Besluit van 24 juni 2008 tot vaststelling van regels ten aanzien van tegemoetkomingen en vergoedingen voor reis-, verblijf- en verhuiskosten van de politie (Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 mei 2008, nummer 2008-0000229974, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid;
Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2008, nr. W04.08.0203/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2008, nr. 2008-0000278080, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
d. LSOP: Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, bedoeld in artikel 2, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs;
e. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
f. plaats van tewerkstelling: de plaats van tewerkstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel v, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
Artikel 2. Samenloop
Indien uit anderen hoofde aanspraak bestaat op een tegemoetkoming, vergoeding of voorziening voor de in dit besluit bedoelde uitgaven, wordt de tegemoetkoming, vergoeding of voorziening, bedoeld in dit besluit, slechts toegekend tot het bedrag, waarmee deze de eerstbedoelde aanspraak overschrijdt.
1.
De ambtenaar heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen:
a. de woning en de plaats van tewerkstelling;
b. de woning en de aangewezen meerdere plaatsen van tewerkstelling, indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen van tewerkstelling zijn aangewezen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
c. de tijdelijke huisvesting en de plaats van tewerkstelling, indien aan de ambtenaar de verhuisplicht is opgelegd en hij tijdelijk elders is gehuisvest nabij zijn plaats van tewerkstelling;
d. de tijdelijke huisvesting of de woning en de plaats van tewerkstelling, indien het een ambtenaar betreft tijdens de initiële opleiding.
2.
De ambtenaar maakt eenmaal per kalenderjaar de keuze of hij voor de reizen als bedoeld in het eerste lid aanspraak maakt op:
a. een tegemoetkoming voor openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4 of
b. een tegemoetkoming voor eigen vervoer al of niet in combinatie met openbaar vervoer als bedoeld in artikel 6.
3.
Bij wijziging van plaats van tewerkstelling, werktijden of woonplaats wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld zijn keuze tussentijds te herzien.
1.
Voor reizen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, wordt door het bevoegd gezag een vervoersbewijs of een combinatie van vervoersbewijzen verstrekt op basis van het tarief van de tweede klasse van het betreffende openbaar vervoer voor één van de trajecten, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2.
Het bevoegd gezag kan in plaats van het gestelde in het eerste lid een tegemoetkoming verstrekken welke gelijk is aan de gemaakte kosten van openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede klasse van het betreffende openbaar vervoer voor één van de trajecten, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
3.
Indien de ambtenaar een vervoersbewijs wenst op basis van eerste klasse of indien de ambtenaar een vervoersbewijs wenst welke ruimere mogelijkheden biedt dan bedoeld in het eerste lid, komen de meerkosten hiervan voor rekening van de ambtenaar.
1.
De ambtenaar, aan wie een tegemoetkoming of een vervoersbewijs is verstrekt als bedoeld in artikel 4 dient zijn vervoersbewijzen direct na afloop van de geldigheid in te leveren bij het bevoegd gezag.
2.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, dient wijzigingen die van invloed zijn op het vervoersbewijs of de hoogte van de tegemoetkoming onverwijld en schriftelijk door te geven aan het bevoegd gezag.
3.
Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, nalaat de wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, niet uiterlijk de eerste van de maand waarin de wijziging plaatsvindt door te geven, kan het bevoegd gezag de teveel gemaakte kosten terugvorderen, tenzij de ambtenaar aannemelijk heeft kunnen maken dat hij niet in staat was de wijziging tijdig door te geven.
4.
Indien de ambtenaar, aan wie een vervoersbewijs is verstrekt als bedoeld in het eerste lid, voorziet dat hij twee maanden of langer afwezig is, wordt het verstrekte vervoersbewijs of combinatie van vervoersbewijzen vóór de periode van afwezigheid ingeleverd bij het bevoegd gezag.
5.
Indien de ambtenaar, aan wie een vervoersbewijs is verstrekt als bedoeld in het eerste lid, onvoorzien langer dan twee maanden afwezig is, wordt het verstrekte vervoersbewijs of combinatie van vervoersbewijzen direct na twee maanden van afwezigheid ingeleverd bij het bevoegd gezag.
6.
Indien de afwezigheid van de ambtenaar wordt veroorzaakt door de dienst, draagt het bevoegd gezag zorg voor inname van het vervoersbewijs.
1.
Voor reizen waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen vervoer en voor iedere combinatie van reizen met openbaar vervoer en reizen met eigen vervoer, wordt een tegemoetkoming van € 0,18 per afgelegde kilometer verstrekt.
2.
Voor de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geldt een maximum van 120 kilometer per enkele reis, met een maximum van 240 kilometer, heen- en terugreis, per dienst.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt aan de ambtenaar, die geleider is van een politiesurveillancehond of een politiespeurhond, die niet de beschikking heeft over een dienstvoertuig, en voor wie het noodzakelijk is dat hij in het kader van zijn dienstuitoefening met een politiesurveillancehond of een politiespeurhond met eigen vervoer reist, voor de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling of oefenterrein een tegemoetkoming van € 0,28 per afgelegde kilometer verstrekt.
4.
Indien één van de trajecten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, leidt over een brug, veer of weg waarvoor brug-, veer-, of tolgeld moet worden betaald, worden de daarvoor werkelijk gemaakte kosten volledig vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
5.
[Door vernummering vervallen.]
6.
Bij ministeriële regeling kan in geval van een reorganisatie als bedoeld in hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie, van de beperking van het maximum aantal kilometers enkele reis, zoals bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken ter voorkoming van negatieve financiële gevolgen voor de ambtenaar.
1.
Het bevoegd gezag bepaalt of de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 6, als vaste tegemoetkoming per maand of als tegemoetkoming op declaratiebasis wordt toegekend.
2.
Bij de berekening van de vaste tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een gemiddelde werkweek van vijf dagen uitgegaan van 206 werkdagen per kalenderjaar.
3.
Indien het aantal te werken dagen minder is dan vijf, wordt de vaste tegemoetkoming berekend naar rato.
4.
In het geval er sprake is van meerdere plaatsen van tewerkstelling, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie wordt de vaste tegemoetkoming per dienst bepaald door een gemiddelde afstand die de ambtenaar in een periode van vier weken moet afleggen.
5.
Het bevoegd gezag kan van de termijn, bedoeld in het vierde lid, bij een aspirant, afwijken indien het meer voor de hand ligt om het gemiddelde per kwartiel te berekenen.
6.
De vaste tegemoetkoming wordt stopgezet:
a. bij voorziene afwezigheid van zes weken of langer, veroorzaakt door zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof of een andere periode van langdurig buitengewoon verlof, met ingang van de eerste dag van en voor de duur van die afwezigheid;
b. bij onvoorziene afwezigheid van zes weken of langer, veroorzaakt door arbeidsongeschiktheid of ordemaatregel, met ingang van de eerste dag volgend op die periode van zes weken voor de duur van de resterende arbeidsongeschiktheid.
7.
De ambtenaar dient wijzigingen die van invloed zijn op de vaste tegemoetkoming onverwijld en schriftelijk door te geven aan het bevoegd gezag.
8.
Het bevoegd gezag kan de te veel betaalde tegemoetkoming terugvorderen, indien de ambtenaar nalaat de wijzigingen, bedoeld in het zevende lid, niet uiterlijk de eerste van de maand waarin de wijziging plaatsvindt door te geven, tenzij de ambtenaar aannemelijk heeft kunnen maken dat hij niet in staat was de wijziging tijdig door te geven.
9.
Geen aanspraak op tegemoetkoming dan wel een vergoeding in reiskosten bestaat indien de aanvraag of de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij het overschrijden van de termijn niet aan de ambtenaar verwijtbaar is.
Artikel 7a
De tegemoetkoming op grond van artikel 6 en de tegemoetkoming op grond van artikel 64 Besluit algemene rechtspositie politie, derde en vierde lid, bedragen tezamen €0,28 cent per afgelegde meerkilometer.
1.
Onder dienstreis wordt in deze paragraaf verstaan: het door de ambtenaar, in het kader van zijn werkzaamheden, reizen en verblijven binnen Nederland en buiten de plaats van tewerkstelling.
2.
Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen van tewerkstelling zijn aangewezen op grond van artikel 10, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt wanneer de ambtenaar binnen één dienst reist tussen de aangewezen plaatsen van tewerkstelling, deze reis aangemerkt als dienstreis. De dienstreis eindigt in dit geval op het moment dat de ambtenaar zijn andere plaats van tewerkstelling heeft bereikt.
3.
Dienstreizen die binnen Nederland zijn begonnen, waarbij het reisgedeelte buiten Nederland gering is, of waarbij de grensoverschrijding niet leidt tot uitgaven voor maaltijden of overnachting in het buitenland worden eveneens aangemerkt als dienstreis.
1.
Voor de tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten wordt uitgegaan van de plaats van tewerkstelling als begin- en eindpunt van een dienstreis.
2.
Het bevoegd gezag kan van het gestelde in het eerste lid afwijken door de woning van de ambtenaar als begin- en/of eindpunt van de dienstreis aan te wijzen.
1.
Wordt de dienstreis gemaakt met een door de dienst beschikbaar gesteld vervoermiddel, dan heeft de ambtenaar geen aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten.
2.
Het bevoegd gezag en de ambtenaar kunnen overeenkomen dat het door de dienst beschikbaar gesteld vervoermiddel, bedoeld in het eerste lid, een fiets is.
3.
Het bevoegd gezag kan bepalen dat de ambtenaar tijdens de dienstreis gebruik maakt van een door het bevoegd gezag gehuurd vervoermiddel of een taxi. De hieraan verbonden kosten worden aan de ambtenaar vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
4.
Indien de ambtenaar gebruik maakt van een dienstvoertuig of een door de dienst gehuurd vervoermiddel en er tijdens de dienstreis parkeer-, brug-, tol-, of veerkosten worden gemaakt, worden de gemaakte kosten volledig vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
1.
Indien er geen door de dienst beschikbaar gesteld vervoermiddel voorhanden is, wordt de dienstreis met openbaar vervoer gemaakt. De ambtenaar kan gebruikmaken van de eerste vervoersklasse.
2.
Indien het noodzakelijk is, dat tijdens een dienstreis vóór of na gebruik van het openbaar vervoer gebruik wordt gemaakt van een taxi of eigen vervoer, worden deze kosten eveneens vergoed.
3.
De vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt:
a. voor het openbaar vervoer, de werkelijk gemaakte kosten op basis van de overgelegde bewijsstukken;
b. voor een taxi, de werkelijk gemaakte kosten op basis van de overgelegde bewijsstukken;
c. voor het eigen motorvoertuig, € 0,28 per kilometer;
d. voor het gebruik van een fiets of bromfiets, € 0,18 per kilometer.
1.
In afwijking van de artikelen 10 en 11 en indien door het bevoegd gezag aan de ambtenaar is verzocht voor het maken van de dienstreis gebruik te maken van een eigen vervoermiddel en de ambtenaar heeft hiermee ingestemd, ontvangt de ambtenaar per afgelegde kilometer een vergoeding van:
a. € 0,28 voor het gebruik van een eigen motorvoertuig;
b. € 0,18 voor het gebruik van een eigen fiets of bromfiets.
2.
Indien de ambtenaar overeenkomstig het eerste lid gebruik maakt van een eigen motorvoertuig en er tijdens de dienstreis parkeer-, brug-, tol-, of veerkosten worden gemaakt, worden de gemaakte kosten volledig vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
3.
Indien door de ambtenaar aan het bevoegd gezag is verzocht om voor het maken van de dienstreis gebruik te maken van een eigen motorvoertuig, fiets of bromfiets, terwijl het bevoegd gezag in vervoer kan voorzien dan wel gebruik kan worden gemaakt van het openbaar vervoer, en de ambtenaar heeft hiervoor toestemming gekregen, ontvangt de ambtenaar per afgelegde kilometer een vergoeding van € 0,09.
1.
Aan de ambtenaar wordt bij een dienstreis langer dan vier uren een vergoeding toegekend voor tijdens die dienstreis gemaakte verblijfkosten.
2.
De maximale vergoeding in verblijfkosten als bedoeld in het eerste lid kan uit zes componenten bestaan, voor ieder etmaal dat de dienstreis duurt:
a. de dagcomponent voor kleine uitgave overdag: € 4,66;
b. de avondcomponent voor kleine uitgave ’s avonds, mits de ambtenaar voor de dienstreis elders moet overnachten: € 13,91;
c. de lunchcomponent, als de periode tussen 12.00 en 14.00 uur in de dienstreis valt: € 14,62;
d. de dinercomponent als de ambtenaar tussen 17.00 uur en 20.00 uur niet thuis kan eten omdat de dienstreis in die tijd valt: € 22,12 voor een diner;
e. de logiescomponent, mits de ambtenaar voor de dienstreis elders moet overnachten: € 90,14;
f. de ontbijtcomponent, mits de ambtenaar voor de dienstreis elders moet overnachten: € 8,80.
3.
De ambtenaar heeft geen aanspraak op een vergoeding in de verblijfkosten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wanneer de ambtenaar in de gelegenheid is een al of niet meegebrachte maaltijd te eten in een bedrijfskantine binnen een gebouw van de politieorganisatie of het LSOP.
4.
Voor vergoedingen op basis van het tweede lid, onderdelen c, d, e en f geldt dat, met inachtneming van de maximale bedragen genoemd in het tweede lid, de werkelijk gemaakte kosten worden vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
5.
Bij een meerdaagse dienstreis kan de avondcomponent niet langer dan voor de eerste tien avonden volledig worden toegekend. Voor iedere etmaal dat de dienstreis langer duurt wordt het bedrag van de avondcomponent gehalveerd.
1.
Indien een ambtenaar overeenkomstig artikel 62 van het Besluit algemene rechtspositie politie wordt gedetacheerd en op een andere plaats van tewerkstelling werkzaam is, en indien dagelijks heen en weer reizen tussen de woning en de plaats van tijdelijke tewerkstelling naar het oordeel van het bevoegd gezag niet mogelijk is, heeft de ambtenaar aanspraak op vergoeding van kosten voor logies, welke gelijk is aan het bedrag van de werkelijke gemaakte kosten met een maximum van € 90,14 per dag, op basis van overgelegde bewijsstukken.
2.
In geval van een situatie als bedoeld in het eerste lid heeft de ambtenaar tevens aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor maaltijden en kleine uitgaven. Deze tegemoetkoming is gelijk aan 50% van de kosten met een maximum van 50% van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 13 van dit besluit.
3.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, heeft maximaal eenmaal per week aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten naar zijn oorspronkelijke woning. De tegemoetkoming is gelijk aan de kosten voor openbaar vervoer in de tweede vervoersklasse of, bij gebruik van eigen vervoer € 0,18 per kilometer.
4.
Indien de ambtenaar een vervoersbewijs wenst op basis van eerste klasse of indien de ambtenaar een vervoersbewijs wenst welke ruimere mogelijkheden biedt dan bedoeld in het derde lid, komen de meerkosten hiervan voor rekening van de ambtenaar.
1.
De aspirant heeft aanspraak op vergoeding van kosten voor tijdelijke huisvesting, die gelijk is aan 90% van het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten met een maximum van € 372,55 per maand, indien:
a. naar het oordeel van het bevoegd gezag de aspirant niet dagelijks heen en weer kan reizen tussen de woning en de plaats waar de initiële opleiding wordt gevolgd; en
b. het bevoegd gezag geen voorziening voor verblijf in de omgeving van de plaats waar de initiële opleiding wordt gevolgd, aan de aspirant verstrekt.
2.
De aspirant, bedoeld in het eerste lid, heeft maximaal eenmaal per week aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten naar zijn oorspronkelijke woning. De tegemoetkoming is gelijk aan de kosten voor openbaar vervoer in de tweede vervoersklasse of, bij gebruik van eigen vervoer, € 0,18 per kilometer.
3.
Indien de aspirant een vervoersbewijs wenst op basis van eerste klasse of indien de aspirant een vervoersbewijs wenst welke ruimere mogelijkheden biedt dan bedoeld in het tweede lid, komen de meerkosten hiervan voor rekening van de aspirant.
4.
De vergoedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verstrekt op basis van overgelegde bewijsstukken.
1.
De ambtenaar declareert de reis- en verblijfkosten op de voorgeschreven wijze onder overlegging van de vereiste bewijsstukken.
2.
Indien blijkt dat bij de ingediende reisdeclaratie is afgeweken van de regels in dit besluit, wordt de reisdeclaratie ambtshalve gewijzigd en wordt het bedrag waarop aanspraak kan worden gemaakt, bepaald naar die op de reisdeclaratie ambtshalve gewijzigde gegevens.
3.
Geen aanspraak op een vergoeding van reiskosten bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij het overschrijden van de termijn niet aan de ambtenaar verwijtbaar is.
Artikel 16. Dienstreis
Onder dienstreis wordt in deze paragraaf verstaan: een reis naar, in of uit het buitenland wanneer daartoe door het bevoegd gezag een opdracht is gegeven. In bijzondere gevallen kan een dergelijke opdracht ook achteraf worden gegeven.
Artikel 17. Vervoermiddelen
De ambtenaar maakt bij een dienstreis gebruik van één of meer van de volgende vervoermiddelen:
a. vliegtuig, boot of openbaar vervoer;
b. het door het bevoegd gezag ter beschikking gestelde vervoermiddel;
c. gehuurd vervoermiddel of taxi.
1.
Bij gebruik van vliegtuig, boot en openbaar vervoer worden de reiskosten die in verband met de dienstreis noodzakelijkerwijs zijn gemaakt op basis van de overgelegde bewijsstukken vergoed.
2.
Bij gebruik van een vliegtuig, boot of openbaar vervoer mag als volgt worden gereisd:
a. een vliegreis binnen Europa: in economy class;
b. een vliegreis buiten Europa: in business class;
c. bij gebruik van een boot of openbaar vervoer met vervoerklassen: de hoogste klasse.
3.
Indien het dienstbelang of de reisomstandigheden daartoe aanleiding geven, worden tevens als reiskosten vergoed:
a. toeslag voor bijzondere treinen;
b. plaatsreserveringskosten in treinen;
c. kosten voor het gebruik van een slaapwagen;
d. kosten voor slaapgelegenheid op een boot;
e. extra kosten voor bagage;
f. kosten van het vervoer van het station, de haven of het vliegveld van aankomst naar de plaats van bestemming op de heen- en terugreis;
g. kosten van luchthavenrechten;
h. kosten voor het verkrijgen van een voor de dienstreis noodzakelijk visum.
Artikel 19. Het door het bevoegd gezag ter beschikking gestelde vervoermiddel
Indien het bevoegd gezag aan de ambtenaar een vervoermiddel ter beschikking stelt, maakt de ambtenaar van het desbetreffende vervoermiddel gebruik, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. De werkelijk gemaakte kosten bij het gebruik van een ter beschikking gesteld vervoermiddel worden aan de ambtenaar vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
Artikel 20. Openbaar vervoer, gehuurd vervoermiddel of taxi
Indien het noodzakelijk is dat de ambtenaar tijdens de dienstreis gebruik maakt van openbaar vervoer, een gehuurd vervoermiddel of een taxi, worden de hieraan verbonden kosten aan de ambtenaar vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.
1.
Aan de ambtenaar kan bij een dienstreis van minimaal drie maanden toestemming worden verleend om met gebruik van openbaar vervoer, vliegtuig, boot of eigen vervoer, voor één of meer bezoeken van korte duur naar zijn woonplaats terug te keren.
2.
Aan de ambtenaar worden de reiskosten als volgt vergoed:
a. bij vliegtuig: economy class;
b. bij openbaar vervoer of een boot: de laagste vervoersklasse.
3.
Artikel 18, derde lid, onderdelen a tot en met f, is van overeenkomstige toepassing.
1.
De ambtenaar ontvangt een tegemoetkoming in de in verband met een dienstreis door hem gemaakte verblijfkosten voor maaltijd, logies en kleine uitgaven.
2.
Voor de berekening van de tegemoetkoming geldt de tarieflijst, opgenomen in bijlage I bij dit besluit, voor de verschillende gebieden waar wordt gereisd.
3.
De tegemoetkoming in de verblijfkosten bestaat uit:
a. de urencomponent voor kleine uitgaven, ter grootte van 1,5% van het bedrag voor overige kosten opgenomen in de tarieflijst, voor ieder uur dat de dienstreis duurt;
b. de logiescomponent, voor gemaakte logieskosten, per overnachting tot maximaal het in de tarieflijst opgenomen bedrag, met dien verstande dat indien een bewijsstuk niet kan worden overlegd waaruit blijkt dat logieskosten zijn gemaakt, een bedrag wordt uitgekeerd van € 11,34 per overnachting tot een maximum van vier overnachtingen per dienstreis;
c. de ontbijtcomponent, ter grootte van 12% van het bedrag voor overige kosten, opgenomen in de tarieflijst voor iedere periode van 06.00 uur tot 08.00 uur die binnen de dienstreis valt;
d. de lunchcomponent ter grootte van 20% van het bedrag voor overige kosten, opgenomen in de tarieflijst voor iedere periode van 12.00 tot 14.00 uur die binnen de dienstreis valt;
e. de dinercomponent, ter grootte van 32% van het bedrag voor overige kosten, opgenomen in de tarieflijst voor iedere periode van 17.00 tot 20.00 uur die binnen de dienstreis valt.
4.
Indien een bewijsstuk van kosten voor logies en ontbijt wordt overgelegd waaruit niet blijkt welk deel van de kosten voor logies en welk deel van de kosten voor ontbijt zijn gemaakt, worden de op het bewijsstuk vermelde kosten vergoed, voor zover deze niet meer bedragen dan de som van de tegemoetkomingen, genoemd in het derde lid, onderdelen b en c.
Artikel 23. Nadere voorwaarden voor verblijfkosten
De ambtenaar ontvangt geen tegemoetkoming in verblijfkosten:
a. voor een reisgedeelte per vliegtuig voor zover het betreft vliegreizen in de businessklasse;
b. voor de periode dat een ambtenaar voor een bezoekreis als bedoeld in artikel 21 in zijn woonplaats verblijft.
1.
Indien door een medisch deskundige aan de ambtenaar vaccinatie of geneesmiddelen zijn voorgeschreven in verband met de dienstreis, worden de kosten daarvan aan de ambtenaar vergoed.
2.
Indien een ambtenaar aantoont dat hij tijdens een dienstreis als gevolg van ziekte of van een ongeval kosten heeft moeten maken, kan hiervoor door het bevoegd gezag een vergoeding worden toegekend voor zover de kosten ten laste van de ambtenaar blijven.
3.
Indien door het bevoegd gezag niet reeds daarin is voorzien, worden aan de ambtenaar vergoed de redelijkerwijs gemaakte kosten van een reisverzekering voor de duur van de dienstreis.
4.
Voor de kosten die voor rekening van de ambtenaar blijven in het geval de ambtenaar deze als gevolg van verlies, diefstal of beschadiging van voor de dienstreis meegenomen noodzakelijke bagage heeft moeten maken, kan een tegemoetkoming worden uitgekeerd tot maximaal € 2268,90 netto per dienstreis.
5.
Aan de ambtenaar die een dienstreis maakt van minimaal vier dagen, de reisdagen inbegrepen, worden de kosten vergoed van de noodzakelijk gemaakte kosten voor het wassen van de eigen kleding.
6.
De in verband met een dienstreis gemaakte kosten voor interlokale en internationale telefoongesprekken en voor gebruik van internet voor dienstdoeleinden worden op basis van overgelegde bewijsstukken vergoed. Indien geen bewijsstukken worden overgelegd, moet de ambtenaar aannemelijk maken dat hij die kosten heeft gemaakt.
7.
Indien klimatologische of andere bijzondere omstandigheden in een tijdens een dienstreis te bezoeken land daartoe aanleiding geven, kan aan de ambtenaar een vergoeding worden toegekend in de aangetoonde en noodzakelijk gemaakte kosten voor bijzondere kleding en uitrusting. De vergoeding bedraagt de helft van de noodzakelijk gemaakte kosten van aanschaf van bijzondere kleding en uitrusting. Per kalenderjaar bedraagt de vergoeding maximaal € 453,78, waarvan € 226,89 voor gebieden met tropische warmte en € 226,89 voor gebieden met polaire koude, waartoe in ieder geval de gebieden, genoemd in bijlage II bij dit besluit, worden gerekend.
Artikel 25. Declaraties
Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.
1.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. eigen huishouding voeren: het zelfstandig bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering;
b. voor het eerst aangesteld: aangesteld bij het landelijk politiekorps, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012, bij de rijksrecherche, bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 2012, of bij het LSOP, anders dan in geval van overgang binnen één maand:
1. van de ene naar de andere hiervoor genoemde (politie)organisatie;
2. van een andere overheidsdienst of een door het Rijk bekostigde onderwijsinstelling naar het landelijk politiekorps, bedoeld in artikel 25, eerste lid van de Politiewet 2012, de rijksrecherche of het LSOP.
2.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de echtgenote of echtgenoot mede verstaan: de geregistreerde partner of de levenspartner met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont – en met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voert op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.
1.
De ambtenaar die in verband met een verplaatsing of aanstelling in opdracht van het bevoegde gezag is verhuisd en een woning in of nabij een reisafstand van 20 kilometer van zijn plaats van tewerkstelling heeft betrokken, wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend overeenkomstig de artikelen 29 tot en met 31.
2.
De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die nog niet is verhuisd en die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension in of nabij het werkgebied, tenzij van overheidswege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien. De tegemoetkoming bedraagt voor de ambtenaar die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige ambtenaren 60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten redelijk zijn.
3.
De ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten voor maximaal eenmaal per week af te leggen gezinsbezoek of voor het reizen naar de woning van de ambtenaar. De tegemoetkoming is gelijk aan de kosten voor openbaar vervoer in de tweede vervoersklasse of, bij gebruik van eigen motorvoertuig € 0,18 per kilometer.
4.
Geen tegemoetkoming in verhuiskosten wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.
1.
De ambtenaar die zich met een verhuizing, zonder dat daartoe opdracht is gegeven door het bevoegd gezag, heeft gevestigd binnen een reisafstand van 20 kilometer van zijn plaats van tewerkstelling wordt een tegemoetkoming in de verhuiskosten verleend overeenkomstig de artikelen 29 tot en met 31, indien de reisafstand tussen de oude woning en de plaats van tewerkstelling ten minste 50 kilometer bedraagt.
2.
De ambtenaar dient de hem op grond van het eerste lid toegekende tegemoetkoming in verhuiskosten terug te betalen, indien binnen drie jaren na de verhuizing één van de volgende omstandigheden zich voordoet:
a. aan hem wordt ontslag op aanvraag verleend, anders dan ontslag waarna binnen één maand wordt overgegaan naar een landelijke of regionale eenheid, rijksrecherche of naar het LSOP, tenzij de ambtenaar als gevolg van die overgang opnieuw moet verhuizen met aanspraak op tegemoetkoming in de verhuiskosten;
b. aan hem wordt ontslag verleend op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden;
c. hij verhuist opnieuw, waarbij de afstand tussen zijn woning en zijn plaats van tewerkstelling met meer dan vijf kilometer toeneemt.
3.
Indien op grond van het tweede lid een terugbetalingsverplichting bestaat, wordt de hoogte van het terug te betalen bedrag berekend als volgt:
a. in het eerste jaar na de verhuizing 100% van de tegemoetkoming;
b. in het tweede jaar na de verhuizing 50% van de tegemoetkoming;
c. in het derde jaar na de verhuizing 25% van de tegemoetkoming.
4.
De tegemoetkoming op grond van dit artikel wordt slechts toegekend, indien de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen hem bekend is.
1.
De tegemoetkoming in verhuiskosten, voor een verhuizing binnen Nederland, bestaat uit een bedrag voor:
a. de kosten van transport van de bagage en van de inboedel van de ambtenaar en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning;
b. de kosten van het in- en uitpakken van de gehele inboedel evenals de kosten van demontage en montage van het meubilair;
c. de noodzakelijk te maken dubbele woonkosten tot maximaal € 600,00 per maand voor een periode van maximaal vier maanden en uitgaande van de kosten van de oude woning;
d. alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten.
2.
Voor het vaststellen van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, geldt:
a. het bedrag wordt gesteld op 3% van de berekeningsbasis, bedoeld in artikel 30, voor ieder woon- of slaapvertrek tot een maximum van vier vertrekken die de oude woning telt;
b. de tegemoetkoming bedraagt maximaal € 5.445,00.
3.
Geen aanspraak op een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, bestaat indien de ambtenaar geen eigen huishouding voert.
4.
Voor de ambtenaar die geen eigen huishouding voert en indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan door het bevoegd gezag voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden toegekend van 3% van de berekeningsbasis, als bedoeld in artikel 30.
5.
Indien aan de ambtenaar door het bevoegd gezag is medegedeeld dat de verplaatsing maximaal twee jaren zal duren, bestaat slechts aanspraak op vergoeding van transportkosten van de bagage. Voorts kan het bevoegd gezag, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, een tegemoetkoming als bedoeld in eerste lid, onderdeel d, toekennen van 3% van de berekeningsbasis als bedoeld in artikel 30.
1.
De berekeningsbasis voor de tegemoetkoming in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 29, is het twaalfvoud van de bezoldiging in de zin van het Besluit bezoldiging politie die de ambtenaar geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 23 van het Besluit bezoldiging politie, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 25b van het Besluit bezoldiging politie. Indien er sprake is van gehele of gedeeltelijke werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, dan wel prepensionering of levensloopverlof geldt de bezoldiging zoals die zou zijn genoten indien er geen sprake was geweest van gehele of gedeeltelijke werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, dan wel prepensionering of levensloopverlof.
2.
Het berekeningstijdstip voor de tegemoetkoming in de verhuiskosten is de datum waarop de ambtenaar verhuist óf, als de ambtenaar is verhuisd vóór de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling óf bij het overlijden dan wel ontslag van de ambtenaar de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd genoten.
3.
Voor de toepassing van de in het eerste lid bedoelde berekeningsbasis wordt, indien de ambtenaar een toelage geniet als bedoeld in de artikelen 14, 15 of 18 van het Besluit bezoldiging politie dit bezoldigingsdeel vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar gedurende de drie kalendermaanden voorafgaande aan het berekeningstijdstip gemiddeld per maand aan deze toelagen heeft genoten.
4.
Indien de ambtenaar en zijn echtgenoot of echtgenote beiden in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten, wordt aan beide echtgenoten een evenredig deel van de tegemoetkoming toegekend, berekend over het gemiddelde van de gezamenlijke berekeningsgrondslag.
5.
De tegemoetkoming in de verhuiskosten op grond van dit besluit, wordt voor de ambtenaar die voor het eerst is aangesteld, verminderd met 50%.
1.
De aanvraag voor tegemoetkoming in de verhuiskosten dient vóór de datum van verhuizing bij het bevoegd gezag te zijn ingediend.
2.
De ambtenaar die het transport van zijn inboedel door een verhuizer laat verzorgen, laat het transport uitvoeren op de voor het bevoegd gezag minst kostbare wijze.
3.
Het bevoegd gezag kan in afwijking van het tweede lid één verhuizer aanwijzen.
4.
De ambtenaar die het transport van zijn inboedel in eigen beheer uitvoert, heeft aanspraak op een tegemoetkoming in huur- en brandstofkosten van een bestel- of vrachtauto.
5.
Indien het transport van zijn inboedel in eigen beheer anders dan op de wijze, bedoeld in het vierde lid, plaatsvindt, bestaat er aanspraak op een vergoeding van € 0,18 per kilometer, met dien verstande dat niet meer dan twee ritten van en naar de nieuwe woning worden vergoed.
6.
De ambtenaar declareert de op grond van het vierde en vijfde lid gemaakte huurkosten van een auto, vergezeld van de rekening van het verhuurbedrijf, binnen zes maanden bij het bevoegd gezag.
7.
De ambtenaar declareert de kosten van verhuizing en, indien van toepassing, de kosten van dubbele woonlasten zo spoedig mogelijk doch maximaal zes maanden na de verhuizing onder overlegging van de desbetreffende rekeningen en opgevraagde offertes.
1.
In aanvulling op artikelen 29 tot en met 31, omvat de verhuiskostenvergoeding in geval van dubbele woonlasten voor een politiechef van een regionale eenheid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Politiewet 2012, welke tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2014 een verzoek daartoe indient, een tegemoetkoming in de kosten voor de duur van ten hoogste twee jaar. Indien de politiechef voordat hij aanspraak maakt op deze tegemoetkoming, gebruik heeft gemaakt van de vergoeding van pensionkosten, bedoeld in artikel 27, tweede lid, wordt de periode waarin daarvan gebruik is gemaakt, in mindering gebracht op de in de eerste zin genoemde maximale duur. Deze periode wordt eerst in mindering gebracht op het eerste jaar, bedoeld in het tweede lid. Tevens vervalt het recht op de vergoeding voor pensionkosten.
2.
De tegemoetkoming bestaat uit het bedrag van de daadwerkelijk gemaakte kosten van de huisvesting en bedraagt het eerste jaar ten hoogste 18% en het tweede jaar ten hoogste 15% van de bezoldiging met een maximum van € 1.552,79 per maand.
3.
Onder de daadwerkelijk gemaakte kosten van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, worden verstaan:
a. het bedrag van de huur van de (tijdelijke) woning in het werkgebied van de regionale eenheid waar de politiechef is aangesteld, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water; of
b. de rente van schulden ter verwerving van de woning in het werkgebied van de regionale eenheid waar de politiechef is aangesteld, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water.
4.
De tegemoetkoming gaat in op de eerste dag van de maand na de benoeming waarop de dubbele woonlasten ontstaan, maar niet eerder dan op de eerste dag van de maand waarop de tegemoetkoming wordt aangevraagd, en eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de woning waar de politiechef tot zijn aanstelling woonde, is verkocht, of na afloop van de in het eerste lid bedoelde maximale duur. De datum van verkoop wordt bepaald op de dag dat de akte betreffende de overdracht van de woning bij de notaris is gepasseerd.
5.
De tegemoetkoming wordt slechts verleend indien:
a. de politiechef in het werkgebied van de regionale eenheid binnen een jaar na zijn aanstelling een woning huurt of koopt; en
b. de woning waar de politiechef tot zijn aanstelling woonde kenbaar in de verkoop staat en de rente van de schulden ter verwerving van die woning drukt op het huishouden van de politiechef.
6.
De eventuele verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over de tegemoetkoming worden door de regionale eenheid aan de politiechef vergoed.
Artikel 35. Mogelijkheid tot het vaststellen van nadere regels
Onze Minister kan in afwijking van dit besluit nadere regels vaststellen ten aanzien van een door hem aan te wijzen groep van ambtenaren, indien de afwijking strekt tot het vermijden van onbillijkheden van overwegende aard welke uit de toepassing van deze regels zouden voortkomen.
1.
Voor het vaststellen van alle reisafstanden in dit besluit, wordt gebruik gemaakt van een door Onze Minister aangewezen routeplanner.
2.
De routeplanner wordt met inachtneming van de volgende bepalingen gebruikt:
a. de snelste route van de routeplanner bepalend is;
b. de afstand wordt gemeten met behulp van de postcodes en bestemmingsnummers van het begin- en eindpunt van één van de trajecten als bedoeld in dit besluit;
c. de route niet leidt over zandwegen, karrensporen of keienpaden tenzij dit onvermijdelijk is;
d. het naleven van verkeersregels staat voorop bij het bepalen van de snelste route;
e. de tijd dat de ambtenaar verblijft op een veer wordt meegerekend bij het bepalen van de snelste route;
f. indien bij het verschijnen van een nieuwe versie van de routeplanner, de route een gewijzigde reisafstand geeft, is die reisafstand bepalend voor de aanspraak.
Artikel 37. Constatering van onbillijkheden
Het bevoegd gezag kan besluiten om in individuele gevallen af te wijken van het gestelde in dit besluit, indien de afwijking strekt tot het vermijden van onbillijkheden van overwegende aard welke uit de toepassing van deze regels zouden voortkomen.
1.
De bedragen, genoemd in de artikelen 13, tweede lid, 14, eerste lid, en 14a, eerste lid, worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd, overeenkomstig de geschoonde consumentenprijsindex voor restaurants en accommodaties, vastgesteld door het Centraal bureau voor de statistiek.
2.
De bijlage , bedoeld in artikel 22, tweede lid, wordt per 1 april en 1 oktober van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd, overeenkomstig de Schedules of Daily Subsistence Allowance Rates van de Verenigde Naties van 1 januari respectievelijk 1 juli van dat kalenderjaar.
Artikel 39
Het Besluit vergoeding verplaatsingskosten politie en het Besluit vergoeding dienstreizen politie worden ingetrokken.
Artikel 40. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2008.
Artikel 41. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 24 juni 2008
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ,
Uitgegeven de zevenentwintigste juni 2008
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Woon-werkverkeer
+ Hoofdstuk III. Dienstreizen
+ Hoofdstuk IV. Verhuizen
+ Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht