Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2014. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2014.

Besluit Raad voor dierenaangelegenheden

Uitgebreide informatie
Besluit van 10 december 1992, houdende regelen ter zake van de Raad voor dierenaangelegenheden
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 12 februari 1992, nr. J. 921117, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Gelet op artikel 2 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ( Stb. 1992, 585);
De Raad van State gehoord (advies van 19 mei 1992, nr. W11.92.0075);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 30 november 1992, nr. J. 9211452, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. Raad: Raad voor dierenaangelegenheden als bedoeld in artikel 2 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ( Stb. 1992, 585);
1.
De Raad bestaat uit ten hoogste vijftien leden.
2.
In de Raad hebben naast een voorzitter zitting:
a. één lid benoemd op voordracht van de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. één lid benoemd op voordracht van het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. één lid benoemd op voordracht van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. één lid benoemd op de gezamenlijke voordracht van het Bedrijfschap voor de Handel in Vee en het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie;
e. één lid benoemd op de voordracht van de Stichting Gezondheidszorg voor dieren;
f. drie leden benoemd op voordracht van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren;
g. één lid benoemd op de voordracht van de Consumentenbond;
h. één lid benoemd op de gezamenlijke voordracht van de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht en de Landbouwuniversiteit;
i. één lid op voordracht van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde;
j. één lid benoemd op voordracht van organisaties werkzaam op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gezelschapsdieren;
k. één lid benoemd op de gezamenlijke voordracht van patiëntenorganisaties en
l. één deskundigen werkzaam op het gebied van de ethiek.
1.
Onze Minister benoemt met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de voorzitter en de overige leden van de Raad.
2.
De leden van de Raad worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om zwaarwichtige redenen worden geschorst en ontslagen.
3.
Na het verstrijken van de periode waarvoor zij zijn benoemd, kunnen zij, voor de in het tweede lid bedoelde termijn, opnieuw worden benoemd.
4.
Degene, die in de Raad de plaats inneemt van een lid wiens zittingsduur nog niet verstreken was, heeft zitting tot het einde van die duur.
5.
De leden kunnen te allen tijde ontslag nemen door een schriftelijke kennisgeving aan Onze Minister.
Artikel 4
Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen ieder drie vertegenwoordigers aanwijzen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Raad bij te wonen.
1.
Onze Minister benoemt de secretaris en de adjunct-secretaris van de Raad.
2.
De secretaris en de adjunct-secretaris zijn niet tevens lid van de Raad.
3.
De secretaris en de adjunct-secretaris zijn voor de uitoefening van hun taak uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Raad.
1.
De voorzitter roept de Raad bijeen zo dikwijls hij dit nodig oordeelt. Hij bepaalt tijd en plaats van de vergadering.
2.
De Raad wordt tevens bijeengeroepen indien ten minste vijf leden een daartoe strekkend, schriftelijk en met redenen omkleed verzoek bij de voorzitter hebben ingediend.
3.
Een vergadering bijeengeroepen naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt gehouden binnen één maand nadat het verzoek bij de voorzitter is binnengekomen.
Artikel 7
De voorzitter stelt de agenda voor de vergadering van de Raad vast.
Artikel 8
De secretaris draagt zorg voor toezending aan de leden en de vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 4, van de agenda en de overige vergaderstukken ten minste tien dagen voor de vergadering, met dien verstande dat de voorzitter kan besluiten in dringende gevallen van deze termijn af te wijken.
Artikel 9
De voorzitter van de Raad is bevoegd anderen dan leden van de Raad uit te nodigen aan het overleg over bepaalde vraagstukken deel te nemen.
Artikel 10
De gezichtspunten van de afzonderlijke betrokkenen en organisaties, genoemd in artikel 2, tweede lid, die resulteren uit het in de Raad gevoerde overleg, worden door de Raad schriftelijk opgemaakt en worden door de Raad ter kennis gebracht aan Onze Minister en, voor zover het belang van de volksgezondheid aan de orde is, tevens aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
1.
De Raad stelt een reglement vast ter nadere regeling van zijn werkwijze alsmede van die der Afdelingen.
2.
Het reglement wordt na vaststelling toegezonden aan Onze Minister.
Artikel 12
De Raad stelt jaarlijks, gehoord de Afdelingen, voor zijn werkzaamheden in het komende begrotingsjaar een ontwerp-begroting op en legt deze voor een door Onze Minister te bepalen datum voor aan Onze Minister.
Artikel 13
De Raad doet jaarlijks aan Onze Minister schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden.
1.
De Afdelingen hebben tot taak het in de Raad op de onderscheiden terreinen te voeren overleg voor te bereiden.
2.
De voorzitter van de Raad kan een gezamenlijke vergadering van meerdere Afdelingen uitschrijven.
1.
In de Afdeling gezondheidsvraagstukken hebben zitting de leden van de Raad die zijn benoemd op voordracht van de navolgende organisaties:
a. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. het Bedrijfschap voor de Handel in Vee gezamenlijk met het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie;
e. de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren;
f. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, met dien verstande dat slechts twee leden zitting hebben in de Afdeling;
g. de Consumentenbond;
h. de organisaties werkzaam op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gezelschapsdieren;
i. de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht gezamenlijk met de Landbouwuniversiteit, en
j. de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
2.
Aan de werkzaamheden van de Afdeling gezondheidsvraagstukken wordt voorts deelgenomen door:
a. één vertegenwoordiger van de Vereniging van Fabrikanten en importeurs van diergeneesmiddelen in Nederland;
b. een tweede vertegenwoordiger van het Bedrijfschap voor de Handel in Vee en het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie gezamenlijk;
c. drie deskundigen werkzaam op het gebied van het gezondheids- en welzijnsonderzoek van dieren.
1.
In de Afdeling welzijnsvraagstukken hebben zitting de leden van de Raad die zijn benoemd op voordracht van de navolgende organisaties:
a. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. Bedrijfschap voor de Handel in Vee gezamenlijk met het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel en -industrie;
e. de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren;
f. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren;
g. de Consumentenbond;
h. de organisaties werkzaam op het gebied van de gezondheid en het welzijn van gezelschapsdieren;
i. de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit Utrecht gezamenlijk met de Landbouwuniversiteit, en
j. de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
2.
In de Afdeling welzijnsvraagstukken heeft tevens zitting de deskundige, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, onder l.
3.
Aan de werkzaamheden van de Afdeling welzijnsvraagstukken wordt voorts deelgenomen door:
a. één vertegenwoordiger van de Stichting Lekker Dier en
b. twee deskundigen werkzaam op het gebied van het gezondheids- en welzijnsonderzoek van dieren.
1.
In de Afdeling biotechnologische vraagstukken hebben zitting de leden van de Raad die zijn benoemd op voordracht van de navolgende organisaties:
a. de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland;
b. het Produktschap voor Vee en Vlees;
c. het Produktschap voor Pluimvee en Eieren;
d. de Stichting Gezondheidszorg voor dieren;
e. de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren met dien verstande dat slechts twee leden zitting hebben in de Afdeling;
f. de Consumentenbond;
g. de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde en
h. de patiëntenorganisaties.
2.
In de Afdeling biotechnologische vraagstukken heeft tevens zitting de deskundige, bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, onder l.
3.
Aan de werkzaamheden van de Afdeling biotechnologische vraagstukken wordt voorts deelgenomen door:
a. één vertegenwoordiger van het Produktschap voor Veevoeder;
b. één vertegenwoordiger van de Nederlandse Industriële en Agrarische Biotechnologie Associatie;
c. twee deskundigen werkzaam op het gebied van de ethiek;
d. twee deskundigen werkzaam op het gebied van het biotechnologisch onderzoek;
e. één deskundige werkzaam op het gebied van het gezondheids- en welzijnsonderzoek van dieren en
f. één deskundige werkzaam op het gebied van de dierproeven.
Artikel 20
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de leden van de Raad plaatsvervangers in de Afdelingen benoemen alsmede voor de vertegenwoordigers, bedoeld in artikel 4, plaatsvervangers aanwijzen die bevoegd zijn de vergaderingen van de Afdelingen bij te wonen.
1.
De artikelen 3 en 6 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing op de Afdelingen.
2.
De voorzitter van de Raad zit tevens de vergaderingen van de Afdelingen voor; bij afwezigheid van de voorzitter kunnen de leden van de Afdelingen uit hun midden een vervanger aanwijzen.
3.
In afwijking van het eerste lid en van artikel 3, eerste en tweede lid, worden de in artikel 19, derde lid, onderdelen b en d, bedoelde leden tevens benoemd, en kunnen zij om zwaarwichtige redenen worden geschorst en ontslagen, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 22
Telkens binnen een termijn van zes jaren brengt de Raad een rapport uit aan Onze Minister, waarin de taakvervulling van de Raad aan een onderzoek wordt onderworpen.
Artikel 23
Artikel 2 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.
Artikel 24
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Raad voor dierenaangelegenheden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 10 december 1992
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de twaalfde januari 1993
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsomschrijving
+ § 2. Samenstelling
+ § 3. Werkwijze
+ § 4. De Afdelingen
+ § 5. Evaluatie
+ § 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht