Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2015. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen

Uitgebreide informatie
Besluit van 15 december 2004, houdende regels omtrent de verstrekking van subsidie aan een rechtspersoon die is aanvaard door Onze Minister van Justitie ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 241, 254 en 302 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van vreemdelingen (Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 oktober 2004, nr. DJB/Jz-2523727, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;
Gelet op artikel 38, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg;
De Raad van State gehoord (advies van 25 november 2004, nr. W03.04.0526/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 december 2004, Directie wetgeving, 5322881/04/6 ;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de jeugdzorg ;
b. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
c. rechtspersoon: de rechtspersoon die is aanvaard door Onze Minister van Justitie ten behoeve van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 241, zevende lid, 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ten aanzien van vreemdelingen;
d. subsidie: de aan de rechtspersoon te verstrekken subsidie ten behoeve van de uitoefening van de taak, bijzondere door Onze Minister van Justitie aan te geven kosten daaronder begrepen.
e. gerealiseerde jaarbezetting: het aantal minderjarigen waarvoor de rechtspersoon in het jaar waarvoor de subsidie wordt verstrekt, taken bedoeld in de artikelen 241, zevende lid, 254, tweede lid, of 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft uitgevoerd.
1.
De subsidie wordt per boekjaar verstrekt.
3.
De subsidie wordt bepaald aan de hand van door Onze Minister vast te stellen normbedragen per taak.
1.
Uiterlijk 1 juli van het jaar voorafgaand aan het boekjaar stelt Onze Minister de rechtspersoon schriftelijk in kennis van het beleid, dat betrekking heeft op de taak van de rechtspersoon.
2.
Voorts deelt hij de voorlopig vastgestelde normbedragen mee.
Artikel 4
De aanvraag van de subsidie gaat tevens vergezeld van de wijze waarop de rechtspersoon zijn taak uitvoert, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, tenzij deze werkwijze reeds bij een eerder ingediende aanvraag van de subsidie is overgelegd en zich geen veranderingen hebben voorgedaan die leiden tot bijstelling van deze werkwijze.
Artikel 5
Het bedrag van de subsidieverlening wordt bepaald door de normbedragen per taak te vermenigvuldigen met de toegekende capaciteit, zijnde het aantal minderjarigen op de peildatum 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het boekjaar.
1.
Het bedrag, bedoeld in artikel 5, kan in de loop van het begrotingsjaar worden gewijzigd, indien als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen of de ontwikkeling in de loonkosten de geldende begroting van het Ministerie van Justitie wordt aangepast.
2.
Onze Minister kan bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk percentage van de subsidie zal worden aangemerkt als prijsgevoelig en welk percentage van de subsidie zal worden aangemerkt als loongevoelig.
1.
Onze Minister beslist voor 1 januari van het boekjaar op de aanvraag tot subsidieverlening.
2.
Indien de subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, wordt zij verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 8
De rechtspersoon behoeft de voorafgaande toestemming van Onze Minister voor de rechtshandelingen genoemd in de onderdelen a tot en met f en h tot en met j van het eerste lid van artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede voor een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 9
De rechtspersoon verstrekt aan Onze Minister uiterlijk vier weken na het einde van ieder kwartaal:
a. een opgave van het aantal minderjarigen ten aanzien van wie het de taken bedoeld in de artikelen 241, zevende lid, 254, tweede lid, of 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek uitvoert met een aanduiding van de taken;
b. andere, door Onze Minister te bepalen, gegevens die voor de verstrekking van de subsidie van belang zijn.
1.
De rechtspersoon vormt een egalisatiereserve.
2.
De egalisatiereserve mag uitsluitend worden aangewend voor uitgaven die in overeenstemming zijn met het activiteitenplan, bedoeld in artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.
Per boekjaar mag de toevoeging aan de egalisatiereserve niet meer bedragen dan 5% van de vastgestelde subsidie, inclusief genoten rente, waarbij het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve niet meer mag bedragen dan een door Onze Minister te bepalen bedrag.
4.
Een subsidietekort komt ten laste van de egalisatiereserve van de rechtspersoon. Is de egalisatiereserve niet toereikend, dan wordt in het navolgend boekjaar aan Onze Minister een plan van aanpak overgelegd om dit tekort op te heffen. Alsdan kan het subsidietekort ten laste komen van het eigen vermogen.
5.
Onze Minister kan nadere regels stellen inzake het beheer van de egalisatiereserve.
Artikel 11
De rechtspersoon kan ten behoeve van specifieke doelen reserves of voorzieningen vormen mits deze door Onze Minister zijn goedgekeurd.
1.
In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de rechtspersoon aan Onze Minister een vergoeding voor vermogensvorming schuldig.
2.
De rechtspersoon doet van de gevallen, bedoeld in het tweede lid van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, onverwijld mededeling aan Onze Minister.
3.
Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor roerende zaken wordt uitgegaan van de waarde op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in het geval, bedoeld in het tweede lid, onder b van artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt uitgegaan van de ontvangen schadevergoeding.
4.
Het vaststellen van de hoogte van de vergoeding voor onroerende zaken vindt plaats door drie deskundigen. Onze Minister onderscheidenlijk de rechtspersoon wijzen elk een deskundige aan, die in onderling overleg een derde deskundige aanwijzen.
5.
Indien het vermogen is gevormd mede met andere middelen dan de subsidie, komt aan Onze Minister toe het bedrag, waarmee de subsidiëring door Onze Minister in verhouding tot die middelen aan de vorming van het vermogen heeft bijgedragen.
6.
Onze Minister komt de in het eerste lid bedoelde vordering niet toe, indien de activiteiten van de rechtspersoon met toestemming van Onze Minister door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die rechtspersoon in eigendom worden overgedragen.
1.
Indien de rechtspersoon zaken ter beschikking stelt aan of diensten verricht voor natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel hebben, brengt zij een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is.
2.
Indien aan de rechtspersoon zaken ter beschikking worden gesteld door een andere rechtspersoon, die de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel heeft, betaalt zij aan deze andere rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en rekening houdende met de voor de rechtspersoon geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden gebracht.
3.
Indien een andere rechtspersoon, die de ondersteuning van de rechtspersoon ten doel heeft, voor deze rechtspersoon diensten verricht welke in het algemeen door de rechtspersoon in eigen beheer worden verricht, betaalt de rechtspersoon aan de andere rechtspersoon geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het verrichten van de diensten in eigen beheer zou hebben gekost.
4.
De rechtspersoon verstrekt desgevraagd aan Onze Minister een beschrijving van de tussen de rechtspersoon en andere rechtspersonen bestaande organisatorische dan wel financiële banden alsmede, van zodanig nog in het leven te roepen of te wijzigen banden, voor zover deze banden van invloed kunnen zijn op de bepaling van de vergoedingen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.
1.
De rechtspersoon verzekert zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegenover derden in voldoende mate.
2.
De rechtspersoon verzekert zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de minderjarigen die betrokken zijn bij de uitoefening van de taken, indien deze aansprakelijkheid niet reeds anderszins is verzekerd.
3.
De rechtspersoon verzekert zijn onroerende zaken tegen brandschade naar herbouwwaarde en zijn roerende zaken tegen brandschade, waterschade en diefstal.
1.
De rechtspersoon dient vóór 1 mei van het jaar volgend op het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
2.
In de exploitatierekening, bedoeld in artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de afschrijving van onroerende zaken gespreid over veertig jaren, van verbouwingen over tien jaren en van duurzame gebruiksmiddelen gespreid conform door Onze Minister vast te stellen termijn, die per gebruiksmiddel kan verschillen.
3.
Onze Minister kan met betrekking tot de vormgeving van de exploitatierekening en het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 4:75 van de Algemene wet bestuursrecht, modellen vaststellen.
1.
Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
2.
Onze Minister stelt een aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle als bedoeld in artikel 4:79, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vast.
1.
Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het gemiddeld aantal minderjarigen meer bedraagt dan 105% van het aantal minderjarigen, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 5, is uitgegaan, vindt een verhoging van de subsidie plaats. De hoogte van de verhoging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
{(gerealiseerde jaarbezetting : totaal aantal minderjarigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%} – 105%.
2.
Indien bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat het gemiddeld aantal minderjarigen minder bedraagt dan 95% van het aantal minderjarigen, waarvan bij de bepaling van het bedrag van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 5, is uitgegaan, vindt een verlaging van de subsidie plaats. De hoogte van de verlaging is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het subsidiebedrag met de uitkomst van de volgende formule:
95% – {(gerealiseerde jaarbezetting : totaal aantal minderjarigen bij de bepaling van de subsidie) x 100%}.
3.
Op de subsidie berekend overeenkomstig de voorgaande leden wordt in mindering gebracht het bedrag waarmee de toevoeging aan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 10, van de rechtspersoon meer bedraagt dan 5% van de vastgestelde subsidie voor het desbetreffende boekjaar, inclusief genoten rente, of het totaal van de opgebouwde egalisatiereserve hoger is dan het door Onze Minister te bepalen bedrag.
1.
Onze Minister beslist binnen acht maanden na ontvangst van de aanvraag op de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.
2.
Indien de rechtspersoon niet binnen de door Onze Minister gestelde termijn, bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, de aanvraag heeft aangevuld, wordt de subsidie aan de hand van de beschikbare informatie door Onze Minister ambtshalve vastgesteld.
1.
Bij de aanvraag tot verlening van de subsidie wordt tevens een aanvraag tot verlening van een voorschot gedaan.
2.
Onze Minister beslist op de aanvraag tot verlening van een voorschot op hetzelfde moment als waarop een beslissing wordt genomen op de aanvraag tot verlening van de subsidie.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidie rechtspersonen voor voogdij en gezinsvoogdij vreemdelingen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 december 2004
De Minister van Justitie ,
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2004
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Verlening en vaststelling van de subsidie
+ Hoofdstuk III. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken