Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2010. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit subsidies CO2-reductieplan

Uitgebreide informatie
Besluit van 4 juni 1998, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van het CO 2 -reductieplan (Besluit subsidies CO 2 -reductieplan)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 9 december 1997, nr. WJA/JZ 97074751;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 1998, no. W10.97.789);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 28 mei 1998, nr. WJA/JZ 98029433;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. broeikasgas: CO 2 , CH 4 , N 2 O, HFK's, PFK's, en SF 6 ;
b. CO 2 -equivalent: de hoeveelheid CH 4 , N 2 O, HFK's, PFK's en SF 6 , die overeenkomstig de factor Global Warming Potential, opgenomen in bijlage 1 van dit besluit , eenzelfde broeikaseffect oplevert als een massa-eenheid CO 2 ;
c. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas, met dien verstande dat onder biomassa wordt verstaan de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met in begrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw, en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
d. referentiekader: de gangbare praktijk voor de technische voorzieningen op basis van de stand van de techniek binnen een bedrijfstak met toepassing van de best beschikbare technieken als bedoeld in richtlijn nr. 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257);
e. rendabel: met inachtneming van een interne rentevoet van ten minste 15 procent na belastingen.
f. een CO 2 -reductieproject: het aanschaffen of voortbrengen, installeren en in gebruik nemen van technische voorzieningen die, alleen of in samenhang met andere voorzieningen, leiden tot een vermindering van de uitstoot van een broeikasgas met ten minste de bij ministeriële regeling bepaalde hoeveelheid kiloton CO 2 of CO 2 -equivalent per jaar ten opzichte van het referentiekader.
g. kosteneffectiviteit: de annuïteit van de subsidie, gedeeld door de gemiddelde jaarlijkse vermindering van de uitstoot van een broeikasgas berekend over de technische levensduur van de voorziening, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde regels, uitgedrukt in een bedrag in euro per vermeden ton CO 2 of CO 2 -equivalent.
h. een samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee natuurlijke personen of rechtspersonen;
i. een ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt;
j. een groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of rechtspersoon die direct of indirect:
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
volledig aansprakelijk vennoot is van of
overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.
1.
Onze Minister verstrekt op een aanvraag een subsidie aan degenen die voor eigen rekening en risico of de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een CO 2 -reductieproject uitvoeren met een kosteneffectiviteit die niet meer bedraagt dan het bij ministeriële regeling gestelde maximum.
2.
Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
3.
Geen subsidie wordt verstrekt:
a. indien een aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de aanschaf van de voorzieningen verplichtingen heeft aangegaan of voortbrengingskosten heeft gemaakt;
b. indien een CO 2 -reductieproject als een zeker project is opgenomen in een energiebesparingsplan, dat is opgesteld in het kader van een meerjarenafspraak met Onze Minister op het gebied van de energie-efficiency;
c. indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is verstrekt.
1.
De subsidie bedraagt het gevraagde bedrag, met dien verstande dat de subsidie niet meer bedraagt dan 30 procent van de rechtstreeks aan het CO 2 -reductieproject toe te rekenen, door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten.
2.
Indien de subsidie-ontvanger een ondernemer is, bedraagt de subsidie niet meer dan 30 procent van de rechtstreeks aan het CO 2 -reductieproject toe te rekenen, door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten, voorzover die noodzakelijk zijn voor een vermindering van de uitstoot van een broeikasgas, verminderd met de besparingen en de opbrengst van bijproducten gedurende 5 jaar vanaf de datum van ingebruikneming van de voorzieningen.
3.
Het in het tweede lid bedoelde percentage bedraagt 40 indien de subsidie-ontvanger een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt in de zin van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG L 10).
4.
Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt 40 indien de vermindering van de uitstoot van een broeikasgas wordt bereikt door het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen.
5.
Indien de subsidie voor een CO 2 -reductieproject berekend op grond van het eerste tot en met het vierde lid meer bedraagt dan € 5 000 000 en de subsidiabele kosten van het CO 2 -reductieproject meer bedragen dan   € 25 000 000 wordt de subsidie verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen hieraan haar goedkeuring verleent.
6.
Indien ter zake van de kosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie of een bij ministeriële regeling aangewezen belastingvermindering ten behoeve van het milieu is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies en belastingverminderingen niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste tot en met het vierde lid.
Artikel 4
Bij de vaststelling van de kosten, bedoeld in artikel 3, wordt uitgegaan van een in de gehele organisatie van de subsidie-ontvanger gebruikelijke, controleerbare methodiek, met dien verstande dat:
a. met betrekking tot de kosten van aanschaf van de voorzieningen wordt uitgegaan van historische aanschafprijzen, tenzij een voorziening wordt aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst, in welk geval het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald niet van toepassing is en als kosten van aanschaf in aanmerking worden genomen de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen, verdisconteerd op jaarbasis;
b. met betrekking tot de loonkosten wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom« loon voor de loonbelasting» van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1750 productieve uren per jaar;
c. niet in aanmerking worden genomen:
1°. winstopslagen bij transacties binnen een groep;
2°. financieringskosten en alle rentevergoedingen.
d. de kosten in aanmerking worden genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
1.
Er is een Adviescommissie CO 2 -reductieplan, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit besluit.
2.
De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste twaalf andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
3.
De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4.
De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
5.
Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
6.
In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien.
7.
Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
8.
De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9.
De commissie stelt na beëindiging van haar werkzaamheden in het kader van een periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, een verslag op van haar werkzaamheden, waarin zij tevens aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het verslag wordt aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
1.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, na afloop waarvan de aanvragen die in die periode zijn ontvangen worden behandeld.
2.
Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
3.
Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient één der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 7
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies op in een periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, ontvangen aanvragen op grond van dit besluit.
1.
Onze Minister wint omtrent een aanvraag het advies in van de Adviescommissie CO 2 -reductieplan.
2.
De adviescommissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. indien zij het aannemelijk acht, dat de voorzieningen ook zonder subsidie rendabel kunnen worden geëxploiteerd;
c. indien zij het onaannemelijk acht, dat binnen een jaar na de datum van subsidieverlening een aanvang zal worden gemaakt met de uitvoering van het CO 2 -reductieproject;
d. indien zij het onaannemelijk acht, dat de voorzieningen binnen acht jaren na de datum van subsidieverlening kunnen worden geïnstalleerd en in gebruik genomen;
e. indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de technische haalbaarheid van het CO 2 -reductieproject;
f. indien zij onvoldoende vertrouwen heeft in de mogelijkheid van exploitatie na voltooiing van het CO 2 -reductieproject;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben het CO 2 -reductieproject naar behoren uit te voeren;
h. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het CO 2 -reductieproject niet kunnen financieren.
3.
De adviescommissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een CO 2 -reductieproject hoger gerangschikt wordt naarmate de kosteneffectiviteit van het project beter is.
Artikel 9
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien de Adviescommissie CO 2 -reductieplan een negatief advies heeft uitgebracht.
1.
Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking van de aanvragen door de Adviescommissie CO 2 -reductieplan.
2.
Onze Minister kan afwijken van het eerste lid en van artikel 9, indien een advies van de Adviescommissie CO 2 -reductieplan in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Artikel 11
Onze Minister geeft een beschikking binnen vier maanden na afloop van een periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
1.
Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, waarop niet met toepassing van de artikelen 9 en 10 afwijzend wordt beslist, vermeldt de beschikking tot subsidieverlening een raming van de projectkosten per deelnemer in het samenwerkingsverband.
2.
Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste het naar rato van de voor hem geraamde projectkosten berekende bedrag aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn.
1.
Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 13 en 14 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 14 opgenomen verplichtingen slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
2.
De in de artikelen 13 en 14 opgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld.
1.
De subsidie-ontvanger installeert de voorzieningen in Nederland of de exclusieve economische zone van Nederland en neemt deze in gebruik overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het essentieel wijzigen, het vertragen of het stopzetten van het project.
2.
De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle in artikel 4 bedoelde kosten kunnen worden afgelezen, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig moet zijn.
3.
De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.
1.
De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het CO 2 -reductieproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.
2.
De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 13, eerste lid, moet zijn uitgevoerd in bij Onze Minister.
3.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
4.
De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring, indien het bedrag van de subsidieverlening meer dan € 50 000 bedraagt, en een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
1.
Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in artikel 13 voorschriften verbinden.
2.
Indien ontheffing wordt verleend voor een wijziging van het project, als gevolg waarvan de vermindering van de uitstoot van een broeikasgas waarvan uitgegaan was bij de berekening van de kosteneffectiviteit van het project vermindert, wijzigt Onze Minister het bij de subsidieverlening vermelde bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld zodanig, dat de kosteneffectiviteit waarvan uitgegaan was bij de subsidieverlening ongewijzigd blijft.
Artikel 16
Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. het aan Onze Minister verschaffen van inlichtingen omtrent de resultaten van het CO 2 -reductieproject en de exploitatie van de betrokken voorzieningen;
b. het geven van bekendheid aan het CO 2 -reductieproject en de resultaten ervan en
c. het gebruik van de voorzieningen.
1.
Op een subsidie kunnen slechts op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister voorschotten worden verstrekt, indien ter zake van die subsidie een beschikking tot subsidieverlening geldt en het bedrag per voorschot, berekend met inachtneming van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, ten minste € 45 380 bedraagt.
2.
Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
1.
Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 14, eerste lid.
2.
Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
3.
Indien de aanvraag een CO 2 -reductieproject betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag waarin hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 19
Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Artikel 20
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 21
Tot en met 31 december 2001 geldt het volgende:
a. in afwijking van artikel 1, onderdeel g, wordt het bedrag uitgedrukt in guldens;
b. in afwijking van artikel 3, vijfde lid, bedragen de bedragen: f 11 018 550, 00 en f 55 092 750,00;
c. in afwijking van artikel 17, derde lid, bedraagt het bedrag: f 100 004,36.
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies CO 2 -reductieplan.
Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 juni 1998
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven de zevende juli 1998
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
+ § 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. Subsidievaststelling
+ § 5a. Overgangsbepaling
+ § 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken