Besluit van 12 oktober 2006, houdende bepalingen ter uitvoering van de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht (Besluit Reikwijdtebepalingen Wft)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 juli 2006, no. FM 2006-01704 M;
Gelet op de artikelen 1:10, 1:11, 3:5, 3:36 en 3:110 van de Wet op het financieel toezicht;
De Raad van State gehoord (advies van 17 augustus 2006, no. W06.06.0333/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 9 oktober 2006, FM 2006-02265 U;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet op het financieel toezicht ;
b. Zwitserland: Zwitserse Bondsstaat.
Artikel 16
Een schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 15:
a. legt in zijn statuten vast zich bij het uitoefenen van het bedrijf van schadeverzekeraar te beperken tot de werkzaamheden die ingevolge artikel 3 van de Kaderwet financiële verstrekkingen Financiën verricht mogen worden;
b. vermeldt in de jaarrekening dat alleen risico’s in verzekering zijn genomen voor rekening of met garantie van de Staat der Nederlanden.
Artikel 17
Met uitzondering van de hoofdstukken 5.1 en 5.3, de afdelingen 5.4.1 en 5.4.2, en hoofdstuk 5.5 van de wet, zijn de ingevolge de wet gestelde regels niet van toepassing op verenigingen en onderlinge waarborgmaatschappijen van beperkte omvang met zetel in Nederland die het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar uitoefenen en:
a. die naar Nederlands recht zijn opgericht voor 1 januari 1995; en
b. waarvan het aantal meerderjarige verzekerden minder dan 3000 bedraagt.
Artikel 18
Op een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland die in Nederland het bedrijf van schadeverzekeraar wil uitoefenen vanuit een in Nederland gevestigd bijkantoor zijn de artikelen 19 tot en met 26 van toepassing.
1.
Een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland legt bij de notificatie, bedoeld in artikel 2:35 van de wet aan de Nederlandsche Bank een certificaat over, afgegeven door de terzake bevoegde toezichthoudende instantie van Zwitserland, waarin wordt verklaard in welke branches de aanvrager het bedrijf van schadeverzekeraar mag uitoefenen en dat hij beschikt over een solvabiliteitsmarge die overeenkomt met de ingevolge artikel 3:57 van de wet vereiste solvabiliteitsmarge. Het certificaat vermeldt voorts:
a. welk bedrag aan financiële middelen beschikbaar is om de te verwachten kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet in Nederland te dekken;
b. welke categorieën van risico’s door de schadeverzekeraar vanuit vestigingen in Zwitserland worden gedekt.
2.
Het certificaat wordt opgemaakt overeenkomstig een door de Nederlandsche Bank vast te stellen model.
1.
Bij de notificatie legt een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland aan de Nederlandsche Bank een programma van werkzaamheden over als bedoeld in artikel 21.
2.
De Nederlandsche Bank legt het programma van werkzaamheden, zonodig vergezeld van haar opmerkingen, binnen twee maanden na ontvangst van de vereiste gegevens, bewijsstukken en inlichtingen voor advies voor aan de toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 19, eerste lid.
3.
Indien de toezichthoudende instantie haar advies niet binnen drie maanden nadat zij het programma van werkzaamheden heeft ontvangen aan de Nederlandsche Bank heeft uitgebracht, wordt zij geacht geen bezwaar te hebben.
4.
De Nederlandsche Bank doet binnen een maand na ontvangst van het advies, bedoeld in het tweede lid, of binnen een maand na verloop van de termijn, bedoeld in het derde lid, van haar beslissing mededeling aan de schadeverzekeraar.
1.
Het programma van werkzaamheden bevat:
a. een opgave van de aard van de risico’s die de schadeverzekeraar voornemens is te dekken;
b. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;
c. een raming van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet en bewijsstukken waaruit blijkt, dat het bijkantoor beschikt over de financiële middelen tot dekking daarvan, alsmede, indien een der te dekken risico’s behoort tot de branche Hulpverlening, een opgave van de ter beschikking van de schadeverzekeraar staande middelen voor het verstrekken van de overeengekomen hulp;
d. een raming voor de eerste drie boekjaren van de andere dan de in onderdeel c bedoelde kosten van beheer, met name van de algemene kosten en de provisies, van het bijkantoor;
e. een raming voor de eerste drie boekjaren van de premies en van de schaden van het bijkantoor; en
f. een raming voor de eerste drie boekjaren van de liquiditeitspositie van het bijkantoor.
2.
De schadeverzekeraar voegt bij het programma van werkzaamheden de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van elk der laatste drie boekjaren, tenzij sedert de oprichting van de onderneming van de schadeverzekeraar nog geen drie boekjaren zijn verstreken en:
a. de schadeverzekeraar is opgericht ingevolge een fusie van bestaande schadeverzekeraars; of
b. de schadeverzekeraar is opgericht door een of meer bestaande schadeverzekeraars voor de uitoefening van een bepaalde branche, waarin een van de betrokken schadeverzekeraars voordien werkzaam was.
3.
Het programma van werkzaamheden bevat een opgave van de solvabiliteitsmarge met betrekking tot het gehele in en buiten Nederland uitgeoefende verzekeringsbedrijf.
1.
In afwijking van artikel 3:118, eerste lid, onderdeel c, van de wet verleent de Nederlandsche Bank voor een overdracht van rechten en verplichtingen uit overeenkomsten aan een verzekeraar met zetel in Zwitserland geen toestemming alvorens de terzake bevoegde toezichthoudende autoriteit van Zwitserland heeft verklaard dat de overnemende verzekeraar, mede gelet op de voorgenomen overdracht, het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge bezit.
2.
In afwijking van artikel 3:118, derde lid, onderdeel a, van de wet kan de Nederlandsche Bank voor een overdracht als bedoeld in het eerste lid aan een verzekeraar met zetel in Zwitserland in het kader van diens bedrijfsuitoefening vanuit een in een andere lidstaat gelegen bijkantoor slechts toestemming verlenen, indien de terzake bevoegde toezichthoudende autoriteit van Zwitserland heeft verklaard dat het betrokken bijkantoor, mede gelet op de voorgenomen overdracht, beschikt over het minimumbedrag aan solvabiliteitsmarge.
Artikel 23
Artikel 3:68 van de wet is van toepassing op een bijkantoor in Nederland van een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland.
1.
Indien een bijkantoor in Nederland van een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 3:68 van de wet bepaalde met betrekking tot de technische voorzieningen, kan de Nederlandsche Bank de vrije beschikking door het bijkantoor over de waarden die betrekking hebben op zijn vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van schadeverzekeraar, beperken of hem verbieden om anders dan met machtiging van de Nederlandsche Bank te beschikken over deze waarden.
2.
Alvorens een beperking of een verbod als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen stelt de Nederlandsche Bank de toezichthoudende instantie van Zwitserland op de hoogte van haar voornemen.
3.
Een beperking of een verbod als bedoeld in het eerste lid kan de Nederlandsche Bank ook uitvaardigen, indien de toezichthoudende instantie van Zwitserland of van een andere lidstaat dan Nederland waar de schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland een vestiging heeft, dit verzoekt op grond van het feit dat het bijkantoor naar haar oordeel in soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in het eerste lid.
4.
Het bijkantoor kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
5.
De beperking of het verbod wordt door de Nederlandsche Bank door middel van een deurwaardersexploot aan de schadeverzekeraar bekend.
6.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod op zodra het bijkantoor weer voldoet aan de in het eerste lid bedoelde eisen of, wanneer de beperking of het verbod uitsluitend berust op het derde lid, zodra daartoe naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aanleiding bestaat, doch in elk geval zodra de in dat lid bedoelde toezichthoudende instantie de door haar opgelegde beperking of het verbod heeft opgeheven. De Nederlandsche Bank maakt de opheffing bekend aan het bijkantoor.
7.
De Nederlandsche Bank stelt de toezichthoudende instantie, bedoeld in het derde lid, alsmede de toezichthoudende instanties van de lidstaten waarnaar het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, vanuit Nederland diensten verricht in kennis van de uitvaardiging van de beperking of het verbod en de opheffing daarvan.
1.
De Nederlandsche Bank vaardigt een beperking of een verbod als bedoeld in artikel 24 uit ten aanzien van de hier te lande aanwezige waarden, indien de toezichthoudende instantie van Zwitserland dit verzoekt op grond van het feit dat de schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland naar haar oordeel in soortgelijke omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 3:136, tweede lid, van de wet.
2.
De schadeverzekeraar kan de ongeldigheid van een rechtshandeling, verricht in strijd met de beperking of het verbod, inroepen indien de wederpartij de maatregel kende of daarvan niet onkundig kon zijn.
3.
De Nederlandsche Bank heft de beperking of het verbod, bedoeld in het eerste lid, op zodra de toezichthoudende instantie van Zwitserland dit verzoekt. Zij maakt de opheffing bekend aan de schadeverzekeraar. Tevens doet de Nederlandsche Bank van het besluit tot opheffing van de beperking of het verbod mededeling aan de toezichthoudende instanties van de andere lidstaten waarheen de schadeverzekeraar vanuit Nederland diensten verricht.
Artikel 26
Paragraaf 3.5.5.3 van de wet is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een schadeverzekeraar met zetel in Zwitserland.
1.
De Nederlandsche Bank vraagt vooraf advies aan de Autoriteit Financiële Markten indien zij dient te beslissen op:
a. een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2:3.0d, eerste lid, 2:3.0i, eerste lid, 2:3.0m, eerste lid, van de wet teneinde te beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 3:73b, en 4:76a tot en met 4:76d van de weten aan krachtens de artikelen 17b en 18 van het Besluit prudentiële regels Wft gestelde regels voor zover die regels uitvoering geven aan internationaal aanvaarde standaarden inzake bestuur; of
b. een aanvraag als bedoeld in de artikel 37a van het Besluit prudentiële regels Wft, teneinde te beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 3:73b van de wet en aan de krachtens artikel 17b Besluit prudentiële regels Wft gestelde regels voor zover die regels uitvoering geven aan internationaal aanvaarde standaarden inzake bestuur.
2.
De Autoriteit Financiële Markten brengt het advies schriftelijk uit binnen zes weken na het verzoek.
3.
De Nederlandsche Bank volgt het advies, bedoeld in het eerste lid, tenzij zwaarwegende redenen betreffende de soliditeit van de aanvrager of de stabiliteit van het financiële stelsel naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aanleiding tot afwijking geven. Indien de Nederlandsche Bank overweegt af te wijken, stelt zij de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid om haar advies mondeling toe te lichten. De Nederlandsche Bank motiveert een afwijking schriftelijk.
4.
Het advies, bedoeld in het eerste lid, maakt deel uit van het besluit ten aanzien van de vergunning of de instemming.

Hoofdstuk 3. Ontheffingen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:5, vierde lid, van de wet
1.
Een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de wet, kan, onverminderd artikel 28, worden verleend indien;
a. de nakoming van alle verplichtingen van de aanvrager die zijn ontstaan door het in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen, wordt gegarandeerd door:
1°. een onderneming met een positief geconsolideerd eigen vermogen, waarvan de aanvrager dochtermaatschappij is;
2°. een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen of een bank met zetel in een door Onze Minister aan te wijzen staat waar toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van bank wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die deze wet beoogt te beschermen;
3°. de Staat der Nederlanden of een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; of
4°. een onderneming die behoort tot een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen categorie; of
b. de aanvrager een door de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten op grond van de wet verleende vergunning heeft.
2.
De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de wet, toont aan dat zal worden voldaan aan artikel 28, eerste lid, en legt ten aanzien van de in dat lid bedoelde personen de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 30; en
d. een opgave van referenten.
3.
De houder van de ontheffing verstrekt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Nederlandsche Bank de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in de artikelen 361, eerste lid, onderscheidenlijk 391, eerste lid, en 392, eerste lid, onderdelen a tot en met h, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
1.
Het beleid van een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de wet wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien binnen de houder van een ontheffing een orgaan is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de houder van een ontheffing wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
2.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in het eerste lid staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door een toezichthouder voor de toepassing van de wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.
3.
Op de vaststelling van de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 29 tot en met 33 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 28, eerste lid, buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 30
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 29, in ieder geval in aanmerking:
a. de in onderdelen 1 en 2 van de bijlage genoemde strafrechtelijke antecedenten;
b. de in onderdeel 3 van de bijlage genoemde financiële antecedenten;
c. de in onderdeel 4 van de bijlage genoemde toezichtantecedenten;
d. de in onderdeel 5 van de bijlage genoemde fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten; en
e. de in onderdeel 6 van de bijlage genoemde overige antecedenten.
1.
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 29 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. door de Landelijke Officier van Justitie verstrekte politiegegevens;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenten;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 28 bedoelde personen betrokken zijn geweest;
j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
2.
Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere onderzoek;
b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
1.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 29 staat niet buiten twijfel indien:
a. deze onherroepelijk veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage , waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
b. deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage , waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
c. deze veroordeeld is terzake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of
d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen terzake van een feit als genoemd in onderdeel 5 van de bijlage , en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
2.
De Nederlandsche bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 33, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.
Artikel 33
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 29, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de wet beoogt te beschermen; en
c. de overige belangen van de aanvrager en de betrokken persoon of personen.
1.
De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de wet:
a. informeert, alvorens een overeenkomst aan te gaan terzake van het in de uitoefening van een bedrijf buiten besloten kring aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van opvorderbare gelden van anderen dan professionele marktpartijen zijn wederpartij duidelijk en volledig over diens rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst;
b. deelt de Nederlandsche Bank schriftelijk en onverwijld nadat hij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen een wijziging mede in de gegevens die eerder door hemzelf of door een financiële onderneming aan een toezichthouder zijn verstrekt ten behoeve van de beoordeling van de ingevolge de wet gestelde eisen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in artikel 28, eerste lid; en
c. deelt de Nederlandsche Bank schriftelijk het voornemen tot wijziging van de personen bedoeld in artikel 28, eerste lid, mede.
2.
De houder van een ontheffing geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voordat de Nederlandsche Bank heeft vastgesteld dat de betrouwbaarheid van de betrokken persoon buiten twijfel staat. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent de betrouwbaarheid:
a. binnen zes weken na ontvangst van de mededeling; of
b. inden de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de mededeling om nadere gegevens heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de mededeling.
3.
Indien de Nederlandsche Bank een derde verzoekt om nadere gegevens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, geeft zij daarvan kennis aan de houder.
4.
Bij de mededeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, legt de houder ten aanzien van de betrokken persoon de volgende gegevens over:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in artikel 30; en
d. een opgave van referenten.
5.
Het tweede lid en het vierde lid, onderdelen b, c en d, zijn niet van toepassing indien de wijziging een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.

Hoofdstuk 4. Ondertoezichtstelling financiële instellingen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 3:110, tweede lid, van de wet
1.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 3:110, tweede lid van de wet wordt gedaan met gebruikmaking van het daartoe door de Nederlandsche Bank vastgestelde formulier dat op verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.
2.
Het aanvraagformulier en de daarbij ingevolge dit besluit te verstrekken gegevens worden in enkelvoud ingediend.
1.
De gegevens, bedoeld in dit besluit, worden in een zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door de Nederlandsche Bank mogelijk is.
2.
De opstellers van verklaringen en rapportages ondertekenen of waarmerken deze.
1.
De gegevens, bedoeld in artikel 3:110, tweede lid, van de wet zijn:
a. een opgave van de naam, het adres en het telefoon- en faxnummer van de bank of banken waarvan de financiële instelling dochtermaatschappij is;
b. een opgave van de naam, het adres en het telefoon- en faxnummer van de aanvrager;
c. een opgave van de rechtsvorm van de financiële instelling;
d. indien de aanvrager rechtspersoon is, een opgave van de statutaire zetel, de statutaire naam en de handelsnaam of handelsnamen;
e. indien de aanvrager is ingeschreven in het handelsregister, een opgave van het nummer van inschrijving;
f. indien aanwezig, een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de financiële instelling;
g. een opgave van de activiteiten die de aanvrager voornemens is te verrichten;
h. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:8 van de wet is bepaald met betrekking tot de deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de financiële instelling;
i. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 3:9 van de wet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen of onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de aanvrager;
j. een beschrijving van het voorgenomen beleid met betrekking tot de integere bedrijfsuitoefening als bedoeld in a rtikel 3:10, eerste lid, van de wet;
k. een beschrijving van de zeggenschapsstructuur aan de hand waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan artikel 3:16 van de wet;
l. een beschrijving van de inrichting van de bedrijfsvoering met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsuitoefening, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, van de wet;
m. een beschrijving van het geconsolideerde toezicht, bedoeld in artikel 3:31 van de wet; en
n. bescheiden waaruit het eigen vermogen, bedoeld in artikel 3:53, eerste lid, van de wet en de te verwachten solvabiliteit, bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet blijken.
2.
De gegevens, bedoeld in artikel 3:110, tweede lid, van de wet zijn voor een aanvrager die voornemens is beleggingsdiensten te verlenen, onverminderd het eerste lid, een beschrijving van:
a. de inrichting van de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 4:14 van de wet;
b. de maatregelen, bedoeld in artikel 4:87 van de wet; en
c. het voorgenomen beleid, bedoeld in 4:88 van de wet.
3.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, de nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de relevante diploma’s;
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
4.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de bijlage bij dit besluit; en
d. een opgave van referenten.
5.
Het eerste lid, onderdeel i, is niet van toepassing indien het een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wet door een toezichthouder reeds is vastgesteld.
Artikel 40
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 41
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit reikwijdtebepalingen Wft.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 12 oktober 2006
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de eenendertigste oktober 2006
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Definities
+ Hoofdstuk 2. Reikwijdte
+ Hoofdstuk 2a. Samenwerking tussen de toezichthouders
+ Hoofdstuk 3. Ontheffingen
+ Hoofdstuk 4. Ondertoezichtstelling financiële instellingen
+ Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken