Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de gerechtsbesturen en de leden van de Raad voor de rechtspraak (Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2001, Directie Wetgeving, nr. 5134463/01/6;
Gelet op de artikelen 16, eerste en zesde lid, 25, derde lid, en 86, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, 3 van de Beroepswet en 4 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie;
De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2001, nr. W03.01.0619/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 6 december 2001, nr. 5137764/01/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter onderscheidenlijk lid, anders dan voorzitter, van de Raad voor de rechtspraak is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 2 onderscheidenlijk categorie 3 zijn ingedeeld.
2.
Het bruto maandsalaris behorende bij de functies van voorzitter van het bestuur van een gerechtshof, voorzitter van het bestuur van de Centrale Raad van Beroep en voorzitter van het bestuur van het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
3.
Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 3 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
4.
Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van voorzitter van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het derde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 4 zijn ingedeeld, vermeerderd met een bedrag van € 181,51.
5.
Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid, niet zijnde voorzitter, van het bestuur van een gerechtshof, de rechtbank Amsterdam, Den Haag of Rotterdam, de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 5 zijn ingedeeld.
6.
Het bruto maandsalaris behorende bij de functie van rechterlijk lid, niet zijnde voorzitter, van het bestuur van een rechtbank, anders dan genoemd in het vijfde lid, is gelijk aan dat behorende bij de ambten die in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren in categorie 6 zijn ingedeeld.
7.
Voor de niet-rechterlijke leden van de besturen van de rechtbanken Amsterdam, Den Haag en Rotterdam geldt salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 .
8.
Voor de niet-rechterlijke leden van de besturen van de gerechtshoven, de rechtbanken, anders dan die genoemd in het zevende lid, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven geldt salarisschaal 16 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 .
9.
Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat is aangesteld voor een minder dan volledige arbeidsduur of voor wie de arbeidsduur op basis van artikel 8b, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren is vastgesteld op meer dan gemiddeld 36 uren per week, wordt het salaris behorende bij een in het eerste tot en met zesde lid bedoelde functie vermenigvuldigd met de voor hem als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of lid met rechtspraak belast geldende arbeidsduurfactor.
10.
Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 is, met uitzondering van de artikelen 1, tweede en derde lid, 5, tweede, derde en vijfde lid, onderdeel b, 5a, 7, zevende lid, 8, vierde lid, en 24 van overeenkomstige toepassing op de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en de niet-rechterlijke leden van de besturen van de gerechten.
1.
Voor de toepasselijkheid van het krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd de artikelen 5 en 6g van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren onderscheidenlijk de artikelen 5, 6, 6g en 8e van datzelfde besluit, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak gedurende zijn benoemingsduur als rechterlijk lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak onder «salaris» respectievelijk «bezoldiging» verstaan: het salaris dat hij overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie onderscheidenlijk artikel 86, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie ontvangt, respectievelijk het salaris in laatstvermelde zin, vermeerderd met de toelagen die bij of krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende toelagen waarop hij aanspraak heeft. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd tot voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak wordt in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» gelezen: op grond van artikel 8d.
2.
Voor de toepasselijkheid van het bij en krachtens de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde, uitgezonderd de artikelen 7, 13, 14, 15 en 17, eerste en zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en de artikelen 5, 6, 6g en 8e van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die na het verstrijken van een benoeming als voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur een toelage als bedoeld in artikel 16, eerste lid, derde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie ontvangt, onder «salaris» en «bezoldiging» mede die toelage verstaan, met dien verstande dat in artikel 1, tweede lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren in plaats van «op grond van artikel 6, 8d of 8e» wordt gelezen: op grond van artikel 8d.
1.
Voor de toepasselijkheid van hoofdstuk 3 en de artikelen 6e, tweede lid, 33c en 33h van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd als lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak, onder «rechterlijk ambtenaar» verstaan: rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak.
2.
Voor de toepasselijkheid van artikel 6 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens is benoemd als lid van een gerechtsbestuur, onder «rechterlijk ambtenaar» tevens verstaan: rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur.
3.
Voor de toepasselijkheid van hoofdstuk 3 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren wordt ten aanzien van de gewezen rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die op de dag voorafgaand aan zijn ontslag als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast tevens als lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak was benoemd, onder «gewezen rechterlijk ambtenaar» verstaan: gewezen rechterlijk ambtenaar, tevens lid van een gerechtsbestuur onderscheidenlijk lid van de Raad voor de rechtspraak.
1.
Ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak worden de bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet berustende bepalingen, met uitzondering van de aan Ons, Onze Minister-President, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën toegekende bevoegdheden, alsmede met uitzondering van de bevoegdheden tot aanstelling, disciplinaire bestraffing, schorsing en ontslag, uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken niet-rechterlijk lid.
2.
Ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen worden de bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet berustende bepalingen, met uitzondering van de aan Ons, Onze Minister-President, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën toegekende bevoegdheden, alsmede met uitzondering van de bevoegdheden tot aanstelling, disciplinaire bestraffing, schorsing en ontslag, uitgeoefend door het bestuur van het gerecht, uitgezonderd de het betrokken niet-rechterlijk lid, met dien verstande dat de bevoegdheid in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt uitgeoefend met inachtneming van het derde lid.
3.
Het bestuur van een gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een ten aanzien van het niet-rechterlijk lid voorgenomen besluit tot schadeloosstelling, kostenvergoeding of verlening van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, in het geval de schadeloosstelling, kostenvergoeding of geldelijke tegemoetkoming op jaarbasis meer dan € 5000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het bestuur van het gerecht, uitgezonderd het niet-rechterlijk lid, een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad voor de rechtspraak.
4.
In afwijking van het tweede lid worden de in de op de Ambtenarenwet berustende bepalingen aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels, de daarin aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het verlenen van mandaat van een bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter, de daarin aan Onze Minister toegekende bevoegdheden tot het doen van een voordracht voor een regeling, alsmede de in de artikelen 113 tot en met 117 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement aan Onze Minister toegekende bevoegdheden, ten aanzien van de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak.
5.
Het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van de bevoegdheden in de ingevolge artikel 1, negende lid, overeenkomstig toepasselijke bepalingen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 .
6.
Artikel 98, eerste lid, onderdeel g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is niet van toepassing op de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen.
Artikel 5
Ten aanzien van de rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak worden de in het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het gerechtsbestuur toegekende bevoegdheden, met uitzondering van die in de artikelen 2i, 3, 3b, 6, 6a, 6b, 6f, 7, 8b, 8d, 8e, 33i, 37b en 38 alsmede hoofdstuk 4A van dat besluit, uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken rechterlijk lid.
Artikel 6
Het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur of het niet-rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak dat niet op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld en ten gevolge van een ontslag, anders dan op grond van artikel 81, eerste lid, onder l, 94a, eerste lid, of  97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet , wordt aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.
1.
Het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak besteedt een keer per jaar aandacht aan het functioneren van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk de Raad voor de rechtspraak alsmede aan het functioneren van de afzonderlijke leden daarvan.
2.
De artikelen 71 en 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn niet van toepassing op de niet-rechterlijke leden van de gerechtsbesturen en de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak.
1.
Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast onderscheidenlijk de gerechtsambtenaar die belast is met de vervanging van de voorzitter van het gerechtsbestuur of het andere rechterlijk lid van het gerechtsbestuur onderscheidenlijk het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur, wordt, wanneer de vervanging ten minste dertig dagen heeft geduurd, voor de duur van de vervanging door het bestuur van het betrokken gerecht een toelage toegekend.
2.
Voor de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de vervanging is ingegaan tevens als voorzitter of ander rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd. Voor de gerechtsambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag van de toelage gelijk aan het verschil tussen het salaris dat hij geniet en het salaris dat hij zou genieten indien hij met ingang van de dag waarop de vervanging is ingegaan als niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur zou zijn benoemd.
1.
Aan de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die of het lid met rechtspraak belast dat tevens is benoemd als voorzitter of ander rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak, voorzitter van het bestuur van een gerecht onderscheidenlijk ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht wordt, in plaats van de onkostenvergoeding overeenkomstig artikel 7 van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, een onkostenvergoeding van € 4702,– [Red: per 1 januari 2015: € 4.887] , € 2711,– [Red: per 1 januari 2015: € 2.818] onderscheidenlijk € 1807,– [Red: per 1 januari 2015: € 1.879] per jaar toegekend.
2.
Aan de niet-rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak onderscheidenlijk de niet-rechterlijke leden van het bestuur van een gerecht wordt een onkostenvergoeding van € 4611,– [Red: per 1 januari 2015: € 4.793] onderscheidenlijk € 1807,– [Red: per 1 januari 2015: € 1.879] per jaar toegekend.
3.
Toekenning van een onkostenvergoeding als bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt door de Raad voor de rechtspraak, uitgezonderd het betrokken lid, onderscheidenlijk, indien het een lid van een gerechtsbestuur betreft, het gerechtsbestuur, uitgezonderd het betrokken lid.
1.
De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, heeft, wanneer hij voor meer dan 50% van een volledige arbeidsduur ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, maar niet volledig arbeidsongeschikt is, in afwijking van artikel 9, eerste en tweede lid, na ommekomst van het kalenderjaar waarin de ongeschiktheid is aangevangen en het kalenderjaar daaropvolgend, aanspraak op een onkostenvergoeding die een met zijn arbeidsduur overeenkomend deel bedraagt van de vergoeding die hij zou hebben ontvangen indien hij in het geheel niet ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zou zijn.
2.
In afwijking van artikel 9, eerste of tweede lid, heeft de persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, in geval van volledige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, na ommekomst van het kalenderjaar volgend op dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, geen aanspraak op een onkostenvergoeding.
1.
De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, heeft, wanneer aan hem voor zijn volledige arbeidsduur buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste en tweede lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof geen aanspraak op een onkostenvergoeding.
2.
De persoon, bedoeld in artikel 9, eerste of tweede lid, heeft, wanneer aan hem voor 50% of meer van de arbeidsduur waarvoor hij is aangesteld buitengewoon verlof, al dan niet met behoud van bezoldiging, is verleend voor de periode van ten minste een maand, in afwijking van artikel 9, eerste en tweede lid, gedurende de periode van het buitengewoon verlof, aanspraak op de onkostenvergoeding naar rato van het aantal uren dat hij geen buitengewoon verlof geniet.
Artikel 9b
Bij regeling van Onze Minister kunnen de in de artikelen 9 tot en met 9aa genoemde vergoedingen worden aangepast door middel van toepassing van het geldende prijsindexcijfer, waarbij de bedragen worden afgerond naar de eerstvolgende euro.
Artikel 9ba
Voor de toepasselijkheid van artikel 16, eerste lid, vierde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt onder de salarishoogte behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur verstaan: de salarishoogte behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van het bestuur van het gerecht die de betrokkene vervulde op de dag voorafgaand aan de datum waarop hij zijn werkzaamheden als voorzitter of ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht beëindigt.
1.
Te rekenen vanaf de datum waarop de benoeming van het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur, die op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld, op grond van het verstrijken van de benoemingsduur en het achterwege blijven van een herbenoeming, is geëindigd, worden door het bestuur van het gerecht waarbij hij benoemd was als niet-rechterlijk lid, gedurende een periode van achttien maanden inspanningen verricht om te komen tot plaatsing van hem in een andere passende functie.
2.
Het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende de periode dat hij nog niet is geplaatst in een andere passende functie in het genot van het bij zijn benoeming als niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur behorende salaris.
3.
Onverminderd het eerste lid is het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden. Hij is bovendien verplicht een hem aangeboden passende functie te aanvaarden. Indien nog geen passende functie is gevonden, kunnen aan hem door het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk andere werkzaamheden worden opgedragen. Hij is verplicht deze werkzaamheden te verrichten.
4.
Aan het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslag worden verleend indien hij heeft geweigerd te voldoen aan een in het derde lid bedoelde verplichting. Ontslag als bedoeld in de eerste volzin wordt verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. Artikel 16, vijfde lid, tweede volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing.
5.
Het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, kan het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding toekennen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen, indien aan hem binnen de in het eerste lid bedoelde periode van achttien maanden op zijn verzoek ontslag wordt verleend.
6.
Aan het niet-rechterlijk lid, bedoeld in het eerste lid, wordt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslag verleend, indien hij niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van achttien maanden is geplaatst in een nieuwe functie. Artikel 16, vijfde lid, tweede volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie is van toepassing.
7.
In geval van ontslag als bedoeld in het zesde lid wordt aan het niet-rechterlijk lid een uitkering ten laste van het bestuur van het gerecht, bedoeld in het eerste lid, toegekend. Deze uitkering bedraagt 110% van het voor hem geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk , als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet. Op deze uitkering zijn de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk van overeenkomstige toepassing. Indien het niet-rechterlijk lid tevens recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk , wordt de in de eerste volzin bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
8.
Onder passende functie wordt in dit artikel verstaan: een functie ten aanzien waarvan het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur beschikt over de voor het naar behoren vervullen hiervan noodzakelijk geachte kennis en kunde dan wel waarvoor hij binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en die hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten redelijkerwijs kan worden opgedragen.
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 december 2001
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de twintigste december 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 9a
Artikel 9aa
Artikel 9b
Artikel 9ba
Artikel 9c
Artikel 10
Artikel 11
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht