Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2016. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2016.

Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder

Uitgebreide informatie
Besluit van 4 juli 2001, houdende nadere regels inzake de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de stage van de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder (Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 23 mei 2001, nr. 5105379/01/6;
Gelet op de artikelen 25, tweede en vierde lid, en 27, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet;
De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 2001, nr. W03.01.0257/I);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 2 juli 2001, nr. 5105379/01/6;
Hebben goedgevonden en verstaan;
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Gerechtsdeurwaarderswet ;
b. de opleiding: de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet;
c. de opleider: het opleidingsinstituut dat met een erkenning als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, de opleiding verzorgt;
d. het opleidingsplan: het door het opleidingsinstituut opgestelde opleidingsplan, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet;
e. de cursist: de persoon die de opleiding volgt of wil volgen;
f. de stagiair: de toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder die de stage, bedoeld in artikel 27 van de wet, doorloopt.
1.
Er is een commissie opleiding die bestaat uit vijf leden onder wie de voorzitter.
2.
Onze Minister benoemt:
a. een rechterlijk ambtenaar belast met rechtspraak als voorzitter;
b. op voordracht van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders twee gerechtsdeurwaarders als lid;
c. op voordracht van de Bond van personeel werkzaam in de rechtspraktijk en van kandidaat-gerechtsdeurwaarders twee toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarders, niet zijnde stagiairs, als lid.
3.
De leden van de commissie opleiding worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd.
4.
Het lidmaatschap van de commissie opleiding eindigt:
a. door het verstrijken van de termijn waarvoor het lid is benoemd;
b. door ontslag, al dan niet op verzoek verleend door Onze Minister;
c. door overlijden;
d. indien het lid ophoudt te voldoen aan de hoedanigheid, bedoeld in het tweede lid;
e. per 31 december van het jaar waarin het lid de leeftijd van zeventig jaar heeft bereikt.
5.
Degene die een functie vervult in de organisatie van een opleider kan geen lid zijn van de commissie opleiding.
1.
De commissie opleiding heeft tot taak:
a. de opleider en Onze Minister te adviseren over de opleiding;
b. beroepschriften van cursisten te behandelen tegen beslissingen van de opleider omtrent hun toelating tot de opleiding, de beoordeling van hun kennen en kunnen, en
c. beroepschriften van stagiairs te behandelen tegen beslissingen van de opleider omtrent de aantekening op de stageverklaring.
2.
Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderzoekt de commissie ten minste eens per twee jaren of de beroepsuitoefening door de gerechtsdeurwaarders en de kandidaat-gerechtsdeurwaarders reden geeft tot bijstelling van de opleiding. De commissie brengt verslag uit aan de opleider en zendt een afschrift van het verslag aan Onze Minister.
3.
Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, adviseert de commissie de opleider jaarlijks met het oog op het komende cursusjaar. De opleider verstrekt de commissie de hiertoe noodzakelijke bescheiden, waaronder een verslag van het verloop van de opleiding. De commissie zendt een afschrift van het advies aan Onze Minister.
4.
Ter uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan de commissie desgevraagd en uit eigen beweging advies uitbrengen aan de opleider en aan Onze Minister. Een afschrift van het advies wordt gezonden aan Onze Minister onderscheidenlijk de opleider.
Artikel 4
De leden van de commissie ontvangen voor hun deelname aan de werkzaamheden van de commissie een door Onze Minister vast te stellen toelage en een vergoeding van de reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren gelden.
1.
Het opleidingsplan wordt opgesteld met inachtneming van de artikelen 6 tot en met 14 en 20, en bevat in ieder geval regels omtrent:
a. de duur van de opleiding;
b. de inrichting van de opleiding;
c. de eisen voor toelating tot de opleiding;
d. de organisatie en exploitatie van de opleiding;
e. de inrichting en organisatie van het examen en de tijdstippen waarop daaraan kan worden deelgenomen;
f. de rechtsbescherming van de cursist;
g. de aan de cursist in rekening te brengen financiële bijdrage, en
h. de stage.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld waaraan het opleidingsplan moet voldoen.
3.
Het opleidingsplan wordt na erkenning van de opleiding niet gewijzigd dan met toestemming van Onze Minister.
Artikel 6
De opleiding kent een onderwijsprogramma dat bij een volledige werkkring binnen drie jaren kan worden doorlopen.
1.
De opleiding is zodanig ingericht dat de cursist de kennis verkrijgt die nodig is voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder.
2.
De opleiding voorziet in gedegen kennisoverdracht van in ieder geval:
a. het bepaalde bij en krachtens de Gerechtsdeurwaarderswet ;
b. het burgerlijk recht, waaronder het recht betreffende rechtspersonen, koop, huur en pacht;
c. het burgerlijk procesrecht, waaronder het executie- en beslagrecht;
d. de Nederlandse staatsinrichting;
e. de Nederlandse taal, en
f. kantooradministratie met gebruik van geautomatiseerde systemen.
3.
De opleiding bestaat uit afzonderlijke onderdelen die elk worden afgesloten met een beoordeling.
Artikel 8
De opleider kan voor bepaalde onderdelen van de opleiding en de beoordeling daarvan vrijstelling verlenen, indien de cursist aantoonbaar beschikt over kennis die gelijkwaardig is aan de kennis die in het betreffende onderdeel wordt verkregen. Het opleidingsplan bevat een reglement met de voorwaarden voor de verlening van vrijstellingen.
1.
Voor toelating tot de opleiding gelden dezelfde vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.24, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met dien verstande dat bijzondere eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van de bij de vooropleiding gevolgde vakken. Het opleidingsplan vermeldt de vereisten voor toelating tot de opleiding.
2.
De persoon die niet voldoet aan de toelatingseisen ten aanzien van de vooropleiding, bedoeld in het eerste lid, wordt alsnog toegelaten, indien hij met goed gevolg een toelatingsexamen heeft afgelegd. Het opleidingsplan vermeldt de mogelijkheid van het afleggen van het toelatingsexamen. Het niveau van het toelatingsexamen is gelijk aan het niveau van de vooropleiding, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 10
De cursist kan tegen een beslissing omtrent zijn toelating tot de opleiding of de beoordeling van zijn kennen en kunnen binnen zes weken nadat de beslissing is bekendgemaakt, beroep instellen bij de commissie opleiding.
1.
Het opleidingsplan bevat een reglement met betrekking tot:
a. de beoordeling van de kennis, bedoeld in artikel 7, die nodig is voor de uitoefening in Nederland van werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder door een onderdaan van een Staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, niet zijnde een Nederlander, en
b. het afleggen door die onderdaan van een proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 1, onder l, van de Algemene wet EG-beroepsopleidingen ten aanzien van de kennis waarover hij niet heeft aangetoond te beschikken.
2.
Het reglement, bedoeld in het eerste lid, stelt veilig dat de beoordeling van de kennis en de proeve van bekwaamheid geschieden:
a. aan de hand van dezelfde maatstaven die worden gehanteerd in het kader van de opleiding, en
b. binnen drie maanden nadat het daartoe strekkende aanvraag van Onze Minister door de opleider is ontvangen.
3.
De opleider deelt Onze Minister binnen twee weken na de beoordeling en het afleggen van de proeve van bekwaamheid de uitkomst daarvan mee.
Artikel 12
Het opleidingsplan bevat voldoende waarborgen voor de kwaliteit en de continuïteit van de opleiding.
Artikel 13
De financiële bijdrage die aan de cursist in rekening wordt gebracht is niet aanmerkelijk hoger dan de bijdrage voor een vergelijkbare opleiding. De bijdrage wordt vermeld in een bijlage bij het opleidingsplan.
1.
De cursist die voor elk onderdeel van de opleiding een voldoende beoordeling heeft verkregen, heeft de opleiding met goed gevolg doorlopen.
2.
De opleider verstrekt de cursist, bedoeld in het eerste lid, een gewaarmerkt diploma en een lijst van de resultaten die de cursist per onderdeel van de opleiding heeft behaald.
3.
Het model van het diploma, bedoeld in het tweede lid, wordt door de opleider vastgesteld en bij het opleidingsplan gevoegd.
Artikel 15
Bij de aanvraag tot erkenning van de opleiding wordt in ieder geval verschaft:
a. het opleidingsplan, en
b. gegevens en bescheiden die inzicht bieden in de organisatie en exploitatie van de opleiding.
1.
Op de aanvraag, bedoeld in artikel 15, wint Onze Minister het advies in van:
a. de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders;
b. de Bond van personeel werkzaam in de rechtspraktijk en van kandidaat-gerechtsdeurwaarders, en
c. de commissie opleiding.
2.
De adviezen, bedoeld in het eerste lid, bevatten de motivering daarvan.
3.
Tenzij Onze Minister bij de adviesaanvraag een andere termijn heeft gesteld, worden de adviezen, bedoeld in het eerste lid, binnen acht weken uitgebracht.
4.
De beschikking wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 17
De aanvraag, bedoeld in artikel 15, wordt afgewezen, indien:
a. de opleiding of het opleidingsinstituut niet voldoen aan de bij of krachtens wet gestelde regels, of
b. de organisatie en exploitatie van de opleiding naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende de kwaliteit en continuïteit van de opleiding waarborgen.
Artikel 18
De erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd en kan door Onze Minister worden gewijzigd.
1.
De opleider stelt een stageplan op en wint daarover het advies in van de commissie opleiding. De opleider zendt een afschrift van het stageplan aan de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders. Het stageplan maakt deel uit van het opleidingsplan.
2.
De stage is zodanig ingericht dat de stagiair de praktische vaardigheden verwerft die nodig zijn voor de zelfstandige uitoefening van de werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, en inzicht en ervaring opdoet met de praktijkuitoefening van de gerechtsdeurwaarder.
1.
De opleider en de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders verlenen bemiddeling bij het zoeken van een gerechtsdeurwaarder onder wiens verantwoordelijkheid de stagiair werkzaam kan zijn.
2.
Indien de gerechtsdeurwaarder niet in staat is de stagiair te begeleiden, kan de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders ambtshalve of op verzoek van de stagiair al dan niet tijdelijk een andere gerechtsdeurwaarder aanwijzen.
Artikel 21
De wederzijdse rechten en plichten worden door de gerechtsdeurwaarder en de stagiair met inachtneming van het stageplan en de artikelen 22 tot en met 24 in een stage-overeenkomst neergelegd en ondertekend. Een afschrift wordt bij het verzoek om goedkeuring van de aanwijzing van de stagiair als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder aan Onze Minister gezonden.
Artikel 22
De gerechtsdeurwaarder onder wiens verantwoordelijkheid de stagiair werkzaam is, verschaft de stagiair in ieder geval:
a. passende arbeid, die alle de tijdens de stageperiode voorkomende ambtshandelingen en de daarmee rechtstreeks samenhangende werkzaamheden omvat;
b. de nodige leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening;
c. voldoende gelegenheid om aanvullende cursussen te volgen die nodig zijn voor de uitoefening van de gerechtsdeurwaarderspraktijk, en
d. een zodanige vergoeding voor de werkzaamheden, dat die geen belemmering vormt voor de instroom tot de beroepsgroep.
Artikel 23
De stagiair spant zich in om de praktische vaardigheden te verwerven die voor de zelfstandige uitoefening van werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder nodig zijn, en om inzicht en ervaring op te doen met de praktijkuitoefening van de gerechtsdeurwaarder. De stagiair verricht de door de gerechtsdeurwaarder opgedragen werkzaamheden.
1.
De stage begint op de dag waarop de stagiair de uitoefening van de gerechtsdeurwaarderspraktijk onder verantwoordelijkheid van een gerechtsdeurwaarder heeft aangevangen, maar niet voordat Onze Minister de aanwijzing van de stagiair als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft goedgekeurd.
2.
De stage wordt geschorst gedurende de periode waarin de stagiair feitelijk niet deelneemt aan de stage.
3.
De gerechtsdeurwaarder onder wiens verantwoordelijkheid de stagiair werkzaam is, stelt de opleider onverwijld in kennis van de aanvang, de schorsing en het einde van de stage. De opleider stelt de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders in kennis.
1.
Na afloop van de stage verstrekt de gerechtsdeurwaarder de opleider gegevens met betrekking tot de werkzaamheden die de stagiair heeft verricht en diens kennen en kunnen. Indien de gerechtsdeurwaarder oordeelt dat het kennen en kunnen van de stagiaire onvoldoende is voor de zelfstandige uitoefening van werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, omkleedt hij dat met redenen.
2.
De opleider verstrekt de stagiair een verklaring dat de stage is voltooid. Op de verklaring wordt aangetekend in welke periode de stage is doorlopen. Indien de opleider oordeelt dat het kennen en kunnen van de stagiaire onvoldoende is voor de zelfstandige uitoefening van werkzaamheden als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, plaatst hij op de verklaring een met redenen omklede aantekening daartoe.
3.
Het model van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, wordt door de opleider vastgesteld en bij het opleidingsplan gevoegd.
4.
De stagiair kan tegen het plaatsen van de aantekening beroep instellen bij de commissie opleiding. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26
De opleider die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 25 van de wet beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Regeling opleiding kandidaat-gerechtsdeurwaarders, is van rechtswege erkend.
Artikel 27
Voor de toepassing van dit besluit wordt het lidmaatschap van de commissie opleiding op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 25 van de wet, gelijkgesteld met de benoeming als zodanig door Onze Minister met ingang van dat tijdstip.
1.
De stage die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 27 van de wet was aangevangen, wordt voor de toepassing van dit besluit gelijk gesteld met de stage, bedoeld in paragraaf  5.
2.
Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 27 van de wet sedert ten minste drie jaren werkzaam is als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, wordt voor de toepassing van dit besluit gelijk gesteld met een persoon die in overeenstemming met dit besluit de stage heeft doorlopen.
Artikel 29
Indien de opleiding een opleiding is als bedoeld in artikel 1.1, onder m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, zijn de artikelen 3, 10, en 25, vierde lid, niet van toepassing en wordt in artikel 14, tweede, onderscheidenlijk derde lid, voor «een gewaarmerkt diploma» gelezen «een gewaarmerkte verklaring», onderscheidenlijk voor «het diploma»: de verklaring.
Artikel 30
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen 25 en 27 van de wetinwerking treden.
Artikel 31
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 juli 2001
De Staatssecretaris van Justitie,
Uitgegeven de tiende juli 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Definitiebepalingen
+ § 2. De commissie opleiding
+ § 3. Het opleidingsplan
+ § 4. De aanvraag tot erkenning van de opleiding
+ § 5. De stage
+ § 6. Slot- en overgangsbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht