Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2013. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011

Uitgebreide informatie
Besluit van 27 september 2010, houdende regels met betrekking tot de financiële ondersteuning van eigenaren van beschermde monumenten ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten (Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 juni 2010, nr. WJZ/212089 (8278), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 34 van de Monumentenwet 1988;
De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2010, nr. W05.10.0212/l);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 september 2010, nr. WJZ/227592 (8278), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Monumentenwet 1988 ,
b. eigenaar: natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een beschermd monument,
c. subsidiabele kosten: kosten die naar het oordeel van Onze minister noodzakelijk zijn om een beschermd monument in stand te houden,
d. instandhoudingsplan: instandhoudingsplan als bedoeld in artikel 11,
e. inspectierapport: rapport met betrekking tot een beschermd monument dat de technische of fysieke staat van dat monument beschrijft, en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie,
f. woonhuizen: beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen die in oorsprong zijn vervaardigd voor bewoning of die thans voor meer dan de helft van de oppervlakte voor bewoning in gebruik zijn, met dien verstande dat niet als woonhuizen worden aangemerkt: woonhuizen die als museum zijn geregistreerd, kerkgebouwen, kastelen, paleizen, het hoofdhuis van buitenplaatsen, landhuizen, gebouwen van liefdadigheid, molens, gemalen, agrarische gebouwen en watertorens,
g. kerkgebouw: beschermd monument of zelfstandig onderdeel, dat in oorsprong uitsluitend of voor een overwegend deel is vervaardigd voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging,
h. zelfstandig onderdeel: onderdeel van een beschermd monument dat:
1°. is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid,
2°. is aan te merken als een toren van een kerkgebouw,
3°. deel is van een park- of tuinaanleg, dan wel andere aanleg, dat aan één eigenaar behoort, of
4°. deel is van een beschermd archeologisch monument, welk deel aan één eigenaar behoort, en
i. aangewezen organisaties voor monumentenbehoud: organisaties als bedoeld in artikel 33.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onderscheid gemaakt in categorieën beschermde monumenten en zelfstandige onderdelen. De onderscheiden categorieën zijn:
a. woonhuizen,
b. kerkgebouwen, en
c. overige.
1.
Onze minister draagt er zorg voor dat eigenaren van woonhuizen een lening kunnen verkrijgen ter financiering van de kosten van de instandhouding van het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel, met dien verstande dat:
a. de lening kan worden verstrekt met als zekerheid het recht van hypotheek op het beschermd monument,
b. de fiscaal aftrekbare onderhoudskosten zoals die door de Belastingdienst worden gehanteerd, als grondslag dienen voor het bepalen van de hoogte van de lening,
c. het maximumbedrag per lening en de voorwaarden waaronder de lening wordt verstrekt, worden bekendgemaakt in de Staatscourant,
d. voor een eigenaar die recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten heeft, de lening maximaal 70% van de vastgestelde fiscaal aftrekbare onderhoudskosten bedraagt,
e. voor een eigenaar die geen recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten kan genieten, de lening maximaal 100% van de voor de hoogte van de lening door de Belastingdienst fictief vastgestelde fiscaal aftrekbare onderhoudskosten bedraagt, en
f. Onze minister een bedrag kan vaststellen dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van leningen.
2.
Provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die zijn ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen , komen niet in aanmerking voor een lening als bedoeld in het eerste lid.
3.
Onze minister kan de eigenaar die geen recht op fiscale aftrek van onderhoudskosten heeft, verplichten een verklaring van de Belastingdienst te overleggen, waarin is vastgesteld dat geen aftrek mogelijk is.
1.
Onze minister kan voor een periode van zes kalenderjaren aan de eigenaar van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel.
2.
Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de subsidiabele kosten.
1.
Voor subsidie op grond van dit hoofdstuk komen in aanmerking:
a. aangewezen organisaties voor monumentenbehoud,
b. provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die zijn ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen , en
c. overige eigenaren voor zover zij eigenaar zijn van andere beschermde monumenten dan woonhuizen.
2.
Eigenaren als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, kunnen in plaats van subsidie een lening als bedoeld in artikel 2 aanvragen, met dien verstande dat een eigenaar waarvan een subsidieaanvraag in enig jaar is afgewezen, in datzelfde jaar niet alsnog een lening kan aanvragen.
Artikel 5. Subsidieplafonds
Onze minister kan ieder jaar een of meer subsidieplafonds vaststellen voor het verstrekken van subsidie.
1.
Bij ministeriële regeling kan een maximumbedrag aan subsidiabele kosten worden vastgesteld waarover per aanvraag subsidie kan worden verstrekt voor woonhuizen, kerkgebouwen en overige.
2.
Bij ministeriële regeling kan een afzonderlijk maximumbedrag aan subsidiabele kosten worden vastgesteld voor aanvragen waarvan de subsidiabele kosten hoger zijn dan een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag.
Artikel 7. Subsidie noodzakelijk voor instandhouding; werkzaamheden sober en doelmatig
Subsidie wordt slechts verleend voor zover deze noodzakelijk is voor de instandhouding van het beschermd monument en voor zover de werkzaamheden ter uitvoering van het instandhoudingsplan naar het oordeel van Onze minister sober en doelmatig zijn.
Artikel 8. Uitgezonderd van subsidieverstrekking
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidie in ieder geval niet verstrekt:
a. voor zover in de subsidiabele kosten subsidie is verstrekt op grond van een andere rijkssubsidieregeling,
b. voor zover bij schade de subsidiabele kosten op grond van een verzekering worden gedekt dan wel voor zover de subsidiabele kosten op grond van de Wet op de omzetbelasting op verschuldigde belasting in aftrek kunnen worden gebracht dan wel anderszins niet ten laste van de aanvrager komen, of
c. voor zover met de werkzaamheden is begonnen voordat Onze minister de subsidie heeft verleend.
1.
Subsidie wordt op aanvraag verleend voor één of meer beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen.
2.
De aanvraag kan van 15 januari tot en met 31 augustus voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft, worden ingediend. Aanvragen die zijn ingediend vóór 15 januari of na 31 augustus, worden afgewezen.
3.
Per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel kan slechts eenmaal voor een periode waarop een instandhoudingsplan betrekking heeft, subsidie worden verleend.
1.
De subsidieaanvraag wordt ingediend op een door Onze minister vastgesteld formulier.
2.
De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
a. een actueel inspectierapport per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel, en
b. een instandhoudingsplan per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel, of een gecombineerd instandhoudingsplan als bedoeld in artikel 34.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over andere bij de aanvraag te overleggen bescheiden.
1.
Het instandhoudingsplan omvat een overzicht van de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden en een omschrijving van de daarmee beoogde resultaten. Het instandhoudingsplan omvat ook een meerjarenbegroting. In het instandhoudingsplan wordt aangegeven in welk jaar de onderscheiden werkzaamheden plaatsvinden.
2.
Het instandhoudingsplan heeft betrekking op zes kalenderjaren.
3.
Het instandhoudingsplan wordt ingediend volgens een door Onze minister vastgesteld model.
1.
Onze minister verdeelt het voor subsidieverlening beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidieaanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende informatie is ontvangen met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
2.
Indien op grond van artikel 5 subsidieplafonds zijn vastgesteld voor de toepassing van artikel 6, eerste of tweede lid, wordt het eerste lid toegepast op de afzonderlijke beschikbare bedragen.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gegeven voor de verdeling van het beschikbare bedrag indien een subsidieplafond dreigt te worden overschreden of wordt overschreden als gevolg van het aantal aanvragen dat op dezelfde dag wordt ontvangen.
1.
Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van dit besluit verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
1.
Onze minister beslist binnen dertien weken op de subsidieaanvraag.
2.
Onze minister deelt de beschikking, bedoeld in het eerste lid, dan wel een beschikking tot wijziging of intrekking van die beschikking mee aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar het beschermd monument is gelegen, en aan gedeputeerde staten van de provincie waar het beschermd monument is gelegen.
1.
De subsidie bedraagt per aanvraag het volgende percentage van de subsidiabele kosten:
a. bij woonhuizen van aangewezen organisaties voor monumentenbehoud: 25%,
b. bij kerkgebouwen: 65%, en
c. bij overige: 60%.
2.
Als een aanvraag beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen uit zowel de categorie kerkgebouwen als de categorie overige omvat, geldt het percentage dat geldt voor kerkgebouwen.
Artikel 16. Hoogte subsidie decentrale overheden
Voor provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen die zijn ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen , bedraagt de subsidie 30% van de subsidiabele kosten.
Artikel 17. Drempelbedrag
Subsidies worden niet verstrekt indien het bedrag dat overeenkomstig de bepalingen van dit besluit zou worden verstrekt, lager is dan € 3.000, met dien verstande dat subsidies voor beschermde archeologische monumenten niet worden verstrekt indien het bedrag lager is dan € 1.500.
a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het beschermd monument,
b. de aanbesteding en de gunning van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op een door Onze minister te bepalen wijze te doen plaatsvinden,
c. Onze minister tussentijds te berichten over de voortgang van werkzaamheden, of
d. mee te werken aan een onderzoek naar de uitvoering van het instandhoudingsplan door een deskundige.
Artikel 19. Relevante omstandigheden melden
De eigenaar doet onverwijld een schriftelijke melding aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
Artikel 20. Verzekering
Onze minister kan de eigenaar verplichten:
a. voor de duur van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, een Casco-All-Risks verzekering af te sluiten, of
b. vanaf de aanvang van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, op zijn kosten het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden.
Artikel 21. Installaties ter beperking van schade
Onze minister kan de eigenaar verplichten het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel.
Artikel 22. Advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Onze minister kan de eigenaar verplichten om advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de werkzaamheden ter uitvoering van het instandhoudingsplan wordt gestart indien de monumentale waarde van het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel of de voorgenomen werkzaamheden daartoe aanleiding vormen.
Artikel 23. Begeleiding
Onze minister kan de eigenaar verplichten om de werkzaamheden onder nader door hem te stellen voorwaarden te doen begeleiden indien voor de uitvoering van het instandhoudingsplan specifieke kennis is vereist.
Artikel 24. Onderhoudsplicht
De eigenaar is verplicht na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, het beschermd monument of het zelfstandig onderdeel te bewaren en te onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, is gebracht.
Artikel 25. Desgevraagd verantwoorden over prestaties bij subsidies minder dan € 25.000
Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, toont de subsidieontvanger op verzoek van Onze minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij ministeriële regeling of bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.
1.
Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, toont de subsidieontvanger aan de hand van een prestatieverklaring aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.
Onze minister kan voor de prestatieverklaring een model vaststellen.
3.
De prestatieverklaring gaat vergezeld van een inspectierapport per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel, dat is opgesteld na afloop van het verrichten van de in het instandhoudingsplan aangegeven werkzaamheden.
4.
De inrichting van de prestatieverklaring komt overeen met de inrichting van het instandhoudingsplan.
5.
De prestatieverklaring bevat, voor zover van toepassing, een toelichting op verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en de beoogde resultaten, vermeld in het instandhoudingsplan, en de feitelijke realisatie.
6.
Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met vijfdelid, toont de subsidieontvanger op verzoek van Onze minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij ministeriële regeling of bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.
1.
Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af aan de hand van een financieel verslag. Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
2.
Onze minister kan voor het financieel verslag een model vaststellen.
3.
Onze minister kan de subsidieontvanger verplichten het financieel verslag vergezeld te doen gaan van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.
In de verklaring, bedoeld in het derde lid, verklaart de accountant dat de bedragen in het financieel verslag juist zijn en doet hij tevens een uitspraak over de naleving door de subsidieontvanger van de in het controleprotocol genoemde voorschriften.
5.
De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht overeenkomstig een door Onze minister vast te stellen controleprotocol.
6.
Onze minister kan de subsidieontvanger verplichten de desbetreffende originele rekeningen en betalingsbewijzen te overleggen.
1.
Een aanvraag tot subsidievaststelling vindt plaats uiterlijk op 30 april na afloop van het laatste kalenderjaar waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft. Indien de verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt deze vastgesteld zonder aanvraag daartoe.
2.
Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven:
a. indien de verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, binnen 22 weken na afloop van het laatste kalenderjaar waarop het instandhoudingsplan betrekking heeft, en
b. indien de verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling.
3.
Een afschrift van de beschikking tot vaststelling van de subsidie zendt Onze minister aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar het beschermd monument is gelegen, en aan gedeputeerde staten van de provincie waar het beschermd monument is gelegen.
Artikel 29. Lager vaststellen bij werkzaamheden in strijd met de wet
Onverminderd artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval lager dan de verlening worden vastgesteld indien werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde.
1.
Indien de subsidieontvanger de eigendom of een ander zakelijk recht van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel overdraagt aan een derde, dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na de overdracht een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij Onze minister. De artikelen 25 tot en met 29 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Na de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan Onze minister op verzoek van de eigenaar aan wie de eigendom of het zakelijk recht is overgedragen, aan die eigenaar subsidie verstrekken ten behoeve van de afronding van het instandhoudingsplan. Artikel 12 is niet van toepassing.
1.
Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt verleent Onze minister de eigenaar een voorschot van 100% van het subsidiebedrag.
2.
Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, kan Onze minister de eigenaar een voorschot verlenen tot 100% van het subsidiebedrag. De verlening van het voorschot geschiedt gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.
3.
De uitkering van het voorschot geschiedt in jaarlijkse of meerjaarlijkse termijnen.
4.
De uitkering van het voorschot geschiedt op bij ministeriële regeling of bij beschikking aan te geven tijdstippen.
1.
De subsidieontvanger is na de subsidievaststelling verplicht een teveel aan ontvangen voorschot onverwijld terug te betalen, tenzij Onze minister tot verrekening op andere wijze heeft besloten.
2.
Bij terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen of voorschotten kan Onze minister de subsidieontvanger verplichten de met de terugvordering verband houdende kosten te voldoen. Tevens kan Onze minister in dat geval de wettelijke rente vorderen.
1.
Onze minister wijst op aanvraag een organisatie die zich de instandhouding van monumenten ten doel stelt, aan als organisatie voor monumentenbehoud indien:
a. de organisatie een privaatrechtelijke rechtspersoon is,
b. de organisatie ten minste 20 beschermde monumenten in eigendom heeft, en
c. de organisatie naar het oordeel van Onze minister beschikt over voldoende professionele deskundigheid.
2.
Onze minister kan de aanwijzing intrekken indien een organisatie niet meer voldoet aan een van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.
1.
In afwijking van artikel 11 kan een aangewezen organisatie voor monumentenbehoud instandhoudingsplannen samenvoegen tot een gecombineerd instandhoudingsplan dat betrekking heeft op meerdere beschermde monumenten. In dat plan worden per beschermd monument of per zelfstandig onderdeel de aard, de omvang en de geraamde kosten van de voorgenomen werkzaamheden over de periode waarop het plan betrekking heeft, aangegeven.
2.
Een aangewezen organisatie voor monumentenbehoud kan de subsidie aanwenden voor uitvoering van subsidiabele werkzaamheden aan alle monumenten waar het instandhoudingsplan betrekking op heeft.
3.
Na een aanvraag als bedoeld in artikel 9 en onverminderd artikel 12 kan Onze minister er mee instemmen dat een aangewezen organisatie een gecombineerd instandhoudingsplan uitbreidt met andere beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen waar het plan nog geen betrekking op heeft. In dat geval wijzigt Onze minister de beschikking tot subsidieverlening.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een beschermd monument noodzakelijk zijn.
2.
Onverminderd artikel 3, eerste lid, kan Onze minister aan een eigenaar als bedoeld in artikel 4, eerste lid, subsidie verstrekken in de kosten ten behoeve van de restauratie van een beschermd monument.
3.
Subsidie als bedoeld in dit artikel wordt voor beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen op aanvraag verleend.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie op grond van dit artikel.
1.
Het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten en het Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen worden ingetrokken met inachtneming van dit hoofdstuk.
2.
Aanvragen op grond van het Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen kunnen tot en met 31 januari 2011 worden ingediend. De aanvragen worden afgehandeld overeenkomstig dat besluit.
1.
Subsidie, verleend op grond van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 , het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten , het Besluit rijkssubsidiëring historische buitenplaatsen en het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten , wordt afgehandeld overeenkomstig die besluiten.
2.
De rechten en verplichtingen die krachtens een beschikking op grond van een in het eerste lid genoemd besluit gelden, blijven gelden voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald.
3.
Onze minister kan toestaan dat het afleggen van rekening en verantwoording van subsidie, verleend op grond van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten , geschiedt overeenkomstig dit besluit.
1.
Bij ministeriële regeling worden de beschermde monumenten en zelfstandige onderdelen aangewezen waarvan, en de kalenderjaren waarin, eigenaren in aanmerking komen voor subsidie.
2.
Voor zover dit besluit op grond van het eerste lid nog niet van toepassing is, blijft het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten van toepassing.
3.
De eigenaar van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel waarop dit besluit van toepassing is, komt in aanmerking voor subsidie met ingang van 1 januari van het eerste jaar waarop het instandhoudingsplan van toepassing is.
4.
Aanvragen op grond van de artikelen 8 en 9 van het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten blijven mogelijk tot 1 april van het eerste jaar waarop de eigenaar van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel in aanmerking komt voor subsidie, en worden afgehandeld overeenkomstig het Besluit rijkssubsidiëring onderhoud monumenten .
5.
De gefaseerde inwerkingtreding, bedoeld in dit artikel, geldt niet voor subsidieverlening op grond van artikel 35.
Artikel 39. Vastgestelde budgetten
Budgetten die zijn vastgesteld op grond van het Besluit rijkssubsidiëring restauratie monumenten 1997 ten laste waarvan geen subsidie is verleend, zijn beschikbaar ten behoeve van de toepassing van dit besluit.
Artikel 40. Wijziging grondslag bestaande regelingen
Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de volgende regelingen op artikel 35 van dit besluit:
a. Regeling rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand 2006 ,
b. Regeling verhoging subsidieplafonds wegwerken restauratieachterstand 2006 ,
c. Regeling rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand 2007 ,
d. Regeling verhoging subsidieplafond wegwerken restauratieachterstand 2007 ,
e. Regeling rijkssubsidiëring wegwerken restauratieachterstand 2008 ,
f. Regeling verhoging subsidieplafonds wegwerken restauratieachterstand 2008 ,
g. Regeling extra rijkssubsidiëring restauratie monumenten 2009 ,
h. Subsidieregeling restauratie en herbestemming cultureel erfgoed ,
i. Regeling restauratie monumenten stadsherstellichamen ,
j. Restauratieregeling monumenten 2010 en 2011 , en
k. Tijdelijke subsidieregeling restauratie speciale projecten .
Artikel 41. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.
Artikel 42. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 september 2010
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Uitgegeven de zevende oktober 2010
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Lening
+ Hoofdstuk 3. Subsidie
+ Hoofdstuk 4. Aanwijzing organisaties voor monumentenbehoud
+ Hoofdstuk 5. Restauratiesubsidie
+ Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht