Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 4 december 2000, nr. WJZ 00071786;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2001, nr. W10.00.0574/II);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 april 2001, nr. WJZ 01016877, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. niet-fysieke stadseconomie: hetgeen daaronder wordt verstaan in het doorstartconvenant grotestedenbeleid, dat als bijlage is gevoegd bij de brief van 4 december 1998 van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1998/99, 21 062, nr. 77);
b. ontwikkelingsprogramma: door een gemeente vastgesteld strategisch overzicht van investeringen en maatregelen voor de komende vijf jaren, met een vooruitblik op de vijf daarop volgende jaren, dat gericht is op de beleidsdoelen economie en werkgelegenheid, fysieke ontwikkeling en sociale infrastructuur en dat meetbare doestellingen en prestaties bevat;
c. benchmark lokaal ondernemersklimaat: referentiekader voor de toetsing van de economische concurrentiepositie van de stad.
1.
Onze Minister verstrekt in 2001 een subsidie ten behoeve van niet-fysieke stadseconomie aan een in bijlage 1 van dit besluit vermelde gemeente die een ontwikkelingsprogramma uitvoert dat als bijlage 1 is gehecht aan het tussen die gemeente en het Rijk op 20 december 1999 in het kader van het grotestedenbeleid gesloten convenant.
2.
Onze Minister verstrekt in 2001 een subsidie ten behoeve van niet-fysieke stadseconomie aan een in bijlage 2 van dit besluit vermelde gemeente die een ontwikkelingsprogramma uitvoert dat als bijlage 1 is gehecht aan het tussen die gemeente en het Rijk op 21 december 1999 in het kader van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing gesloten convenant.
1.
De subsidie bedraagt in het in artikel 2, eerste lid, bedoelde geval het in bijlage 1 van dit besluit genoemde bedrag.
2.
De subsidie bedraagt in het in artikel 2, tweede lid, bedoeld geval het in bijlage 2 van dit besluit genoemde bedrag.
Artikel 4
De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het tijdstip en de wijze waarop de aanvraag om subsidievaststelling moet worden ingediend.
1.
Aan de subsidieverlening zijn de in het tweede tot en met zevende lid opgenomen verplichtingen verbonden.
2.
De subsidie-ontvanger gebruikt de subsidie voor de uitvoering van die onderdelen van het ontwikkelingsprogramma, die vallen binnen de reikwijdte van het Beleidskader stadseconomie (Kamerstukken 1998/99, 21 062, nr. 77), onderdeel niet-fysieke economie.
3.
De subsidie-ontvanger komt de voor hem uit het convenant met betrekking tot de subsidie voortvloeiende verplichtingen na.
4.
De subsidie-ontvanger neemt deel aan de tweejaarlijkse herhalingsmeting van de benchmark lokaal ondernemers klimaat.
5.
De subsidie-ontvanger neemt bij het gebruik van de subsidie de ingevolge het Verdrag betreffende de Europese Unie voor de Staat geldende verplichtingen in acht.
6.
De subsidie-ontvanger dient bij Onze Minister een aanvraag om subsidievaststelling in overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld.
7.
De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem aangegane verplichtingen en verrichte betalingen kunnen worden afgelezen.
1.
Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt wordt door Onze Minister ten hoogste eenmaal per kalenderjaar een voorschot verstrekt.
2.
Het voorschot is het bedrag dat in bijlage 1 of bijlage 2 van dit besluit als voorschot is vermeld.
Artikel 7
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 8
Tot 1 januari 2002 gelden voor de toepassing van de artikelen 3 en 6 de bedragen genoemd in de bijlagen 1a en 2a van dit besluit.
Artikel 9
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 mei 2001
De Minister van Economische Zaken,
Uitgegeven de eenentwintigste juni 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. De subsidieverlening
+ § 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. De subsidievaststelling
+ § 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht