Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2004. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten

Uitgebreide informatie
Besluit van 10 december 1996, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies ter bevordering van bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten (Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 13 augustus 1996, nr. 96046195 WJA/JZ;
Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ;
De Raad van State gehoord (advies van 17 oktober 1996, nr. W10.96.0362);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 4 december 1996, nr. 96075683 WJA/JZ;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. samenwerkingsproject: een voor Nederland nieuwe, planmatige activiteit, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of pre-concurrentiële ontwikkeling;
b. fundamenteel onderzoek: het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen;
c. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;
d. pre-concurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten;
e. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een onderneming die bij regeling van Onze Minister is uitgesloten;
f. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, onder wie ten minste één ondernemer;
g. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
volledig aansprakelijk vennoot is van of
overwegende zeggenschap heeft over
een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
h. kennisinstituut: een universiteit of een geheel of gedeeltelijk door de rijksoverheid gefinancierde onderzoeksinstelling.
2.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling activiteiten aanwijzen die niet tot een samenwerkingsproject worden gerekend.
1.
Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:
a. de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een samenwerkingsproject uitvoeren of
b. een ondernemer die voor eigen rekening en risico een samenwerkingsproject uitvoert:
1°. waarvan een deel van de activiteiten wordt uitbesteed aan andere natuurlijke personen of rechtspersonen, die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden, of
2°. in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die niet in Nederland gevestigd zijn en die niet met hem in een groep, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of maatschap zijn verbonden.
2.
Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
3.
Geen subsidie wordt verstrekt, indien voor het samenwerkingsproject reeds door Onze Minister subsidie is verstrekt.
1.
De subsidie bedraagt 25 procent van de projectkosten, indien het samenwerkingsproject uitsluitend bestaat uit preconcurrentiële ontwikkeling, of bestaat uit zowel preconcurrentiële ontwikkeling als fundamenteel of industrieel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister per categorie samenwerkingsprojecten vast te stellen bedrag.
2.
De subsidie bedraagt 50 procent van de projectkosten, indien het samenwerkingsproject uitsluitend bestaat uit fundamenteel of industrieel onderzoek, maar niet meer dan een bij regeling van Onze Minister per categorie samenwerkingsprojecten vast te stellen bedrag.
3.
De in het eerste en tweede lid genoemde percentages worden verhoogd met 10 procent, indien subsidie verstrekt wordt aan deelnemers in een samenwerkingsverband:
a. voor zover de projectkosten worden gemaakt en betaald door een deelnemer die:
1°. een ondernemer is die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 70);
2°. een kennisinstituut is, of
b. indien ten minste één deelnemer in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland is gevestigd en niet behoort tot een groep van een in Nederland gevestigde deelnemer.
4.
Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het ingevolge het eerste, tweede of derde lid geldende percentage van de projectkosten.
.
Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het samenwerkingsproject toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:
1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom «loon voor de loonbelasting» van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1750 productieve uren per jaar;
2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het samenwerkingsproject toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van binnenlandse reis- en verblijfkosten;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2.
Voor kennisinstituten wordt, in afwijking van het eerste lid, onder a, onder 1°, uitgegaan van 1400 productieve uren per jaar.
3.
Kosten van machines en apparatuur die niet uitsluitend voor het samenwerkingsproject zijn aangeschaft, worden slechts als projectkosten op de voet van het eerste lid, onder a, onder 2°, in aanmerking genomen, indien een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per machine respectievelijk van de apparatuur aanwezig is.
4.
Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het samenwerkingsproject wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een bij regeling van Onze Minister vast te stellen uurtarief.
5.
Voor de toepassing van het eerste lid worden winstopslagen bij transacties binnen een groep alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.
6.
De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
1.
Er is een Adviescommissie technologische samenwerkingsprojecten, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om een subsidie op grond van dit besluit.
2.
De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3.
De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste acht en ten hoogste vijfendertig andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
4.
De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Ze zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5.
Onze Minister kan deelcommissies instellen en leden van de commissie benoemen in deelcommissies.
6.
De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
7.
Een lid van de commissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op een aanvraag.
8.
Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
9.
In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien.
10.
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
11.
De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
12.
De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
1.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, na afloop waarvan de aanvragen die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke voorschriften, worden behandeld.
2.
Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies op in een periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.
1.
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
2.
De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan voor het samenwerkingsproject en van een overeenkomst, waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband dan wel de uitbesteding van activiteiten is geregeld alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
3.
Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een in het samenwerkingsverband deelnemende ondernemer de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.
Artikel 8
Onze Minister geeft op een aanvraag een beschikking binnen vier maanden na afloop van de in artikel 6 bedoelde periode.
1.
Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, waarop niet met toepassing van de artikelen 9 of  11 afwijzend wordt beslist, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per deelnemer in het samenwerkingsverband.
2.
Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
1.
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien hij de projectkosten raamt op minder dan een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag;
c. indien subsidieverlening in strijd zou zijn met bij regeling van Onze Minister vastgestelde regels omtrent een evenwichtige spreiding over grotere en kleinere ondernemingen van de deelnemers in een samenwerkingsverband dan wel betrokkenen bij een samenwerkingsproject als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b;
d. indien hij het onaannemelijk acht, dat het project binnen vier jaren kan worden uitgevoerd;
e. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;
f. voorzover subsidieverlening in strijd zou zijn met bij regeling van Onze Minister vastgestelde regels omtrent de mate waarin aan aanvragers meerdere malen subsidie kan worden verleend op grond van dit besluit.
2.
Onze Minister kan, indien vooralsnog onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van een samenwerkingsproject, de aanvraag gedeeltelijk afwijzen, met dien verstande dat subsidie wordt verleend ter zake van de projectkosten verbonden aan de uitvoering van een eerste fase van het project, gedurende een in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden periode.
1.
Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9, eerste lid, afwijzend wordt beslist het advies in van de Adviescommissie technologische samenwerkingsprojecten.
2.
De commissie geeft aan Onze minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het project;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
3.
De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan bij regeling van Onze Minister vast te stellen doelstellingen.
1.
Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien de Adviescommissie technologische samenwerkingsprojecten een negatief advies heeft uitgebracht.
2.
Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie.
3.
Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
1.
Aan de subsidieverlening zijn voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 13 tot en met 16 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande dat de in artikel 15 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
2.
De in de artikelen 13, 14 en 15 opgenomen verplichtingen gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 16 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.
1.
De subsidie-ontvanger voert het samenwerkingsproject uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het project.
2.
De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
1.
De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2.
De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.
1.
De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het samenwerkingsproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.
2.
De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het samenwerkingsproject ingevolge artikel 13, eerste lid, moet zijn uitgevoerd bij Onze Minister in.
3.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
4.
De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring, indien het bedrag van de subsidieverlening meer dan € 50 000 bedraagt, en een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
1.
De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, met betrekking tot de resultaten van het project zorg voor:
a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking komen;
b. de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde rechten;
c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.
2.
De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet ter beschikking van derden:
a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project;
b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;
c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;
d. niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten van het project.
3.
De subsidie-ontvanger belast, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, de in het tweede lid bedoelde rechten en aanspraken niet met een zekerheidsrecht ten behoeve van een derde.
4.
De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project.
5.
De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:
a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden noch zijn statutaire zetel verplaatsen buiten Nederland;
b. indien hij deelneemt in een vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.
1.
Onze Minister geeft op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in de artikelen 13 en 16, een beschikking binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
2.
Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
1.
Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister voorschotten worden verstrekt.
2.
Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3.
Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.
4.
Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste € 4 500 bedraagt.
1.
Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 15, eerste lid.
2.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
Artikel 20
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 21
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Artikel 22
Onze Minister geeft de beschikking tot vaststelling van het bedrag van de subsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 23
Tot het tijdstip waarop de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt gelden de volgende bepalingen:
a. artikel 1, eerste lid, onder e , van dit besluit is niet van toepassing;
b. de artikelen 4:25, tweede en derde lid, 4:30, 4:31, 4:35, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a , 4:36, 4:37, 4:40, 4:44, derde en vierde lid, 4:45, 4:46, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder a en d , en derde lid, en 4:47 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing;
Artikel 24
Het Besluit subsidies programmatische bedrijfsgerichte technologiestimulering, het Besluit subsidies informatietechnologie, het Besluit subsidies toeleveren en uitbesteden en de Subsidieregeling bedrijfsgericht technologisch onderzoek door collectiviteiten 1994 worden ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verleend of vastgesteld.
Artikel 25
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
Artikel 26
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 10 december 1996
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven twintigste december 1996
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
+ § 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. Subsidievaststelling
+ § 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht