Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2012. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012

Uitgebreide informatie
Besluit van 10 juni 2010, houdende vaststelling van een aantal rechtspositionele voorzieningen van sociaal flankerend beleid voor de sector Rijk voor de periode 1 januari 2008 tot 1 januari 2012 (Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 april 2010, 2010-0000252164, CZW/WVOB;
Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 mei 2010, nr. W04.10.0127/I);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juni 2010, nr. 2010-0000359294;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. ARAR: het Algemeen Rijksambtenarenreglement ;
b. ARSG: het Ambtenarenreglement Staten-Generaal ;
c. RDBZ: het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken ;
d. BBRA 1984: het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 ;
e. VKB 1989: het Verplaatsingskostenbesluit 1989 ;
f. ambtenaar: de ambtenaar in de zin van het ARAR , ARSG of RDBZ met een aanstelling in vaste dienst of een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd;
g. aangewezen ambtenaar: de ambtenaar die schriftelijk in kennis is gesteld dat hij een functie bekleedt die door het bevoegd gezag is aangewezen omdat zonder maatregelen in die functie of groep van functies waartoe de ambtenaar behoort op termijn sprake zal zijn van overtolligheid dan wel gedwongen standplaatswijziging;
h. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
i. herplaatsingskandidaat: een herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d of artikel 49e, tweede lid, van het ARAR, artikel 84d of 84e, tweede lid, van het ARSG, dan wel artikel 58c of artikel 58d, tweede lid, van het RDBZ;
j. bevoegd gezag: het tot aanstelling bevoegd gezag, of, indien deze bevoegdheid bij Ons berust, het tot voordracht voor die aanstelling bevoegde gezag.
Artikel 2. Loopbaangesprek
In het in artikel 71, eerste lid, van het ARAR, artikel 106, eerste lid, van het ARSG en artikel 78, eerste lid, van het RDBZ bedoelde gesprek wordt tevens jaarlijks aandacht besteed aan de ontwikkeling van de loopbaan en aan de onderwerpen mobiliteit, flexibiliteit en loopbaanperspectief in de toekomst.
1.
Aan de aangewezen ambtenaar en aan de herplaatsingskandidaat wordt door een mobiliteitsadviseur ondersteuning geboden bij de invulling en uitvoering van een begeleidingstraject van werk naar werk. Aan andere ambtenaren kan het bevoegd gezag besluiten de in de vorige zin bedoelde ondersteuning te bieden.
2.
Met de aangewezen ambtenaar wordt door een mobiliteitsadviseur een mobiliteitsplan opgesteld, waarin onder meer de eigen kwaliteiten, ontwikkelpunten, reële loopbaanwensen en het volgen van relevante scholing kunnen worden opgenomen.
3.
Voor de herplaatsingskandidaat wordt door de mobiliteitsadviseur, in samenspraak met het bevoegd gezag en de ambtenaar een herplaatsingsplan opgesteld, waarin in ieder geval het loopbaanplan en eventueel bestaande loopbaanafspraken en, indien de ambtenaar daarmee instemt, de uitkomst van de eventuele loopbaanscan worden betrokken. Het bevoegd gezag en de ambtenaar stellen het herplaatsingsplan gezamenlijk vast. Indien binnen een redelijke termijn geen overeenstemming over het plan kan worden bereikt, stelt het bevoegd gezag het plan eenzijdig vast, waarbij de ambtenaar in de gelegenheid wordt gesteld zijn visie apart te vermelden.
4.
Gedurende de herplaatsingstermijn wordt de uitvoering van het herplaatsingsplan iedere zes maanden geëvalueerd en wordt het plan zo nodig bijgesteld.
5.
De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld om loopbaangegevens en loopbaanwensen rijksbreed kenbaar te maken door opname van die gegevens in een rijksbrede mobiliteitsadministratie. De herplaatsingskandidaat is verplicht de benodigde informatie ten behoeve van de bedoelde administratie aan te leveren.
1.
De ambtenaar heeft onverlet de termijnen, genoemd in artikel 71b, eerste lid, van het ARAR, artikel 107a, eerste lid, van het ARSG en artikel 25a, eerste lid, van het RDBZ, het recht om één vertrouwelijke loopbaanscan te doen, met behulp van een professionele externe loopbaandeskundige, bestaande uit ten minste één gesprek en een schriftelijk advies van deze deskundige.
2.
De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het in het eerste lid genoemde recht, heeft na zijn aanwijzing als aangewezen ambtenaar of als herplaatsingskandidaat het recht om voor beide aanwijzingen samen één extra loopbaanscan te doen.
1.
In afwijking van artikel 49h van het ARAR, artikel 84h van het ARSG en artikel 58g van het RDBZ geldt gedurende de eerste zes maanden van de herplaatsingstermijn de beperking dat uitsluitend sprake kan zijn van een passende functie indien:
a. de voor de functie geldende salarisschaal niet meer dan één salarisschaal lager is gewaardeerd dan de laatstelijk vervulde functie en niet meer dan twee schalen lager is dan de salarisschaal die voor de ambtenaar geldt, en
b. de reistijd voor woon-werkverkeer enkele reis niet met meer dan 15 minuten toeneemt.
2.
Voor de bepaling van de reistijd, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt uitgegaan van de route met de minste reistijd berekend met de ANWB-routeplanner.
1.
De aangewezen ambtenaar, de herplaatsingskandidaat en de ambtenaar die wegens arbeidsongeschiktheid in verband met ziekte of gebrek geplaatst moet worden op een andere functie, heeft bij de vervulling van vacatures binnen de sector Rijk een voorrangspositie op andere kandidaten.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing indien een ambtenaar als bedoeld in het ARSG solliciteert naar een functie buiten de Staten-Generaal, of indien een ambtenaar als bedoeld in het ARAR of het RDBZ solliciteert naar een functie bij de Staten-Generaal.
1.
Bij gedwongen plaatsing van de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat op een functie waarvan de salarisschaal lager is dan de salarisschaal die geldt voor de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie, spant het bevoegd gezag zich gedurende twee jaar na plaatsing in om, zodra een passende functie beschikbaar is op het schaalniveau van de laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie, en waarvoor geen geschikte kandidaat of geschikte dan wel geschikt te maken herplaatsingskandidaat met een voorrangsrecht als bedoeld in artikel 7 beschikbaar is, hem in aanmerking te laten komen voor plaatsing in deze functie.
2.
De ambtenaar die als herplaatsingskandidaat is geplaatst in een lager gewaardeerde functie dan de functie die hij daarvoor vervulde, heeft gedurende twee jaar na plaatsing recht op toepassing van de voorzieningen in dit besluit voor herplaatsingskandidaten, voor zover die toepassing kan leiden tot plaatsing in een passende functie die gewaardeerd is met de eigen salarisschaal.
Artikel 10. Compensatie beëindiging of vermindering toelagen
In afwijking van artikel 18b, derde lid, van het BBRA 1984 bedraagt de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel, voor aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten gedurende het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de bedoelde berekeningsbasis.
1.
In afwijking van het gestelde bij of krachtens artikel 8, tweede lid, van het VKB 1989 bedraagt voor de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat het maximum van het bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, van het VKB 1989 € 5818,46 indien binnen twee jaar na verplaatsing als gevolg van een reorganisatie aan een verhuisplicht wordt voldaan, dan wel zonder verhuisplicht wordt verhuisd van buiten 50 kilometer van de plaats van tewerkstelling naar binnen 25 kilometer van de standplaats.
2.
In afwijking van artikel 49n, eerste lid, van het ARAR, artikel 84n, eerste lid, van het ARSG respectievelijk artikel 58m, eerste lid, van het RDBZ bedraagt voor de aangewezen ambtenaar of de herplaatsingskandidaat het in die artikelen genoemde bedrag € 11.637,69.
3.
De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden jaarlijks per 1 januari bij ministeriële regeling van Onze Minister gewijzigd overeenkomstig de Consumentenprijsindex van het CBS die geldt voor de voorafgaande periode van november tot en met oktober.
4.
Het bevoegd gezag kan het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing verklaren op andere ambtenaren dan aangewezen ambtenaren of herplaatsingskandidaten.
1.
In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 12ba, tweede lid, en artikel 12bb van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 heeft de betrokkene, bedoeld in eerstgenoemd artikellid, die aangewezen ambtenaar of herplaatsingskandidaat is, en als gevolg van reorganisatie wordt verplaatst, gedurende twee jaar na verplaatsing recht op volledige vergoeding van de door het bevoegd gezag redelijk geachte pensionkosten.
2.
Het bevoegd gezag kan het eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaren op andere ambtenaren.
1.
In afwijking van artikel 49m van het ARAR, artikel 84m van het ARSG en artikel 58l van het RDBZ wordt de in genoemde artikelen geregelde aanspraak volledig toegekend gedurende twee jaren en wordt gedurende het derde, vierde en vijfde jaar respectievelijk 75%, 50% en 25% van de bedoelde extra reistijd als werktijd aangemerkt.
2.
Artikel 49m van het ARAR, artikel 84m van het ARSG en artikel 58l van het RDBZ en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aangewezen ambtenaar en kunnen door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
1.
In afwijking van artikel 12b1, derde lid, van het VKB 1989 bedraagt de in het eerste en tweede lid van genoemd artikel bedoelde tegemoetkoming voor aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten na plaatsing of herplaatsing het eerste en tweede jaar 100%, het derde jaar 75%, het vierde jaar 50% en het vijfde jaar 25% van de tegemoetkoming.
2.
Het eerste lid kan door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
Artikel 16. Bovenwettelijke uitkering
Artikel 100a van het ARAR, artikel 132a van het ARSG of artikel 107 van het RDBZ kan door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere ambtenaren dan herplaatsingskandidaten.
1.
Ten behoeve van de (her)plaatsingsmogelijkheden of het realiseren van gemaakte loopbaanafspraken, en indien de organisatie van het werk het toelaat en er een geschikte plek beschikbaar is, heeft een aangewezen ambtenaar of een herplaatsingskandidaat het recht om op eigen verzoek voor een periode van ten hoogste drie maanden te worden gedetacheerd of een stage te lopen.
2.
Het eerste lid kan door het bevoegd gezag van overeenkomstige toepassing worden verklaard op andere dan in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
1.
Het bevoegd gezag legt de aangewezen ambtenaar en de herplaatsingskandidaat niet de terugbetalingsverplichting op, bedoeld in artikel 33g, achtste lid, en artikel 59, zesde lid, van het ARAR, artikel 62a, achtste lid, en artikel 94, zesde lid, van het ARSG, artikel 45b, achtste lid, en artikel 67, zesde lid, van het RDBZ.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing in geval van disciplinair ontslag of indien de betrokkene een passende functie heeft geweigerd.
1.
Aan een herplaatsingskandidaat die op zijn aanvraag wordt ontslagen wegens het aanvaarden van een dienstbetrekking op een lager inkomensniveau buiten de sector Rijk kent het bevoegd gezag op zijn aanvraag gedurende vijf jaar een aanvulling op het inkomen toe.
2.
De berekeningsbasis voor de aanvulling is het verschil tussen enerzijds de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen en anderzijds het volledige inkomen uit de dienstbetrekking buiten de sector Rijk, met een maximum van 30% van de som van het oude salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen. Het inkomen uit de dienstbetrekking bij de sector Rijk wordt eenmalig vastgesteld. Indien de arbeidsduurfactor uit bedoelde dienstbetrekking een andere is dan die als ambtenaar, wordt de som van het salaris, de vakantie-uitkering, de eindejaarsuitkering en de toelagen en toeslagen als ambtenaar omgerekend naar de arbeidsduurfactor in de dienstbetrekking buiten de sector Rijk. De aanvulling wordt jaarlijks vastgesteld en bedraagt het eerste jaar 100% het tweede jaar 80%, het derde jaar 60%, het vierde jaar 40% en het vijfde jaar 20% van de berekeningsbasis. De betrokkene legt hiertoe een inkomensverklaring over de voorgaande twaalf maanden over.
3.
Geen recht op de in het eerste lid bedoelde aanvulling bestaat:
a. indien bij vertrek een stimuleringspremie is toegekend als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vierde lid, onder c;
b. indien gebruik wordt gemaakt van een salarissuppletie als bedoeld in artikel 49p van het ARAR, artikel 84p van het ARSG en artikel 58o van het RDBZ.
4.
Het bevoegd gezag kan de in het eerste lid bedoelde aanvulling toekennen aan aangewezen ambtenaren.
5.
Onder door het bevoegd gezag te stellen voorwaarden wordt de in dit artikel bedoelde aanvulling op aanvraag van de ambtenaar afgekocht tegen 40% van de gekapitaliseerde waarde op het moment van afkoop. Het bevoegd gezag kan besluiten het in de vorige volzin bedoelde percentage te verhogen in bijzondere gevallen.
1.
Aan de herplaatsingskandidaat die binnen de herplaatsingstermijn op zijn aanvraag ontslag wordt verleend wordt een stimuleringspremie toegekend.
2.
De stimuleringspremie, bedoeld in het eerste lid, is afhankelijk van het aantal jaren dat de ambtenaar in overheidsdienst is geweest op het moment dat het ontslag ingaat en het aantal maanden dat na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat is verstreken, en bedraagt uitgedrukt in aantallen maandsalarissen:
3.
Aan de aangewezen ambtenaar die op zijn aanvraag ontslag wordt verleend kan een stimuleringspremie ter grootte van ten hoogste twaalf maandsalarissen worden toegekend
4.
Geen stimuleringspremie als bedoeld in het eerste en derde lid wordt toegekend indien:
a. de in artikel 19, eerste of vierde lid, bedoelde aanvulling op het inkomen, de in artikel 19, derde lid onder b bedoelde salarissuppletie of de in artikel 22 bedoelde terugkeergarantie is toegekend;
5.
Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst afwijken van het vierde lid, onderdeel b.
6.
De stimuleringspremie wordt op de in artikel 100a van het ARAR, artikel 132a van het ARSG respectievelijk artikel 107 van het RDBZ genoemde uitkering in mindering gebracht.
1.
Aan de herplaatsingskandidaat aan wie eervol ontslag op zijn aanvraag wordt verleend in verband met de aanvaarding van een functie bij een werkgever die niet is aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds Abp, kan het bevoegd gezag op zijn verzoek een bijdrage toekennen voor aanvulling van het in de toekomst op te bouwen pensioen.
2.
De in het eerste lid bedoelde aanspraak wordt betaald aan een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij nadat de termijnen, genoemd in artikel 100a, tweede lid, van het ARAR, artikel 132a van het ARSG respectievelijk artikel 107 van het RDBZ en artikel 22, eerste lid, zijn verstreken. De aanspraak vervalt indien gebruik wordt gemaakt van de aanspraak op hernieuwde aanstelling op grond van artikel 22.
1.
Aan de herplaatsingskandidaat aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend om buiten de sector Rijk een functie te aanvaarden, wordt op zijn aanvraag bij de ontslagverlening het recht op hernieuwde aanstelling toegekend overeenkomstig de aanstelling voor het ontslag met een salaris dat overeenkomt met het laatstelijk genoten salaris voor het ontslag. Het recht op hernieuwde aanstelling geldt tijdens de eerste zes maanden van uitoefening van de functie buiten de sector Rijk bij ontslag in die periode aantoonbaar buiten eigen schuld of toedoen.
2.
Het in het eerste lid bedoelde recht kan worden toegekend aan aangewezen ambtenaren.
3.
Het in het eerste en tweede lid bedoelde recht wordt niet toegekend indien een stimuleringspremie als bedoeld in artikel 20, eerste of derde lid, of een premie als bedoeld in artikel 20, vierde lid, onder c, is toegekend of wanneer een aanvulling op het inkomen als bedoeld in artikel 19 is afgekocht.
4.
Indien gebruik wordt gemaakt van het in het eerste of tweede lid bedoelde recht, wordt aan de betrokkene de status van herplaatsingskandidaat verleend waarbij de eerdere periode waarin betrokkene herplaatsingskandidaat is geweest, in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn, met dien verstande dat de nieuwe herplaatsingstermijn ten minste drie maanden bedraagt.
1.
Aan de herplaatsingskandidaat aan wie op zijn aanvraag eervol ontslag is verleend voor het aanvangen van eigen bedrijfsactiviteiten, wordt op zijn verzoek onmiddellijk voorafgaand aan de ingangsdatum van zijn ontslag buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend gedurende drie maanden.
2.
In plaats van het in het eerste lid bedoelde verlof kan op aanvraag van de ambtenaar een bedrag worden toegekend ter grootte van driemaal zijn maandelijkse bezoldiging op de dag voorafgaande aan zijn ontslag, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering daarover.
3.
Voor de toepassing van dit artikel geldt als voorwaarde de indiening van een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel.
4.
Het bevoegd gezag kan de voorziening, bedoeld in het eerste of tweede lid, toekennen aan een aangewezen ambtenaar.
Artikel 24. Extra mogelijkheid aanwijzing herplaatsingskandidaat
Indien binnen een jaar na plaatsing het bevoegd gezag van oordeel is dat een herplaatsingskandidaat is geplaatst in een functie die niet passend is, wijst het bevoegd gezag de betrokkene opnieuw aan als herplaatsingskandidaat waarbij de eerdere periode waarin betrokkene herplaatsingskandidaat is geweest, in mindering wordt gebracht op de herplaatsingstermijn. In dat geval is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van het ARAR, artikel 126, tweede lid, van het ARSG respectievelijk artikel 99, tweede lid, van het RDBZ, gelijk aan de resterende herplaatsingstermijn met een minimum van drie maanden.
Artikel 25. Toepassing voorzieningen bij niet passendheid functie
Indien binnen een jaar na plaatsing het bevoegd gezag van oordeel is dat een aangewezen ambtenaar is geplaatst in een functie die niet passend is, heeft de ambtenaar, vanaf de dag dat hem dit oordeel schriftelijk ter kennis is gebracht, gedurende een jaar het recht op toepassing van de voorzieningen die op grond van dit besluit gelden voor de aangewezen ambtenaar.
Artikel 26. Aanbieden faciliteiten in verband met mobiliteit
Het bevoegd gezag kan besluiten andere dan geldelijke faciliteiten aan te bieden in verband met mobiliteit.
a. een herplaatsingskandidaat gedurende deze termijn op tijdelijke basis werkzaamheden verricht, dan wel
b. aan het eind van de termijn nog geen passende functie is aangeboden aan de herplaatsingskandidaat.
2.
De termijn wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, verlengd met de periode waarin de werkzaamheden op tijdelijke basis zijn verricht, waarbij het aantal gewerkte uren per week voor deze werkzaamheden in verhouding tot de arbeidsduur wordt meegewogen. De termijn wordt in het geval, genoemd in het eerste lid, onder b, verlengd met de periode die nodig is om alsnog een passende functie aan te bieden.
3.
De totale verlenging van de termijn, in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste twaalf maanden.
4.
Indien de betrokken ambtenaar voor 1 januari 2008 als herplaatsingskandidaat is aangewezen en het bevoegd gezag voor die datum heeft besloten tot verlenging van de herplaatsingstermijn, wordt de totale maximale verlenging, bedoeld in het derde lid, verminderd met de periode van de eerdere verlenging.
5.
In afwijking van het eerste tot en met vierde lid kan de verlenging van de herplaatsingstermijn in bijzondere gevallen worden geweigerd indien de betrokken ambtenaar voor 1 januari 2008 als herplaatsingskandidaat is aangewezen.
Artikel 28. Remplacantenregeling
De voorzieningen op grond van dit besluit ten behoeve van aangewezen ambtenaren en herplaatsingskandidaten kunnen tevens door het bevoegd gezag van toepassing worden verklaard op andere ambtenaren voor zover daarmee de plaatsing van een aangewezen ambtenaar of herplaatsing van een herplaatsingskandidaat wordt gerealiseerd.
artikel 1 van het RDBZ van Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008-2012">
Artikel 29. Bijzondere bepalingen betreffende ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van het RDBZ
1.
In dit artikel wordt verstaan onder RDBZ-ambtenaar: de ambtenaar in de zin van het RDBZ met een aanstelling in vaste dienst of een aanstelling in tijdelijke dienst voor een proeftijd.
2.
De voorzieningen op grond van deze paragraaf ten behoeve van aangewezen ambtenaren zijn, met uitzondering van de in artikel 7 bedoelde voorziening, van overeenkomstige toepassing op de RDBZ-ambtenaar die geen aangewezen ambtenaar is.
3.
De RDBZ-ambtenaar die is geplaatst in het buitenland kan aan artikel 9 geen recht ontlenen op plaatsing in een andere standplaats voordat de voor hem vastgestelde plaatsingsduur is afgelopen.
4.
Voor de toepassing van de artikelen 19, 21 en 23 wordt met een herplaatsingskandidaat gelijkgesteld de RDBZ-ambtenaar die anders dan uitsluitend om in zijn persoon gelegen redenen krachtens artikel 27, vierde lid, van het RDBZ ter beschikking wordt gehouden.
Artikel 30. Hardheidsclausule
Het bevoegd gezag kan van deze paragraaf afwijken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de ambtenaar.
Artikel 36. Regeling bij samenloop
Indien vóór 1 januari 2008 op grond van artikel 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, artikel 139 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal of artikel 142 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren ten aanzien van een reorganisatie een voorziening is overeengekomen die voor een ambtenaar die is betrokken bij die reorganisatie, gunstiger is dan een soortgelijke voorziening in dit besluit, dan treedt eerstgenoemde voorziening op aanvraag van de ambtenaar in de plaats van die in dit besluit.
Artikel 37. Overgangsrecht 2009
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 38. Overgangsrecht 2010
[Wijzigt dit besluit.]
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 januari 2008 en vervalt met ingang van 1 januari 2012.
2.
In afwijking van het eerste lid werkt artikel 37 terug tot en met 1 januari 2009.
3.
In afwijking van het eerste lid werkt artikel 38 terug tot en met 1 januari 2010.
Artikel 40. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk 2008–2012.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 10 juni 2010
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Uitgegeven de vierentwintigste juni 2010
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Tijdelijke voorzieningen
+ § 2. Wijzigingen van andere algemene maatregelen van bestuur
+ § 3. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken