Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 27 juni 2006, nr. FM 2006-01567 M;
Gelet op de artikelen 3:9, derde lid, 3:10, tweede en derde lid, 3:17, tweede lid, 3:18, tweede en derde lid, 3:29, derde lid, 3:36, vierde lid, 3:40, 3:41, 3:42, 3:43, tweede lid, 3:47, zesde lid, 3:48, 3:52, 3:53, derde lid, 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, 3:57, tweede en zevende lid, 3:59, tweede lid, 3:62, tweede lid, 3:63, tweede lid, 3:67, vierde lid, 3:71, tweede lid, 3:72, vijfde en zevende lid, 3:73, 3:74, tweede lid, 3:78, tweede lid, 3:81, tweede lid, 3:83, tweede lid, 3:87, tweede lid, 3:88, vierde lid, 3:89, eerste lid, 3:96, derde en vierde lid, 3:99, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht en de richtlijnen nr. 73/239/EEG, 85/611/EEG, 88/357/EEG, 91/674/EEG, 92/49/EEG, 93/6/EEG, 93/22/EEG, 2000/12/EG, 2000/46/EG en 2002/83/EG;
De Raad van State gehoord, advies van 27 juli 2006, nr. W06.06.0265/IV;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, nr. FM 2006-2352 M;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
back-to-back lening: kredietinstrument waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer;
business line: afgezonderde categorie activiteiten als bedoeld in artikel 317, vierde lid, tabel 2, van de verordening kapitaalvereisten;
daggeld: kortlopende vorderingen die dagelijks opvraagbaar zijn en die uiterlijk twee werkdagen na opvraging dan wel opzegging moeten worden terugbetaald;
dekkingsactiva: activa die een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, hanteert om te voldoen aan artikel 3:33a, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
entiteit voor securitisatiedoeleinden: onderneming:
a. die geen bank is;
b. die is opgericht ten behoeve van een of meer securitisaties;
c. wier activiteiten zich beperken tot hetgeen noodzakelijk is voor die securitisaties;
d. wier oprichting dient om haar verplichtingen te scheiden van de verplichtingen van de initiator; en
e. wier eigenaars hun deelneming onvoorwaardelijk in pand kunnen geven of kunnen verkopen;
gemiddeld uitstaand elektronisch geld: het gemiddelde totale bedrag gedurende de zes voorafgaande kalendermaanden van de met elektronisch geld verband houdende financiële verplichtingen dat op het eind van elke kalenderdag in omloop is, berekend op de eerste kalenderdag van elke kalendermaand en toegepast voor die kalendermaand.
groepsbestuurder: ieder die binnen een groep het beleid bepaalt;
groep van verbonden wederpartijen: ten minste twee personen die uit een oogpunt van de te lopen risico’s als een geheel moeten worden beschouwd omdat zij:
a. met elkaar zijn verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur; of
b. zodanig onderling verbonden zijn dat, indien een van hen financiële problemen, in het bijzonder financieringsproblemen of betalingsproblemen, zou ondervinden, in elk geval een van de anderen waarschijnlijk ook in financieringsproblemen of betalingsproblemen zou komen;
ondernemingsgebonden herverzekeraar: herverzekeraar waarvan alle aandelen worden gehouden door een financiële onderneming die geen verzekeraar is of door een onderneming die geen financiële onderneming is, of die deel uitmaakt van een groep die geen verzekeringsgroep is als bedoeld in de afdelingen 3.6.1. en 3.6.3. van de wet, en die uitsluitend risico’s in herverzekering neemt van de eerdergenoemde financiële onderneming onderscheidenlijk onderneming of van de ondernemingen die deel uitmaken van de groep waarvan hij deel uitmaakt;
incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de desbetreffende financiële onderneming;
initiator: onderneming die:
a. zelf of via een andere onderneming rechtstreeks of middellijk partij is geweest bij de oorspronkelijke overeenkomst waarmee de verplichtingen of mogelijke verplichtingen van de debiteur of mogelijke debiteur die worden gesecuritiseerd, zijn ontstaan; of
b. vorderingen van een derde koopt, in haar balans opneemt en vervolgens securitiseert;
integriteitgevoelige functie:
a. leidinggevende functie direct onder die van de personen die het beleid van een financiële onderneming bepalen of mede bepalen; of
b. functie waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico inhoudt voor de integere uitoefening van het bedrijf van een financiële onderneming;
integriteitsrisico: gevaar voor aantasting van de reputatie of bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen of resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven;
internationale jaarrekeningstandaarden: internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van toepassing zijn verklaard overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 juli 2002 (PbEG L 243);
interne modellenmethode: methode waarbij de som van de naar risico gewogen activa en posten buiten de balanstelling voor de kredietrisico’s van een financiële onderneming wordt bepaald op basis van een intern model;
kalenderpost: actiefpost of passiefpost waarvan de kasinstromen respectievelijk kasuitstromen als gevolg van aflossing of rentebetalingen in de vervalkalender worden opgenomen;
kans op wanbetaling: kans dat een wederpartij over een periode van een jaar in gebreke blijft;
kasstromen van het kernbedrijf: kasstromen van leningen die met een vaste termijn zijn verstrekt aan tegenpartijen, die geen kantoren en bancaire deelnemingen zijn die niet in de rapportage worden betrokken, die geen banken en geen professionele geldmarktpartijen zijn, en van deze tegenpartijen met een vaste termijn opgenomen gelden, met inbegrip van te ontvangen onderscheidenlijk te betalen rente;
kredietbeoordeling: taxatie van de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling door een bepaalde debiteur op al zijn verplichtingen of een deel van zijn verplichtingen;
kredietbeoordelingsbureau: bureau dat kredietbeoordelingen opstelt;
kredietrisicovermindering: techniek ter beperking van het kredietrisico dat verbonden is aan activa en posten buiten de balanstelling;
kredietverbetering: contractuele regeling die de kans op wanbetaling en de mate van wanbetaling van een securitisatiepositie vermindert ten opzichte van de situatie waarin van die regeling geen sprake zou zijn;
leningverstrekkende financiële onderneming: financiële onderneming die een vordering heeft, ongeacht of daaraan een lening ten grondslag ligt;
maandperiode: eerste kalendermaand volgend op de verslagdatum;
niet-volgestorte kredietprotectie: kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door de garantie van een derde partij om een bepaald bedrag uit te keren bij wanbetaling van de wederpartij of bij andere in de overeenkomst tot kredietprotectie vermelde gebeurtenissen die betaling onder de overeenkomst of afwikkeling van de overeenkomst tot gevolg hebben;
officiële stand-by faciliteiten: liquiditeitsgarantie die, onder door de Nederlandsche Bank te stellen voorwaarden, is ontvangen van onderscheidenlijk afgegeven door een binnenlandse of buitenlandse bank;
omgekeerde retrocessieovereenkomst: overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen verkoopt, onder de ontbindende voorwaarde deze of vervangende effecten of grondstoffen tegen een vastgestelde prijs op een door de wederpartij te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, indien:
a. in geval van gegarandeerde rechten, de garantie is verstrekt door een gereglementeerde markt die houder is van de rechten; en
b. de overeenkomst bepaalt dat het de financiële onderneming niet is toegestaan een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan een wederpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen;
omrekeningsfactor: verhouding tussen het op een bepaald moment onbenutte bedrag van een kredietlijn dat naar verwachting opgenomen wordt en openstaat in geval van wanbetaling en het onbenutte bedrag van die kredietlijn, waarbij de omvang van de kredietlijn wordt bepaald door de toegestane limiet, tenzij de niet-toegestane limiet hoger is;
operationeel risico: risico van verliezen als gevolg van tekortschietende of falende interne procedures en systemen of als gevolg van externe gebeurtenissen, met inbegrip van juridische risico’s;
opgenomen effectenlening: overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming effecten uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de financiële onderneming op een tijdstip in de toekomst of zodra de wederpartij daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert;
opgenomen grondstoffenlening: overeenkomst waarbij een wederpartij aan een financiële onderneming grondstoffen uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de financiële onderneming op een tijdstip in de toekomst of zodra de wederpartij daarom verzoekt, gelijkwaardige grondstoffen teruglevert;
professionele geldmarktpartij: persoon die geen bank is en die in het kader van zijn middelenbeheer transacties verricht op de geldmarkt met bij de geldmarkt passende volumes en op die markt met enige regelmaat opereert op een manier die vergelijkbaar is met die van een bank;
retrocessie: overeenkomst waarbij een verzekeraar een gedeelte van het door hem herverzekerde risico, tegen betaling van herverzekeringspremie, overdraagt aan een andere verzekeraar;
retrocessieovereenkomst: overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen verkoopt, onder de ontbindende voorwaarde deze of vervangende effecten of grondstoffen tegen een vastgestelde prijs op een door de financiële onderneming te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, indien:
a. in geval van gegarandeerde rechten, de garantie is verstrekt door een gereglementeerde markt die houder is van de rechten; en
b. de overeenkomst bepaalt dat het de financiële onderneming niet toegestaan is een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan een wederpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen;
revolverende vordering: vordering waarbij de wederpartij het openstaande bedrag mag laten variëren tot een van tevoren afgesproken limiet;
risicomeetsysteem: systeem voor de meting van het operationeel risico;
securitisatie: transactie of regeling waarbij:
a. het kredietrisico van een vordering of verzameling van vorderingen wordt onderverdeeld in ten minste twee tranches;
b. de in het kader van de transactie of regeling verrichte betalingen afhangen van de prestatie van de vordering of de verzameling van vorderingen; en
c. de rangorde van de tranches bepalend is voor de verdeling van de verliezen tijdens de looptijd van de transactie of regeling;
securitisatiepositie: vordering in het kader van een securitisatie;
sponsor: onderneming, niet zijnde een initiator, die securitisatieregelingen waarbij vorderingen van derden worden gekocht, opzet en beheert;
stresstest: onderzoek naar de risico’s die ontstaan als zich veranderingen in de marktsituatie voordoen of zouden voordoen die een ongunstige invloed uitoefenen op de toereikendheid van het toetsingsvermogen van een financiële onderneming, en naar de risico’s die ontstaan als zekerheidsrechten worden uitgeoefend in crisissituaties;
suppletiebijdragen: bedragen die het bestuur van een onderlinge waarborgmaatschappij krachtens haar statuten in verband met een nadelig saldo over enig boekjaar te allen tijde en zonder bijkomende voorwaarden van haar leden kan eisen;
synthetische securitisatie: securitisatie waarbij:
a. de onderverdeling in tranches van het kredietrisico van een vordering of verzameling van vorderingen geschiedt door middel van kredietderivaten of garanties; en
b. de vordering of verzameling van vorderingen in de balanstelling van de initiator blijft opgenomen;
tegenpartijkredietrisico: risico dat de wederpartij bij een transactie in gebreke blijft voordat de definitieve afwikkeling van de met de transactie samenhangende kasstromen heeft plaatsgevonden;
toetsingsvermogen: het eigen vermogen, bedoeld in artikel 72 van de verordening kapitaalvereisten;
traditionele securitisatie: securitisatie waarbij:
a. de gesecuritiseerde vorderingen in economische zin worden overgedragen aan een entiteit voor securitisatiedoeleinden die daartoe effecten uitgeeft;
b. de eigendom van de gesecuritiseerde vorderingen door de initiator wordt overgedragen of de kasstromen uit hoofde van de gesecuritiseerde vorderingen door middel van een overeenkomst van subdeelneming door de initiator worden overgedragen; en
c. de uitgegeven effecten niet leiden tot een betalingsverplichting voor de initiator;
tranche: contractueel vastgesteld segment van het kredietrisico van een gesecuritiseerde vordering of verzameling van vorderingen, waarbij een securitisatiepositie in dit segment een groter of kleiner risico op verlies meebrengt dan een securitisatiepositie van dezelfde omvang in elk ander segment, indien geen rekening wordt gehouden met de volgestorte of niet-volgestorte kredietprotectie die door derden rechtstreeks aan de houders van de securitisatieposities in dit segment of in andere segmenten wordt geboden;
verlies bij wanbetaling: verhouding tussen het verwachte economisch verlies op een vordering als gevolg van wanbetaling, met inachtneming van de tijdwaarde van geld, en het naar verwachting uitstaande bedrag bij wanbetaling;
verordening solvabiliteit II: gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU L12);
verslagdatum: datum van de dag direct voorafgaande aan de periode waarover wordt gerapporteerd;
verstrekte effectenlening: overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij effecten uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de wederpartij op een tijdstip in de toekomst of zodra de financiële onderneming daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten teruglevert;
verstrekte grondstoffenlening: overeenkomst waarbij een financiële onderneming aan een wederpartij grondstoffen uitleent tegen zekerheid, onder de ontbindende voorwaarde dat de wederpartij op een tijdstip in de toekomst of zodra de financiële onderneming daarom verzoekt, gelijkwaardige grondstoffen teruglevert;
vervalkalender: overzicht van contractuele looptijden van overeenkomsten gesloten door een financiële onderneming;
vervroegde-aflossingsbepaling: contractuele bepaling op grond waarvan de securitisatieposities van beleggers voor de oorspronkelijke vervaldatum van de uitgegeven effecten geheel of gedeeltelijk worden afgelost;
verwachte verliespost: product van de kans op wanbetaling, het verlies bij wanbetaling en de waarde van een actief of post buiten de balanstelling;
verwateringsrisico: risico dat de waarde van een kortlopende handelsvordering afneemt door crediteringen aan de debiteur;
volgestorte kredietprotectie: kredietrisicovermindering waarbij het kredietrisico met betrekking tot een vordering van een financiële onderneming wordt beperkt door het recht van die financiële onderneming om bij wanbetaling van de wederpartij of bij andere specifieke gebeurtenissen in verband met de wederpartij die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het kredietrisico met betrekking tot de vordering:
a. bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te gelde te maken;
b. bepaalde activa of posten buiten de balanstelling over te nemen;
c. de eigendom van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te verwerven of te behouden;
d. de waarde van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te verlagen; of
e. de waarde van bepaalde activa of posten buiten de balanstelling te vervangen door het verschil tussen deze waarde en de waarde van een vordering op de financiële onderneming;
voorraadposten: liquide activa die niet in de vervalkalender worden opgenomen;
vorderingswaarde: waarde van een niet naar risico gewogen actief of post buiten de balanstelling;
waarde van de gekwalificeerde deelneming: koopprijs van een aandeel, op het moment van de verwerving of vergroting van de gekwalificeerde deelneming, vermenigvuldigd met het aantal verworven aandelen;
wanbetaling:
a. situatie waarin een financiële onderneming het onwaarschijnlijk acht dat een debiteur zijn verplichtingen jegens haar, de moederonderneming of een van de dochterondernemingen van de financiële onderneming volledig zal nakomen zonder dat de financiële onderneming, de moederonderneming of een van de dochterondernemingen zal moeten overgaan tot maatregelen; of
b. situatie waarin een debiteur meer dan negentig dagen in gebreke is bij het nakomen van een aanzienlijke verplichting jegens een financiële onderneming, de moederonderneming of een van de dochterondernemingen van de financiële onderneming;
weekperiode: eerste zeven kalenderdagen volgend op de verslagdatum;
de wet: de Wet op het financieel toezicht .
Artikel 2
De artikelen 1, 4, 5 tot en met 25, 27 tot en met 31, 35, 48, 50, 59, 138, 139, en 145 zijn, voor zover zij betrekking hebben op banken, van overeenkomstige toepassing op financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 van de wet.
Artikel 3
Hoofdstuk 10 is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die uitsluitend een beleggingsdienst als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet verlenen. In afwijking van artikel 130 verstrekt een beleggingsonderneming als bedoeld in de vorige volzin slechts staten ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het minimum vermogen ingevolge de artikelen 3:53, eerste lid, en 3:54, eerste lid, van de wet. De artikelen 131 tot en met 133 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De hoofdstukken 9 en 10 zijn niet van toepassing op betaalinstellingen:
a. voor zover zij uitsluitend in Nederland betaaldiensten verlenen als bedoeld onder 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten;
b. waarvan het gemiddelde van het totale bedrag van de betalingstransacties die zij de voorafgaande twaalf maanden hebben verricht, met inbegrip van die van agenten waarvoor zij volledig aansprakelijk zijn, niet hoger is dan € 3.000.000 per maand; en
c. waarvan geen van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen personen zijn met antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b en d, voor zover deze betrekking hebben op het witwassen van geld, terrorismefinanciering of vermogensmisdrijven of als misdrijf aangemerkte overtredingen van financiële toezichtswetgeving.
2.
Een betaalinstelling als bedoeld in het eerste lid stelt de Nederlandsche Bank in kennis van elke verandering in zijn situatie die relevant is voor het naleven van de in het eerste lid gestelde voorschriften.
3.
Indien een betaaldienstverlener zijn werkzaamheden niet gedurende de gehele periode van de voorafgaande twaalf maanden heeft verricht, kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, worden uitgegaan van een programma van werkzaamheden waarin naar het oordeel van de Nederlandsche Bank een reële begroting van het totale bedrag aan betalingstransacties is opgenomen.
1.
Berekeningen met betrekking tot het minimumbedrag aan eigen vermogen, de solvabiliteit, de kapitaalbuffer onderscheidenlijk de liquiditeit van financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars, op grond van de hoofdstukken 9, 10, 10A onderscheidenlijk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de enkelvoudige jaarrekening zoals opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
2.
Berekeningen met betrekking tot de solvabiliteit van banken op grond van hoofdstuk 10, de kapitaalbuffer van banken op grond van hoofdstuk 10A en de liquiditeit van banken op grond van hoofdstuk 11 worden, voor zover niet anders is bepaald, gedaan op basis van de geconsolideerde jaarrekening indien deze wordt opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of de internationale jaarrekeningstandaarden.
3.
Onverminderd artikel 3:69a van de wet waardeert een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voor zover in dit besluit niet anders wordt bepaald, zijn activa en passiva op basis van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang houdt zich aan door de Nederlandsche Bank te stellen nadere regels met betrekking tot de waardering van deelnemingen.
Artikel 5
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, 3:11, 3:13, 3:37, derde lid en vierde lid, 3:47, eerste en vijfde lid, 3:99, eerste lid, of 3:149 van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 6
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 5, in ieder geval in aanmerking:
a. de in de onderdelen 1 en 2 van Bijlage A genoemde strafrechtelijke antecedenten;
b. de in onderdeel 3 van Bijlage A genoemde financiële antecedenten;
c. de in onderdeel 4 van Bijlage A genoemde toezichtantecedenten;
d. de in onderdeel 5 van Bijlage A genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
e. de in onderdeel 6 van Bijlage A genoemde overige antecedenten.
1.
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 5 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 5 bedoelde persoon betrokken is geweest;
j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
2.
Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere onderzoek;
b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
1.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 5 staat niet buiten twijfel indien:
a. deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A, waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
b. deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage A , waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
c. deze veroordeeld is terzake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of
d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van bijlage A , en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
2.
De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 9, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.
Artikel 9
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 5, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
c. de overige belangen van de onderneming en de betrokkene.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, 3:11, 3:12, 3:12a, 3:13 of 3:14 van de wet draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitsrisico´s.
2.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt er zorg voor dat het beleid, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet zijn neerslag vindt in procedures en maatregelen.
3.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, stelt alle relevante bedrijfsonderdelen in kennis van het beleid en de procedures en maatregelen.
4.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de uitvoering en de systematische toetsing van het beleid en de procedures en maatregelen.
5.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor onafhankelijk toezicht op de uitvoering van het beleid en de procedures en maatregelen met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de personen belast met de taak, bedoeld in artikel 21.
6.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf onder toezicht van de personen belast met de taak, bedoeld in artikel 21, tot een gepaste bijstelling leiden.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen van:
a. personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen;
b. groepsbestuurders;
c. leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming; en
d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten, met haar belangen of die van haar cliënten.
2.
De entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.
3.
Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en vindt telkens slechts plaats na instemming door het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming dan wel namens een daartoe aangewezen orgaan.
4.
Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen of groepsbestuurders vindt, indien de dienst buiten de grenzen van het bij de financiële onderneming bestaande systeem van personeelscondities wordt verleend, uitsluitend plaats in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
5.
Financiële dienstverlening door de entiteit voor risico-acceptatie, bank, premiepensioeninstelling of verzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, aan leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, alsmede aan familieleden, niet zijnde personeelsleden, van personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen, van groepsbestuurders en van leden van het orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming, geschiedt uitsluitend in de normale uitoefening van het bedrijf en tegen de gebruikelijke commerciële voorwaarden en zekerheden.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en vastlegging van incidenten.
2.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.
3.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, informeert de Nederlandsche Bank onverwijld omtrent incidenten.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, maakt een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen die zij wil benoemen in een integriteitsgevoelige functie.
2.
De financiële onderneming, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van degenen die, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden in een integriteitgevoelige functie verrichten.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een verzekeraar, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voor zover het een integriteitgevoelige functie betreft die is aan te merken als een sleutelfunctie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
1.
Een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot de acceptatie van cliënten.
2.
Onverminderd het bepaalde ingevolge de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme beschikt een bank, levensverzekeraar, premiepensioeninstelling of bijkantoor als bedoeld in het eerste lid, over procedures en maatregelen met betrekking tot het vaststellen van de identiteit van cliënten en van de verificatie daarvan. De bank, levensverzekeraar, onderscheidenlijk het bijkantoor, accepteert een cliënt niet indien de identiteit niet is vastgesteld overeenkomstig het daarvoor opgestelde beleid.
3.
De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt met het oog op een integere uitoefeningvan het bedrijf over organisatorische en administratieve procedures en maatregelen die betrekking hebben op risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten of diensten.
4.
De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door de cliënt afgenomen producten of diensten, en terzake van de detectie van afwijkende transactiepatronen. Aan de hand van voornoemde procedures en maatregelen bepaalt de financiële onderneming tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.
5.
De financiële onderneming, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk het bijkantoor, draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten, de identificatie en verificatie van de gegevens van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden tot vijf jaar na de dienstverlening of het beëindigen van de relatie bewaard.
6.
De Nederlandsche Bank kan met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door banken en bijkantoren van banken als bedoeld in het eerste lid te voeren beleid met betrekking tot afgeschermde rekeningen.
1.
Een bank of bijkantoor van een bank als bedoeld in artikel 11, eerste lid, beschikt over procedures met betrekking tot de verstrekking van back-to-back leningen.
2.
Indien de bank of het bijkantoor voornemens is een back-to-back lening te verstrekken, onderzoekt zij of het krediet voor legitieme doeleinden gebruikt zal worden.
3.
Indien er een back-to-back lening wordt verstrekt, legt de bank of het bijkantoor de overeenkomst met vermelding van de gestelde essentiële zekerheden, deugdelijk vast.
1.
Een financiële onderneming of bijkantoor als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderzoekt, op verzoek van de Nederlandsche Bank, of in haar administratie bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.
2.
De financiële onderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn, aan de Nederlandsche Bank.
1.
De bedrijfsvoering van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:26 of 3:27 van de wet omvat:
a. een duidelijke, evenwichtige en adequate organisatiestructuur;
b. een duidelijke, evenwichtige en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
c. een adequate vastlegging van rechten en verplichtingen;
d. eenduidige rapportagelijnen; en
e. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie.
2.
De bedrijfsvoering is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of bijkantoor.
3.
De bedrijfsvoering wordt op een inzichtelijke wijze vastgelegd.
4.
De effectiviteit van de organisatie-inrichting en van de procedures en maatregelen wordt ten minste jaarlijks op onafhankelijke wijze getoetst. Daartoe beschikt de financiële onderneming of het bijkantoor over een organisatieonderdeel dat deze interne controlefunctie uitoefent. De financiële onderneming of bijkantoor voorziet erin dat gesignaleerde tekortkomingen worden opgeheven.
Artikel 17a
Het organisatieonderdeel, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft als taak:
a. het vaststellen en uitvoeren van een controleplan om de deugdelijkheid en effectiviteit van de systemen, interne controleprocedures en regels van de bank te onderzoeken en te beoordelen;
b. het doen van aanbevelingen op basis van de resultaten van de werkzaamheden, bedoeld in onderdeel a;
c. het controleren of aan deze aanbevelingen gevolg wordt gegeven; en
d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de interne controle en de genomen maatregelen in geval van gesignaleerde tekortkomingen.
Artikel 17b
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de bedrijfsvoering van afwikkelondernemingen.
1.
Een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, beschikt over interne regelingen en procedures die zijn gericht op een doeltreffend en prudent bestuur van de onderneming, dat voldoet aan de vereisten in artikel 88, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
2.
Een bank als bedoeld in artikel 17, eerste lid, die significant is ingevolge artikel 17d, beschikt over een benoemingscommissie waarvan de taken en bevoegdheden voldoen aan de vereisten in artikel 88, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Artikel 17d
Een bank is, mede voor de toepassing van artikel 3:8, vierde lid, van de wet, significant, indien:
a. zij op individuele basis een instelling van groot belang is op grond van de voorwaarden ingevolge artikel 6 van de verordening bankentoezicht; of
b. zij door de Nederlandsche Bank, gelet op haar omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van haar activiteiten als significant wordt aangemerkt.
Artikel 18
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een adequate functiescheiding met het oog op een beheerste bedrijfsvoering.
1.
De bedrijfsvoering van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 voorziet in een juiste, tijdige en volledige vastlegging van alle rechten en verplichtingen van de financiële onderneming of bijkantoor in een daartoe bestemde administratie.
2.
De administratie, bedoeld in het eerste lid, van een premiepensioeninstelling is zodanig dat deze geen belemmering vormt of kan vormen voor de toepassing van het in artikel 4:71a van de wet bepaalde.
3.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang beschikt over een organisatie-onderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een actuariële functie uitoefent. Het organisatie-onderdeel heeft als taak de berekening van de technische voorzieningen te coördineren en te controleren en de personen die het dagelijks beleid van de verzekeraar bepalen te informeren over de adequaatheid en betrouwbaarheid van die berekening.
4.
Het derde lid is op schadeverzekeraars alleen van toepassing voor zover deze verzekeringsovereenkomsten sluiten met een contractduur van meer dan vier jaar.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een informatiesysteem dat een effectieve beheersing van de bedrijfsprocessen en de risico’s mogelijk maakt en dat voorziet in interne en externe informatiebehoeften.
2.
De financiële onderneming of bijkantoor beschikt over procedures en maatregelen om de integriteit, voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van geautomatiseerde gegevensverwerking te waarborgen.
3.
De functiescheidingen binnen de geautomatiseerde gegevensverwerking sluiten aan bij de organisatiestructuur.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 beschikt over een organisatieonderdeel dat op onafhankelijke en effectieve wijze een compliancefunctie uitoefent. Het organisatieonderdeel heeft als taak het controleren van de naleving van wettelijke regels en van interne regels die de financiële onderneming of bijkantoor zelf heeft opgesteld.
2.
Het organisatieonderdeel, bedoeld in het eerste lid, van een bank als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, of 3:23, tweede lid, van de wet die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, heeft voorts als taak:
a. het adviseren van de personen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten bij de naleving van wettelijke regels en interne regels;
b. het toezien op de deugdelijkheid en effectiviteit van de interne regels en procedures;
c. het beoordelen van de effectiviteit van de procedures die zijn opgesteld en maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde onvolkomenheden bij de naleving van wettelijke regels en interne regels op te heffen; en
d. het ten minste jaarlijks rapporteren aan de personen die het dagelijks beleid van de bank bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank inzake aangelegenheden met betrekking tot de naleving van wettelijke regels en interne regels. In de jaarlijkse rapportage wordt met name vermeld of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde tekortkomingen.
3.
Het organisatieonderdeel van een bank als bedoeld in het tweede lid beschikt over de nodige autoriteit, middelen, deskundigheid en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken onafhankelijk en effectief te kunnen uitoefenen.
Artikel 22
De opdracht tot onderzoek van de jaarrekening van een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 17 aan de externe accountant voorziet in een toetsing en beoordeling op hoofdlijnen met betrekking tot de toereikendheid van de organisatie-inrichting en risicobeheersing.
Artikel 22a
De werknemers van een bank met zetel in Nederland die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten en andere personen die door de bank zijn belast met het verrichten van zodanige werkzaamheden beschikken over de nodige vakbekwaamheid en deskundigheid om de hun toevertrouwde verantwoordelijkheden uit te oefenen.
1.
Een bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in de artikelen 3:17, eerste en derde lid, 3:22, 3:23, 3:24a, 3:24b, 3:24c, 3:26 of 3:27 van de wet voert beleid gericht op het beheersen van relevante risico’s.
2.
Onder relevante risico’s, bedoeld in het eerste lid, worden in het bijzonder verstaan het concentratierisico, krediet- en tegenpartijrisico, liquiditeitsrisico, marktrisico, operationeel risico, renterisico voortvloeiend uit niet-handelsactiviteiten, restrisico, risico van buitensporige hefboomwerking, securitisatierisico, verzekeringsrisico en afkooprisico. Een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste of derde lid, 3:22, 3:23 of 3:27 van de wet houdt tevens rekening met de risico’s die voortvloeien uit de macro-economische omgeving waarin de onderneming actief is en die verband houden met de stand van de conjunctuurcyclus.
3.
Het beleid wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante risico’s en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. De procedures en maatregelen die zijn gericht op de beheersing van het liquiditeitsrisico hebben betrekking op het beheer van de actuele en toekomstige netto financiële positie en behoeften.
4.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het derde lid, bestaan onder meer uit autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties en zijn afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of bijkantoor.
5.
De procedures en maatregelen, bedoeld in het derde lid, worden vastgelegd en ter kennis gebracht van alle relevante bedrijfsonderdelen van de financiële onderneming of het bijkantoor.
6.
De financiële onderneming heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijk risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de risico’s waaraan de financiële onderneming of het bijkantoor is of kan worden blootgesteld. Het risicobeheer wordt zowel uitgevoerd ten aanzien van de financiële onderneming of het bijkantoor als geheel als ten aanzien van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
7.
De risicobeheerfunctie beschikt over de nodige autoriteit en toegang tot alle noodzakelijke informatie om haar taken te kunnen uitoefenen.
Artikel 23a
Het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, eerste en derde tot en met vijfde lid, van een bank, een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten of een clearinginstelling voldoen aan de op de betrokken onderneming van toepassing zijnde technische criteria voor de organisatie en behandeling van risico’s in de artikelen 79 tot en met 87 van de richtlijn kapitaalvereisten.
1.
Het bestuur van een bank, beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten of clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, en, indien aanwezig, het orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de onderneming:
a. zijn betrokken bij het beleid gericht op het beheersen van relevante risico’s overeenkomstig artikel 76, eerste en tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten;
b. worden daarbij bijgestaan en geadviseerd door een risicocommissie overeenkomstig artikel 76, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten; en
c. hebben voldoende toegang tot informatie betreffende de risicosituatie van de financiële onderneming, de risicobeheerfunctie en de adviezen van externe deskundigen overeenkomstig artikel 76, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
2.
De risicobeheerfunctie van een bank, beleggingsonderneming of clearinginstelling als bedoeld in het eerste lid is ingericht overeenkomstig artikel 76, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
3.
Het eerste lid, onderdeel b, vindt slechts toepassing, indien de bank of beleggingsonderneming significant is ingevolge artikel 17d, respectievelijk artikel 31f van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.
1.
Een clearinginstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over een plan dat voorziet in een duurzaam herstel van de financiële positie van de onderneming na een aanzienlijke verslechtering van de financiële positie.
2.
Het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de aard, de omvang, het risicoprofiel en de complexiteit van de werkzaamheden van de clearinginstelling.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
1.
Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die geen deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een herstelplan dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen die de onderneming in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.
2.
Het herstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
Het herstelplan wordt ten minste eenmaal per jaar herzien en voorts wanneer zich een wezenlijke verandering in de organisatie of bedrijfsvoering van de onderneming voordoet die noodzaakt tot aanpassing van het plan.
4.
De Nederlandsche Bank kan toestaan dat het bepaalde in het tweede of derde lid op vereenvoudigde wijze wordt toegepast.
5.
De Nederlandsche Bank kan, indien zij de consoliderende toezichthouder is, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten, besluiten dat een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet, beschikt over een eigen herstelplan overeenkomstig het eerste en tweede lid.
6.
De Nederlandse Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede tot en met vierde lid.
1.
Een EU-moederonderneming met zetel in Nederland van een groep als bedoeld in artikel 3A:1 van de wet beschikt over een herstelplan dat door de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de verordening kapitaalvereisten, is goedgekeurd en dat voorziet in maatregelen met betrekking tot de EU-moederonderneming of haar dochterondernemingen, die de groep in staat stellen haar financiële positie na een aanzienlijke verslechtering ervan te herstellen.
2.
Het groepsherstelplan voldoet aan de eisen ingevolge de artikelen 5, derde tot en met zesde en tiende lid, 7, vierde tot en met zesde lid, en 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
Artikel 23d, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Een groepsherstelplan dat is goedgekeurd door de consoliderende toezichthouder in een andere lidstaat, is op entiteiten van een groep met zetel in Nederland van toepassing, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 8, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluit dat deze entiteiten moeten beschikken over een eigen herstelplan, waarop artikel 23d van overeenkomstige toepassing is.
5.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede en derde lid.
1.
De inrichting van de bedrijfsvoering van een onderneming of entiteit als bedoeld in de artikelen 23d, eerste of vijfde lid, of 23e, eerste of vierde lid, is in overeenstemming met het herstelplan en waarborgt dat het herstelplan zonder wezenlijke belemmeringen ten uitvoer kan worden gelegd, in ieder geval met betrekking tot:
a. het risicoprofiel van de onderneming;
b. de mogelijkheden tot tijdige herkapitalisatie;
c. de strategie en structuur van de onderneming;
d. de financieringsstrategie, teneinde de weerbaarheid van de kernbedrijfsonderdelen en kritieke functies te waarborgen; en
e. de governancestructuur.
2.
De bedrijfsvoering voorziet in een periodieke evaluatie van de indicatoren, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, voor het uitvoeren van in het herstelplan opgenomen maatregelen.
3.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en tweede lid.
1.
De Nederlandsche Bank beoordeelt een herstelplan of groepsherstelplan dat haar goedkeuring behoeft binnen zes maanden na de voorlegging ervan, overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
2.
De beoordeling van een groepsherstelplan geschiedt overeenkomstig de afstemmingsprocedure van artikel 8 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
Indien het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of indien er wezenlijke belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging van het herstelplan, wordt goedkeuring aan het plan onthouden. Binnen twee maanden legt de indiener van het herstelplan opnieuw een herstelplan ter goedkeuring voor, waarbij de bij de afwijzing geconstateerde tekortkomingen of belemmeringen zijn weggenomen.
4.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en derde lid.
Artikel 23h
Indien een onderneming, entiteit of groep als bedoeld in de artikelen 23d, eerste of vijfde lid, of 23e, eerste of vierde lid, uitvoering geeft aan maatregelen die zijn opgenomen in het herstelplan of deze maatregelen achterwege laat in afwijking van de uitkomsten van de indicatoren, bedoeld in artikel 23f, tweede lid, doet de onderneming, de entiteit of de EU-moederonderneming van de groep daarvan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 23i
Een bank of een beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over passende procedures die haar werknemers in staat stellen om door hen geconstateerde mogelijke of feitelijke overtredingen van de verordening kapitaalvereisten of het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde intern te melden. Deze procedures voldoen aan de vereisten in artikel 71, tweede lid, onderdelen b, c en d, en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
1.
De beheerder van een icbe vermeldt in het beleid, bedoeld in artikel 23, eerste lid:
a. de technieken, instrumenten en regelingen om te allen tijde de risico’s te kunnen meten en beheren waaraan elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten is of zou kunnen worden blootgesteld;
b. de verantwoordelijkheden binnen de organisatie van de beheerder met betrekking tot het risicobeheer; en
c. de voorwaarden, inhoud en frequentie van de rapportage door de risicobeheerfunctie, bedoeld in artikel 23, zesde lid, aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder van de icbe bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder.
2.
De procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, stellen een beheerder van een icbe in staat:
a. te allen tijde de risico’s te kunnen meten waaraan de instelling voor collectieve belegging in effecten wordt of zou kunnen worden blootgesteld; en
b. de naleving van limieten voor het totale risico en het tegenpartijrisico voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten, bedoeld in de artikelen 133 en 134 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, te waarborgen.
3.
Een beheerder van een icbe neemt voor de toepassing van het tweede lid de volgende maatregelen:
a. zorgen voor procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die noodzakelijk zijn om te garanderen dat de risico’s van ingenomen posities en het aandeel van deze posities in het totale risicoprofiel nauwkeurig en op basis van degelijke en betrouwbare gegevens worden gemeten en dat deze procedures en maatregelen op adequate wijze zijn gedocumenteerd;
b. zorgen dat in de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de icbe niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau;
c. in voorkomend geval, achteraf uitvoeren van periodieke tests om de geldigheid te evalueren van regels met betrekking tot risicometingregelingen die modelmatige prognoses en ramingen omvatten;
d. in voorkomend geval, uitvoeren van periodieke stresstests en scenarioanalyses om de eventueel uit wisselende marktomstandigheden voortvloeiende risico’s aan te pakken die negatieve gevolgen voor de instelling voor collectieve belegging in effecten kunnen hebben;
e. het opzetten, implementeren en in stand houden van een gedocumenteerd systeem van interne limieten voor de maatregelen die worden genomen om de relevante risico’s voor elke beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten te beheren en te controleren, waarbij rekening wordt gehouden met relevante risico’s als bedoeld in artikel 23, tweede lid, en waarbij overeenstemming met het risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging in effecten wordt gewaarborgd;
f. zorgen dat voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten de huidige risico-omvang voldoet aan het risicolimietensysteem, bedoeld in onderdeel d; en
g. opzetten, implementeren en in stand houden van adequate procedures die in geval van feitelijke en voorzienbare inbreuken op het risicolimietensysteem van de instelling voor collectieve belegging in effecten tot tijdige herstelmaatregelen in belang van de deelnemers leiden.
Artikel 24
Een bank, beheerder van een icbe, beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.
1.
Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, tweede lid, tweede volzin, beschikt over solide, doeltreffende en alomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen aansluiten op de omvang en de aard van haar de korte- en langetermijnrisico’s waaraan zij blootstaat of zou kunnen blootstaan.
2.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang gaat regelmatig na hoe zijn solvabiliteit zich verhoudt tot de korte- en langetermijnrisico’s waaraan hij blootstaat of zou kunnen blootstaan.
1.
Het risicobeheer, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van een bank die in Nederland beleggingsdiensten mag verlenen of beleggingsactiviteiten mag verrichten, een beheerder van een icbe, of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:17, eerste en derde lid, 3:22 of 3:23, tweede lid, van de wet oefent controle uit op:
a. de deugdelijkheid en effectiviteit van de door de bank, beheerder van een icbe of beleggingsonderneming vastgestelde procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid;
b. de mate waarin de bank, beheerder van een icbe of beleggingsonderneming en haar medewerkers de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, naleven; en
c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de maatregelen die zijn genomen om gesignaleerde tekortkomingen of gebreken op te heffen.
2.
Het risicobeheer rapporteert ten minste jaarlijks aan personen die het dagelijks beleid van de bank, beheerder of beleggingsonderneming bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de bank, beheerder of beleggingsonderneming. In de jaarlijkse rapportage wordt met name aangegeven of maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.
3.
Het risicobeheer van een beheerder van een icbe brengt regelmatig verslag uit aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder over:
a. de consistentie tussen de actuele omvang van het risico dat elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten loopt, en het risicoprofiel dat voor deze instelling voor collectieve belegging in effecten is overeengekomen;
b. de nakoming van het relevante risicolimietensysteem door elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
c. de deugdelijkheid en effectiviteit van de risicobeheerprocedure, waarbij met name wordt aangegeven of passende maatregelen zijn genomen in het geval van gesignaleerde onvolkomenheden.
4.
Het risicobeheer van een beheerder van een icbe brengt aan de personen die het dagelijks beleid bepalen van de beheerder:
a. advies uit betreffende de identificatie van het risicoprofiel van elke door de beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten; en
b. regelmatig verslag uit over de actuele omvang van het risico dat elke door de beheerder beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten loopt en feitelijke of voorzienbare inbreuken op de limieten van de desbetreffende instelling voor collectieve belegging in effecten opdat onmiddellijk passende maatregelen kunnen worden ondernomen.
5.
Het risicobeheer van een beheerder van een icbe onderzoekt en ondersteunt in voorkomend geval de procedures en maatregelen, bedoeld in de artikelen 34, eerste lid, onderdeel g, en derde lid, en 34a van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.
Artikel 25
Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank of bijkantoor als bedoeld in artikel 23, eerste lid, gebruik maakt van intern ontwikkelde modellen, beoordeelt deze die modellen en de gehanteerde veronderstellingen en variabelen op systematische wijze op validiteit, onder meer door voorspellingen van het model te vergelijken met de werkelijke uitkomsten.
Artikel 25a
De Nederlandsche Bank kan een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 van de wet verplichten gedetailleerde gegevens bij te houden over financiële contracten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 100, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen waarbij zij partij is, indien dit nodig is met het oog op:
a. het opstellen of het uitvoeren van een herstelplan als bedoeld in de artikelen 23d of 23e; of
b. de toepassing van hoofdstuk 3A.2 van de wet of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme.
1.
Een beheerder van een icbe, bewaarder, bewaarder van een icbe of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, 3:22 van de wet beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.
2.
Met het oog op de bewaking en beheersing van solvabiliteitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe in ieder geval in de bewaking en beheersing van de:
a. aard en omvang van de activa en passiva;
b. niet uit de balans blijkende verplichtingen; en
c. resultaatontwikkeling, uitgesplitst naar de onderscheiden bedrijfsactiviteiten en bedrijfsonderdelen.
3.
Met het oog op de bewaking en beheersing van liquiditeitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering van een beheerder van een icbe voor elke icbe die hij beheert onder meer in autorisatieprocedures, limietstellingen, limietbewaking en procedures en maatregelen voor noodsituaties met betrekking tot de liquiditeitspositie van de icbe.
4.
In voorkomend geval voert een beheerder van een icbe stresstests uit die een beoordeling van het liquiditeitsrisico van de instelling voor collectieve belegging in effecten in uitzonderlijke omstandigheden mogelijk maken.
5.
De beheerder van een icbe draagt er zorg voor dat voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten het liquiditeitsprofiel past bij het terugbetalingsbeleid dat in het fondsreglement, in de statuten of in het prospectus is vastgelegd.
1.
Een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, van de wet beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld.
2.
Met het oog op de bewaking en beheersing van solvabiliteitsrisico’s voorziet de bedrijfsvoering van een premiepensioeninstelling in ieder geval in de bewaking en beheersing van de:
a. aard en omvang van de activa en passiva;
b. niet uit de balans blijkende verplichtingen; en
c. resultaatontwikkeling, uitgesplitst naar de onderscheiden bedrijfsactiviteiten en bedrijfsonderdelen.
3.
De premiepensioeninstelling draagt er zorg voor dat in de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau.
1.
Een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:17, derde lid, van de wet voert met betrekking tot de beleggingsinstellingen die hij beheert beleid gericht op het beheersen van risico’s die de soliditeit van die instellingen kunnen aantasten.
2.
De beheerder beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 15 en 16 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen gestelde voorwaarden die met het oog op de in het eerste lid bedoelde belangen worden gesteld.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet met betrekking tot zijn bedrijfsvoering aan de artikelen 41 en 44 tot en met 48 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk IX, afdelingen 1 en 2, van de verordening solvabiliteit II.
2.
De werknemers van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, niet zijnde personen als bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, derde volzin, van de wet, die een sleutelfunctie vervullen als bedoeld in artikel 42 van de richtlijn solvabiliteit II zijn geschikt voor de vervulling van hun taken.
1.
De artikelen 41 en 44 tot en met 48 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk IX, afdelingen 1 en 2, van de verordening solvabiliteit II inzake de bedrijfsvoering van verzekeraars zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
2.
Artikel 26.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op werknemers van verzekeraars als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 26.4
De artikelen 319, 320, 321, 324, 326 en 327 van de verordening solvabiliteit II inzake de bedrijfsvoering van entiteiten voor risico-acceptatie zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
1.
Een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 heeft, beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de voor de uitvoering van de vangnetregelingen noodzakelijke gegevens voortdurend actueel worden bijgehouden en adequaat zijn vastgelegd.
2.
De financiële onderneming verstrekt de gegevens, bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de Nederlandsche Bank binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn en op een op de Nederlandsche Bank te bepalen wijze.
Artikel 26b
Afwikkelondernemingen, banken, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen nemen bij de inrichting van hun bedrijfsvoering de regels in acht die door de Nederlandsche Bank terzake worden gesteld ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden om de goede werking van het betalingsverkeer te waarborgen.
1.
Een financiële onderneming of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:22, 3:23, 3:24b, 3:26 of 3:27, van de wet gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien die uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
2.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, tweede lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.
1.
Indien een betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten uit te besteden, stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis.
2.
Indien een elektronischgeldinstelling voornemens is werkzaamheden in verband met de uitgifte van elektronisch geld uit te besteden, stelt zij de Nederlandsche Bank daarvan in kennis.
Artikel 27b
Bij de uitbesteding van werkzaamheden in verband met het verlenen van betaaldiensten draagt de betaalinstelling er zorg voor dat uitbesteding de verplichtingen van de betaalinstelling jegens haar cliënten en de rechten van haar cliënten uit hoofde van de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet wijzigt.
Artikel 27c
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de uitbesteding door afwikkelondernemingen van werkzaamheden.
Artikel 27d
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet met betrekking tot uitbesteding van werkzaamheden aan artikel 49 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk IX, afdeling 4, van de verordening solvabiliteit II.
Artikel 27e
Artikel 49 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk IX, afdeling 4, van de verordening solvabiliteit II inzake uitbesteding van werkzaamheden zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 28
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat afbreuk doet aan de kwaliteit van haar onafhankelijke interne toetsing als bedoeld in artikel 17, vierde lid.
Artikel 29
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het op structurele basis uitbesteden van werkzaamheden.
Artikel 30
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de op structurele basis uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
1.
Een betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar met beperkte risico-omvang, wisselinstelling of bijkantoor als bedoeld in artikel 27, tweede lid, legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.
2.
In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:
a. de onderlinge informatie-uitwisseling, met inbegrip van afspraken over het beschikbaar stellen van informatie waarom de toezichthouders ter uitvoering van hun wettelijke taak verzoeken;
b. de mogelijkheid voor de financiële onderneming of het bijkantoor om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;
c. de verplichting voor de derde om de financiële onderneming of het bijkantoor in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de wet bepaalde; en
d. de mogelijkheid voor de toezichthouders om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; en
e. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de financiële onderneming of het bijkantoor de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
3.
De toezichthouders maken slechts gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, indien niet op andere wijze kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de uitbestede werkzaamheden wordt voldaan aan het bij of krachtens de wet bepaalde.
Artikel 32
De artikelen 29 tot en met 31 zijn niet van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden aan ondernemingen met zetel in een lidstaat die deel uitmaken van de groep waartoe de financiële onderneming behoort.
1.
Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 27a, slechts van toepassing op het uitbesteden van werkzaamheden door betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen voor zover het belangrijke werkzaamheden betreft.
2.
Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de betaalinstelling van de vergunningsvereisten, als bedoeld in artikel 2:3b van de wet, of van andere verplichtingen ingevolge de wet of Titel 7B van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar betaaldiensten.
3.
Een werkzaamheid wordt als belangrijk aangemerkt indien een gebrekkige of tekortschietende uitvoering ervan wezenlijk afbreuk zou doen aan de naleving door de elektronischgeldinstelling van de vergunningvereisten, genoemd in artikel 2:10b van de wet, dan wel aan haar financiële resultaten of de soliditeit of continuïteit van haar dienstverlening ter zake van de uitgifte van elektronisch geld.
1.
Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in artikel 3:28a, eerste lid, van de wet, legt de centrale tegenpartij over:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen is bepaald in de artikelen 26 tot en met 35 en 40 tot en met 54 van de verordening, bedoeld in het eerste lid, en op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten redelijkerwijs een advies als bedoeld in artikel 2a van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten kan geven.
2.
De centrale tegenpartij geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in artikel 3:28a, eerste lid, van de wet, voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging.
3.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na de kennisgeving;
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving; of
c. indien de Nederlandsche Bank de Autoriteit Financiële Markten om advies heeft gevraagd ingevolge artikel 2a Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, binnen vier weken na ontvangst van dat advies.
1.
Een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling geeft onverwijld schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van een wijziging in de ingevolge artikel 2:3b, tweede lid, van de wet respectievelijk ingevolge artikel 2:10b, tweede lid, van de wet verstrekte gegevens met betrekking tot:
a. de activiteiten die de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling voornemens is te verrichten;
b. het bedrijfsplan waarmee wordt aangetoond dat de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling in staat is gebruik te maken van passende en evenredige systemen, middelen en procedures om op een gezonde basis te opereren;
c. de identiteit van personen die, direct of indirect, gekwalificeerde deelnemingen als bedoeld in artikel 1 van de wet in de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling bezitten, alsmede de omvang van hun deelnemingen en het bewijs van hun geschiktheid;
d. indien van toepassing, de accountantsorganisatie of het auditkantoor, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, belast met de wettelijke controle bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEU L 157) van de jaarrekening van de betaaldienstverlener of de elektronischgeldinstelling;
e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:8 van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen;
f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;
g. het voorgenomen beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:10, eerste lid, van de wet;
h. de inrichting van de bedrijfsvoering met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:17, eerste en tweede lid, van de wet;
i. de wijze waarop wordt voldaan aan het ingevolge artikel 3:29a van de wet bepaalde met betrekking tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of betaaldienstverleners en met betrekking tot de geldmiddelen die worden of zijn ontvangen in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven; en
j. het eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet.
2.
Bij de toepassing van het eerste lid, onderdelen h en i, geeft de betaalinstelling een beschrijving van de wijzigingen in de regelingen voor accountantscontrole en de organisatorische regelingen die hij heeft getroffen voor het nemen van alle redelijke maatregelen om de belangen van zijn gebruikers te beschermen en om de continuïteit en betrouwbaarheid bij het uitvoeren van betaaldiensten te garanderen.
3.
Het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
1.
Een afwikkelonderneming, bank, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42, 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van:
a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen;
b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming; en
c. indien van toepassing, de personen werkzaam onder verantwoordelijkheid van een bank of verzekeraar, die een leidinggevende functie vervullen direct onder het echelon van de beleidsbepalers en verantwoordelijk zijn voor natuurlijke personen wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk kunnen beïnvloeden.
2.
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
3.
Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming de volgende gegevens over:
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de betrokkene;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9, van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de betrokkene.
4.
De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn:
a. een opgave van de naam, het adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de geldige relevante diploma’s; en
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
5.
Het derde lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het voornemen tot wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
1.
Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging van gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen.
2.
De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid onverwijld schriftelijk kennis nadat zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.
1.
Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 33, eerste lid, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging in:
a. de naam of het adres van de financiële onderneming;
b. de rechtsvorm van de financiële onderneming;
c. indien van toepassing, de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen;
d. indien van toepassing, het nummer van inschrijving in het handelsregister;
e. indien van toepassing, de statuten van de financiële onderneming;
f. de zeggenschapsstructuur binnen de financiële onderneming; en
g. indien van toepassing, het adres van een in een andere staat gelegen bijkantoor.
2.
De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid kennis binnen twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.
1.
Een afwikkelonderneming, clearinginstelling, bank, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, 3:42 of 3:43, eerste lid, van de wet geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen.
2.
Artikel 33, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
1.
Een afwikkelonderneming, clearinginstelling, bank of verzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een wijziging in het adres van het bijkantoor.
2.
Onverminderd het eerste lid, geeft een bank als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet, met zetel in Nederland die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor geeft schriftelijk aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat kennis van een wijziging met betrekking tot de toepasselijkheid van een depositogarantiestelsel op het bijkantoor.
3.
De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste of tweede lid kennis binnen twee weken nadat de wijziging zich heeft voorgedaan.
4.
Een afwikkelonderneming, clearinginstelling of bank als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet die haar bedrijf uitoefent vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank en de toezichthoudende instantie van die lidstaat van het voornemen de uitoefening van haar bedrijf vanuit het in de andere lidstaat gelegen bijkantoor te staken. De afwikkelonderneming, clearinginstelling of bank geeft geen uitvoering aan het voornemen gedurende de eerste vier weken na de kennisgeving.
1.
Een afwikkelonderneming waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van afwikkelonderneming geeft aan de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van het voornemen tot:
a. een wijziging of het doen ontstaan van een verbinding met een andere afwikkelonderneming;
b. een wijziging van de contractuele algemene voorwaarden van de afwikkelonderneming;
c. een substantiële wijziging in de bedrijfsvoering;
d. een substantiële wijziging in het risicomanagement, voor zover ten aanzien daarvan nadere regels krachtens artikel 17b zijn gesteld;
e. een handeling van de afwikkelonderneming die zal leiden tot een substantiële wijziging van de balans van de afwikkelonderneming.
2.
Met betrekking tot het voornemen overlegt de afwikkelonderneming:
a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:17 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de beheerste uitoefening van het bedrijf.
3.
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving;
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving; of
c. indien de Nederlandsche Bank de Autoriteit Financiële Markten om advies heeft gevraagd, binnen vier weken na ontvangst van dat advies.
1.
Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:29, eerste lid, van de wet die zijn bedrijf uitoefent door middel van een buiten Nederland gelegen bijkantoor geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van het voornemen tot wijziging van de vertegenwoordiger.
2.
De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
3.
Met betrekking tot het voornemen legt de financiële onderneming de volgende gegevens over:
a. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:8 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de vertegenwoordiger; en
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank, onder overeenkomstige toepassing van de artikelen 6 tot en met 9, kan beoordelen of wordt voldaan aan het hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de vertegenwoordiger.
4.
De gegevens, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn:
a. een opgave van de naam, het adres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de geldige relevante diploma’s; en
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
5.
Het derde lid is niet van toepassing indien het voornemen tot wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid, van de wet.
1.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang die het levensverzekeringsbedrijf of het natura-uitvaartverzekeringsbedrijf uitoefent als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48, eerste lid, onderscheidenlijk 3:52 van de wet, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot een wijziging van de overeenkomsten die hij voornemens is te sluiten.
2.
Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:42, 3:43, tweede lid, 3:48, eerste lid, van de wet, die vanuit een vestiging in een lidstaat diensten naar Nederland verricht, geeft aan de Nederlandsche Bank kennis van het voornemen tot een wijziging van de in Nederland gelegen risico’s die hij voornemens is te dekken.
3.
Een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:49 van de wet, geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een voornemen tot een wijziging van de risico’s die zij onderscheidenlijk hij voornemens is te dekken.
4.
De verzekeraar kan het voornemen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, ten uitvoer brengen vanaf de dag waarop de Nederlandsche Bank de kennisgeving, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft ontvangen. De Nederlandsche Bank bevestigt de ontvangst onverwijld aan de verzekeraar.
5.
Indien de schadeverzekeraar voornemens is de in Nederland gelegen risico’s zodanig te wijzigen dat deze risico’s behorende tot de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen omvatten, legt hij bij de kennisgeving de volgende gegevens over aan de Nederlandsche Bank:
a. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat hij is aangesloten bij het bureau, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen;
b. een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat hij zich heeft gemeld bij het Waarborgfonds Motorverkeer teneinde te voldoen aan zijn verplichtingen jegens dat fonds uit hoofde van de artikelen 24, eerste lid, en 24a, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen; en
c. een opgave van de naam en het adres van de schaderegelaar, bedoeld in artikel 4:70, tweede lid, van de wet, die hij in iedere andere lidstaat heeft aangesteld.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:43, tweede lid, of 3:49 van de wet geeft schriftelijk kennis aan de Nederlandsche Bank van een wijziging van gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de vertegenwoordiger.
2.
De financiële onderneming geeft van een wijziging als bedoeld in het eerste lid, onverwijld kennis nadat zij van de wijziging op de hoogte is gekomen.
artikelen 3:29a en 3:29c, derde lid, van de wet van Besluit prudentiële regels Wft">
Artikel 40a. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:29a en 3:29c, derde lid, van de wet
1.
Een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet stelt geldmiddelen die zijn ontvangen van betaaldienstgebruikers of andere betaaldienstverleners voor de uitvoering van betalingstransacties op een van de volgende wijzen veilig:
a. de geldmiddelen worden niet vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de betaalinstelling; of
b. de geldmiddelen worden gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de betaalinstelling, tegen het risico dat de betaalinstelling niet in staat is haar verplichtingen met betrekking tot de geldmiddelen na te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
2.
Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, aanhef en onderdeel a, en de geldmiddelen aan het einde van de werkdag, volgend op de dag waarop zij zijn ontvangen, nog niet aan de betalingsbegunstigde of aan een andere betaaldienstaanbieder zijn overgemaakt, worden zij op een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere schuldeisers van de betaalinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie van de betaalinstelling, hun vorderingen niet op deze geldmiddelen kunnen verhalen.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid zijn veilige activa met een lage risicograad activa die vallen in een van de categorieën opgenomen in artikel 336, eerste lid, tabel 1, van de verordening kapitaalvereisten waarvoor het kapitaalvereiste voor het specifieke risico niet hoger ligt dan 1,6%, terwijl andere in aanmerking komende activa, als bedoeld in artikel 336, vierde lid, van de verordening, worden uitgesloten.
Voor de toepassing van het tweede lid zijn veilige activa met een lage risicograad eveneens deelnemingsrechten in een instelling voor collectieve belegging in effecten (ICBE) die enkel investeert in activa zoals gespecificeerd in de eerste alinea.
In buitengewone omstandigheden en wanneer dit voldoende gemotiveerd is, mogen de bevoegde autoriteiten, op basis van een evaluatie van de veiligheid, de looptijd, de waarde of andere risicofactoren van de activa zoals gespecificeerd in de eerste en tweede alinea, bepalen welke van deze activa geen veilige activa met een lage risicograad zijn voor de toepassing van het tweede lid.
4.
Indien het deel van de geldmiddelen dat bestemd is voor toekomstige betalingstransacties niet bekend of variabel is, is het de betaalinstellingen toegestaan om het eerste lid uitsluitend toe te passen op een representatief gedeelte dat geacht wordt voor betalingsdiensten te worden gebruikt. Dit representatieve gedeelte moet redelijkerwijs kunnen worden geraamd op basis van historische gegevens.
5.
Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op elektronischgeldinstellingen als bedoeld in artikel 3:29a, eerste lid, van de wet.
1.
Een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:29a, tweede lid, van de wet, stelt de middelen die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld dat is uitgegeven, veilig op het moment dat deze gelden ter beschikking komen van de elektronischgeldinstelling doch uiterlijk vijf werkdagen na uitgifte van het elektronisch geld.
2.
De financiële onderneming stelt chartale of girale gelden die zij ontvangt in ruil voor elektronisch geld op een van de volgende wijzen veilig:
a. de gelden worden niet vermengd met de geldmiddelen van andere schuldeisers van de elektronischgeldinstelling;
b. de gelden worden gedekt door een verzekeringspolis of een vergelijkbare garantie van een verzekeraar of een bank die niet tot dezelfde groep behoort als de elektronischgeldinstelling, tegen het risico dat de elektronischgeldinstelling niet in staat is haar verplichtingen met betrekking tot de gelden na te komen, voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat afgescheiden zou zijn bij het ontbreken van de verzekeringspolis of vergelijkbare garantie.
3.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onderdeel a, worden de ontvangen gelden op een afzonderlijke rekening gestort bij een bank of belegd in veilige, liquide activa met een lage risicograad, op zodanige wijze dat andere schuldeisers van de elektronischgeldinstelling, in het bijzonder in het geval van insolventie van de elektronischgeldinstelling, hun vorderingen niet op deze gelden kunnen verhalen.
4.
Voor de toepassing van het derde lid is artikel 40a, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
5.
Voor de toepassing van het tweede en derde lid is artikel 40a, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40c
Betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen verlenen slechts krediet in verband met de in de punten 4, 5 en 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten bedoelde betaaldiensten indien:
a. het krediet een aanvullend krediet is en uitsluitend wordt verstrekt in verband met de uitvoering van een betalingstransactie;
b. het krediet dat is verstrekt in verband met een betaaldienst die is verleend door middel van dienstverrichting naar een andere lidstaat of vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat wordt terugbetaald binnen een korte termijn, die in geen geval meer dan twaalf maanden bedraagt;
c. het niet wordt verleend uit geldmiddelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties; en
d. het eigen vermogen van de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het verleende krediet.
1.
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat de dekkingsactiva van de categorie waartoe die obligatie behoort, worden veiliggesteld:
a. door overgang onder algemene of bijzondere titel naar een andere rechtspersoon; of
b. op een andere, bij ministeriële regeling vast te stellen wijze.
2.
Een bank voldoet uitsluitend aan het eerste lid, onderdeel a, indien:
a. de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, met uitsluiting van andere activiteiten, is opgericht om de dekkingsactiva van een categorie geregistreerde gedekte obligaties te scheiden van het vermogen van die bank en hetgeen te doen dat noodzakelijk of wenselijk is voor de desbetreffende categorie geregistreerde gedekte obligaties; en
b. zij, alsmede de rechtspersonen die tot dezelfde groep behoren, geen aandelen houden in de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, daarin geen beleidsbepalende zeggenschap hebben en daarin ook niet op andere wijze een eigendomsbelang hebben.
1.
Bij een verzoek tot registratie van een categorie geregistreerde gedekte obligaties overeenkomstig artikel 3:33a, eerste lid, van de wet, geeft de verzoekende bank aan de Nederlandsche Bank op welke voorwaarden op die categorie geregistreerde gedekte obligaties van toepassing zijn, waaronder in ieder geval:
a. welke van de volgende aflossingsstructuren wordt gehanteerd:
1°. de aflossingsdatum kan niet of met maximaal vierentwintig maanden worden uitgesteld; of
2°. de aflossingsdatum kan met meer dan vierentwintig maanden worden uitgesteld;
b. welke soort of soorten dekkingsactiva primair worden gehanteerd en, in dat laatste geval, in welke verhouding; en
c. in welk land de debiteuren van de dekkingsactiva zijn gevestigd, respectievelijk hun zetel of woonplaats hebben en door welk recht de dekkingsactiva worden beheerst.
2.
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat die obligatie gedurende de gehele looptijd ten aanzien van de voorwaarden genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, blijft voldoen aan de bij het verzoek tot registratie opgegeven voorwaarden.
3.
De verzoekende bank hanteert één van de volgende soorten dekkingsactiva primair als dekkingsactiva overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b:
a. blootstellingen, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, van de verordening kapitaalvereisten, voor laatstgenoemd onderdeel met uitzondering van blootstellingen welke in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 2 als bedoeld in dat onderdeel;
b. leningen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed of woonkredieten, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel d onder i, respectievelijk onderdeel e, van de verordening kapitaalvereisten;
c. leningen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel f onder i, van de verordening kapitaalvereisten;
d. leningen die gedekt zijn door pandrechten op schepen als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel g, van de verordening kapitaalvereisten; of
e. andere bij ministeriële regeling aan te wijzen activa.
4.
In afwijking van het derde lid kan een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, een combinatie hanteren van leningen of woonkredieten als bedoeld in onderdelen b en c van het derde lid, mits zij zich hierbij vastlegt op een vaste verhouding tussen deze soorten dekkingsactiva.
5.
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat daarop geen voorwaarden van toepassing zijn die in de weg staan aan het uitoefenen van effectief toezicht op die geregistreerde gedekte obligatie.
1.
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat de totale waarde van de dekkingsactiva van de categorie waartoe die obligatie behoort, minimaal 105% bedraagt van het nominale bedrag van de geregistreerde gedekte obligaties die onder de desbetreffende categorie uitstaan.
2.
In aanvulling op het eerste lid, draagt een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, er zorg voor dat de waarde van de dekkingsactiva, berekend met inachtneming van de restricties, bedoeld in artikel 129, eerste lid onderdeel d, onder i, e, f onder i, en g, van de verordening kapitaalvereisten, voor zover toepasbaar op de soort gehanteerde dekkingsactiva, ten minste gelijk is aan het nominale bedrag van de geregistreerde gedekte obligaties die onder de desbetreffende categorie uitstaan.
3.
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, kan bij het voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste en tweede lid, dekkingsactiva hanteren die niet overeenkomstig artikel 40e, eerste lid, onderdeel b, zijn opgegeven als dekkingsactiva die primair worden gehanteerd, voor zover de dekkingsactiva bestaan uit de volgende soorten:
a. blootstellingen als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel a, van de verordening kapitaalvereisten;
b. blootstellingen als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel b, van de verordening kapitaalvereisten;
c. blootstellingen als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel c, van de verordening kapitaalvereisten; of
d. blootstellingen ten aanzien waarvan de Nederlandsche Bank ontheffing heeft verleend als bedoeld in artikel 129, eerste lid, derde alinea, van de verordening kapitaalvereisten.
4.
Bij hantering van dekkingsactiva op grond van het derde lid, gelden de volgende maxima:
a. voor die dekkingsactiva gezamenlijk: 20% van het nominale bedrag van de geregistreerde gedekte obligaties die onder de desbetreffende categorie uitstaan; en
b. voor de afzonderlijke soorten als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van het derde lid: de maxima voor dekkingsactiva van een bepaalde soort van artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met c en derde alinea, van de verordening kapitaalvereisten.
1.
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, draagt er zorg voor dat de rechtspersoon die rechthebbende is van de dekkingsactiva, voor de categorie waartoe die obligatie behoort, te allen tijde voldoende liquide activa aanhoudt of genereert door middel van dekkingsactiva om de volgende zes maanden te kunnen voldoen aan:
a. haar verplichting tot tijdige betaling van de over de uitstaande geregistreerde gedekte obligaties verschuldigde rente;
b. haar verplichting tot betaling van de aflossing over de uitstaande geregistreerde gedekte obligaties; en
c. andere bij ministeriële regeling vast te stellen verplichtingen.
2.
De verplichting op grond van het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de rechtspersoon die rechthebbende is van de dekkingsactiva, op grond van de op die obligatie toepasselijke voorwaarden gerechtigd is om betaling van de aflossing met minimaal zes maanden uit te stellen ten opzichte van de oorspronkelijke aflossingsdatum.
3.
Bij berekening van de hoogte van de verplichtingen waarvoor een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, liquide activa moet aanhouden of doen aanhouden, dan wel genereren of doen genereren, op grond van het eerste lid, worden verwachte kasstromen uit derivatencontracten en andere risicomitigatie-instrumenten ter afdekking van die verplichtingen in aanmerking genomen.
Artikel 40h
Een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, voorziet in betrouwbare en doeltreffende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij gedurende de looptijd van de geregistreerde gedekte obligatie voortdurend nagaat of, en er zorg voor draagt dat, er voldoende dekkingsactiva en liquide activa met de juiste eigenschappen zijn veiliggesteld, rekening houdend met de aard en samenstelling van de dekkingsactiva en liquide activa, het minimale bedrag aan dekkingsactiva, bedoeld in artikel 40f, eerste en tweede lid, en liquide activa, bedoeld in artikel 40g, eerste lid.
1.
De Nederlandsche bank kan besluiten om een verzoek van een bank tot registratie als bedoeld in artikel 3:33a, eerste lid, van de wet af te wijzen indien de Nederlandsche Bank oordeelt dat uitgifte van geregistreerde gedekte obligaties door die bank afbreuk doet aan een gezonde verhouding tussen de totale uitstaande geregistreerde gedekte obligaties van die bank en de totale geconsolideerde balans van die bank.
2.
De Nederlandsche Bank kan besluiten om een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, te verbieden over te gaan tot verdere uitgifte van geregistreerde gedekte obligaties, indien de Nederlandsche Bank oordeelt dat een verdere uitgifte afbreuk doet aan een gezonde verhouding tussen de totale uitstaande geregistreerde gedekte obligaties van die bank en de totale geconsolideerde balans van die bank.
Artikel 40j
Bij of krachtens ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot:
a. de veiligstelling van de dekkingsactiva en de veiligstelling van betaling op de geregistreerde gedekte obligaties op adequate, transparante en verantwoorde wijze;
b. de door een bank die een geregistreerde gedekte obligatie uitgeeft, aan de houders daarvan of aan de Nederlandsche Bank te verstrekken informatie.
Artikel 40k
De Nederlandsche Bank stelt een lijst op van de op grond van artikel 1:107, eerste en derde lid, onderdelen m en n, van de wet geregistreerde categorieën geregistreerde gedekte obligaties en banken die geregistreerde gedekte obligaties uitgeven en doet daarvan, alsmede van wijzigingen daarvan, mededeling aan de Europese Commissie en de Europese Autoriteit voor effecten en markten.
1.
In afwijking van de artikelen 3:36, derde lid, en 3:43, eerste lid, van de wet is het schadeverzekeraars toegestaan in de uitoefening van hun bedrijf, naast de risico’s die behoren tot de branche waarvoor de vergunning is verleend, tevens risico’s te verzekeren die behoren tot andere branches, met uitzondering van de branches Krediet en Borgtocht, indien deze risico’s naar het oordeel van de Nederlandsche Bank als bijkomende risico’s kunnen worden beschouwd, omdat zij:
a. samenhangen met het hoofdrisico dat behoort tot de branche waarvoor de vergunning is verleend;
b. betrekking hebben op het belang of gevaarsobject dat is verzekerd tegen het hoofdrisico; en
c. worden verzekerd bij dezelfde overeenkomst als het hoofdrisico.
2.
De risico’s van de branche Rechtsbijstand mogen uitsluitend worden verzekerd als bijkomend risico van de branche Hulpverlening en van branches waarbij risico’s worden verzekerd die verband houden met het gebruikvan zeeschepen.
Artikel 42
Als adres van een vertegenwoordiger in Nederland van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40 van de wet waaraan rechtsgeldig mededelingen kunnen worden gedaan wordt beschouwd het in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 43
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid of 3:50, tweede lid, van de wet wordt geacht, indien de vertegenwoordiger ontbreekt, zijn woonplaats te hebben bij het parket van de officier van justitie in het arrondissement waarin de rechtbank is gelegen waar de verzekeraar ingevolge artikel 42 het laatst zijn woonplaats had, of anders bij het parket van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam.
1.
De omstandigheden, bedoeld in artikel 3:40 en 3:47, zesde lid, van de wet waaronder de vertegenwoordiger van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid, of 3:50, tweede lid, van de wet ophoudt vertegenwoordiger te zijn, zijn de omstandigheden, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid en in de artikelen 45 tot en met 47.
2.
De verzekeraar die voornemens is de vertegenwoordiging te beëindigen, geeft daarvan kennis aan de Nederlandsche Bank.
3.
De kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, vermeldt tevens de naam van degene die de verzekeraar voornemens is aan te stellen als opvolger van de vertegenwoordiger.
4.
Indien de opvolger rechtspersoon is, gaat de kennisgeving gepaard met de statuten van deze rechtspersoon, een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister en een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon die is aangesteld als vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger die rechtspersoon is.
5.
De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:47, eerste lid, of 3:50, tweede lid, van de wet beëindigt de vertegenwoordiging op de dag waarop van de beëindiging kennis is gegeven aan de Nederlandsche Bank.
6.
De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:47, eerste lid, of artikel 3:50, tweede lid, van de wet geeft geen uitvoering aan het voornemen indien de Nederlandsche Bank er niet mee instemt. Indien de Nederlandsche Bank besluit niet in te stemmen met het voornemen, maakt zij haar besluit daartoe aan de financiële onderneming bekend:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
1.
De vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 3:40, 3:47, zesde lid, of 3:50, tweede lid, van de wet die voornemens is de vertegenwoordiging te beëindigen, geeft daarvan kennis aan de Nederlandsche Bank.
2.
De vertegenwoordiger van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:47, eerste lid, of 3:50, tweede lid, van de wet behoudt de hoedanigheid van vertegenwoordiger tot de dag waarop hij van de beëindiging kennis heeft gegeven aan de Nederlandsche Bank.
3.
De vertegenwoordiger geeft geen uitvoering aan het voornemen indien de Nederlandsche Bank er niet mee instemt. Indien de Nederlandsche Bank besluit niet in te stemmen met het voornemen, maakt zij haar besluit daartoe aan de financiële onderneming bekend:
a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
1.
De vertegenwoordiger van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:40, 3:47, tweede lid of 3:50, tweede lid, van de wet houdt op vertegenwoordiger te zijn vanaf de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsanering natuurlijke personen, de verlening van surseance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van een of meer goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling.
2.
De aanwijzing door de vertegenwoordiger van een natuurlijk persoon die is aangewezen als vertegenwoordiger die een rechtspersoon is, vervalt van rechtswege op de dag van het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surseance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de aangewezen natuurlijk persoon alsmede op de dag van verlening van surseance van betaling aan of faillietverklaring van de vertegenwoordiger.
1.
Van het overlijden, het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, de verlening van surseance van betaling, de faillietverklaring, de ontbinding, bedoeld in artikel 19 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de onderbewindstelling van een of meer goederen, bedoeld in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of de ondercuratelestelling van de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon die is aangewezen als vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger die rechtspersoon is, alsmede van de beëindiging van de vertegenwoordiging van de vertegenwoordiger door deze natuurlijke persoon, geeft de verzekeraar onderscheidenlijk de vertegenwoordiger binnen zeven dagen kennis aan de Nederlandsche Bank.
2.
De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:40 van de wet, legt, in de gevallen, genoemd in het eerste lid, en in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, de vertegenwoordiging heeft beëindigd, aan de Nederlandsche Bank een bewijs van aanstelling van de vertegenwoordiger over alsmede, indien de vertegenwoordiger een rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister en een bewijs van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid.
3.
De verzekeraar, bedoeld in het tweede lid, verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede lid, binnen twee weken na de betrokken aanstelling.
4.
De verzekeraar, bedoeld in artikel 3:47, tweede lid, of 3:50, tweede lid, van de wet, wijst, in de gevallen, genoemd in het eerste lid, en in het geval dat de vertegenwoordiger of de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 3:47, vijfde lid, van de wet, de vertegenwoordiging heeft beëindigd, binnen een door de Nederlandsche Bank te bepalen termijn een nieuwe vertegenwoordiger onderscheidenlijk natuurlijk persoon aan.
5.
De verzekeraar, bedoeld in het vierde lid, legt aan de Nederlandsche Bank een bewijs van aanstelling van de nieuwe vertegenwoordiger over alsmede, indien de nieuwe vertegenwoordiger rechtspersoon is, de statuten van deze rechtspersoon, een uittreksel uit diens inschrijving in het handelsregister en de akte van aanstelling van de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 3:47, vijfde lid, van de wet.
1.
Het minimumbedrag aan eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet bedraagt:
a. € 5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die geen bank als bedoeld in onderdeel b is, of voor een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet;
b. € 2,5 miljoen voor een bank als bedoeld in artikel 2:13 van de wet die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van het verlenen van beleggingsdiensten of het verrichten van beleggingsactiviteiten;
c. € 125.000 voor een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid van de wet;
d. € 125.000 voor een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
e. € 300.000 voor een beleggingsmaatschappij of een maatschappij voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die geen aparte beheerder hebben;
f. € 35.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die uitsluitend de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, verleent en die deze beleggingsdienst niet vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verlenen;
g. € 125.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, die een of meer van de beleggingsdiensten, bedoeld in de onderdelen a, b en c van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, verleent en waaraan het op grond van haar vergunning is toegestaan gelden of financiële instrumenten van cliënten onder zich te houden;
h. € 50.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, die uitsluitend een of meer van de beleggingsdiensten, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d en f van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, verleent en waaraan het op grond van haar vergunning niet is toegestaan gelden of financiële instrumenten van cliënten onder zich te houden;
i. € 50.000 voor een plaatselijke onderneming die haar werkzaamheden vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat of door middel van het verrichten van diensten naar een andere lidstaat mag verrichten;
j. € 730.000 voor een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, niet zijnde een beleggingsonderneming als bedoeld in de onderdelen f tot en met i;
k. € 20.000 voor een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die uitsluitend de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
l. € 50.000 voor een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die uitsluitend de in punt 7 van de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
m. € 125.000 voor een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet die een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
n. € 112.500 voor een bewaarder of bewaarder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
o. € 350.000 voor een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
p. € 500.000 voor een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
q. € 112.500 voor een pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
r. € 1 miljoen voor een kredietunie als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet die geen andere beleggingsdienst mogen verlenen dan de beleggingsdienst, bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, en geen nevendiensten als bedoeld in onderdeel a van de definitie van nevendienst in artikel 1:1 van de wet verrichten, indien zij beschikken over:
a. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die de aansprakelijkheid dekt van de beleggingsonderneming wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van diens beroep en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste € 1.120.200 per schadegeval en ten minste € 1.680.300 per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
b. een combinatie van een bedrag aan eigen vermogen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering als bedoeld in onderdeel a die resulteert in een dekking die ten minste gelijkwaardig is aan € 50.000 of onderdeel a.
3.
Onverminderd het eerste lid, aanhef en onderdeel h, beschikken beleggingsondernemingen als bedoeld in het tweede lid, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:80 of 2:86 van de wet is verleend, over:
a. een minimumbedrag aan eigen vermogen van € 25.000;
b. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die hun aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van hun beroep en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste € 500.000 per schadegeval en ten minste € 750.000 per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
c. een combinatie van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening als bedoeld in onderdeel a die resulteert in een dekking die ten minste gelijkwaardig is aan € 25.000 of onderdeel b.
1.
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, berekent het minimumkapitaalvereiste overeenkomstig artikel 129 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II. Artikel 131 van de richtlijn solvabiliteit II is van toepassing.
2.
De Nederlandsche Bank kan gedurende een periode die niet later eindigt dan 31 december 2017 voorschrijven dat verzekeraars de in artikel 129, derde lid, eerste alinea, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde percentages uitsluitend toepassen op het met behulp van de standaardformule, bedoeld in titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, van die richtlijn, berekende solvabiliteitskapitaalvereiste.
Artikel 49a
De artikelen 129 en 131 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II inzake het minimumkapitaalvereiste zijn van overeenkomstige toepassing op het minimumkapitaalvereiste van een in Nederland gelegen bijkantoor van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
1.
De artikelen 129 en 131 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II inzake het minimumkapitaalvereiste zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid bedraagt de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, in afwijking van artikel 129, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn, voor de in het eerste lid bedoelde verzekeraars:
a. 250.000 euro voor een levensverzekeraar die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitkeringen bij overlijden verzekert, waarvan het bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van uitvaart;
b. 250.000 euro voor een natura-uitvaartverzekeraar;
c. 200.000 euro voor een schadeverzekeraar.
3.
De in het tweede lid bedoelde bedragen worden elke vijf jaar gewijzigd teneinde deze aan te passen aan de ontwikkeling van het door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 300 van de richtlijn solvabiliteit II bekendgemaakte geharmoniseerde indexcijfer van de consumentenprijzen van alle lidstaten, afgerond op een veelvoud van 10.000 euro. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
Artikel 50
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bank als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, van een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:54, eerste lid, van de wet, van een betaalinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet, van een elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, kredietunie als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet of van een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet, wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de verordening kapitaalvereisten. Op een premiepensioeninstelling met de rechtsvorm van een stichting is artikel 27 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.
Artikel 51
Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een bewaarder, bewaarder van een icbe of pensioenbewaarder als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, onderdelen a tot en met e, 51 en 62 van de verordening kapitaalvereisten. Op een bewaarder of pensioenbewaarder met de rechtsvorm van een stichting is artikel 27 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.
Artikel 52
Het minimumkapitaalvereiste van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, 3:54, eerste lid, of 3:55, eerste lid, van de wet of van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:54, derde lid, 3:55, tweede lid, of 3:55a, eerste lid, van de wet wordt gevormd door de waarde van het kernvermogen, bedoeld in artikel 88 van de richtlijn solvabiliteit II, voor zover dat ingevolge artikel 98, tweede en vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II, en met inachtneming van artikel 82, tweede en derde lid, van de verordening solvabiliteit II, in aanmerking komt ter dekking van het minimumkapitaalvereiste.
1.
De waarden die dienen ter dekking van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn solvabiliteit II, van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:54, eerste lid, van de wet zijn voor ten minste de helft aanwezig in Nederland.
2.
De waarden ter dekking van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 49b, tweede lid, van een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 3:55, eerste lid, van de wet, zijn voor ten minste de helft aanwezig in Nederland.
1.
Ten minste een vierde gedeelte van de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 54, wordt gedekt door verhandelbare waarden die in open bewaring worden gegeven bij een bank die in Nederland haar bedrijf mag uitoefenen.
2.
De Nederlandsche Bank kan, met het oog op het voorkomen van waardevermindering van de waarden, bedoeld in het eerste lid, regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder die waarden in bewaring kunnen worden gegeven.
1.
Een verzekeraar kan met de bank, bedoeld in artikel 55, eerste lid, overeenkomen dat deze bij haar in bewaring gegeven waarden op naam van de verzekeraar mag overdragen aan een effectenbewaarinstelling die rechtspersoon is, indien:
a. de nakoming van de verplichtingen van de effectenbewaarinstelling is gewaarborgd; en
b. de effectenbewaarinstelling zich jegens de bank heeft verplicht om hetzij die waarden hetzij een gelijke hoeveelheid waarden van dezelfde soort op naam van de verzekeraar in haar voorraad aanwezig te houden en na beëindiging van de overeenkomst tussen de verzekeraar en de bank af te geven aan de verzekeraar.
2.
De bank, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderscheidenlijk de effectenbewaarinstelling draagt zelfstandig zorg voor verkrijging van nieuwe coupon- en dividendbladen en voor bewaargeving in verband met het bijwonen van aandeelhoudersvergaderingen door de verzekeraar.
3.
De waarden worden slechts aan de verzekeraar afgegeven en ten aanzien daarvan worden slechts rechtshandelingen verricht, indien de Nederlandsche Bank daartoe, op verzoek, heeft besloten. De bank, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderscheidenlijk de effectenbewaarinstelling mag evenwel vanaf twee weken voor de dag der betaalbaarstelling coupons en dividendbewijzen zonder een besluit van de Nederlandsche Bank daartoe aan de verzekeraar afgeven, tenzij de Nederlandsche Bank heeft besloten dat zij dat niet mag. De Nederlandsche Bank deelt dit besluit onverwijld aan de verzekeraar mede.
4.
De waarden worden op verzoek van de Nederlandsche Bank aan haar ter bewaring afgegeven, indien de bank, bedoeld in artikel 55, eerste lid:
a. niet langer in Nederland haar bedrijf mag uitoefenen; of
b. de overeenkomst met de verzekeraar beëindigt dan wel de nakoming van de verplichtingen van de effectenbewaarinstelling niet langer waarborgt.
5.
De Nederlandsche Bank geeft de waarden onverwijld na de afgifte, bedoeld in het vierde lid, op kosten van de verzekeraar in bewaring bij een bank die in Nederland haar bedrijf mag uitoefenen.
1.
De solvabiliteit van een beheerder van een beleggingsinstelling, beheerder van een icbe, betaalinstelling, elektronischgeldinstelling, kredietunie of premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet is voldoende, indien het aanwezige in aanmerking komende toetsingsvermogen van de onderneming ten minste gelijk is aan de minimum omvang van het toetsingsvermogen, berekend overeenkomstig de artikelen 60a, 61, 63, 63a en 64.
2.
De solvabiliteit van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, of 3:61, eerste of tweede lid, of van een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:59, eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet is voldoende indien het eigen vermogen, bedoeld in artikel 70, ten minste gelijk is aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, berekend overeenkomstig, al naar gelang van toepassing, artikel 65, 66 of 68.
3.
De solvabiliteit van een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:58, eerste lid, van de wet, is voldoende, indien het aanwezige toetsingsvermogen van de onderneming voldoet aan de op de bank of beleggingsonderneming van toepassing zijnde kapitaaleisen uit deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
4.
De solvabiliteit van een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, of 3:61, eerste lid, van de wet is voldoende, indien de omvang van het aanwezige toetsingsvermogen ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen voor een bank, berekend overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten.
5.
Onverminderd het eerste tot en met vierde lid is de omvang van het aanwezige toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, onderscheidenlijk het eigen vermogen, bedoeld in het tweede lid, ten minste gelijk aan het ingevolge artikel 48 voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen, onderscheidenlijk het ingevolge artikel 49, 49a of 49b voorgeschreven minimumkapitaalvereiste.
6.
Voor de toepassing van het eerste lid:
1°. wordt het tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten volledig voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen in aanmerking genomen;
2°. wordt het aanvullend tier 1-kapitaal als bedoeld in artikel 61 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kernkapitaal;
3°. wordt het tier 2-kapitaal als bedoeld in artikel 71 van de verordening kapitaalvereisten voor de berekening van het aanwezige toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen voor zover het niet meer bedraagt dan een derde van het tier 1-kapitaal; en
4°. mag, indien wordt voldaan aan de onderdelen 2° en 3°, het tier 2-kapitaal worden gesubstitueerd door aanvullend tier 1-kapitaal.
Artikel 59a
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de solvabiliteit van afwikkelondernemingen.
1.
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een betaalinstelling wordt berekend met toepassing van met de Nederlandsche Bank overeengekomen methode A, B of C, genoemd in bijlage B bij dit besluit.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliesgegevens en het interne controlesysteem en het bedrijfscontinuïteitsbeheer van de betaalinstelling daartoe aanleiding geeft, de betaalinstelling verplichten een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van een uit bijlage B gekozen methode, of de betaalinstelling toestaan een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20% lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de uit bijlage B gekozen methode.
1.
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietunie bedraagt 10 procent van de totale risicoblootstelling, berekend overeenkomstig het tweede en derde lid.
2.
De voor de bepaling van de totale risicoblootstelling in aanmerking te nemen posten zijn:
a. de balanswaarde van alle activa, met uitzondering van de in bijlage II van de verordening kapitaalvereisten opgesomde contracten en van kredietderivaten;
b. de blootstellingswaarde van de in bijlage II van de verordening kapitaalvereisten opgesomde contracten en van kredietderivaten, berekend overeenkomstig artikel 429 bis van de verordening kapitaalvereisten;
c. de opslagfactoren voor tegenpartijkredietrisico bij retrocessietransacties, transacties inzake verstrekte of opgenomen effecten- of grondstofleningen en transacties met afwikkeling op lange termijn en margeleningstransacties, berekend overeenkomstig artikel 429 ter van de verordening kapitaalvereisten; en
d. de blootstellingswaarde van de posten buiten de balanstelling, met uitzondering van de posten, bedoeld in onderdeel b, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 429, tiende lid, van de verordening kapitaalvereisten.
3.
De voor de bepaling van de totale risicoblootstelling uit te zonderen posten zijn:
a. alle activa en posten buiten de balanstelling die zijn afgetrokken bij de vaststelling van het toetsingsvermogen;
b. de activa, bedoeld in artikel 429, dertiende lid, van de verordening kapitaalvereisten, indien is voldaan aan de voorwaarden van dat lid; en
c. activa voor zover die gedekt zijn door een garantie van de Nederlandse Staat.
1.
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet, of van een beheerder van een icbe als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet bedraagt € 125.000 vermeerderd met twee honderdste procent van het bedrag waarmee de waarde van het beheerde vermogen het bedrag van € 250 miljoen te boven gaat. De minimumomvang van het toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 10 miljoen.
2.
Tot het beheerde vermogen wordt gerekend het vermogen van de beleggingsinstellingen of van de icbe’s waarover de beheerder het beheer voert met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan hij het beheer heeft uitbesteed, uitgezonderd de delen van het vermogen waarvan het beheer door derden aan hem is uitbesteed.
3.
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een beheerder van een beleggingsinstelling of een beheerder van een icbe als bedoeld in het eerste lid bedraagt ten minste 25 procent van de vaste kosten in het afgelopen boekjaar. Artikel 97 van de verordening kapitaalvereisten is van overeenkomstige toepassing.
1.
De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet bedraagt twee tiende procent van het beheerde pensioenvermogen. De minimumomvang van het toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 20 miljoen.
2.
In aanvulling op het eerste lid beschikt een premiepensioeninstelling naar keuze over:
a. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die haar aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste vijfenzeventig honderdste procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
b. een aanvulling op het toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste lid, welke een tiende procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen bedraagt.
3.
Tot het beheerde pensioenvermogen wordt gerekend het vermogen onder beheer van de premiepensioeninstelling met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan zij de bewaring heeft uitbesteed aan een pensioenbewaarder.
4.
Indien een premiepensioeninstelling pensioenvermogen beheert in opdracht van een cliënt buiten het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, beschikt zij voor dat deel van het beheerde pensioenvermogen in afwijking van het tweede lid, aanhef, over de aanvulling op het toetsingsvermogen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
1.
In aanvulling op het op grond van de artikelen 48, eerste lid, onderdelen c en e, vereiste minimumbedrag aan eigen vermogen en het op grond van artikel 63 vereiste toetsingsvermogen, beschikt een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, of een beheerder van een beleggingsinstelling, over een bijkomend eigen vermogen of een beroepsaansprakelijkheidsverzekering ter dekking van mogelijke beroepsaansprakelijkheidsrisico’s in overeenstemming met artikel 9, zevende en negende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
2.
Het eigen vermogen, toetsingsvermogen en het bijkomend eigen vermogen als bedoeld in het eerste lid wordt belegd in overeenstemming met artikel 9, achtste lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
1.
Voor het deel van de werkzaamheden van een elektronischgeldinstelling dat betrekking heeft op de uitgifte van elektronisch geld en betaaldiensten die verband houden met de uitgifte van dit elektronisch geld, bedraagt de minimumomvang van het toetsingsvermogen 2% van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
2.
Voor het deel van de werkzaamheden van een elektronischgeldinstelling dat betrekking heeft op het verlenen van betaaldiensten die geen verband houden met de uitgifte van elektronisch geld, wordt de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 60a, eerste lid.
3.
De omvang van het toetsingsvermogen van een elektronischgeldinstelling bedraagt te allen tijde ten minste de som van de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend volgens het eerste lid en de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend volgens het tweede lid.
4.
Indien een elektronischgeldinstelling de uitgifte van elektronisch geld niet gedurende ten minste zes maanden heeft uitgeoefend, bedraagt de minimum omvang van het toetsingsvermogen, bedoeld in het tweede lid, twee procent van het uitstaand elektronisch geld of het blijkens haar programma van werkzaamheden na zes maanden nagestreefde bedrag aan uitstaand elektronisch geld, naar gelang welk bedrag het hoogst is.
5.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan de Nederlandsche Bank indien een evaluatie van de risicobeheersingsprocessen, het verzamelen en vastleggen van risicoverliesgegevens en het internecontrolesysteem van de elektronischgeldinstelling daartoe aanleiding geeft, de elektronischgeldinstelling verplichten een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20 procent hoger is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de methode, bedoeld in het eerste of tweede lid, of de elektronischgeldinstelling toestaan een toetsingsvermogen aan te houden dat ten hoogste 20 procent lager is dan het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de methode, bedoeld in het eerste of tweede lid.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:59, eerste lid, 3:61, eerste of tweede lid, of 3:62, eerste lid, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, berekent het op hem of op het in Nederland gelegen bijkantoor van toepassing zijnde solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste eenmaal per jaar en opnieuw indien het risicoprofiel van de verzekeraar duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag lagen aan de laatste berekening, of indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt vanwege aanwijzingen dat het risicoprofiel sinds die laatste berekening duidelijk is veranderd. De verzekeraar meldt de uitkomst van een tussentijdse herberekening onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
2.
De verzekeraar maakt voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, gebruik van de standaardformule, bedoeld in artikel 103 van de richtlijn solvabiliteit II, of van een geheel of gedeeltelijk intern model als bedoeld in artikel 112, eerste lid, van de richtlijn.
3.
Een verzekeraar die de standaardformule, bedoeld in het tweede lid, toepast, berekent het solvabiliteitskapitaalvereiste overeenkomstig titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, van de richtlijn solvabiliteit II en neemt daarbij titel I, hoofdstuk V, van de verordening solvabiliteit II in acht.
4.
De Nederlandsche Bank kan, overeenkomstig artikel 104, zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II, aan een verzekeraar die de standaardformule toepast, goedkeuring verlenen voor het gebruik van de in dat lid bedoelde ondernemingsspecifieke parameters voor de modules voor het levens-, schade- en ziektekostenverzekeringstechnische risico. De verzekeraar voldoet daarbij aan de in dat lid gestelde eisen.
5.
Een verzekeraar maakt uitsluitend gebruik van een intern model dat door de Nederlandsche Bank is goedgekeurd overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 115 van de richtlijn solvabiliteit II. De verzekeraar voldoet aan de artikelen 116 en 120 tot en met 126 van de richtlijn, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VI, van de verordening solvabiliteit II.
6.
De Nederlandsche Bank kan een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid verplichten een intern model te gebruiken voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste of relevante risicomodules daarvan, indien het risicoprofiel van de verzekeraar duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule, bedoeld in het tweede lid.
7.
Een verzekeraar die goedkeuring heeft gekregen voor het gebruik van een intern model valt niet terug op het gebruik van de standaardformule, bedoeld in het tweede lid, tenzij daar goede redenen voor zijn en de Nederlandsche Bank ermee heeft ingestemd.
8.
Een verzekeraar die niet meer voldoet aan de artikelen 120 tot en met 126 van de richtlijn solvabiliteit II dient onverwijld een plan in bij de Nederlandsche Bank om aan deze situatie een einde te maken. Indien de verzekeraar het plan niet uitvoert kan de Nederlandsche Bank de verzekeraar verplichten het solvabiliteitskapitaalvereiste te berekenen met gebruikmaking van de standaardformule, bedoeld in het tweede lid.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:59, eerste lid, 3:61, eerste of tweede lid, of 3:62, eerste lid, met beperkte risico-omvang berekent het op hem of op het in Nederland gelegen bijkantoor van toepassing zijnde solvabiliteitskapitaalvereiste ten minste eenmaal per jaar en opnieuw indien het risicoprofiel van de verzekeraar duidelijk afwijkt van de aannames die ten grondslag lagen aan de laatste berekening, of indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt vanwege aanwijzingen dat het risicoprofiel sinds die laatste berekening duidelijk is veranderd. De verzekeraar meldt de uitkomst van een tussentijdse herberekening onverwijld aan de Nederlandsche Bank.
2.
De verzekeraar maakt voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, gebruik van de standaardformule, bedoeld in artikel 103 van de richtlijn solvabiliteit II, zonder toepassing van de in onderdeel c van dat artikel bedoelde correctie voor het verliesabsorberend vermogen van de technische voorzieningen. Titel I, hoofdstuk VI, afdeling 4, onderafdeling 2, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk V, van de verordening solvabiliteit II zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de verzekeraar de vereenvoudigde berekeningsmethoden als bedoeld in de artikelen 89 tot en met 112 van de verordening, kan toepassen, mits:
a. deze berekeningsmethoden passen bij de aard, omvang en complexiteit van de risico’s van de verzekeraar en deze berekeningen niet leiden tot een significante onderschatting van het solvabiliteitskapitaalvereiste;
b. het gebruik ervan goed wordt onderbouwd en vastgelegd;
c. ten aanzien van de toepassing van de berekeningsmethoden een bestendige gedragslijn wordt gevolgd.
3.
Artikel 65, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.
De verzekeraar kan bij de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste rekening houden met:
a. aanwezige risicomitigerende instrumenten, mits deze aantoonbaar effectief zijn en niet resulteren in een materieel basisrisico als bedoeld in artikel 1, punt 25, van de verordening solvabiliteit II;
b. toekomstige risicomitigerende instrumenten, mits deze realistisch zijn en aantoonbaar voortvloeien uit de reguliere bedrijfsvoering, het gevoerde risicobeheer of het afdekkingsbeleid.
Artikel 67
Op de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardformule overeenkomstig artikel 65 of 66 zijn de overgangsmaatregelen, bedoeld in artikel 308 ter, twaalfde en dertiende lid, van de richtlijn solvabiliteit II van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing, tenzij een verzekeraar gebruik maakt van de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quinquies van die richtlijn.
Artikel 68
Een herverzekeraar die zijn bedrijf uitoefent in de activiteit schadeherverzekering of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, 3:58, eerste of tweede lid, 3:61, eerste lid, of 3:62, eerste lid, van de wet en daarbij zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet herverzekert onderscheidenlijk sluit, kan zijn solvabiliteitskapitaalvereiste berekenen met toepassing van artikel 149 van de verordening solvabiliteit II.
1.
De Nederlandsche Bank toetst op regelmatige basis, maar ten minste eenmaal per drie jaar, of een bank of beleggingsonderneming in de zin van de verordening kapitaalvereisten die gebruik maakt van interne modellen voor de berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel 3 van de verordening kapitaalvereisten, voldoet aan de ingevolge dat deel gestelde eisen. Daarbij houdt de Nederlandsche Bank in het bijzonder rekening met wijzigingen in de activiteiten van de bank of beleggingsonderneming en het toepassen van interne modellen op nieuwe financiële producten en diensten.
2.
Indien bij de toetsing, bedoeld in het eerste lid, wezenlijke tekortkomingen worden vastgesteld in het ondervangen van risico’s door het interne model, neemt de Nederlandsche Bank maatregelen om deze tekortkomingen te verhelpen of andere passende maatregelen. Daarbij is de Nederlandsche Bank in ieder geval bevoegd een hogere vermenigvuldigingsfactor als bedoeld in artikel 366 van de verordening kapitaalvereisten op te leggen of te bepalen dat de bank of beleggingsonderneming over een hoger toetsingsvermogen beschikt dan ingevolge artikel 3:57 van de wet is vereist.
3.
Indien uit veelvuldige overschrijding als bedoeld in artikel 366 van de verordening kapitaalvereisten blijkt dat een risicomodel als bedoeld in artikel 455 van de verordening kapitaalvereisten niet of niet langer voldoende accuraat is, trekt de Nederlandsche Bank de toestemming aan de bank of beleggingsonderneming voor het gebruik van het betreffende model in, of legt zij maatregelen op die ertoe leiden dat het model onverwijld wordt verbeterd.
4.
Indien een bank of beleggingsonderneming niet langer voldoet aan de vereisten voor het gebruik van een bepaald intern model, stelt de Nederlandsche Bank de bank of beleggingsonderneming in de gelegenheid om aan te tonen dat het niet voldoen aan de vereisten van ondergeschikt belang is of om een plan op te stellen op grond waarvan binnen een redelijke termijn opnieuw aan de vereisten wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan, voor zover naar haar oordeel noodzakelijk, verbeteringen aan het plan opleggen of een andere termijn vaststellen waarbinnen het plan wordt uitgevoerd.
5.
Indien de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de bank of beleggingsonderneming niet in staat is om uitvoering te geven aan het plan, bedoeld in het vierde lid, en de bank of beleggingsonderneming niet heeft aangetoond dat het niet voldoen aan de vereisten van ondergeschikt belang is, trekt zij de toestemming voor het gebruik van het interne model in of beperkt zij de toestemming tot de onderdelen ten aanzien waarvan wel aan de vereisten wordt voldaan of binnen een redelijke termijn kan worden voldaan.

§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:57, tweede lid en 3:59, tweede lid, van de wet
1.
Het eigen vermogen van een verzekeraar wordt gevormd door het eigen vermogen, bedoeld in artikel 87 van de richtlijn solvabiliteit II, ingedeeld in tiers overeenkomstig de artikelen 93 tot en met 96 van die richtlijn, voor zover dat overeenkomstig artikel 98 van de richtlijn, en met inachtneming van artikel 82, eerste en derde lid, van de verordening solvabiliteit II, in aanmerking komt ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste. Het bij de berekening van het eigen vermogen in aanmerking te nemen bedrag aan aanvullend vermogen behoeft de voorafgaande goedkeuring van de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 90 van de richtlijn solvabiliteit II.
2.
Met betrekking tot de indeling van het eigen vermogen in tier 1 en tier 2, is de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 ter, negende onderscheidenlijk tiende lid, van de richtlijn solvabiliteit II van toepassing, tenzij een verzekeraar gebruik maakt van de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quinquies van die richtlijn.

§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:59, tweede lid, en 3:62, tweede lid, van de wet
Artikel 71
De waarden die dienen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van een bijkantoor van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:59, tweede lid, van de wet of een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in artikel 3:62, tweede lid, van de wet zijn aanwezig in Nederland tot het bedrag van het minimumkapitaalvereiste en voor het meerdere in één of meer lidstaten.
1.
Op een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:57, vijfde lid, van de wet zijn de eisen betreffende grote risicoblootstellingen ingevolge deel 4 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing.
2.
Op een kredietunie als bedoeld in artikel 3:57, zesde lid, van de wet zijn de eisen betreffende grote risicoblootstellingen ingevolge deel 4 van de verordening kapitaalvereisten van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de minimum omvang van het toetsingvermogen in afwijking van artikel 61, eerste lid, van dit besluit, 20 procent bedraagt voor het meerdere van grote risicoblootstellingen boven 15 procent van het aanwezige in aanmerking komende toetsingsvermogen.
1.
Een beheerder van een icbe, maatschappij voor collectieve belegging in effecten, of bewaarder van een icbe als bedoeld in artikel 3:57, vijfde lid, van de wet verstrekt geen kredieten voor rekening van derden, stelt zich niet garant en gaat geen borgtochtverplichtingen aan.
2.
Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid verkoopt geen financiële instrumenten die de instelling voor collectieve belegging in effecten niet in eigendom heeft.
3.
De financiële onderneming gaat niet als debiteur geldleningen aan met uitzondering van:
a. kortlopende leningen die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van de activa van de instelling voor collectieve belegging in effecten;
b. leningen voor het verwerven van onroerende zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij en die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van haar activa, voor zover de omvang van deze geldleningen tezamen met de omvang van de in onderdeel a genoemde leningen niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar activa; of
c. leningen met als doel de verwerving van vreemde valuta waardoor de netto schuld van de instelling voor collectieve belegging in effecten niet verandert of zal veranderen.

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:62a en 3:62b van de wet
1.
De vereiste omvang van de kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, bedraagt de som van de omvang van de volgende componenten, voor zover van toepassing:
a. een kapitaalconserveringsbuffer, zijnde de minimaal vereiste omvang van de kapitaalbuffer;
b. een contracyclische kapitaalbuffer, in verband met risico’s die voortvloeien uit de kredietcyclus, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel a, van de wet;
c. een systeemrelevantiebuffer, in verband met het risico dat de financiële onderneming vormt voor de stabiliteit van het financiële stelsel, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel b, van de wet;
d. een systeemrisicobuffer, in verband met risico’s die voortvloeien uit niet-cyclische langetermijnsysteemrisico’s of niet-cyclische macroprudentiële langetermijnrisico’s, als bedoeld in artikel 3:62a, tweede lid, onderdeel c, van de wet.
2.
De omvang van de in het eerste lid bedoelde buffercomponenten wordt uitgedrukt in een percentage van het overeenkomstig artikel 92, derde lid, van de verordening kapitaalvereisten berekende totaal van risicoposten.
3.
Indien op een onderneming een systeemrelevantiebuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, of een systeemrisicobuffer als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, van toepassing is, wordt de totale toepasselijke omvang van die buffercomponenten bepaald op de wijze, genoemd in artikel 131, veertiende tot en met zeventiende lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
4.
De ingevolge de artikelen 105a, 105b en 105d vereiste omvang van de in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bedoelde componenten wordt gedurende de hierna genoemde perioden vermenigvuldigd met de daarbij vermelde percentages:
a. tot en met 31 december 2015: 0 procent;
b. voor de duur van het kalenderjaar 2016: 25 procent;
c. voor de duur van het kalenderjaar 2017: 50 procent;
d. voor de duur van het kalenderjaar 2018: 75 procent.
Artikel 105a
De kapitaalconserveringsbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel a, bedraagt tweeënhalf procent.
1.
De contracyclische kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel b, is gelijk aan het overeenkomstig artikel 140 van de richtlijn kapitaalvereisten berekende gewogen gemiddelde van de contracyclischebufferpercentages die de betrokken bank of beleggingsonderneming dient toe te passen voor elke staat waar de relevante kredietblootstellingen van de onderneming gelegen zijn.
2.
De Nederlandsche Bank stelt elk kwartaal het contracyclischebufferpercentage vast voor in Nederland gelegen kredietblootstellingen, met inachtneming van artikel 136, tweede tot en met zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
3.
Ten aanzien van kredietblootstellingen, gelegen in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is, past de bank of beleggingsonderneming het contracyclischebufferpercentage toe dat door de ingevolge artikel 136, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat of staat is vastgesteld. Indien in plaats of in afwijking daarvan door de Nederlandsche Bank een percentage is vastgesteld overeenkomstig artikel 139, tweede of derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten of dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 140, tweede of derde lid, van de richtlijn, past de bank of beleggingsonderneming dat percentage toe.
4.
De Nederlandsche Bank maakt de door een bank of beleggingsonderneming ingevolge het tweede en derde lid toe te passen contracyclischebufferpercentages bekend door publicatie op haar website, met inachtneming van de artikelen 136, zevende lid, 137, tweede lid, en 139, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
1.
De Nederlandsche Bank beoordeelt of banken en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, alsmede Nederlandse financiële EU-moederholdings en Nederlandse gemengde financiële moederholdings:
a. als mondiaal systeemrelevant worden aangemerkt, aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 131, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten; of
b. als anderzins systeemrelevant worden aangemerkt, aan de hand van de volgende criteria:
1°. de omvang van de onderneming;
2°. de verwevenheid van de activiteiten, de activa, de passiva of de zeggenschap van de onderneming met andere financiële ondernemingen of andere partijen die hoofdzakelijk actief zijn op de financiële markten;
3°. de mate van vervangbaarheid van de dienstverlening van de onderneming;
4°. de belemmeringen die bestaan ten aanzien van de afwikkelbaarheid van de onderneming;
5°. de mate waarin een gedraging van de onderneming of van een derde ten aanzien van de onderneming op de financiële markten kan leiden tot gedragingen van andere partijen die actief zijn op de financiële markten.
2.
De beoordeling ingevolge het eerste lid van de systeemrelevantie van een Nederlandse financiële EU-moederholding of Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding vindt plaats op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.
3.
De Nederlandsche Bank voert de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, ten minste jaarlijks uit. Onze Minister kan de Nederlandsche Bank op ieder moment verzoeken een beoordeling uit te voeren.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde criteria. Tevens kunnen bij ministeriële regeling aanvullende criteria worden vastgesteld in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel.
1.
De systeemrelevantiebuffer is van toepassing op banken en beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 105c als systeemrelevant zijn aangemerkt. Indien de Nederlandsche Bank een Nederlandse financiële EU-moederholding of Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding als systeemrelevant heeft aangemerkt, is de systeemrelevantiebuffer van toepassing op de banken en beleggingsondernemingen die dochteronderneming van die holding zijn, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.
2.
De Nederlandsche Bank stelt de vereiste omvang van de systeemrelevantiebuffer vast. Deze buffer bedraagt een, anderhalf of twee procent, al naar gelang de mate waarin, gelet op de criteria, bedoeld in artikel 105c, eerste lid, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank het risico bestaat dat de situatie waarin de als systeemrelevant aangemerkte onderneming op enig moment zou kunnen komen te verkeren, de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar kan brengen. Indien de onderneming als mondiaal systeemrelevant is aangemerkt, kan de vereiste omvang van de buffer overeenkomstig artikel 131, negende tot en met elfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten en met inachtneming van artikel 131, veertiende tot en met zeventiende lid, van de richtlijn tevens worden vastgesteld op tweeënhalf of drieënhalf procent.
3.
De Nederlandsche Bank stelt ten minste dertig dagen voordat zij een besluit tot vaststelling van een systeemrelevantiebuffervereiste als bedoeld in het tweede lid neemt, Onze Minister op de hoogte van haar voornemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voornemen tot wijziging of intrekking van een zodanig besluit. De verplichting tot kennisgeving aan Onze Minister is niet van toepassing indien de Europese Centrale Bank de bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, uitoefent.
Artikel 105e
De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van de artikelen 133 en 134 van de richtlijn kapitaalvereisten regels stellen ten aanzien van de systeemrisicobuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel d.
1.
De vereiste omvang van de kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, wordt gedekt door tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten.
2.
Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de minimumomvang van het toetsingsvermogen ingevolge artikel 59, derde lid.
1.
Onverminderd artikel 77 van de verordening kapitaalvereisten kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62b, tweede lid, van de wet, in afwijking van dat artikel de bedoelde uitkeringen, toekenningen of betalingen doen, ter grootte van ten hoogste het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 141, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten. Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.
2.
Van het voornemen tot het doen van een uitkering, toekenning of betaling als bedoeld in het eerste lid geeft de betrokken onderneming kennis aan de Nederlandsche Bank, onder overlegging van de gegevens, bedoeld in artikel 141, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.
Artikel 105h
De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, vermeldt tevens het maximaal uitkeerbare bedrag, bedoeld in artikel 105g, eerste lid, zoals berekend door de bank of beleggingsonderneming.
1.
Het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, bevat:
a. een schatting van de inkomsten en uitgaven en een balansverwachting;
b. een beschrijving van de maatregelen die de betrokken onderneming voornemens is te nemen om haar toetsingsvermogen te vergroten;
c. een plan en tijdspad om het toetsingsvermogen te vergroten opdat de onderneming voldoet aan het ingevolge artikel 3:62a, eerste lid, van de wet op de onderneming toepasselijke kapitaalbuffervereiste;
d. andere informatie die noodzakelijk is voor een adequate beoordeling van het kapitaalconserveringsplan.
2.
De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.
Artikel 106
De liquiditeit van een bank, clearinginstelling, kredietunie of icbe als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet is voldoende, indien de aanwezige liquiditeit, bedoeld in artikel 111 of 112, ten minste gelijk is aan de ingevolge artikel 108, onderscheidenlijk artikel 109, vereiste liquiditeit.
1.
Het vereiste van voldoende liquiditeit ingevolge de artikelen 3:63, 3:64 en 3:65 van de wet is van toepassing op beleggingsondernemingen als bedoeld in die artikelen, indien zij beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel e van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet of beleggingsactiviteiten verrichten als bedoeld in onderdeel a van de definitie van verrichten van een beleggingsactiviteit in artikel 1:1 van de wet.
2.
Aan het vereiste, bedoeld in het eerste lid, is voldaan indien de beleggingsonderneming voldoet aan de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 6 van de verordening kapitaalvereisten, dat van overeenkomstige toepassing is op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:65 van de wet waarop het eerste lid van toepassing is.
1.
Het is een bank, clearinginstelling of kredietunie als bedoeld in artikel 3:63, 3:64 of 3:65 van de wet toegestaan om:
a. zowel de te ontvangen rente bij de aanwezige liquiditeit als de te betalen rente bij de vereiste liquiditeit mee te rekenen;
b. dochtermaatschappijen en bijkantoren die elk minder dan één procent uitmaken van het balanstotaal niet te betrekken bij de liquiditeitsberekeningen, indien ten minste 95 procent van het totale geconsolideerde balanstotaal wordt betrokken in de berekening;
c. middellijke deelnemingen en bijkantoren van deelnemingen waarbij geen sprake is van, in verhouding tot de bank, clearinginstelling of kredietunie als geheel, grote liquiditeitsbehoefte terwijl de liquiditeitsvoorziening ervan in belangrijke mate afhankelijk is van de moederonderneming onderscheidenlijk het hoofdkantoor, niet te betrekken bij de liquiditeitsberekeningen; of
d. een liquiditeitstekort in convertibele of inconvertibele valuta’s te compenseren met een overschot in convertibele valuta’s, voor zover afkomstig uit een land van waaruit vrije overdracht van liquiditeiten mogelijk is.
2.
Indien een bank of clearinginstelling kiest voor toepassing van het eerste lid, onderdeel b of c, betrekt zij de intragroepstransacties in de berekening van de liquiditeit.
3.
De Nederlandsche Bank stelt nadere regels betreffende de valuta’s die voor de toepassing van dit hoofdstuk als convertibel aangemerkt worden.
1.
De vereiste liquiditeit van een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64 of 3:65 van de wet bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de weekperiode respectievelijk de maandperiode.
2.
De vereiste liquiditeit van een kredietunie als bedoeld in artikel 3:63 van de wet bedraagt de som van de gewogen uitgaande kasstromen op basis van de kalenderposten, vermeerderd met de niet in de vervalkalender opgenomen gewogen toevertrouwde middelen en overige posten die opgevraagd kunnen worden of tot een betalingsverplichting kunnen leiden, gedurende de maandperiode.
3.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde posten en de weging daarvan.
1.
De vereiste liquiditeit van een icbe als bedoeld in artikel 3:63 van de wet bedraagt tien procent van het beheerde vermogen.
2.
In afwijking van het vorige lid kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
1.
De aanwezige liquiditeit van een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:63, 3:64 of 3:65 van de wet in de weekperiode wordt gevormd door de gewogen voorraadposten, de gewogen kasinstroom van de kalenderposten gedurende de weekperiode en de officiële stand-by faciliteiten.
2.
De financiële onderneming betrekt bij de berekening van de aanwezige liquiditeit in de weekperiode uitsluitend de activa die in het kader van het dagelijkse liquiditeitenbeheer aan haar ter beschikking staan teneinde te kunnen voorzien in de directe liquiditeitsbehoefte en de inkomende kasstromen uit het kernbedrijf waarmee in het kader van het dagelijkse liquiditeitenbeheer rekening wordt gehouden. Daartoe worden in elk geval gerekend:
a. financiële instrumenten op basis waarvan op korte termijn liquide middelen kunnen worden verkregen door verkoop of belening zonder dat dit gepaard gaat met meer dan marginale kosten of verliezen;
b. onmiddellijk opeisbaar interbancair actief; en
c. onmiddellijk opeisbare vorderingen op overheden en professionele geldmarktpartijen.
3.
De aanwezige liquiditeit van de bank, clearinginstelling of kredietunie in de maandperiode wordt gevormd door de gewogen voorraadposten en de gewogen kasinstroom gedurende de maandperiode.
4.
De financiële onderneming betrekt, onverminderd het eerste en derde lid, bij de berekening van de aanwezige liquiditeit het liquiditeitsoverschot van een bijkantoor of een dochtermaatschappij met zetel buiten Nederland, welk liquiditeitsoverschot wordt berekend op basis van dit besluit of, indien dit lager is, volgens de in de staat van de zetel daarvoor geldende regels, slechts voor zover:
a. overdracht van het liquiditeitsoverschot niet leidt tot een liquiditeitstekort bij het bijkantoor of de dochtermaatschappij volgens de lokale liquiditeitstoetsing;
b. het om een overschot in convertibele valuta’s gaat; en
c. vrije en grensoverschrijdende overdracht van liquiditeit mogelijk is.
5.
De financiële onderneming betrekt bij de berekening van de aanwezige liquiditeit niet:
a. activa die niet onbelemmerd overdraagbaar zijn;
b. direct opeisbare tegoeden bij personen die geen bank of professionele geldmarktpartij zijn.
6.
De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde posten en de weging daarvan.
Artikel 112
De aanwezige liquiditeit van een icbe als bedoeld in artikel 3:63 van de wet wordt gevormd door de volgende posten:
a. kasmiddelen, daggeld en direct opvraagbare tegoeden bij banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet hebben of waarop toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen;
b. kortlopende schuldtitels aan toonder;
c. financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel aan een gereglementeerde markt of een markt in financiële instrumenten waarvan de houder gevestigd is in een staat die deel uitmaakt van de G10 of aan een andere door de Nederlandsche Bank aangewezen gereglementeerde markt;
d. officiële stand-by faciliteiten afgegeven door banken die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 van de wet hebben of waarop toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
e. onvoorwaardelijke garanties van banken en verzekeraars die een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 onderscheidenlijk artikel 2:27 van de wet hebben of waarop toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank onderscheidenlijk verzekeraar wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen.

§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:67, vijfde lid, en 3:68a, tweede lid, van de wet
Artikel 114
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, berekent de door hem aan te houden technische voorzieningen overeenkomstig de artikelen 76 tot en met 83 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk III, van de verordening solvabiliteit II.
1.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 114 kan bij het berekening van de technische voorzieningen, na voorafgaande goedkeuring van de Nederlandsche Bank, gebruik maken van hetzij de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quater van de richtlijn solvabiliteit II, hetzij de overgangsmaatregel, bedoeld in artikel 308 quinquies van die richtlijn.
2.
Een verzekeraar die gebruik maakt van een overgangsmaatregel als bedoeld in het eerste lid en vaststelt dat hij zonder toepassing van die overgangsmaatregel niet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zou voldoen, geeft hiervan onverwijld kennis aan de Nederlandsche Bank en treft de in artikel 308 sexies, tweede en derde alinea, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde maatregelen.
3.
De Nederlandsche Bank trekt de in het eerste lid bedoelde goedkeuring in indien uit de door de verzekeraar overgelegde informatie blijkt dat het onrealistisch is dat deze aan het einde van de overgangsperiode aan het solvabiliteitskapitaalvereiste zal voldoen.
Artikel 116
De artikelen 76 tot en met 83 en 308 quater tot en met 308 sexies van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk III, van de verordening solvabiliteit II inzake de berekening van de technische voorzieningen zijn van overeenkomstige toepassing op de door de volgende verzekeraars aan te houden technische voorzieningen voor hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verzekeringsverplichtingen:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
1.
De artikelen 76 tot en met 77 bis en 77 quinquies tot en met 83 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk III, met uitzondering van afdeling 4, onderafdeling 4, van de verordening solvabiliteit II inzake de berekening van de technische voorzieningen zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat voor wat betreft de door hen aan te houden technische voorzieningen voor hun vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor aangegane verzekeringsverplichtingen.
2.
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in het eerste lid kan bij de berekening van de technische voorzieningen gebruik maken van de vereenvoudigde berekeningsmethoden als bedoeld in de artikelen 57 tot en met 61 van de verordening solvabiliteit II, mits:
a. deze passen bij de aard, omvang en complexiteit van de risico’s van de verzekeraar en deze berekeningswijzen niet leiden tot een significante onderschatting van de technische voorzieningen;
b. het gebruik ervan goed wordt onderbouwd en vastgelegd;
c. ten aanzien van de toepassing van de berekeningsmethoden een bestendige gedragslijn wordt gevolgd.
3.
Een natura-uitvaartverzekeraar kan, in afwijking van het eerste lid, de in de technische voorzieningen begrepen risicomarge berekenen met gebruikmaking van de voor het jaar 2015 geldende methode ter berekening van passende onzekerheidsmarges, bedoeld in artikel 121, eerste lid, van dit besluit, zoals dat luidde op 31 december 2015.
4.
De verzekeraar kan bij de berekening van de technische voorzieningen rekening houden met:
a. aanwezige risicomitigerende instrumenten, mits deze aantoonbaar effectief zijn en niet resulteren in een materieel basisrisico als bedoeld in artikel 1, punt 25, van de verordening solvabiliteit II;
b. toekomstige risicomitigerende instrumenten, mits deze realistisch zijn en aantoonbaar voortvloeien uit de reguliere bedrijfsvoering, het gevoerde risicobeheer of het afdekkingsbeleid.

§ 12.2. Beleggingsbeleid verzekeraars

Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:267h, tweede lid, van de wet
1.
Het beleggingsbeleid van een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet aan het prudent person beginsel, bedoeld in artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II.
2.
De vereisten in de door de Europese Commissie vastgestelde uitvoeringsmaatregelen als bedoeld in artikel 135, tweede lid, van de richtlijn solvabiliteit II zijn op verzekeraars die beleggen in verhandelbare effecten of andere op herverpakte kredieten gebaseerde instrumenten die voor 1 januari 2011 zijn uitgegeven, slechts van toepassing indien na 31 december 2014 nieuwe onderliggende vorderingen zijn of worden toegevoegd of vervangen.
Artikel 119
Artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op de activa van de in Nederland gelegen bijkantoren van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 120
Artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat voor wat betreft de activa van hun in Nederland gelegen bijkantoren.
Artikel 121
De waarden die dienen tot dekking van de technische voorzieningen voor de door een verzekeraar met beperkte risico-omvang vanuit zijn vestigingen in Nederland aangegane verplichtingen zijn:
a. in geval van een verzekeraar met zetel in Nederland: aanwezig in een lidstaat; of
b. in geval van een verzekeraar met zetel in een niet-aangewezen staat: aanwezig in Nederland.
Artikel 122
Artikel 132, tweede tot en met vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VIII, van de verordening solvabiliteit II inzake het beleggingsbeleid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. de waarden, bedoeld in artikel 3:67, vierde lid, of 3:68, derde lid, van de wet die dienen tot dekking van de verplichtingen van een levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in die artikelen die voortvloeien uit vorderingen van werknemers als bedoeld in artikel 3:198, tweede lid, onderdelen b, c en d, of derde lid, onderdelen a, b en c, van de wet;
b. de waarden, bedoeld in artikel 3:67, vierde lid, of 3:69, tweede lid, van de wet, die dienen tot dekking van de verplichtingen van een verzekeraar met beperkte risico-omvang als bedoeld in die artikelen die voortvloeien uit vorderingen van werknemers als bedoeld in artikel 3:198, vierde lid, onderdelen a, b en c, van de wet.
Artikel 123
Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die niet wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het land van herkomst van de regeling.
1.
Het beleggingsbeleid van een pensioenregeling die wordt beheerst door het recht van een lidstaat wordt uitgevoerd overeenkomstig de volgende beginselen:
a. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een groep van ondernemingen aan de premiepensioeninstelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie;
b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering;
c. beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde markt, of een multilaterale handelsfaciliteit of een daarmee vergelijkbaar systeem in een staat die geen lidstaat is toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt.
d. beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. De premiepensioeninstelling vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;
e. de waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.
2.
De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en e, zijn niet van toepassing op beleggingen in staatsobligaties.
3.
Onder waardering op marktwaarde bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.
4.
Leningen als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet mogen slechts worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar.
5.
Van een liquiditeitsdoelstelling als bedoeld in artikel 3:267b, vierde lid, van de wet is sprake als de premiepensioeninstelling tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van de premiepensioeninstelling.
Artikel 129
Een afwikkelonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, bank, kredietunie, pensioenbewaarder, premiepensioeninstelling, verzekeraar of wisselinstelling als bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, 3:81, eerste lid of 3:85 verstrekt de documenten, bedoeld in artikel 3:71, eerste lid, of 3:81, eerste lid, van de wet, wat betreft indeling en inhoud in de vorm waarin deze zijn opgemaakt ingevolge Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, de internationale jaarrekeningstandaarden onderscheidenlijk het recht van de staat waar deze financiële onderneming haar zetel heeft. Een financiële onderneming met zetel in Nederland vermeldt of de jaarrekening al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte.
1.
De door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:82, eerste lid, van de wet of door een clearinginstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, of 3:86, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. gegevens betreffende het eigen vermogen en financiële informatie als bedoeld in de artikelen 99 tot en met 101 van de verordening kapitaalvereisten;
b. gegevens betreffende het aanhouden van balansposten en posten buiten de balanstelling, bedoeld in artikel 394 van de verordening kapitaalvereisten;
c. gegevens inzake de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet;
d. gegevens ten behoeve van het depositogarantiestelsel, bedoeld in artikel 3:259, tweede lid, van de wet, betreffende de aangehouden deposito’s die worden gegarandeerd uit hoofde van het depositogarantiestelsel.
2.
De door een entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend de gegevens, bedoeld in artikel 325 van de verordening solvabiliteit II.
3.
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, bijkantoor als bedoeld in artikel 3:82, tweede lid, van de wet, of bijkantoor van een herverzekeraar als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. de gegevens, bedoeld in titel I, hoofdstuk XIII, afdeling 1, van de verordening solvabiliteit II;
b. andere voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
4.
De door een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:72, derde lid, van de wet met beperkte risico-omvang of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:86, tweede lid, van de wet van een verzekeraar met beperkte risico-omvang te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
2°. de technische voorzieningen ingevolge artikel 3:67, 3:69 of 3:73 van de wet.
5.
De door een betaalinstelling of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
c. voor zover van toepassing een opgave van het gemiddeld uitstaand elektronisch geld.
6.
De door een bijkantoor als bedoeld in artikel 3:77 van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend gegevens ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit ingevolge artikel 3:64.
7.
De door een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. een jaarrekening alsmede aanvullende financiële gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 van de wet;
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57 van de wet;
3°. het beleggingsbeleid ingevolge artikel 3:267b van de wet;
4°. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregelingen.
8.
De door een beheerder als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten bevatten uitsluitend balans- en resultaatgegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53 en de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, van de wet.
9.
De door een afwikkelonderneming als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens alsmede aanvullende gegevens ten behoeve van toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. gegevens met betrekking tot de verrichte girale betalingstransacties, bedoeld in de artikelen 2:3.0c, 2:3.0h of 2:3.0m van de wet.
10.
De door een kredietunie als bedoeld in artikel 3:72, eerste lid, van de wet te verstrekken staten omvatten uitsluitend:
a. balans- en resultatengegevens en aanvullende gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet;
b. andere gegevens ten behoeve van het toezicht op de naleving van de regels met betrekking tot:
1°. het bedrag aan eigen vermogen ingevolge artikel 3:53, eerste lid, van de wet;
2°. de solvabiliteit ingevolge artikel 3:57, eerste lid, van de wet;
3°. de liquiditeit ingevolge artikel 3:63, eerste lid, van de wet.
1.
De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de internationale jaarrekeningstandaarden, regels met betrekking tot de staten, bedoeld in artikel 130. Deze omvatten uitsluitend:
a. de modellen van de staten;
b. de reikwijdte van toepassing van de staten en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de staten;
c. de reikwijdte van de consolidatie overeenkomstig de regels met betrekking tot consolidatie die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit;
d. de waardering van de posten overeenkomstig artikel 3:69a van de wet en artikel 4, derde lid;
e. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
f. de afronding;
g. de termijn waarbinnen de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet en ten behoeve van de uitvoering van de bij of krachtens dat deel gestelde regels met betrekking tot het depositogarantiestelsel; en
h. de frequentie waarmee de staten worden verstrekt, met dien verstande dat deze ten minste een maal per jaar is.
2.
De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, f, g en h, zijn afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming. De frequentie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is evenwel niet hoger dan:
a. twaalf maal per jaar voor de staten ten behoeve van het toezicht op de liquiditeit, bedoeld in artikel 130, eerste lid, onderdeel c en zesde lid;
b. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, vierde lid, onderdeel a, en de staten ten behoeve van het toezicht op de technische voorzieningen, bedoeld in artikel 130, vierde, onderdeel b, onder 2°; en
c. vier maal per jaar voor de overige in artikel 130, eerste en vierde lid, genoemde staten;
d. twee maal per jaar voor de in artikel 130, vijfde lid, genoemde staten;
e. een maal per jaar voor de jaarrekening, bedoeld in artikel 130, zevende lid, onderdeel a;
f. vier maal per jaar voor de in artikel 130, zevende lid, onderdeel b, genoemde staten;
g. twee maal per jaar voor de in artikel 130, achtste lid, genoemde staten;
h. tweemaal per jaar voor de in artikel 130, tiende lid, genoemde staten.
3.
De Nederlandsche Bank kan in individuele gevallen besluiten dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 130 periodiek moet melden of haar solvabiliteit of liquiditeit zich boven een door de Nederlandsche Bank vastgestelde signaleringswaarde bevindt. De frequentie van de melding is niet hoger dan een maal per maand en is afgestemd op de aard en de omvang van de financiële onderneming, alsmede op de omvang van de solvabiliteit van de financiële onderneming.
4.
Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel j, doet de melding, bedoeld in het derde lid, met redenen omkleed aan de Nederlandsche Bank in elke maand waarin zij niet ingevolge het tweede lid, onderdeel c, staten verstrekt. Zij meldt daarbij in ieder geval wat de waarde van haar toetsingsvermogen is, hoe deze waarde is berekend en hoe deze waarde zich verhoudt tot de waarde van haar toetsingsvermogen zoals vermeld in de laatst verstrekte staten.
5.
De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 35, zesde tot en met achtste lid, van de richtlijn solvabiliteit II, ontheffing verlenen van:
a. de verplichting periodieke rapportagestaten vaker dan eenmaal per jaar te verstrekken;
b. itemgewijze rapportageverplichtingen.
Artikel 132
Indien een beleggingsonderneming, betaalinstelling, clearinginstelling, elektronischgeldinstelling, entiteit voor risico-acceptatie, bank, kredietunie, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 130 de staten niet langs elektronische weg verstrekt, kan de Nederlandsche Bank, op verzoek van de financiële onderneming, besluiten dat het de financiële onderneming is toegestaan andere informatiedragers dan de modellen, bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, te gebruiken, indien deze wat betreft indeling en inhoud geen afwijking vertonen van de modellen.
Artikel 133
Het onderzoek van de staten, bedoeld in artikel 130, door de accountant, uitmondend in een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, eerste volzin, van de wet, wordt een maal per jaar uitgevoerd. De Nederlandsche Bank stelt regels waarin wordt bepaald welke staten door de accountant in zijn onderzoek worden betrokken, met dien verstande dat een beheerder die een maal per jaar een door een accountant gewaarmerkte jaarrekening verstrekt daarmee voldoet aan de verplichting als bedoeld in artikel 3:72, zevende lid, van de wet. De accountant waarmerkt deze staten.
Artikel 134a
Tot de gegevens, bedoeld in artikel 3:73a van de wet, behoren in ieder geval de gegevens met betrekking tot storingen die zich hebben voorgedaan of bijna hebben voorgedaan in het verrichten van afwikkeldiensten.
1.
Een bank als bedoeld in artikel 3:74a, eerste lid, van de wet die over een website beschikt, geeft daarop uitleg over de wijze waarop zij voldoet aan de vereisten inzake bestuur, beloning en publicatie van gegevens in artikel 17c, de bij of krachtens artikel 23e, vijfde lid, gestelde regels, het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten en artikel 3:8, derde en vierde lid, van de wet.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Artikel 134c
Artikel 51 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk XII, van de verordening solvabiliteit II inzake door verzekeraars openbaar te maken informatie zijn van overeenkomstige toepassing op de solvabiliteit en financiële positie van de in Nederland gelegen bijkantoren van:
a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 134d
Verzekeraars met zetel in Nederland, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, alsmede verzekeraars als bedoeld in artikel 134c, onderdelen a en b, behoeven tot en met 31 december 2020 de informatie, bedoeld in artikel 51, tweede lid, derde alinea, van de richtlijn solvabiliteit II niet apart openbaar te maken.
Artikel 134e
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:73c, 3:82a of 3:86a met beperkte risico-omvang maakt jaarlijks binnen een termijn van zes maanden de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens openbaar en vermeldt daarbij in de toelichting op de jaarrekening:
a. de in overeenstemming met de wet en dit besluit opgestelde balans en de daarbij gehanteerde grondslagen en methoden voor de waardering van activa, technische voorzieningen en andere verplichtingen, met een toelichting op de belangrijkste verschillen met de grondslagen en methoden die in de jaarrekening voor de waardering ervan zijn gehanteerd;
b. het bedrag en de samenstelling van het aanwezige solvabiliteitskapitaal;
c. het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;
d. indien artikel 19, derde lid, op de verzekeraar van toepassing is: het bedrag van de technische voorzieningen indien deze worden berekend op basis van afkoop van alle verzekeringen;
e. indien van toepassing: informatie over de winstdeling ten gunste van polishouders per productgroep;
f. indien de verzekeraar niet voldoet aan het minimumkapitaalvereiste of significant niet voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste: het bedrag van het tekort alsmede een toelichting op de oorzaak en gevolgen ervan en de genomen corrigerende maatregelen;
g. indien de verzekeraar ondernemingspecifieke parameters gebruikt voor de berekening van zijn solvabiliteitskapitaalvereiste: de belangrijkste verschillen tussen die parameters en de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule;
h. indien aan de verzekeraar door de Nederlandsche Bank specifieke parameters ter berekening van verzekeringstechnische risicomodules zijn opgelegd: het effect daarvan, alsmede de gronden van het daartoe strekkende besluit van de Nederlandsche Bank.
1.
Een levensverzekeraar als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, 3:78, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet, vermeldt bij de opgave van gesloten levensverzekeringen per branche de in het boekjaar geboekte premies, niet verminderd met het bedrag van de herverzekering.
2.
Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, 3:78, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet vermeldt bij de opgave van gesloten schadeverzekeringen per branchegroep de in het boekjaar geboekte premies, schaden en provisies, telkens niet verminderd met het bedrag van de herverzekering. Deze gegevens alsmede de frequentie en de gemiddelde kosten van de schadegevallen, worden voor de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen evenwel afzonderlijk vermeld. De Nederlandsche Bank stelt de branchegroepen vast.
3.
Een natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 3:87, eerste lid, van de wet, vermeldt bij de opgave van gesloten natura-uitvaartverzekeringen de in het boekjaar geboekte premies, niet verminderd met het bedrag van de herverzekering.
4.
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:74, eerste lid, of 3:83, eerste lid, van de wet vermeldt bij de in dat artikellid bedoelde opgave de gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, per lidstaat.
5.
De artikelen 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 132 zijn van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van de opgaven, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
1.
De gegevens, bedoeld artikel 3:74c van de wet, omvatten de informatie, genoemd in artikel 24, eerste, tweede, vierde en zesde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.
2.
De Nederlandsche Bank kan in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, al dan niet periodiek, andere gegevens van beheerders, bedoeld in artikel 3:74c, verlangen, indien dit nodig wordt geacht om de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.
3.
De Nederlandsche Bank kan de in het tweede lid bedoelde gegevens alleen verlangen indien de Europese Autoriteit van effecten en markten hiervan in kennis is gesteld of de Europese Autoriteit van effecten en markten de Nederlandsche Bank hierom heeft verzocht.
Artikel 135b
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot het effectief verlenen van afwikkeldiensten.
Artikel 136
De door een accountant als bedoeld in artikel 3:88, tweede lid, 3:90, 3:91 of 3:93 van de wet te verstrekken gegevens zijn:
a. het accountantsverslag aan de bestuurders en de raad van commissarissen;
b. de directiebrieven;
c. overige correspondentie tussen de accountant en de financiële onderneming die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening of de staten van de financiële onderneming; en
d. indien de Nederlandsche Bank daarom verzoekt, een nadere toelichting op de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
1.
De accountant of actuaris die voornemens is gegevens als bedoeld in artikel 136 te verstrekken, stelt de financiële onderneming daarvan in kennis.
2.
Indien de financiële onderneming dat wenst, kan zij zelf de gegevens aan de Nederlandsche Bank verstrekken. In dat geval stelt zij de accountant of de actuaris daarvan in kennis. De accountant of de actuaris vergewist zich ervan dat de Nederlandsche Bank de gegevens heeft ontvangen en dat de inhoud van de gegevens hem geen aanleiding geeft alsnog gegevens aan de Nederlandsche Bank te verstrekken.
3.
Indien de accountant of actuaris schriftelijk gegevens verstrekt aan de Nederlandsche Bank, zendt hij onverwijld aan de financiële onderneming een afschrift van de gegevens en, indien van toepassing, van de begeleidende brief.
1°. een opgave van de omvang van een gekwalificeerde deelneming als bedoeld in artikel 3:95 van de wet;
2°. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:99 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de betrokken onderneming zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of mede bepalen; en
3°. bescheiden waaruit de financiële positie en de juridische groepsstructuur van de aanvrager of houder van een verklaring van geen bezwaar blijken.
Artikel 139
Tot de liquide middelen van een vennootschap als bedoeld in artikel 3:96, derde lid, van de wet worden uitsluitend gerekend:
a. aanwezige munten of bankbiljetten;
b. direct opvorderbare tegoeden;
c. kortlopende vorderingen die geen direct opvorderbare tegoeden zijn; en
d. activa die geen kortlopende vorderingen zijn en die op zeer korte termijn en zonder substantiële verliezen kunnen worden omgezet in munten of bankbiljetten of direct opvorderbare tegoeden.
artikel 3:111b van de wet van Besluit prudentiële regels Wft">
Artikel 140a. Bepaling ter uitvoering van artikel 3:111b van de wet
De gegevens, bedoeld in artikel 3:111b, eerste lid, van de wet zijn:
a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer en emailadres van de betaaldienstagent;
b. een beschrijving van de interne controlemechanismen die door de betaaldienstagent zullen worden gebruikt om de in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme neergelegde verplichtingen na te komen; en
c. de identiteit van de bestuurders en de personen die verantwoordelijk zijn voor het beleid van de betaaldienstagent die bij het aanbieden van betaaldiensten wordt gebruikt, alsmede gegevens waaruit blijkt dat zij betrouwbaar en deskundig zijn.
1.
Onverminderd het tweede lid is hoofdstuk 5 niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot het uitbesteden van werkzaamheden die:
a. zijn gesloten door een clearinginstelling, bank, verzekeraar of bijkantoor als bedoeld in artikel 3:18, eerste lid, 3:23, 3:26 of 3:27 van de wet voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit; en
b. voldoen aan de op dat moment geldende regelgeving.
2.
Indien de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, materieel wordt aangepast, is hoofdstuk 5 vanaf dat moment van toepassing op de gehele overeenkomst.
Artikel 142
Voor het boekjaar 2007 wordt het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge voor herverzekeraars of schadeverzekeraars die zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet of daarop aanvullende ziektekostenverzekeringen herverzekeren onderscheidenlijk uitvoeren, bepaald op de wijze als bedoeld in artikel 67, met dien verstande dat bij de berekening en de verhouding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b onderscheidenlijk c, van dat artikel niet wordt uitgegaan van de afgelopen drie boekjaren, maar van de boekjaren 2006 en 2007.
Artikel 143
[Wijzigt dit besluit.]
1.
De ingevolge dit besluit te verstrekken staten worden voor de eerste maal verstrekt over het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007.
2.
Ten aanzien van de staten over het in 2006 geëindigde boekjaar blijft het bepaalde ingevolge artikel 55, tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, het Besluit staten verzekeringsbedrijf 1994 , het Besluit staten natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en artikel 8 van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 van toepassing.
Artikel 145
Een besluit, genomen op grond van een van de artikelen, bedoeld in kolom A, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als een besluit in de zin van het daarna in kolom B genoemde artikel van dit besluit. De aan het besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht. 2, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 95, tweede lid, onderdeel a, onder 4° 2, tweede lid, onderdeel e, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 97, eerste lid, aanhef en onderdeel a 2, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 96, onderdeel b 6, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 56, derde lid, eerste volzin 6, vierde lid, tweede volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge natura-uitvaartverzekeringsbedrijf 56, derde lid, tweede volzin 1, tweede lid, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 67, tweede lid 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 95, tweede lid, onderdeel a, onder 3° 3, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 95, tweede lid, onderdeel a, onder 4° 3, tweede lid, onderdeel, c, d of e, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 97, eerste lid, aanhef 3, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 96, onderdeel b 9, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 56, derde lid, eerste volzin 9, vierde lid, tweede volzin, van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994 56, derde lid, tweede volzin 10, eerste lid bijlage B, onder 3, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, derde lid 10, eerste lid bijlage B, onder 6, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zesde lid 10, eerste lid bijlage B, onder 7, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zevende lid 10, eerste lid bijlage B, onder 9, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, negende lid 10, eerste lid bijlage C, onder 2, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zesde lid 10, eerste lid bijlage C, onder 3, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, zevende lid 10, eerste lid bijlage C, onder 5, van het Besluit technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 126, negende lid 16, vijfde lid, van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005 63, derde lid 60, zesde lid 16, zevende lid, onderdeel g, van het Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005 63, derde lid 60, vijfde lid, onderdeel g 3, eerste lid bijlage 1, onderdeel 1.2, onder 1, onder e, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 92, derde lid, onderdeel c, onder 3° 3, eerste lid bijlage 1, onderdeel 1.2, onder 1, onder f, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 93, onderdeel b 4, tweede lid, onderdeel g, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 60, vijfde lid, onderdeel g 4, derde lid, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 60, zesde lid 4, vierde lid, van de Nadere regeling prudentieel toezicht effectenverkeer 2002 60, vierde lid 3, derde lid, onderdeel c, onder 2°, van de Regeling prudentieel toezicht beleggingsinstellingen 92, derde lid, onderdeel c, onder 3° 3, vierde lid, van de Regeling belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 123, vierde lid 3, vijfde lid, van de Regeling belegging technische voorzieningen verzekeringsbedrijf 1994 123, vijfde lid 69, tweede lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 57, tweede lid
A B
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
, jo
Artikel 146
Indien de Nederlandsche Bank ten aanzien van een bank of elektronischgeldinstelling een besluit heeft genomen dat overeenkomt met een besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, of derde lid, 62, vijfde lid, 64, 92, tweede of derde lid, 93, 102, zevende lid, wordt het eerstbedoelde besluit aangemerkt als besluit in de zin van het desbetreffende artikel. De aan het besluit gestelde beperkingen of verbonden voorschriften blijven van kracht.
Artikel 147
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 148
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit prudentiële regels Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Betrouwbaarheid
+ Hoofdstuk 3. Integere uitoefening van het bedrijf
+ Hoofdstuk 4. Beheerste uitoefening van het bedrijf
+ Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
+ Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij
+ Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens
+ Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
+ Hoofdstuk 6b. Geregistreerde gedekte obligaties
+ Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
+ Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
+ Hoofdstuk 9. Minimum vermogen
+ Hoofdstuk 10. Solvabiliteit
+ Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
+ Hoofdstuk 11. Liquiditeit
+ Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
+ Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
+ Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
+ Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
+ Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
+ Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
+ Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
+ Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht