Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit politieregisters

Uitgebreide informatie
Besluit van 14 februari 1991, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politieregisters
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Defensie, van 7 januari 1991, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 41162/91/6;
Gelet op de artikelen 1, onder e, 3, 5, tweede lid, 6, derde lid, 7, tweede lid, 9, derde lid, 13, eerste en vierde lid, 14, onder e, 16, eerste lid, onder c, 17, 18, eerste tot en met derde lid, 19 en 25, eerste lid, van de Wet politieregisters ( Stb. 1990, 414);
Gehoord de Registratiekamer (advies van 30 november 1990, nr. WGAG/1990/2);
De Raad van State gehoord (advies van 8 februari 1991, nr. WO 3.91.0017);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie, mede namens Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie a.i., van 12 februari 1991, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr. 44995/91/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder
a. de wet: de Wet politieregisters ;
b. het bevoegd gezag:
1°. bij de handhaving van de openbare orde en bij de hulpverlening: de burgemeester;
2°. bij de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde: de officier van justitie;
c. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: het meldpunt, bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties;
d. de criminele-inlichtingeneenheid van een bijzondere opsporingsdienst: de als zodanig door Onze Minister van Financiën, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met inachtneming van artikel 13c, tweede lid, van de wet, ingerichte eenheid.
Artikel 2
De volgende persoonsgegevens zijn antecedenten:
a. het feit dat een proces-verbaal is opgemaakt van het verhoor van een bepaald persoon ter zake van een strafbaar feit waarvoor deze als verdachte is gehoord, daaronder begrepen de aanduiding van de aard van dat strafbare feit;
b. het feit of al dan niet een proces-verbaal als bedoeld onder a , is verzonden aan het openbaar ministerie, en zo ja, de datum van verzending en het nummer waarmee het proces-verbaal aldaar kan worden geïdentificeerd en
c. de beslissing van het openbaar ministerie of de rechter over de aangelegenheid waarop het proces-verbaal betrekking heeft.
Artikel 2a
Misdrijven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, onderdeel 3°, van de wet zijn de misdrijven, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage.
1.
Persoonsgegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wetgenoemde kenmerken, worden slechts in een register opgenomen indien het reglement dit uitdrukkelijk toelaat.
2.
Persoonsgegevens met betrekking tot iemands ras, worden slechts opgenomen indien dit onvermijdelijk is
a. met het oog op diens identificatie;
b. voor de juiste beoordeling van een strafbaar feit en zulk een gegeven het slachtoffer of de motieven van de dader van dat feit betreft;
c. met het oog op de verlening van hulp door de politie.
3.
Bij de opneming van een gegeven als bedoeld in het eerste lid, wordt tevens een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van het gegeven opgenomen. De aanduiding wordt gegeven door personen die daartoe door de beheerder zijn aangewezen.
1.
Het sociaal-fiscaal nummer wordt slechts in een register opgenomen voor zover dit noodzakelijk is voor het controleren van de juistheid van gegevens omtrent een staande gehouden of aangehouden verdachte.
2.
Het sociaal-fiscaal nummer wordt uit een register verwijderd en vernietigd indien opneming niet langer noodzakelijk is voor het doel, bedoeld in het eerste lid, en in elk geval na verloop van een maand na de datum van opneming.
1.
Koppeling is slechts toegestaan van een politieregister met een ander politieregister of met een bestand van het Rijk, provincies, gemeenten en andere openbare lichamen met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten, instellingen en bedrijven.
2.
Koppeling van een tijdelijk register, met een ander register vindt slechts plaats voor zover dit noodzakelijk is voor het doel waarvoor het eerstbedoelde register is aangelegd.
1.
Van een koppeling wordt een proces-verbaal opgemaakt dat zo nauwkeurig mogelijk vermeldt:
a. het doel van de koppeling;
b. de datum van de koppeling;
c. degeen in wiens opdracht de koppeling plaatsvond;
d. de bestanden die zijn gekoppeld, alsmede de naam van de beheerder of de houder van die bestanden;
e. of de koppeling heeft geleid tot nieuwe persoonsgegevens en zo ja, welke;
f. of de gegevens, bedoeld onder e , zijn opgenomen in een register en zo ja, in welk;
g. eventuele bijzonderheden.
2.
De beheerder bewaart het proces-verbaal gedurende twee jaren op zodanige wijze dat dit desgevraagd onmiddellijk aan de daartoe bevoegde organen ter inzage kan worden gegeven.
3.
Bij reglement kan van het eerste lid worden afgeweken voor zover dat onvermijdelijk is met het oog op een goede uitvoering van de politietaak.
1.
De personen die technische werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, tweede volzin, van de wet, komen niet als geregistreerde voor in de registers waarvan zij in dat kader kunnen kennisnemen.
2.
De beheerder bepaalt vooraf schriftelijk welke personen onder welke voorwaarden de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, kunnen verrichten.
3.
Indien de werkzaamheden langs geautomatiseerde weg worden verricht, worden deze vastgelegd.
4.
De gegevens die zijn vastgelegd krachtens het tweede en derde lid, worden gedurende twee jaren bewaard.
1.
Een reglement wordt voor een ieder ter inzage gelegd wanneer het betreft een register bij:
a. het regionale politiekorps: op het hoofdbureau van politie en op de bureaus waar het desbetreffende register wordt gevoerd of rechtstreeks toegankelijk is;
b. het Korps landelijke politiediensten: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het betrokken onderdeel;
c. de bijzondere ambtenaren van politie: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Justitie;
d. de Koninklijke marechaussee: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Defensie, bij de Commandant van de Koninklijke marechaussee, bij het Hoofd van de Centrale Justitiële Dienst Koninklijke marechaussee en op de bureaus van de districts-commandanten;
e. het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties: bij de voorlichtingsdienst van het Ministerie van Justitie en ter plaatse van de vestiging van het Meldpunt.
2.
Indien de beheerder behoort tot het Rijk, maakt hij het reglement bekend in de Staatscourant en doet hij van het reglement of het feit van de terinzagelegging mededeling in het Algemeen Politieblad .
3.
De beheerder van een regionaal politiekorps maakt het reglement of het feit van de terinzagelegging bekend op een in de gemeente waarvan de korpsbeheerder burgemeester is gebruikelijke wijze.
4.
Het reglement met betrekking tot een register mede gemeenschappelijk aan de Koninklijke marechaussee wordt bekendgemaakt en ter inzage gelegd op een bij de beslissing krachtens artikel 1, onder f , onder b , onderdeel 6, van de wet te bepalen wijze.
5.
De bekendmaking van het feit van de terinzagelegging van een reglement vermeldt de aard van het register, de datum waarop het reglement is vastgesteld en de beheerder, alsmede de plaatsen waar het reglement voor een ieder ter inzage is gelegd.
6.
Ten aanzien van een bekendmaking van een wijziging of de intrekking van een reglement zijn het eerste tot en met vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
1.
Indien wordt besloten tot het aanleggen van een tijdelijk register, wordt daarbij vooraf schriftelijk vastgelegd:
a. het doel van het tijdelijke register met inbegrip van een nauwkeurige omschrijving van het bepaalde geval, zo mogelijk aangeduid naar tijd en plaats;
b. de datum waarop met het aanleggen van het tijdelijke register wordt begonnen.
2.
De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van het tijdelijke register, het gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de politietaak ten dienste waarvan het is aangelegd, daarvan in kennis, tenzij het inmiddels is vernietigd.
3.
De artikelen 6, tweede lid, en 9, eerste lid, van de wet, alsmede artikel 3, eerste lid, van dit besluit zijn op het tijdelijke register niet van toepassing gedurende twaalf maanden na de datum, bedoeld in het eerste lid, onder b . Het bevoegd gezag kan deze termijn één of meer malen verlengen voor de duur van ten hoogste zes maanden, indien het doel waarvoor het tijdelijke register is aangelegd door de bekendmaking en de terinzagelegging van een reglement ernstig in gevaar zou worden gebracht en de beheerder een regeling heeft getroffen met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 10 van de wet. Van elke beslissing tot verlenging wordt melding gemaakt aan het College bescherming persoonsgegevens.
4.
Indien dit uit het doel waarvoor het tijdelijke register is aangelegd, voortvloeit, kan het tijdelijke register worden overgedragen aan een andere beheerder of worden samengevoegd met een ander register als bedoeld in het eerste lid. Het tweede lid is alsdan van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nieuwe gezag.
5.
Indien het tijdelijke register wordt overgedragen of samengevoegd, wordt de termijn, bedoeld in het derde lid, niet geschorst. Bestaat er voor het tijdelijke register een reglement, dan wordt dit dienovereenkomstig aangepast. Indien het tijdelijke register wordt overgedragen kan het doel niet worden gewijzigd. Indien het tijdelijke register wordt samengevoegd met een ander register kan het doel slechts worden verruimd met toestemming van
a. de officier van justitie, indien het betreft een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder diens gezag of
b. de burgemeester, indien het betreft een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder diens gezag.
6.
Bij dringende noodzakelijkheid kan in plaats van de officier van justitie de hulpofficier van justitie en in plaats van de burgemeester een door hem schriftelijk aangewezen politie-ambtenaar de toestemming als bedoeld in het vijfde lid, geven, onder de verplichting om van de ondernomen handeling onverwijld schriftelijk kennis te geven aan de officier van justitie onderscheidenlijk de burgemeester.
7.
Het College bescherming persoonsgegevens wordt van een samenvoeging of een overdracht zo spoedig mogelijk in kennis gesteld, onder vermelding van de datum daarvan.
8.
Indien het doel met het oog waarop het tijdelijke register is aangelegd, is bereikt, worden de daarin opgenomen persoonsgegevens zo spoedig mogelijk vernietigd voor zover deze geen betekenis hebben voor een eventueel verder strafrechtelijk onderzoek in het bepaalde geval als omschreven krachtens het eerste lid, onder a , dan wel het vijfde of zesde lid.
9.
Van de vernietiging als bedoeld in het achtste lid, wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat gedurende twee jaren wordt bewaard op zodanige wijze dat dit desgevraagd onmiddellijk aan de daartoe bevoegde organen ter inzake kan worden gegeven.
Artikel 9
Aan de volgende ambtenaren worden, in aanvulling op de ambtenaren, bedoeld in artikel 14, onder a en b , van de wet, gegevens uit een register verstrekt voor zover zij deze behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen:
a. ambtenaren van de dienst invoerrechten en accijnzen;
b. ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de uitvoering van opdrachten in het buitenland.
Artikel 10
Antecedenten worden op hun verzoek, voorzover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak, verstrekt aan reclasseringswerkers als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Reclasseringsregeling 1995.
1.
Een beheerder is bevoegd verstrekking van gegevens uit een politieregister ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, onder b en c, van de wet te weigeren indien:
a. het gegevens betreft omtrent personen die aan de politie informatie hebben verstrekt omtrent door anderen gepleegde of te plegen strafbare feiten;
b. het gegevens uit een register betreft waarbij, mede gelet op de bijzondere aard van het register, in geval van verstrekking direct gevaar voor de geregistreerde of voor derden zou zijn te duchten.
2.
Verstrekking van gegevens uit een politieregister ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, onder b en c, van de wet kan achterwege worden gelaten indien de desbetreffende gegevens slechts konden worden verkregen onder de voorwaarde dat deze alleen voor een bepaald doel zouden worden gebruikt en de verstrekking een ander doel zou betreffen. Het bestaan van een dergelijke voorwaarde kan slechts worden aangenomen indien van de voorwaarde blijkt uit een proces-verbaal en van het bestaan van een dergelijke voorwaarde aantekening is gehouden in datzelfde register.
3.
Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak. Bij de verstrekking van de daar bedoelde gegevens kunnen beperkingen aan het gebruik van de gegevens worden opgelegd.
1.
Er worden geen gegevens uit een politieregister verstrekt ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet, indien de verstrekking een ander doel zou betreffen dan waarvoor het register is aangelegd:
a. wanneer het register uitsluitend is aangelegd met het oog op de uitvoering van de hulpverleningstaak van de politie, tenzij met uitdrukkelijke instemming van de geregistreerde;
b. wanneer het een register bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties betreft, tenzij:
1°. de verstrekking plaatsvindt ten behoeve van de opneming in een register zware criminaliteit of een voorlopig register;
2°. uit de gegevens zelf een redelijk vermoeden voortvloeit dat een bepaalde persoon een misdrijf heeft begaan;
3°. de gegevensverstrekking plaatsvindt op grond van artikel 15, eerste lid, onder a , van de wet, en deze gegevens redelijkerwijs van belang kunnen zijn ter voorkoming of opsporing van misdrijven als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de wet;
4°. de verstrekking plaatsvindt op grond van artikel 13, derde lid, en het gegevens betreft die noodzakelijk zijn ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde in het verzoekende land ernstig is geschokt.
2.
Er worden geen gegevens uit een politieregister verstrekt ingevolge de artikelen 14 en 15, eerste lid, van de wet omtrent de uitoefening door de geregistreerde van het recht op kennisneming of verbetering ingevolge de artikelen 20, eerste lid , onderscheidenlijk 22, eerste lid, van de wet.
3.
Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wetgenoemde kenmerken, worden slechts verstrekt
a. ingevolge artikel 14 van de wet voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak;
b. ingevolge artikel 15, eerste lid, 16, eerste lid, en krachtens artikel 18 van de wet voor zover dit onvermijdelijk is voor de goede uitvoering van de taak met het oog waarop wordt verstrekt.
4.
Bij een verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid, wordt de daarbij ingevolge artikel 3, derde lid, opgenomen aanduiding omtrent de betrouwbaarheid vermeld.
1.
Uit een politieregister kunnen gegevens worden verstrekt aan politie-autoriteiten in een ander land indien dit noodzakelijk is:
a. voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland of voor de uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen door Nederlandse autoriteiten;
b. ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde in dat land ernstig is geschokt of
c. voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land, op grond van een verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.
2.
In de grensgebieden kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c , ook zonder een daartoe strekkend verzoek worden verstrekt.
3.
Uit een politieregister bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties kunnen gegevens worden verstrekt aan van overheidswege aangewezen administratieve of politiële meldpunten in het buitenland die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt. Het zevende lid vindt geen toepassing.
4.
Bij de beoordeling van de vraag of gegevens ingevolge het eerste of derde lid zullen worden verstrekt, wordt rekening gehouden met de mate waarin waarborgen in het andere land aanwezig zijn met betrekking tot een juist gebruik van de verstrekte gegevens en met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
5.
De gegevens worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarde dat deze slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. De beheerder kan in bijzondere gevallen op verzoek van de buitenlandse politie-autoriteiten toestemmen in gebruik voor een ander doel voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land.
6.
Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wetgenoemde kenmerken, worden slechts verstrekt indien dit met het oog op een juiste beantwoording van een door een buitenlandse politie-autoriteit gestelde vraag onvermijdelijk is. Daarbij wordt een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van het gegeven vermeld.
7.
De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten. De verstrekking kan echter rechtstreeks plaatsvinden overeenkomstig afspraken met politie-autoriteiten in het buitenland, voor zover met deze afspraken is ingestemd door:
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
8.
Onverminderd het bepaalde in artikel 552 h van het Wetboek van Strafvordering worden geen gegevens verstrekt:
a. wanneer een vermoeden bestaat dat de gegevens zullen worden gebruikt voor een onderzoek, ingesteld met het oogmerk een verdachte te vervolgen, te straffen, of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort;
b. voor zover het verstrekken van gegevens zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of een berechting welke onverenigbaar is met het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;
c. ten behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd;
d. ten behoeve van een onderzoek naar feiten als bedoeld in artikel 552 m van het Wetboek van Strafvordering, dan krachtens een overeenkomstig die bepaling verleende machtiging van Onze Minister van Justitie.
9.
Indien grond bestaat voor het vermoeden, bedoeld in het achtste lid, onder a , wordt het verzoek aan Onze Minister van Justitie voorgelegd.
10.
Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid is niet van toepassing op de politie-ambtenaar uit een ander land die als contactambtenaar is geplaatst bij, bij enig politiekorps of bij het Wapen der Koninklijke marechaussee, voor zover met het land door welke hij is gezonden, daarvan afwijkende afspraken zijn gemaakt waarmee Onze Minister van Justitie heeft ingestemd. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet als aan Nederlandse politie-ambtenaren voor zover in overeenstemming met deze afspraken.
11.
Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid is evenmin van toepassing op de Nederlandse politie-ambtenaar of de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee die als contactambtenaar of anderszins is gezonden naar het buitenland. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt als ware hij in Nederland. Het eerste, tweede, vierde tot en met zesde alsmede het achtste, negende en twaalfde lid zijn van toepassing bij de verstrekking van de door hen ontvangen gegevens aan politie-autoriteiten in het land waar zij werkzaam zijn.
12.
De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Aan de politieambtenaar uit een andere lidstaat van de Europese Unie die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat gevestigd is in Nederland, kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet als aan Nederlandse politieambtenaren voor zover zij deze behoeven voor de doeleinden waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld.
2.
Aan de politieambtenaar uit een andere lidstaat van de Europese Unie die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat gevestigd is in Nederland, kunnen, in de gevallen als bedoeld in artikel 13d, tweede lid, onder b, en derde lid, van de wet, gegevens worden verstrekt uit een tijdelijk register, met het oog op de gebruikmaking daarvan in die andere lidstaat.
3.
Aan de Nederlandse politieambtenaar die is toegevoegd aan een gemeenschappelijk onderzoeksteam als bedoeld in artikel 552qa van het Wetboek van Strafvordering dat gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, kunnen gegevens worden verstrekt met het oog op de gebruikmaking daarvan voor de doeleinden waarvoor het gemeenschappelijk onderzoeksteam is ingesteld.
1.
Gegevens worden desgevraagd uit een politieregister verstrekt, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan
a. de personen, anders dan die bedoeld in artikel 14, onder a, van de wet, die bij de politie, het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties of bij de Koninklijke marechaussee werkzaam zijn ten dienste van de uitvoering van de politietaak, voor zover zij daartoe door de desbetreffende beheerder schriftelijk zijn geautoriseerd;
c. de Directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op het onderzoek, bedoeld in de artikelen 101 en 142 van het Reglement rijbewijzen, en het betreft overtreding van artikel 6 of artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;
d. medewerkers van een stichting als bedoeld in artikel 1 onder f, van de Wet op de jeugdzorg, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van één van de taken als omschreven in artikel 5, eerste lid, en artikel 10, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van die wet.
e. personen, belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 , voor zover het betreft gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de identiteit van personen;
f. personen die de beheerder heeft benoemd in een commissie van toezicht, voor zover zij de beheerder bijstaan bij het toezicht op het beheer en het gebruik van politieregisters;
g. de directeuren van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet, van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en van de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, en functionarissen van de Dienst Justitiële inrichtingen van het ministerie van Justitie, voor zover zij deze behoeven:
1. voor het nemen van beslissingen over hetzij de aanstelling of het ontslag van personeel;
2. voor het nemen van beslissingen over de toelating tot de inrichting van personen, die niet worden ingesloten in de inrichting;
3. voor het nemen van beslissingen over het verlaten van de inrichting bij wijze van verlof;
4. voor het nemen van beslissingen over de erkenning van een penitentiair programma, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet of een scholings- of trainingsprogramma, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
5. voor het treffen van maatregelen met het oog op de ongestoorde tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel met betrekking tot ingesloten personen.
h. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de benoeming, de herbenoeming of het ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de inrichtingen, genoemd onder g, noodzakelijk is teneinde na te gaan of er bezwaren bestaan tegen de benoeming van betrokkene;
i. personen die optreden namens een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid op ideële grondslag die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden in het bijzonder de belangen van slachtoffers van strafbare feiten of van verkeersongevallen behartigt, voor zover de gegevens betrekking hebben op deze slachtoffers en die rechtspersoon tot het ontvangen van dergelijke gegevens is gemachtigd door de Minister van Justitie, het College bescherming persoonsgegevens gehoord;
j. het bestuur van de Stichting Processen Verbaal, voor zover het betreft gegevens inzake aanrijdingen of aanvaringen;
k. personen en instanties met een publieke taak belast, voor zover het betreft gegevens die op hun verzoek met het oog op de signalering van personen zijn opgenomen;
l. Onze Minister van Justitie, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op:
1°. de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in verband met de oprichting van een naamloze of besloten vennootschap dan wel de wijziging van de statuten daarvan;
2°. de uitoefening van de bevoegdheden krachtens de Wet wapens en munitie of de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus ;
m. de Divisie Vorderingen van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, voor zover zij deze behoeft in verband met de haar bij de artikelen 130 tot en met 134a van de Wegenverkeerswet 1994 opgedragen taak;
n. de Directeur van de Dienst Wegverkeer, voor zover hij deze behoeft in verband met de uitvoering van de taken van de Dienst Wegverkeer;
o. medewerkers van Halt-bureaus, voor zover deze bureaus op grond van artikel 48g, eerste lid, van de Wet Justitie-subsidies zijn aangewezen door Onze Minister van Justitie en het gegevens betreft die voor de alternatieve afdoening van strafbare feiten, gepleegd door minderjarigen, noodzakelijk zijn.
p. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van artikel 9, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, noodzakelijk is teneinde na te gaan of tegen de betrokkene een uitleveringsverzoek is gedaan;
q. de burgemeester, voor zover dit in het kader van de beoordeling van een verzoek tot het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap , noodzakelijk is;
r. de burgemeester en de commissaris van de Koning, voor zover dit in het kader van hun adviserende taak, bedoeld in het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau noodzakelijk is;
s. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer , de Wet milieugevaarlijke stoffen , de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden , de Wet vervoer gevaarlijke stoffen , de Wet verontreiniging oppervlaktewateren , de Wet inzake de luchtverontreiniging , de Wet bodembescherming en de Meststoffenwet , voor zover het gegevens over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven voor de goede uitoefening hun toezichthoudende bevoegdheden;
t. medewerkers van de raad voor de kinderbescherming, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van één van de bij wet aan de raad opgedragen taken.
u. het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Besluit algemene rechtspositie politie en het bevoegde gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, voorzover zij deze behoeven voor het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8a, eerste lid, en artikel 8b, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 4a, eerste lid, en artikel 4b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie, of voor het verrichten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid ten aanzien van personen die anderszins werkzaamheden verrichten voor een politiekorps, de Organisatie Informatie- en Communicatietechnologie OOV, het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, Politie onderwijs- en kenniscentrum of de Rijksrecherche en waarvoor die gezagsinstanties justitiële gegevens als bedoeld in artikel 23 van het Besluit justitiële gegevens vragen;
v. Onze Minister van Justitie ten behoeve van het verwerken van deze gegevens in het Cliënt-Volgsysteem Jeugdcriminaliteit;
w. korpschefs van een regionaal politiekorps voor zover dit noodzakelijk is ter uitvoering van artikel 3.3.2, zevende lid, van het Vuurwerkbesluit;
x. de Onderzoeksraad voor veiligheid, bedoeld in artikel 2 van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid;
y. ambtenaren aan wie bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens de Wet luchtvaart en de Luchtvaartwet voor zover het gegevens over overtredingen van deze wetten betreft en zij deze behoeven voor een goede uitoefening van hun toezichthoudende bevoegdheden;
z. het college van burgemeester en wethouders, indien aan het college bevoegdheden zijn toegekend met het oog op het toezicht op de naleving van de regels die zijn gesteld in de gemeentelijke verordening inzake het escortbedrijf, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit BIBOB, voorzover het gegevens betreft die het college behoeft voor een goede uitoefening van die toezichthoudende bevoegdheden;
aa. Onze Ministers, voorzover het betreft gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van dreigings- en risico-evaluaties en het vaststellen van bewakings- en beveiligingsopdrachten en adviezen door de evaluatiedriehoek, met het oog op het bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten.
bb. personen, werkzaam bij de door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen dienst, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen, voorzover het betreft gegevens met betrekking tot het proces-verbaal en de kennisgeving van inbeslagneming, voorzover zij deze behoeven voor een goede toepassing van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen .
cc. de door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren, die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen , voorzover zij deze behoeven voor de inschatting van de veiligheidsrisico’s met betrekking tot de uitoefening van vorenbedoeld toezicht.
dd. medewerkers van het Waarborgfonds Motorverkeer, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, voorzover het betreft gegevens omtrent de personalia en de verblijfplaats van benadeelden en zij deze gegevens behoeven voor de hulp aan benadeelden ten behoeve van het geldend maken van een recht op schadevergoeding, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van die Wet.
ee. ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die zijn belast met de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 , de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie als bedoeld in artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000, voorzover zij deze behoeven voor het nemen van beslissingen omtrent de toegang, het verblijf of de ongewenstverklaring van personen.
2.
In aanvulling op de verstrekking als bedoeld in het eerste lid worden uit een register zware criminaliteit desgevraagd gegevens verstrekt aan de personen of instanties, genoemd in het eerste lid, onder a, f, g, h, l, p, q, r, u en w, in de in die onderdelen aangegeven gevallen, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, en aan de personen, genoemd in het eerste lid, onder aa, in de in die onderdelen aangegeven gevallen, voorzover zij deze behoeven voor het verrichten van dreigings- en risico-evaluaties en het vaststellen van bewakings- en beveiligingsopdrachten en adviezen door de evaluatiedriehoek, met het oog op het bewaken en beveiligen van personen, objecten en diensten.
3.
Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, voor zover het die behoeft voor een goede uitvoering van zijn taak.
4.
Uit een politieregister kunnen gegevens worden verstrekt aan de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens met het oog op de signalering van veranderingen in de gegevens die in die basisadministratie zijn opgenomen.
5.
Aan de machtiging, bedoeld in het eerste lid, onder i, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
6.
De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Uit een politieregister kunnen desgevraagd gegevens worden verstrekt, voorzover zij deze behoeven voor een goede uitvoering van hun taak, aan:
d. Onze Minister van Financiën, dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren taken en bevoegdheden zijn overgedragen, op grond van de artikelen 2, eerste lid, aanhef en onder a, 4, tweede lid, aanhef en onder a, en 5, tweede lid, onder c, aanhef en onder 1 van die wet.
f. [vervallen;]
g. [vervallen door vernummering;]
h. [vervallen;]
i. De Stichting Autoriteit Financiële Markten op grond van artikel 15 van de Wet toezicht accountantsorganisaties.
2.
Verstrekking van gegevens als bedoeld in het eerste lid, of van inlichtingen daarover, vindt alleen plaats door, dan wel met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie en onder daaraan door het openbaar ministerie te stellen voorwaarden. Die voorwaarden kunnen onder meer betreffen het ter beschikking stellen of doorgeven van die gegevens of inlichtingen daarover aan derden.
3.
Ingevolge dit artikel verstrekte gegevens worden niet langer dan gedurende een termijn van zes maanden na datum van verkrijgen bewaard, tenzij met bijzondere toestemming van het openbaar ministerie. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld.
4.
Onze Ministers kunnen nadere regels vaststellen met betrekking tot de verstrekking en bewaring van gegevens als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
1.
Verstrekking van gegevens uit een politieregister ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en statistiek vindt slechts plaats nadat aan de betrokken onderzoeker daartoe een machtiging is verleend door:
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of
b. de burgemeester, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
2.
De machtiging als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gegeven indien
a. het onderzoek een algemeen belang dient;
b. de organisatie van de politie niet onnodig wordt belast;
c. het onderzoek niet zonder de betrokken gegevens kan worden uitgevoerd en
d. de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden niet onevenredig wordt geschaad.
3.
Rechtstreekse benadering van geregistreerden door de onderzoeker vindt niet plaats, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan in de machtiging ingevolge het eerste lid. Deze toestemming kan slechts worden verleend indien rechtstreekse benadering voor het doel van het onderzoek onvermijdelijk is.
4.
De beheerder kan een machtiging verlenen tot verstrekking van gegevens uit een politieregister ten behoeve van de interne bedrijfsstatistiek aan personen werkzaam binnen de politie-organisatie, indien de persoonlijke levenssfeer van de geregistreerden daardoor niet onevenredig wordt geschaad.
5.
Aan de machtiging als bedoeld in het eerste en vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.
1.
In gevallen waarin een verzoek tot verstrekking van gegevens uit een politieregister wordt gedaan en niet aanstonds duidelijk is wie de verzoeker is en of deze gerechtigd is tot de verstrekking, wordt de verstrekking eerst gedaan nadat dit is vastgesteld.
2.
Indien niet rechtstreeks langs geautomatiseerde weg gegevens uit een politieregister dat niet een register zware criminaliteit of een voorlopig register is, worden verstrekt, wordt daarvan aantekening gehouden, tenzij overeenkomstig het doel van het register is verstrekt aan personen die blijkens het reglement behoren tot de vaste gebruikers van het register.
3.
Van een verstrekking behoeft geen aantekening te worden gehouden ingevolge het tweede lid, indien de verstrekking het resultaat is van een koppeling en ingevolge artikel 5, eerste lid, van de koppeling een proces-verbaal is opgemaakt.
4.
Van een verstrekking behoeft geen aantekening te worden gehouden indien dit zich niet verdraagt met het belang van de veiligheid van de staat.
1.
Een gegeven kan rechtstreeks langs geautomatiseerde weg uit een politieregister worden verstrekt aan de personen die daartoe een schriftelijke autorisatie voor een daarbij omschreven doel van de beheerder hebben gekregen. De autorisatie kan slechts worden verleend aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 14, onder a en b, van de wet, aan de personen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder a, van dit besluit, aan de leden van het openbaar ministerie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, van de wet, voorzover noodzakelijk voor strafvorderlijke beslissingen omtrent opsporing en vervolging en de hulp aan slachtoffers van strafbare feiten, alsmede aan bepaalde, daartoe aangewezen ambtenaren in dienst van Onze Minister van Justitie, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel ee, voor de verstrekking van bepaalde categorieën van politiegegevens met het oog op het nemen van beslissingen omtrent de toegang, het verblijf of de ongewenstverklaring, als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 , de Rijkswet op het Nederlanderschap of een verdrag dan wel een voor Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, als bedoeld in artikel 112 van de Vreemdelingenwet 2000.
2.
De autorisatie kan tijdelijk of voor onbepaalde tijd worden verleend. Daaraan kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften verbonden.
3.
Een gegeven kan rechtstreeks langs geautomatiseerde weg uit een politieregister worden verstrekt aan degenen die daartoe gerechtigd zijn met het oog op de uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen.
4.
De beheerder treft de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard die er toe strekken te waarborgen dat geen verstrekkingen ingevolge het eerste lid worden gedaan anders dan in overeenstemming met een verleende autorisatie.
5.
Van een verstrekking ingevolge het eerste lid wordt in alle gevallen langs geautomatiseerde weg aantekening gehouden.
6.
Indien de handhaving van het verstrekkingenregime anderszins afdoende is gewaarborgd, kan, het College bescherming persoonsgegevens gehoord, van de verplichting, bedoeld in het vijfde lid, vrijstelling of ontheffing worden verleend door
a. Onze Minister van Justitie, indien het verstrekkingen betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het verstrekkingen betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
7.
Aan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het zesde lid, kunnen voorschriften worden verbonden.
1.
Indien van de verstrekking aantekening wordt gehouden, wordt daarbij de identiteit van de verzoeker, de datum van de verstrekking en een omschrijving van de verstrekte gegevens vastgelegd.
2.
In het geval aantekening wordt gehouden van een verstrekking ingevolge artikel 16, tweede lid, wordt tevens het doel van de verstrekking vastgelegd.
3.
Indien van de verstrekking aantekening wordt gehouden en ten tijde van de verstrekking vaststaat dat het doel waartoe is verstrekt, noodzaakt tot bekendmaking aan bepaalde derden, wordt hiervan apart aantekening gehouden.
4.
De ingevolge artikel 16, tweede en derde lid, en 17, vijfde lid, vastgelegde gegevens worden gedurende twee jaren bewaard. Deze gegevens kunnen slechts met toepassing van de artikelen 6, vierde lid, of 18, vierde lid, van de wet voor een ander doel worden gebruikt dan het toezicht op de naleving van het verstrekkingenregime.
5.
De ingevolge artikel 13a, zesde lid, van de wet vastgelegde gegevens worden gedurende drie jaren bewaard. De tweede volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
6.
Onze Ministers kunnen nadere regels stellen omtrent de uitvoering van dit artikel, het College bescherming persoonsgegevens gehoord.
1.
De op de bijzondere politieregisters betrekking hebbende bepalingen uit de wet en dit besluit zijn, voor zover deze registers worden gehouden bij een criminele-inlichtingeneenheid van een bijzondere opsporingsdienst, van toepassing op:
een register met een doelstelling als omschreven in artikel 1, eerste lid, onder k, van de wet, en
een register met een doelstelling als omschreven in artikel 1, eerste lid, onder l, van de wet.
2.
De ambtenaren, bedoeld in artikel 13c, vijfde lid, van de wet, voldoen aan de eindtermen van de door Onze Ministers aan te wijzen opleidingen.
Artikel 19
Een verzoek om kennisneming door een geregistreerde van de hem betreffende gegevens, is ontvankelijk na betaling van een door de beheerder te bepalen bedrag van ten hoogste € 4,50. De beheerder bepaalt de wijze van betaling.
Artikel 21
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit politieregisters.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Zürs, 14 februari 1991
De Minister van Justitie,
De Minister van Binnenlandse Zaken,
De Minister van Defensie a.i.,
Uitgegeven de vijftiende februari 1991
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Inleidende bepalingen
+ § 2. Algemene bepalingen
+ § 3. Het reglement
+ § 4. De tijdelijke registers
+ § 5. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
+ § 6. Het vastleggen van verstrekkingen
+ § 6a. Bijzondere opsporingsdiensten
+ § 7. Kostenvergoeding bij verzoeken tot kennisneming
+ § 8. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken