Besluit van 7 juni 1985, houdende overgangsmaatregelen bij de invoering van salarishoofdstukken per 1 augustus 1985 voor scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs
Wij Beatrix, bij de gratie gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 6 februari 1985, nr. 149.398, Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Gelet op artikel 28, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1982, 730);
De Raad van State gehoord, advies van 21 maart 1985, nr. W05.85.0085/12.5.11;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van 5 juni 1985, nr. 149.732, Directie Arbeidsvoorwaardenbeleid, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit zijn de begripsbepalingen van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel ( Stb. 1985, 110) van toepassing.
2.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Wet: de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs ( Stb. 1982, 730);
b. school: een school als bedoeld in de Wet, welke voor 1 augustus 1985 een b.u.o.-school was;
c. Rechtspositiebesluit KO/LO: het Rechtspositiebesluit KO/LO ( Stb. 1978, 228) zoals dat luidde op 31 juli 1985;
d. Besluit: het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 ( Stb. 1978, 582) zoals dat luidde op 31 juli 1985;
e. b.u.o.-school: een school als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid van het Besluit;
f. belanghebbende: degene die op 31 juli 1985 in dienst was als hoofd, onderwijzer of vakonderwijzer van een b.u.o.-school en op 1 augustus 1985 in dienst is van een school;
g. schaalsalaris: een bedrag in een schaal dat behoort bij een normbetrekking.
Artikel A2. Uitsluiting
Het bepaalde in de overige artikelen van dit besluit is niet van toepassing ten aanzien van de belanghebbende wiens betrekking op zijn verzoek op 31 juli 1985 wordt beëindigd en die aansluitend wordt belast met een functie waarbij een maximumschaal behoort die lager is dan het maximumsalaris dat behoort bij de functie die hem op grond van het bepaalde in artikel B1 zou kunnen worden toebedeeld. De belanghebbende wordt in dat geval voor de toepassing van het bepaalde in de hoofdstukken I-P, I-Q of I-R van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel aangemerkt als een belanghebbende die met ingang van 1 augustus 1985 in dienst treedt.
Artikel A3. Loonpeil
De aan de hand van dit besluit uit te voeren berekeningen geschieden op basis van het loonpeil dat geldt op 31 juli 1985.
Artikel A4. Verlof
Indien de belanghebbende op 31 juli 1985 verlof genoot volgens het bepaalde in een of meer van de hoofdstukken I-C, I-D of I-E dan wel een taakvermindering als bedoeld in hoofdstuk I-U van het Rechtspositiebesluit KO/LO wordt uitsluitend voor de toepassing van dit besluit dit verlof of deze taakvermindering alsmede de daarmee eventueel samenhangende vermindering van de bezoldiging buiten beschouwing gelaten.
Artikel A5. Anticumulatie
Ten aanzien van de belanghebbende op wiens bezoldiging op 31 juli 1985 in verband met andere door hem genoten inkomsten een anticumulatie als bedoeld in het Rechtspositiebesluit KO/LO werd toegepast, wordt die anticumulatie voor de toepassing van het bepaalde in dit besluit buiten beschouwing gelaten.
1.
Aan de belanghebbende die op 31 juli 1985 in dienst is van een b.u.o.-school en vanaf 1 augustus 1985 in dienst blijft van de school wordt met ingang van 1 augustus 1985 een functie toegekend volgens de bepalingen in de volgende leden.
2.
Als directeur wordt benoemd degene die op 31 juli 1985 hoofd was van de b.u.o.-school.
3.
Als adjunct-directeur wordt benoemd de leraar die:
a. op 31 juli 1985 adjunct-hoofd was van de b.u.o.-school en in het genot was van de toelage bedoeld in artikel I-Q19 van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
b. op 31 juli 1985 belast was met de leiding van de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs en in het genot was van de toelage bedoeld in artikel I-Q20 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
4.
Als leraar wordt benoemd de belanghebbende voor wie het bepaalde in het tweede lid en in het derde lid niet van toepassing is en die op 31 juli 1985 onderwijzer of vakonderwijzer was aan de b.u.o.-school.
5.
Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende voor zover hij op 31 juli 1985 is belast met de waarneming, bedoeld in artikel I-Q35 van het Rechtspositiebesluit KO/LO, van een afwezige belanghebbende.
1.
De weektaakomvang met ingang van 1 augustus 1985 bedraagt 40 uur voor de belanghebbende die op 31 juli 1985 een salaris ontving dat werd berekend naar een normbetrekking.
2.
De weektaakomvang met ingang van 1 augustus 1985 van de belanghebbende die op 31 juli 1985 niet in een normbetrekking als bedoeld in het Rechtspositiebesluit KO/LO was aangesteld wordt vastgesteld als volgt:
a. indien de aanstelling vóór 1 augustus 1985 was uitgedrukt in een aantal uren: het getal voor de letter x in de breuk genoemd in artikel I-Q30 van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
b. indien de aanstelling vóór 1 augustus 1985 was uitgedrukt in een aantal schooltijden: het totaal van het aantal uren gedurende welke leerlingen in de school aanwezig zijn voor onderwijs gedurende de schooltijden waarin de belanghebbende dienst verricht als getal voor de letter x in de breuk genoemd in artikel I-Q30 van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
een en ander vermenigvuldigd met 40/26. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op veelvouden van een kwartier.
3.
Het bepaalde in het eerste en het tweede lid is niet van toepassing indien voor de belanghebbende:
a. op grond van de formatie-regeling zoals die op 31 juli 1985 luidde met ingang van 1 augustus 1985 een weektaakomvang zou moeten worden vastgesteld die kleiner is dan op 31 juli 1985 voor hem gold, in welk geval de nieuwe weektaakomvang overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid wordt omgerekend naar een weektaakomvang per 1 augustus 1985;
b. Op grond van de formatie-regeling zoals die op 1 augustus 1985 luidt een grotere weektaakomvang kan worden toegekend dan na toepassing van het bepaalde in de tweede lid voor hem is berekend, in welk geval de weektaakomvang met ingang van 1 augustus 1985 wordt bepaald op die welke voor hem beschikbaar is.
Onder formatie-regeling, bedoeld onder a , worden mede begrepen de regelingen ten behoeve van taakrealisatie schoolleiding, onderwijsstimulering en culturele minderheden.
1.
Voor de belanghebbende wordt op 1 augustus 1985 een schaalsalaris vastgesteld in het carrièrepatroon van de functie waarin hij wordt benoemd volgens het bepaalde in hoofdstuk I-Q dan wel hoofdstuk I-R van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, dat zo dicht mogelijk ligt bij en ten minste gelijk is aan het salaris bij een normbetrekking dat voor hem op 31 juli 1985 gold.
2.
Het salaris bij een normbetrekking, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend aan de hand van:
a. het feitelijke salaris volgens de schaal die voor de belanghebbende op 31 juli 1985 voor de salarisberekening in aanmerking werd genomen, in voorkomend geval verhoogd met:
b. de salarisverhoging bedoeld in de artikelen I-Q6 a , I-Q10, I-Q11, I-Q12, I-Q14, I-Q15, tweede lid, I-Q16 en I-Q17 van het Rechtspositiebesluit KO/LO;
c. de toelage bedoeld in de artikelen I-Q18, I-Q19 en I-Q20 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
Het bedrag van het feitelijke salaris bedoeld onder a eventueel verhoogd met de salarisverhogingen bedoeld onder b en de toelagen bedoeld onder c wordt zonodig omgerekend naar een bedrag bij een normbetrekking door vermenigvuldiging met 26/x, waarbij x is het voor de belanghebbende op 31 juli 1985 geldende getal voor de letter x in de breuk genoemd in artikel I-Q30 van het Rechtspositiebesluit KO/LO, waarna de aldus verkregen uitkomst nog wordt verhoogd met de toelage bedoeld in artikel I-U7 van het Rechtspositiebesluit KO/LO indien de belanghebbende op 31 juli 1985 daarop aanspraak had.
3.
Indien het salaris van een belanghebbende bij een normbetrekking op 31 juli 1985, berekend volgens het bepaalde in het tweede lid, hoger is dan het maximum van de bij zijn functie behorende maximumschaal per 1 augustus 1985, geschiedt de inpassing op een schaalsalaris dat zo dicht mogelijk ligt bij en ten minste gelijk is aan zijn salaris bij een normbetrekking op 31 juli 1985 en wel in de laagste schaal waarvan het maximum gelijk is aan of hoger is dan dat salaris bij een normbetrekking.
4.
Voor de toepassing van het bepaalde in artikel I-R106, tweede lid van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel wordt de belanghebbende, wiens schaalsalaris aan de hand van dit hoofdstuk wordt vastgesteld in de laagste bij zijn functie behorende aanloopschaal, geacht op 1 augustus 1985 in dienst te zijn getreden.
1.
Indien voor de belanghebbende per 1 augustus 1985 een lager salaris zou moeten worden vastgesteld dan het bedrag van zijn bezoldiging per 31 juli 1985, vastgesteld op grond van het bepaalde in artikel B3, tweede lid, en dit verschil uitsluitend is veroorzaakt door de toepassing van het bepaalde in artikel B2, tweede lid, en artikel B3, worden hem voor de vaststelling van zijn salaris zoveel kwartieren extra taakomvang toebedeeld als nodig is om te bereiken dat het salaris vanaf 1 augustus 1985 zo dicht mogelijk ligt bij doch ten minste gelijk is aan het bedrag van zijn bezoldiging dat voor hem per 31 juli 1985 gold.
2.
De in het eerste lid bedoelde extra taakomvang wordt afzonderlijk in de akte van benoeming vermeld, dient uitsluitend voor de berekening van het salaris en behoort overigens niet tot de weektaak waarin de belanghebbende is benoemd.
3.
Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing voor de belanghebbende voor wie een weektaakomvang per 1 augustus 1985 is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel B2, derde lid.
1.
Voor de belanghebbende voor wie op 31 juli 1985 bij één b.u.o.-school een salaris wordt vastgesteld dat is berekend aan de hand van verschillende schalen of verschillende verhoogde schaalsalarissen bij een normbetrekking als bedoeld in artikel B3, tweede lid, wordt een weektaakomvang per 1 augustus 1985 vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel B2 voor het totaal van het aantal uren waarnaar zijn salaris op 31 juli 1985 werd berekend.
2.
Voor de vaststelling van het salaris bij een normbetrekking, bedoeld in artikel B3, tweede lid, wordt voor de in het eerste lid bedoelde belanghebbende het totaal van het salaris op 31 juli 1985 omgerekend naar een bedrag bij een normbetrekking door vermenigvuldiging met 26 en deling door het totaal van het aantal uren dat op 31 juli 1985 voor de berekening van zijn salaris in aanmerking werd genomen; het bepaalde in artikel B3, eerste, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel B6. Inpassing bij waarneming
Voor de belanghebbende die op 31 juli 1985 belast is met de waarneming van een wegens ziekte of anderszins afwezige hoofd of onderwijzer en op 1 augustus 1985 belast is met de waarneming van een wegens ziekte of anderszins afwezige directeur of leraar en wiens ambtelijk inkomen op 31 juli 1985 anders dan uitsluitend door wijziging van zijn taakomvang hoger is dan het ambtelijk inkomen zonder de waarneming, wordt tevens een inpassing toegepast als bedoeld in artikel B3 met inbegrip van de hem op 31 juli 1985 toegekende toelage, bedoeld in artikel I-Q35 van het Rechtspositiebesluit KO/LO.
1.
Met inachtneming van het bepaalde in artikel C3 en de artikelen V-P1, V-Q301, V-Q302 en V-R301 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel wordt voor de belanghebbende een uitzicht op salarisvaststelling na 31 juli 1985 vastgesteld volgens het schaalsalaris dat voor hem op 1 augustus 2000 zou hebben gegolden in de functie die hij op 31 juli 1985 vervulde volgens de bepalingen van het Rechtspositiebesluit KO/LO, voor zover dat schaalsalaris hoger zou zijn dan het hoogste bedrag in schaal 10.
2.
Met de belanghebbende bedoeld in het eerste lid wordt, voor zover het bepaalde in artikel C5 zulks aangeeft, gelijkgesteld degene die op 31 juli 1985 een ontslaguitkering genoot.
3.
Indien de belanghebbende op 31 juli 1985 aanspraak had op:
a. een verhoging van het salaris als bedoeld in de artikelen I-Q6a, I-Q10, I-Q11, I-Q14, I-Q15, tweede lid, en I-Q16 van het Rechtspositiebesluit KO/LO:
b. een toelage als bedoeld in de artikelen I-Q19 en I-Q20 van het Rechtspositiebesluit KO/LO,
wordt het volgens het eerste lid vastgestelde schaalsalaris verhoogd met evenbedoelde toelage of verhogingen.
4.
Indien het hoofd van de b.u.o.-school op 31 juli 1985 in het genot was van een toelage als bedoeld in artikel I-Q18 van het Rechtspositiebesluit KO/LO en hij op die datum:
a. 47 jaar of ouder is wordt het volgens het eerste lid vastgestelde schaalsalaris eventueel verhoogd ingevolge het bepaalde in het derde lid, verhoogd met het bedrag van evenbedoelde toelage;
b. 46 jaar is wordt het volgens het eerste lid vastgestelde schaalsalaris eventueel verhoogd ingevolge het bepaalde in het derde lid, verhoogd met de helft van het bedrag van evenbedoelde toelage.
5.
Indien de belanghebbende op 31 juli 1985 aanspraak had op een verhoging van het salaris als bedoeld in artikel I-Q12 dan wel artikel I-Q17 van het Rechtspositiebesluit KO/LO wordt het volgens het eerste lid vastgestelde schaalsalaris eventueel verhoogd ingevolge het bepaalde in het derde en vierde lid, verhoogd met evenbedoelde verhoging van het salaris.
6.
Het in het eerste lid bedoelde uitzicht wordt uitgedrukt in het nummer van de schaal en het salarisnummer binnen die schaal waarbij het bedrag, waarop uitzicht wordt gegeven, is vermeld.
7.
Het in het zesde lid bedoelde bedrag is een schaalsalaris, dat zo dicht mogelijk ligt bij het ingevolge dit hoofdstuk vast te stellen bedrag bij een normbetrekking per 31 juli 1985, in de laagste schaal waarvan het maximum gelijk is aan of hoger dan het bedrag waarop uitzicht wordt gegeven; indien het laatstbedoelde bedrag op gelijke afstand ligt tot twee bedragen in de laagste schaal, wordt het schaalsalaris vastgesteld op het naasthogere bedrag.
Artikel C2. Schaalkeuze voor bepaling van uitzicht
Voor de belanghebbende voor wie op 31 juli 1985 bij één b.u.o.-school het salaris werd berekend aan de hand van verschillende schalen of verschillende verhoogde schaalsalarissen als bedoeld in artikel B3, wordt voor de toepassing van het bepaalde in artikel C1 de hoogste schaal of het hoogste schaalsalaris dat voor hem op 31 juli 1985 van toepassing was, in aanmerking genomen.
Artikel C3. Minimum uitzicht
Voor de belanghebbende, voor wie volgens het bepaalde in artikel C1 een uitzicht zou moeten worden vastgesteld dat lager is dan het schaalsalaris dat voor hem per 1 augustus 1985 met toepassing van het bepaalde in hoofdstuk B is berekend, wordt het uitzicht vastgesteld op het laatstbedoelde niveau.
1.
De belanghebbende ontvangt binnen twee jaar na 1 augustus 1985, doch uiterlijk op de datum waarop hij wordt ontslagen, een door het bevoegd gezag opgestelde en door Onze minister gewaarmerkte verklaring waarin het volgens dit hoofdstuk vastgestelde uitzicht gedetailleerd is aangegeven. De hier bedoelde verklaring wordt slechts eenmaal verstrekt.
2.
Aan de belanghebbende die op 31 juli 1985 in dienst was als:
a. onderwijzer;
b. adjunct-hoofd;
c. onderwijzer, belast met de leiding van de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs;
d. vakonderwijzer:
wordt een verklaring als bedoeld in het eerste lid verstrekt waarin is vastgelegd het uitzicht op grond van het bepaalde in artikel C1, eerste en derde lid, onderdeel a.
3.
Aan de in het tweede lid onder b of c bedoelde belanghebbende wordt tevens een verklaring verstrekt waarin is vastgesteld het uitzicht op grond van het bepaalde in artikel C1, eerste en derde lid, onderdeel a en b.
4.
Aan de in het tweede lid onder a, b of c bedoelde belanghebbende wordt tevens een verklaring verstrekt waarin is vastgelegd het uitzicht op grond van het bepaalde in artikel C1, vijfde lid.
5.
Aan de belanghebbende die op 31 juli 1985 hoofd was van de b.u.o.-school en op 1 augustus 1985 directeur is van de school wordt een verklaring verstrekt waarin is vastgelegd het uitzicht op grond van het bepaalde in artikel C1, eerste lid, derde lid onderdeel a en vierde lid.
6.
Aan de in het vijfde lid bedoelde belanghebbende wordt tevens een verklaring verstrekt waarin is vastgelegd het uitzicht op grond van het bepaalde in artikel C1, vijfde lid.
7.
De belanghebbende die op 1 augustus 1985 in dienst is van een ander bevoegd gezag dan op 31 juli 1985, ontvangt de in het eerste lid bedoelde verklaring van het bevoegd gezag waarbij hij op 31 juli 1985 in dienst was.
1.
Voor degene die op 31 juli 1985 in het genot was van een ontslaguitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit KO/LO, wordt een uitzicht vastgesteld indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. het ontslag terzake waarvan hij een ontslaguitkering geniet is hem verleend op of na 1 augustus 1983;
b. het ontslag is verleend uit een betrekking als hoofd, onderwijzer of vakonderwijzer bij een b.u.o.-school;
c. de desbetreffende aanspraak op een ontslaguitkering is na de dag waarop het recht daarop is ingegaan zonder wezenlijke onderbreking blijven bestaan, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een wezenlijke onderbreking wordt aangemerkt.
Het uitzicht wordt vastgesteld op de wijze als in artikel C1 is aangegeven waarbij een uitzicht op salarisvaststelling na 31 juli 1985 wordt vastgesteld volgens het schaalsalaris dat voor hem zou hebben gegolden volgens de bepalingen van het Rechtspositiebesluit KO/LO over 15 jaar na de datum waarop het desbetreffende ontslag is verleend.
2.
Ten aanzien van degene die op 31 juli 1985 als hoofd, onderwijzer of vakonderwijzer in dienst was bij een b.u.o.-school en aan wie met ingang van 1 augustus 1985 terzake van ontslag uit die betrekking een uitkering als bedoeld in hoofdstuk I-H van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel is toegekend, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel C4 wordt de verklaring, bedoeld in dit artikel afgegeven door Onze minister. Het bepaalde in artikel C4 is overigens van overeenkomstige toepassing.
Artikel C6. Model van de verklaring
De verklaring, bedoeld in dit hoofdstuk, heeft het model zoals is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.
Artikel D1. Billijkheidsbepalingen
Voor gevallen waarin dit besluit niet of niet naar billijkheid voorziet, beslist Onze minister.
Artikel D2. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 1985.
Artikel D3. Nadere richtlijnen
Onze minister geeft nadere regelen voor de uitvoering van dit besluit.
Artikel D4. Citeertitel
Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit overgangsmaatregelen s.o. 1985.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 7 juni 1985
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
Uitgegeven de vijfentwintigste juni 1985
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk A. Algemeen
+ Hoofdstuk B. Functies en inpassing per 1 augustus 1985
+ Hoofdstuk C. 15-jaarsgarantie vanaf 1 augustus 1985
+ Hoofdstuk D. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht