemmingsplan dat op grond van artikel 11 van de wet geheel of gedeeltelijk moet worden uitgewerkt, geeft aan waarop de uitwerkingsverplichting betrekking heeft.
2.
Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid geeft bovendien op zodanige wijze de doelstellingen voor het uit te werken plan aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de hoofdlijnen van de toekomstige ontwikkeling van dat plangebied.
1.
Op een besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet alsmede een ontwerp daarvoor is artikel 12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bepaalde onder d wordt vervangen door: d. voor zover nodig, regelen als bedoeld in artikel 15 van de wet.
2.
Een besluit, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet, alsmede een ontwerp daarvoor, gaan vergezeld van een toelichting, waarin is neergelegd:
a. de aan het besluit ten grondslag liggende gedachten en, in voorkomend geval, de uitkomsten van nader, het in het besluit begrepen gebied betreffend, onderzoek als bedoeld in artikel 9;
b. in voorkomend geval, de uitkomsten van nader overleg als bedoeld in artikel 10;
c. in voorkomend geval, vermelding van het ontbreken van overeenstemming over verdeling van de hogere kosten als bedoeld in artikel 31a, eerste lid van de wet.
1.
Voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder zulks vereist, geeft het bestemmingsplan voorts aan:
a. de ligging en de afmetingen van woningen en van andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, die gelegen zijn binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder ;
b. de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel dan wel het aantal rijstroken daarvan.
2.
Voor zover een bestemmingsplan op grond van artikel 11 van de wet moet worden uitgewerkt dan wel kan worden gewijzigd, kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden volstaan met het aangeven van de voor woningen en gebouwen als bedoeld in het eerste lid ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, welke bij de uitwerking dan wel de wijziging van het plan in acht moet worden genomen.
1.
De kaarten, bedoeld in artikel 12, worden ingericht met inachtneming van de volgende voorschriften:
a. de kaarten worden getekend op een duidelijke ondergrond;
b. de begrenzing van het gebied waarop het plan betrekking heeft, wordt met een duidelijke lijn op de kaarten aangegeven;
c. de kaarten worden vervaardigd op een schaal van ten minste 1 op 10 000, tenzij de omvang van het gebied of de aard van het plan een andere schaal noodzakelijk maakt;
d. uit de kaarten moet blijken de aansluiting van het in het plan begrepen gebied aan het daaromheen gelegen gebied;
e. voor zover in het plan gronden zijn begrepen waarvan de bestemming in de naaste toekomst voor verwerkelijking in aanmerking komt, worden deze gedeelten vervat in één of meer kaarten op een schaal van ten minste 1 op 2500, waarop voorts de kadastrale grenzen, sectie en nummers van de in deze gedeelten van het plan begrepen percelen zijn aangegeven;
f. indien een bestemmingsplan uit meerdere kaarten bestaat, moet uit een overzichtskaart de aansluiting van de kaarten onderling en de aansluiting aan het daaromheen gelegen gebied blijken;
g. op de kaarten worden de schaal en de noordpijl aangegeven;
h. op de kaarten worden de bestaande gebouwen en de namen van de belangrijkste wegen, straten en waterwegen aangegeven.
2.
De kaarten moeten op duidelijke en overzichtelijke wijze worden uitgevoerd. Zij moeten voorts van duurzaam materiaal vervaardigd worden en goed vermenigvuldigbaar zijn.
Artikel 17
Voorlopige bestemmingen of voorlopige gebruiksregelen, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wetkunnen slechts in samenhang met bestemmingen en gebruiksregelen, als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet, worden aangewezen of gegeven.
1.
De aanvraag om vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of  19 van de wet gaat vergezeld van tenminste een duidelijke situatieschets van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft.
2.
Een aanvraag om een aanlegvergunning die slechts kan worden ingewilligd na verlening van vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of  19 van de wet, wordt mede aangemerkt als een aanvraag om zodanige vrijstelling.
Artikel 19
Vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet wordt slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.
Artikel 19a
De ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, gaat vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het besluit voor de waterhuishouding.
1.
Voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet komen in aanmerking:
a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij:
1°. een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft;
2°. een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en
a. het bruto-vloeroppervlak van de uitbreiding of het bijgebouw niet groter is dan 25 m 2 ,
b. de uitbreiding of het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag en gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 meter, en
c. de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;
3°. een ander gebouw in de bebouwde kom, alsmede een ander gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:
a. het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en
b. de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;
b. een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het wegverkeer:
1°. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m 2 , en
2°. dat bestaat uit één bouwlaag en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5m;
c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
1°. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m 2 , en
2°. dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5m;
d. een kas of een bedrijfsgebouw van lichte constructie:
1°. ten dienste van een agrarische bestemming, en
2°. waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 100 m 2 ;
e. een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m 2 ;
f. een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken , in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 m;
g. een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning, mits:
1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer , de Wet geluidhinder , de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden ;
3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.
2.
Onder een gebouw als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een gebouw als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Woningwet.
3.
Onder een woongebouw als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestingswet.
4.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de aanvrager en diens met name genoemde meerderjarige huisgenoten die voldoen aan het eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 3 e . Zij vervalt in elk geval zodra de in de eerste volzin genoemde personen de bewoning hebben beëindigd.
5.
Vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van recreatiewoningen.
Artikel 21
Het dagelijks bestuur van het regionaal openbaar lichaam verricht ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het samenwerkingsgebied onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van dat gebied.
Artikel 21a
Bij de voorbereiding van een regionaal structuurplan pleegt het dagelijks bestuur overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig pleegt het tevens overleg met de besturen van de gemeenten of samenwerkingsgebieden wier belangen rechtstreeks in het geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in geding zijn.
1.
Een regionaal structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in:
a. een beschrijving van de meest gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen van het in het plan begrepen gebied en, voor zover nodig, van de fasen waarin die ontwikkeling zich zou moeten of kunnen voltrekken, alsmede van de relatie tot het omringende gebied;
b. een of meer kaarten met bijbehorende verklaring, waarin deze ontwikkeling voor zover mogelijk in beeld is gebracht.
2.
Een regionaal structuurplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 21 bedoelde onderzoek, voor zover dit onderzoek op het plan betrekking heeft;
b. de uitkomsten van het in artikel 21a bedoelde overleg;
c. een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
3.
Artikel 8 is van toepassing, met dien verstande, dat de schaal bij voorkeur 1 op 25 000 bedraagt.
4.
In een regionaal structuurplan wordt een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.
1.
De leden van de Rijksplanologische Commissie worden benoemd door Onze Ministers van Algemene Zaken, van Buitenlandse Zaken, van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, van Financiën, van Defensie, en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid die ieder één lid benoemen, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die ieder twee leden benoemen en door Onze Ministers van Economische Zaken en van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, die ieder drie leden benoemen.
2.
Onze Minister kan één of meer deskundigen tot lid van de Rijksplanologische Commissie benoemen.
1.
De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie kan zich bij ontstentenis of ziekte doen vervangen door een door hem aan te wijzen lid.
2.
Bij ontstentenis of ziekte van een lid van de Commissie kan de betrokken Minister voor een bepaalde termijn een ander tot lid benoemen.
1.
De Rijksplanologische Commissie heeft naast hetgeen de wet daaromtrent bepaalt tot taak:
a. het uitbrengen van adviezen en het doen van voorstellen aan Onze Minister omtrent het Regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening;
b. het uitbrengen van adviezen en het doen van voorstellen betreffende streekplannen, en voorts voor zover van algemene aard of strekking ten aanzien van structuurplannen, bestemmingsplannen en andere maatregelen op planologisch gebied;
c. het ontwerpen van richtlijnen voor het planologische werk.
2.
Van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de wet wordt afgeweken voor wat betreft de maatregelen en plannen die worden behandeld in de Centrale Landinrichtingscommissie, ingevolge artikel 7 van de Landinrichtingswet, behoudens in die gevallen waarin van de zijde van een Onzer Ministers die in de Rijksplanologische Commissie vertegenwoordigd is, tegen de maatregel of het plan bezwaar wordt gemaakt op grond van het regeringsbeleid inzake de ruimtelijke ordening.
1.
De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie roept de Commissie in vergadering bijeen zo dikwijls hij dit nodig oordeelt of indien één lid dit verzoekt. De oproep vermeldt de agenda van de vergadering.
2.
De Commissie kan uit haar midden werkcommissies vormen. De voorzitter kan deskundigen uitnodigen tot het deelnemen aan beraadslagingen van de Commissie of van een werkcommissie.
3.
Op verzoek van een lid schorst de voorzitter de behandeling van een zaak tot de volgende vergadering teneinde het lid gelegenheid te geven met de Minister die hem heeft benoemd, ruggespraak te houden.
1.
Er is in de Rijksplanologische Commissie een subcommissie voor algemene zaken.
2.
Onze Minister bepaalt, de Rijksplanologische Commissie gehoord, welke leden van deze Commissie zitting hebben in de in het eerste lid bedoelde subcommissie. De voorzitter van de Rijksplanologische Commissie is voorzitter van de subcommissie. Het hoofd van de Rijksplanologische Dienst heeft zitting in de subcommissie.
3.
Onze Minister kan, de Rijksplanologische Commissie gehoord, niet-leden van deze Commissie als lid van de in het eerste lid bedoelde subcommissie benoemen.
4.
Het advies van de in dit artikel bedoelde subcommissie treedt in de plaats van dat der Rijksplanologische Commissie, tenzij de voorzitter of een lid behandeling in de Rijksplanologische Commissie verlangt.
1.
In de adviezen van de Rijksplanologische Commissie of van de subcommissie wordt desverlangd van gevoelens, van die der meerderheid afwijkende, melding gemaakt.
2.
De leden die in een vergadering van de Commissie of van de subcommissie een mening kenbaar hebben gemaakt, van die der meerderheid afwijkende, kunnen zich in deze vergadering de bevoegdheid voorbehouden tot het uitbrengen van een afzonderlijk advies, dat bij het advies van de Commissie of van de subcommissie wordt gevoegd.
1.
De standplaats van het hoofd van de Rijksplanologische Dienst is 's-Gravenhage.
2.
Ten behoeve van de vervulling van de taak van de dienst worden ten hoogste vijf directies ingesteld.
3.
Onze Minister stelt het aantal alsmede de omvang van de werkzaamheden der directies vast.
4.
Onze Minister kan ten behoeve van het verrichten van bepaalde onderzoekingen van algemene of bijzondere aard ter voorbereiding van de taakvervulling van de dienst commissies instellen, waarin uitsluitend of voor het merendeel personen die niet tot de dienst behoren, zitting hebben.
5.
De in het vierde lid bedoelde commissies brengen advies uit aan het hoofd van de dienst.
6.
Het hoofd van de dienst legt op verzoek van Onze Minister bij zijn advies dat van een overeenkomstig het vierde lid ingestelde commissie over.
1.
De provinciale planologische commissies worden zodanig samengesteld, dat de verschillende aspecten die bij de ruimtelijke ordening zijn betrokken, daarin tot hun recht komen.
2.
In de provinciale planologische commissies hebben in elk geval zitting de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de provincie, de inspecteur, de eerstaanwezend ingenieur directeur van de betrokken directie van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen van het departement van Defensie, het regiohoofd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, de regio-coördinator van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, het hoofd van de betrokken regio van het ministerie van Economische Zaken, de betrokken regiodirecteur van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de regionaal-directeur voor de arbeidsvoorziening.
Artikel 38a
Onze Minister maakt vóór 1 november in de Staatscourant het door hem vastgestelde subsidieplafond voor het daaropvolgende kalenderjaar bekend.
1.
Voor de in artikel 50a, eerste lid, onderdeel a, van de wet genoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover het reguliere kosten voor het opstellen en herzien van ruimtelijke plannen betreft.
2.
Voor de in artikel 50a, eerste lid, onderdeel b, van de wet genoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover de kosten uit hoofde van een andere regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
3.
Voor de in artikel 50a, eerste lid, onderdeel c, van de wet genoemde activiteiten wordt geen subsidie verleend voor zover niet is aangetoond dat de activiteiten in financiële en in bestuurlijke zin haalbaar zijn of voor zover de kosten uit hoofde van een andere regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
Artikel 38c
Onze Minister kan ter uitvoering van de planologische kernbeslissing over de Waddenzee subsidie verstrekken ten behoeve van het bestuurlijk overleg over het Waddengebied.
1.
De subsidie-aanvraag wordt voorafgaand aan de activiteit bij Onze Minister ingediend.
2.
De activiteit vangt aan in het jaar waarop de subsidie-aanvraag betrekking heeft.
3.
De subsidie-aanvraag gaat in elk geval vergezeld van:
a. een sluitende begroting van de kosten of de wijze van financiering van de activiteit, en
b. een beschrijving van de activiteit en een tijdsplanning.
4.
Onze Minister kan nadere regels geven omtrent de gegevens die bij de subsidie-aanvraag dienen te worden verstrekt.
5.
Aan de aanvrager wordt onverwijld een bericht van ontvangst gezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.
Artikel 38e
Onze Minister neemt bij de verdeling van het beschikbare bedrag in aanmerking:
a. het belang van de activiteit waarvoor een subsidie-aanvraag is ingediend voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid, en
b. de bijdrage van die activiteit aan de verwezenlijking van het doel van de subsidie.
1.
Onze Minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de subsidie-aanvraag.
2.
Onze Minister kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 38g
De subsidieverlening wordt geweigerd indien de subsidie-aanvrager niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 38d, eerste tot en met vierde lid.
1.
De subsidie-ontvanger voert de activiteit uit overeenkomstig de door hem verstrekte gegevens, tenzij Onze Minister voorafgaand toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken.
2.
De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige wijze de kosten en de financieringswijze van de activiteit waarvoor een subsidie is verleend, kan worden afgelezen.
3.
Voor zover de activiteit zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekt legt de subsidie-ontvanger tevens éénmaal per kalenderjaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteit over aan Onze Minister.
4.
Onze Minister kan de subsidie-ontvanger bij de subsidieverlening ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
1.
De subsidie-ontvanger dient binnen 13 weken na voltooiing van de activiteit bij Onze Minister een aanvraag tot subsidievaststelling in.
2.
De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een activiteitenverslag, waarbij de subsidie-ontvanger aantoont dat de activiteit overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft plaatsgevonden, en een financieel verslag.
3.
Indien de subsidie meer bedraagt dan € 50 000, gaat het financiële verslag vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze van besteding van de subsidie aan de wet en dit besluit.
4.
Het derde lid is niet van toepassing op subsidieverstrekking aan gemeenten of provincies.
Artikel 38ia
Indien de subsidie-ontvanger een gemeente, provincie of een regionaal openbaar lichaam op grond van artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is, wordt een subsidievaststelling aangevraagd in het jaar na de voltooiing van de activiteit, door de verantwoordingsinformatie aan Onze Minister te verstrekken, op de wijze, bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiële verhouding 2001.
1.
Onze Minister kan op aanvraag voorschotten verlenen, met dien verstande dat het totale bedrag aan verleende voorschotten niet meer kan bedragen dan 80 procent van het bedrag van de verleende subsidie.
2.
In afwijking van het eerste lid, kan in naar het oordeel van Onze Minister in aanmerking komende gevallen het totale bedrag van de verleende voorschotten 100 procent bedragen van de verleende subsidie.
3.
Een beschikking tot voorschotverlening vermeldt de termijnen waarbinnen de voorschotten worden uitbetaald. Aan de beschikking kunnen verplichtingen worden verbonden.
1.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
2.
Het kan worden aangehaald als "Besluit op de ruimtelijke ordening 1985".
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 2 december 1985
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de twaalfde december 1985
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Begripsbepaling
+ Hoofdstuk II. Rijks planologisch beleid
+ Hoofdstuk III. Provinciaal planologisch beleid
+ Hoofdstuk IV. Gemeentelijk planologisch beleid
+ Hoofdstuk IVA. Regionaal planologisch beleid
+ Hoofdstuk V. Planologische organen en adviesraden
+ Hoofdstuk VI. Subsidies
+ Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht