Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998

Uitgebreide informatie
Besluit van 1 juli 1998, houdende regels met betrekking tot het opslaan van vloeistoffen in ondergrondse tanks (Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 november 1998, nr. MJZ97570261 Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 6, 8, 10, 15, 16, eerste en tweede lid, 16a, 17, eerste en tweede lid, 70 en 71 van de Wet bodembescherming en, voor zover het betreft de artikelen 9 tot en met 14 en 21 tot en met 24 van dit besluit, gelet op de artikelen 8.40, 8.42, eerste lid, en 8.44 van de Wet milieubeheer;
Gezien het advies van de Technische commissie bodembescherming (advies van 24 januari 1996);
De Raad van State gehoord (advies van 16 maart 1998, nr. W08.97.0731);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 25 juni 1998, nr. MJZ 98059352, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
ondergrondse tank: tank, daaronder niet begrepen een septic tank, van staal of van kunststof, die geheel of gedeeltelijk in de bodem is gelegen of is ingeterpt, met de daarbij behorende leidingen en appendages;
bestaande ondergrondse tank: ondergrondse tank die is geïnstalleerd voor 1 maart 1993;
opslaan van een vloeistof in een ondergrondse tank: bewaren van een vloeistof in een ondergrondse tank, vullen van een ondergrondse tank met vloeistof, uit een ondergrondse tank betrekken van vloeistof alsmede alle handelingen die met dat bewaren, vullen of betrekken in onmiddellijk verband staan, met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen de aflevering van motorbrandstoffen;
vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie, als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns , met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen LPG;
afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen ;
procesvloeistof: vloeistof die gebruikt wordt in een fysisch of chemisch proces waarbij geen verbranding van de vloeistof plaatsvindt;
huishoudelijk afvalwater: vloeibare huishoudelijke afvalstoffen of vloeistoffen van daarmee vergelijkbare aard, waarvan het Biochemische Zuurstof Verbruik gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf dagen bij 20° C gemiddeld niet hoger is dan 1500 mg/liter;
inrichting: inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer;
verkennend onderzoek: onderzoek ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem op een wijze als aangegeven:
in het protocol nulsituatie-bodemonderzoek Besluit opslaan in ondergrondse tanks, uitgave SDU uitgeverij, Den Haag 1995, dan wel
in een door Onze Minister aangewezen ander protocol of normalisatienorm van het Nederlands Normalisatie-instituut met betrekking tot dat onderwerp.
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage.
1.
Dit besluit is niet van toepassing op het opslaan van een vloeistof in een ondergrondse tank binnen een inrichting:
a. indien voor dat opslaan in een ander besluit op grond van artikel 8.40 of 8.44 van de Wet milieubeheer voorschriften zijn gesteld, tenzij die inrichting uitsluitend dient voor het opslaan van vloeibare brandstof in een ondergrondse tank;
b. indien de betrokken ondergrondse tank een inhoud heeft van meer dan 150 m 3 en deze inrichting behoort tot de categorieën 1, 2 of 4 van bijlage II van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer .
2.
Dit besluit is niet van toepassing op het opslaan van een vloeibare brandstof in een ondergrondse tank binnen een inrichting, indien die tank onderdeel van een procesinstallatie is.
3.
Dit besluit is niet van toepassing op het opslaan in een ondergrondse tank van oppervlaktewater, grondwater, hemelwater of drinkwater, waarin geen stoffen aanwezig zijn die de bodem kunnen verontreinigen.
1.
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het opslaan geheel of in hoofdzaak heeft plaatsgevonden of plaatsvindt, het bevoegd gezag.
2.
In het geval op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer een ander orgaan bevoegd is of, indien de vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te verlenen, is dat orgaan ook in het kader van dit besluit het bevoegd gezag.
Artikel 4
Indien ingevolge dit besluit een melding aan het bevoegd gezag dient te geschieden, worden op een formulier waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld, de gegevens verstrekt, aangegeven in bijlage VII .
Artikel 5
Het is verboden buiten een inrichting in een ondergrondse tank een vloeistof op te slaan, met uitzondering van huishoudelijk afvalwater.
Artikel 6
Degene die buiten een inrichting huishoudelijk afvalwater opslaat in een ondergrondse tank, dient te voldoen aan de voorschriften, opgenomen in bijlage V .
Artikel 7
Degene die voornemens is buiten een inrichting huishoudelijk afvalwater op te slaan in een ondergrondse tank, meldt dit voornemen aan het bevoegd gezag:
a. indien het een nog te installeren ondergrondse tank betreft, ten minste vier weken voor de tank zal worden geïnstalleerd;
b. indien het een reeds geïnstalleerde ondergrondse tank betreft, ten minste vier weken voordat huishoudelijk afvalwater zal worden opgeslagen.
1.
Degene die het opslaan van huishoudelijk afvalwater buiten een inrichting heeft beëindigd, verwijdert de betrokken ondergrondse tank of, indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd, maakt deze onklaar binnen acht weken na die beëindiging overeenkomstig bijlage VI . Zodra hij de tank heeft verwijderd of onklaar gemaakt, meldt hij dit aan het bevoegd gezag.
2.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien degene die het opslaan heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.
1.
Degene die een vloeibare brandstof opslaat in een ondergrondse tank van staal, dient te voldoen aan de voorschriften, opgenomen in bijlage I, de hoofdstukken I en II , en aan de krachtens de voorschriften 2.8 en 2.25 van die bijlage door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen.
2.
Degene die een vloeibare brandstof opslaat in een ondergrondse tank van kunststof, dient te voldoen aan de voorschriften, opgenomen in bijlage II , en aan de krachtens de voorschriften 2.6 en 2.20 van die bijlage door het bevoegd gezag gestelde nadere eisen.
3.
Indien krachtens het eerste of het tweede lid, nadere eisen worden gesteld, die mede de arbeidsomstandigheden raken, stelt het bevoegd gezag voorafgaand daaraan de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet, schriftelijk in de gelegenheid opmerkingen te maken.
4.
Een beschikking waarin nadere eisen worden gesteld, wordt gezonden aan de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet.
1.
Degene die afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank van staal, dient te voldoen aan de voorschriften, opgenomen in bijlage III, de hoofdstukken I en II .
2.
Degene die afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank van kunststof, dient te voldoen aan de voorschriften, opgenomen in bijlage IV .
1.
Degene die een inrichting drijft, die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort, uitsluitend door:
a. het opslaan van vloeibare brandstof in een ondergrondse tank,
b. het opslaan van afgewerkte olie in een ondergrondse tank, of
c. het opslaan van huishoudelijk afvalwater in een ondergrondse tank, dient voor dat opslaan uitsluitend te voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
2.
Degene die een andere dan de in het eerste lid bedoelde inrichting drijft, dient behalve aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden of zijn neergelegd in een andere terzake geldende algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 of 8.44 van de Wet milieubeheer voorzover die voorschriften geen betrekking hebben op het opslaan van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of huishoudelijk afvalwater, te voldoen aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels. Een voor een dergelijke inrichting verleende vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt ook voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voor zover dit oprichten, in werking hebben of veranderen, dan wel veranderen van de werking daarvan betrekking heeft op het opslaan van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of huishoudelijk afvalwater in een ondergrondse tank.
1.
Degene die voornemens is een vloeibare brandstof of afgewerkte olie op te slaan in een ondergrondse tank, dient:
a. een verkennend onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van de desbetreffende vloeibare brandstof onderscheidenlijk afgewerkte olie in de bodem op de plaats waar de ondergrondse tank zal worden geïnstalleerd, of indien het een al geïnstalleerde ondergrondse tank betreft, in de onmiddellijke nabijheid ervan, en
b. van het voornemen om de tank te installeren, of indien het een reeds geïnstalleerde tank betreft, van het voornemen om op te slaan, alsmede van de resultaten van het verkennend onderzoek, kennis te geven aan het bevoegd gezag, ten minste vier weken voordat de tank zal worden geïnstalleerd, onderscheidenlijk de vloeistof daarin zal worden opgeslagen.
2.
De analyse van de grond en grondwatermonsters op minerale oliecomponenten in het kader van het verkennend onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door een laboratorium dat een kwaliteitsborgingssysteem hanteert en dat gebaseerd is op de Europese Normalisatienorm NEN.EN 45 001 (Algemene criteria voor de beoordeling van beproevingslaboratoria).
1.
Degene die voornemens is het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie in een ondergrondse tank te beëindigen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag.
2.
Degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie heeft beëindigd, verricht binnen acht weken na die beëindiging een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van de vloeibare brandstof onderscheidenlijk afgewerkte olie in de bodem op de plaats waar die tank was geïnstalleerd. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het vierde lid volstaan kan worden met het onklaar maken van de tank, wordt het onderzoek verricht in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende tank.
3.
Van de resultaten van een verkennend onderzoek als bedoeld in het tweede lid geeft degene die het opslaan heeft beëindigd, zo spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag.
4.
Degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie heeft beëindigd, verwijdert de betrokken ondergrondse tank of, indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd, maakt die onklaar binnen acht weken na de beëindiging overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II, de voorschriften 1 en 4, en de hoofdstukken III en IV .
5.
De in het vierde lid bedoelde verplichting geldt niet indien degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of van afgewerkte olie heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.
Artikel 14
Op het opslaan van huishoudelijk afvalwater in een ondergrondse tank binnen een inrichting, zijn de artikelen 6 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.
1.
Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank, stelt door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als gevolg van dat opslaan. Deze verplichting geldt niet voor het Rijk.
2.
De zekerheid bedraagt € 226 890,11 per ondergrondse tank. Bij meer dan tien ondergrondse tanks bedraagt de zekerheid in totaal € 2 268 901,08.
3.
De zekerheid wordt in stand gehouden vanaf het tijdstip waarop het opslaan een aanvang neemt tot vier weken nadat een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 13, derde lid.
4.
Indien bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 13, derde lid, blijkt dat de bodem met vloeibare brandstof of met afgewerkte olie is verontreinigd, wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, de financiële zekerheid in stand gehouden tot het tijdstip waarop gedeputeerde staten aan degene die opslaat, schriftelijk hebben verklaard dat de sanering van de bodem voltooid is. Degene die opslaat, kan gedeputeerde staten schriftelijk verzoeken om een verklaring als bedoeld in de eerste volzin. Gedeputeerde staten beslist op het verzoek uiterlijk vier weken nadat het is verzonden.
5.
Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten die zijn aangewezen krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet bodembescherming, en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering , treden voor de toepassing van dit artikel in de plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de plaats van gedeputeerde staten, indien de in dit artikel bedoelde bevoegdheden bij algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.
6.
Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank legt binnen een termijn van 4 weken nadat hij met dit opslaan is aangevangen aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het eerste en tweede lid.
8.
Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank draagt er zorg voor dat de vorm van financiële zekerheid en de hoedanigheid van de garant niet wordt gewijzigd dan nadat aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het eerste en tweede lid.
1.
Op verzoek van degene die op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, een onderzoek naar de aanwezigheid van verontreiniging van de bodem dient te verrichten ingevolge enig artikel van dit besluit, kan het bevoegd gezag de rechthebbenden ten aanzien van dat gedeelte van de bodem een verplichting opleggen als bedoeld in artikel 70 van de Wet bodembescherming.
2.
Degene die een verzoek doet als bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:
a. de naam en het adres van de verzoeker en de rechthebbenden;
b. de kadastrale gegevens van de plaats waar het onderzoek dient te worden verricht;
c. een omschrijving van de aard en de omvang van het onderzoek;
d. het tijdstip waarop het onderzoek dient te worden verricht;
e. een omschrijving van de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek dienen na te laten.
1.
Degene die op 1 maart 1993 een vloeistof opslaat in een bestaande ondergrondse tank, meldt dit uiterlijk 1 september 1993 aan het bevoegd gezag en, indien wordt opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting, aan de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen toezichthouder, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenwet.
2.
De in het eerste lid bedoelde melding is niet vereist, indien de vloeistof wordt opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting en voor die inrichting een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover de desbetreffende vergunning mede betrekking heeft op het opslaan van die vloeistof in een ondergrondse tank.
1.
Indien het opslaan van een vloeistof in een bestaande ondergrondse tank voor 1 maart 1993 is beëindigd en na die beëindiging in de desbetreffende tank niet een andere vloeistof werd opgeslagen, wordt dit door de eigenaar van die tank, uiterlijk 1 september 1993 gemeld aan het bevoegd gezag.
2.
De in het eerste lid bedoelde melding is niet vereist, indien werd opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting en voor de inrichting een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover de desbetreffende vergunning mede betrekking heeft op het opslaan in die tank van vloeibare brandstof of afgewerkte olie.
3.
In een geval als bedoeld in het eerste lid verwijdert de eigenaar van de desbetreffende tank de tank of maakt die onklaar uiterlijk 31 december 1998. Het verwijderen of onklaar maken geschiedt overeenkomstig de voorschriften, opgenomen in bijlage VI .
4.
Indien de tank op 1 januari 1999 nog niet is verwijderd of onklaar is gemaakt wordt deze zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen acht weken nadat de eigenaar met de aanwezigheid van de tank bekend is, verwijderd tenzij verwijdering als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd. In dat geval moet de tank onklaar gemaakt worden. Het verwijderen of onklaar maken geschiedt overeenkomstig de voorschriften, opgenomen in bijlage VI .
5.
De in het derde en vierde lid, eerste volzin, bedoelde verplichtingen gelden niet, indien werd opgeslagen in een ondergrondse tank binnen een inrichting en de eigenaar van de betrokken tank op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer bevoegd is in die tank een andere vloeistof op te slaan.
6.
De in het derde lid bedoelde verplichting om de tank te verwijderen geldt ook niet, indien uit de desbetreffende tank de vloeistof is verwijderd en de tank onklaar is gemaakt voor 1 maart 1993; in dat geval kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van de bodem aanvullende maatregelen verlangen overeenkomstig bijlage VI .
7.
In afwijking van artikel 13, vierde lid, mag tot en met 31 december 1998 een tank, waarvan het beëindigen van het gebruik overeenkomstig artikel 13, eerste lid, is gemeld, onklaar worden gemaakt, onafhankelijk van de ligging van die tank.
1.
Indien een bestaande ondergrondse tank is gelegen in in erfpacht uitgegeven grond, het opslaan in die tank is beëindigd voor 1 maart 1993, en op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is nog niet de in artikel 18, eerste lid, bedoelde melding gedaan, doet de erfpachter deze melding alsnog uiterlijk vóór 1 oktober 1998. Artikel 18, tweede lid, is van toepassing.
2.
De erfpachter verwijdert de tank of maakt deze onklaar uiterlijk 31 december 1998. Artikel 18, derde lid, tweede volzin, en vierde, vijfde, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 20
Indien op 1 maart 1993 een vloeistof is opgeslagen in een bestaande ondergrondse tank buiten een inrichting, zijn de artikelen 5 en 6 niet van toepassing tot en met 1 maart 1996. Artikel 8 is bij beëindiging van de opslag van andere vloeistoffen dan huishoudelijk afvalwater van overeenkomstige toepassing tot en met 1 maart 1996.
1.
Op het opslaan van gasolie in een bestaande ondergrondse tank binnen een inrichting waarvoor voor 1 maart 1993 geen vergunningplicht op grond van de Hinderwet gold, is hoofdstuk II, de paragrafen 2 en 3, met uitzondering van de artikelen 11, eerste lid, en 16, niet van toepassing tot en met 1 maart 1996.
2.
Op het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in een bestaande ondergrondse tank binnen een inrichting, waarvoor voor 1 maart 1993 een vergunningplicht op grond van de Hinderwet gold, is hoofdstuk II, de paragrafen 2 en 3, met uitzondering van de artikelen 13 en 16, niet van toepassing tot en met 1 maart 1995.
3.
Na afloop van de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde periodes zijn ten aanzien van bestaande ondergrondse tanks:
a. in plaats van de voorschriften, opgenomen in bijlage I, hoofdstuk II, paragraaf 1 , en in bijlage III, hoofdstuk II, paragraaf 1 , de voorschriften, opgenomen in bijlage I, hoofdstuk III , onderscheidenlijk in bijlage III, hoofdstuk III , van toepassing;
b. de voorschriften, opgenomen in bijlage II, hoofdstuk II, paragraaf 1 , en bijlage IV, hoofdstuk II, paragraaf 1 , niet van toepassing.
Artikel 22
Degene die na 1 maart 1993 vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een bestaande ondergrondse tank, voert, indien het een tank betreft als bedoeld in artikel 21, eerste lid, uiterlijk 1 maart 1996, of, indien het een tank als bedoeld in artikel 21, tweede lid, betreft, uiterlijk 1 maart 1995, een verkennend onderzoek uit naar de aanwezigheid van de opgeslagen vloeibare brandstof of afgewerkte olie in de bodem in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende tank. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Binnen vier weken nadat het onderzoek is verricht, wordt van de resultaten daarvan kennis gegeven aan het bevoegd gezag.
1.
Degene die op 1 maart 1993 gasolie opslaat in een ondergrondse tank als bedoeld in artikel 21, eerste lid, maakt, indien hij het opslaan uiterlijk op 1 maart 1996 beëindigt, binnen acht weken na die beëindiging de tank onklaar of verwijdert deze overeenkomstig bijlage VI .
2.
De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet, indien degene die het opslaan van gasolie heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.
Artikel 24
Indien op 1 maart 1993 een ondergrondse tank is geïnstalleerd, doch nog niet in gebruik is genomen, is voor het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in die ondergrondse tank hoofdstuk II, paragraaf 2, in afwijking van artikel 21 onmiddellijk van toepassing, met dien verstande dat:
a. in plaats van de voorschriften, opgenomen in bijlage I, hoofdstuk II, paragraaf 1 , en in bijlage III, hoofdstuk II, paragraaf 1 , de voorschriften, opgenomen in bijlage I, hoofdstuk III , onderscheidenlijk in bijlage III, hoofdstuk III , van toepassing zijn;
b. de voorschriften, opgenomen in bijlage II, hoofdstuk II, paragraaf 1 , en bijlage IV, hoofdstuk II, paragraaf 1 , niet van toepassing zijn.
Artikel 25
Het Besluit opslaan in ondergrondse tanks wordt ingetrokken.
Artikel 26
Dit besluit treedt in werking met ingang van 15 augustus 1998.
Artikel 27
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 1 juli 1998
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven zestiende juli 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemeen
+ Hoofdstuk II. Het opslaan van vloeistoffen in ondergrondse tanks
+ Hoofdstuk III. Overgangsbepalingen
+ Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht