Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel

Uitgebreide informatie
Besluit van 7 april 1995, houdende vaststelling van het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 15 november 1994, nr. 94044595, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
Gelet op artikel 33, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs; artikel 33, tweede lid van de Wet op de expertisecentra; artikel 153, tweede lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 39, tweede lid, 61 en 76, van de Wet op het voortgezet onderwijs; artikel 4 van de Experimentenwet onderwijs; artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie 1991; artikel 58, tweede lid, van de Wet op de onderwijsverzorging; de artikelen 2.45, 2.55, 2.76 en 2.77 van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; de artikelen 4.5, eerste lid, 4.6, 9.74, tweede lid, 10.10, derde lid, 11.12, eerste lid, 12.5, 13.1, eerste lid, 13.3, vijfde lid, 16.23, derde lid, en 16.27 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; de artikelen 14, eerste lid, en 35 van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek; de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 23 januari 1995, nr. W05.94.0718);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, uitgebracht mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van 28 maart 1995, nr. 95005766, directie Arbeidsvoorwaarden en Beroepskwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voor wat betreft het landbouwonderwijs Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
b. betrokkene:
1. een personeelslid benoemd bij een openbare of uit openbare kas bekostigde basisschool of speciale school voor basisonderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs voor wie de salarissen en toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid, onder b, van de Wet op het primair onderwijs, dan wel een personeelslid benoemd in algemene dienst als bedoeld in artikel 34 van de Wet op het primair onderwijs;
2. een personeelslid benoemd aan een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in de zin van de Wet op de expertisecentra voor wie de salarissen en toelagen worden vastgesteld in het Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 33, tweede lid onder b, van de Wet op de expertisecentra, dan wel een personeelslid benoemd in algemene dienst als bedoeld in artikel 34 van de Wet op de expertisecentra;
3. een personeelslid benoemd aan een openbare of uit openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet onderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs dan wel een op de Experimentenwet onderwijs gebaseerde instelling, voor wie de salarissen en de toelagen bij of krachtens Koninklijk Besluit ter uitvoering van artikel 38 van de Wet op het voortgezet onderwijs worden vastgesteld, alsmede een personeelslid benoemd in algemene dienst als bedoeld in artikel 39a van de Wet op het voortgezet onderwijs;
4. [vervallen;]
5. Een personeelslid benoemd bij een lichaam, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen f en g, dan wel derde lid, onderdeel b, van de Wet privatisering ABP, indien dat lichaam geheel of gedeeltelijk wordt gesubsidieerd ten laste van hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting en waarop dit besluit door Onze minister van toepassing is verklaard.
6. een personeelslid benoemd aan een verzorgingsinstelling als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de onderwijsverzorging;
8. [vervallen;]
9. [vervallen;]
10. [vervallen;]
11. [vervallen;]
12. de benoemde leden van het algemeen bestuur van de organisatie, genoemd in de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek ;
13. [vervallen;]
c. medebetrokkene:
1. de echtgenoot dan wel de geregistreerde partner die behoort tot het huishouden van betrokkene en die aan dit besluit dan wel een naar aard en strekking daarmee overeenkomende regeling niet zelfstandig aanspraken ontleent en van wie de inkomsten lager zijn dan die van betrokkene
2. het kind jonger dan 16 jaar, bedoeld in artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet voor wie de betrokkene de premie van een ziektekostenverzekering heeft betaald;
3. het kind van 16 tot 18 jaar en van 16 tot 25 jaar, bedoeld in artikel 7 respectievelijk 26 van de Algemene Kinderbijslagwet, voor wie de betrokkene de premie van een ziektekostenverzekering heeft betaald;
4. het kind van 25 en 26 jaar dat behoudens de leeftijdseis voldoet aan artikel 26, eerste lid, onder a, respectievelijk tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, voor wie de betrokkene de premie voor een ziektekostenverzekering heeft betaald. De ter uitvoering van artikel 7 en 26 van de Algemene Kinderbijslagwet gestelde regelen zijn wat betreft de medebetrokkenen, bedoeld onder c2, c3 en c4 van overeenkomstige toepassing.
5. het kind van 18 tot 27 jaar dat in aanmerking komt voor studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 en voor wie betrokkene de premie van een ziektekostenverzekering heeft betaald.
d. orgaan: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, onderdeel f van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC .
e. normbetrekking: een betrekking waarvan de omvang gelijk is aan die van een volledige weektaak in de desbetreffende functie.
f. feitelijk genoten salaris: het bedrag, dan wel de som der bedragen, dat voor de betrokkenen bij het orgaan is vastgesteld met inachtneming van artikel 83, onder b, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC en in voorkomend geval is verminderd met een korting op dat bedrag.
Voor de berekening van het feitelijk genoten salaris blijft buiten toepassing:
1. een vermindering van het feitelijk genoten salaris zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel dan wel in artikel 201 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende regeling,
2. een korting op het salaris in verband met inkomsten verworven in verband met herhalingsoefeningen van de militaire dienst.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder echtgenoot dan wel geregistreerde partner van de betrokkene mede verstaan de ongehuwde persoon dan wel de partner met wie geen registratie is aangegaan, van verschillend of gelijk geslacht met wie de betrokkene duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het een persoon betreft waarmee bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
3.
Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde of niet geregistreerde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien, hetgeen moet kunnen blijken uit een ter zake verleden notariële akte alsmede uit een uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens waaruit een gezamenlijk woonadres blijkt.
1.
De betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten over elke kalendermaand waarin hij bij hetzelfde orgaan een of meer betrekkingen bekleedt.
2.
De betrokkene ontvangt voorts een tegemoetkoming voor de medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c l.
3.
De betrokkene ontvangt een extra tegemoetkoming voor ten hoogste één medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c 2. Indien de betrokkene en diens echtgenoot beiden aanspraak op deze tegemoetkoming hebben, elk ten behoeve van een ander kind, wordt deze tegemoetkoming alleen toegekend aan de betrokkene met het oudste kind jonger dan 16 jaar, dat deel uitmaakt van de gemeenschappelijke huishouding.
4.
De betrokkene ontvangt een extra tegemoetkoming voor elke medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c 3, c 4 en c 5.
5.
De tegemoetkomingen worden over een kalendermaand slechts verleend, indien de betrokkene gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen als zodanig in dienst is geweest. De tegemoetkomingen voor medebetrokkenen worden over een kalendermaand slechts verleend, indien zij gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen als medebetrokkene kunnen worden aangemerkt.
1.
De betrokkene ontvangt voor zichzelf geen tegemoetkoming over een kalendermaand, waarin hij gedurende meer dan de helft van het aantal kalenderdagen behoort tot een van de volgende categorieën:
a. degenen die zelfstandig verplicht verzekerd zijn krachtens de Ziekenfondswet , met uitzondering van degenen die als zelfstandige ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet verplicht verzekerd zijn;
b. degenen die medeverzekerd zijn ingevolge artikel 4 van de Ziekenfondswet dan wel medeverzekerd zijn ingevolge een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering of medebetrokkenen zijn in een naar aard en strekking met dit besluit overeenkomende regeling;
c. degenen die uit hoofde van hun (voormalige) dienstbetrekking aanspraak hebben op gehele of gedeeltelijke geneeskundige verzorging of op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan;
2.
De betrokkene ontvangt geen tegemoetkoming voor een medebetrokkene die:
a. tot een van de in het eerste lid genoemde categorieën behoort, behoudens degene die medeverzekerd is bij een betrokkene die als zelfstandige ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet verplicht verzekerd is, dan wel uit anderen hoofde aanspraak heeft op gehele of gedeeltelijke verzorging, of van geheel of gedeeltelijke vergoeding van de kosten daarvan, of
b. zelf betrokkene is in de zin van dit besluit, dan wel in de zin van een publiekrechtelijke ziektekostenverzekering of een naar aard en strekking met dit besluit overeenkomende regeling, of
c. medebetrokkene als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c 2 tot en met c 5 is bij de echtgenoot dan wel geregistreerde partner van betrokkene en voor wie deze echtgenoot dan wel geregistreerde partner een tegemoetkoming ontvangt in de kosten van een ziektekostenverzekering voor deze medebetrokkene op grond van dit besluit, of een naar aard en strekking met dit besluit overeenkomende regeling.
1.
De tegemoetkoming wordt gerelateerd aan:
a. de omslagbijdragen ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden ;
c. de component «polis» van de particuliere ziektekostenpremie voor een maatschappijpolis, zoals deze door het Centraal Planbureau in het desbetreffende kalenderjaar wordt gehanteerd ten behoeve van het Centraal Economisch Plan.
2.
Het bedrag van de tegemoetkomingen is zodanig dat na aftrek van de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de tabel voor bijzondere beloningen ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 – wordt uitbetaald:
a. ten aanzien van de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, en ten aanzien van de medebetrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c1: de som van 50% van de door hen verschuldigde in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 50% van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde bedrag;
b. ten aanzien van de medebetrokkenen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c2: de som van 50% van de door deze medebetrokkene verschuldigde in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 25% van het in het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde bedrag;
c. ten aanzien van de medebetrokkenen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c3, c4 en c5: de som van 50% van de door hem verschuldigde in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde bedragen en 25% van het in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde bedrag.
3.
Voor de toepassing van het tweede lid, aanhef en onder a en c, worden de betrokkene en de medebetrokkenen in de leeftijdscategorieën van 16 tot en met 19 jaar en van 65 jaar en ouder wat betreft de tegemoetkoming in de verschuldigde omslagbijdragen ingevolge artikel 5 van de Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere ziekenfondsverzekerden en ingevolge artikel 11 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 gelijkgesteld met de personen in de leeftijdscategorie van 20 tot en met 64 jaar.
1.
De betrokkene die voor zich zelf een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4 ontvangt, heeft over de desbetreffende kalendermaanden recht op een toeslag.
2.
De betrokkene die op grond van dit besluit een tegemoetkoming ontvangt, en in aanmerking komt voor een tegemoetkoming voor een medebetrokkene en die bij een volledige werktijd een salaris heeft gelijk aan dan wel lager dan het maximumsalaris van schaal 7 van bijlage 1A van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel , heeft naast het eerste lid voor de desbetreffende kalendermaanden recht op een aanvullende toeslag.
3.
Bij regeling van Onze Minister wordt het bedrag van de toeslag en de aanvullende toeslag vastgesteld.
4.
De toeslag en de aanvullende toeslag worden aangegeven in een bedrag per maand, na aftrek van de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de tabel bijzondere beloningen ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964 .
1.
Voor de betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b1 tot en met b7, worden de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag uitbetaald in de maand januari over het tweede en derde kwartaal van het voorafgaande jaar en in de maand mei dan wel op verzoek van de betrokkene in december over het vierde kwartaal van het voorafgaande jaar en het eerste kwartaal van het lopende jaar. Zo nodig vindt de uitbetaling in afwijking van het vorenstaande eerder plaats in geval van ontslag of overlijden van betrokkene,.
2.
Voor de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onder b10 en b12, worden de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag uitbetaald in de maanden juni en december, telkens over de twee voorafgaande kwartalen eindigend met de maand maart respectievelijk september, dan wel op verzoek van de betrokkene in de maand december over de vier voorafgaande kwartalen eindigend met de maand september. Zo nodig vindt uitbetaling in afwijking van het vorenstaande eerder plaats in geval van ontslag of overlijden van de betrokkene,.
3.
De eerste uitbetaling van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag vindt slechts op aanvraag plaats. Indien wijzigingen optreden in de voor de betaling relevante gegevens is de betrokkene verplicht deze wijzigingen te melden. De eerste aanvraag alsmede de melding van de wijzigingen geschiedt op een door Onze Minister toegestaan formulier.
4.
Indien niet binnen de periode van een jaar nadat het recht op respectievelijk nadat de verhoging van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag is ontstaan een aanvraag-, respectievelijk wijzigingsformulier is ingediend, vindt de eerste uitbetaling, respectievelijk verhoging van de uitbetaling van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag plaats met terugwerkende kracht tot en met een jaar gerekend vanaf de eerste dag van de maand na indiening.
Artikel 8
De uitbetaling van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag geschiedt door het orgaan dat belast is met de uitbetaling van de bezoldiging aan betrokkene over de desbetreffende maanden januari, mei, respectievelijk juni en december, dan wel in geval van ontslag of overlijden over de maand van ontslag of overlijden.
1.
Ten aanzien van de betrokkene die bij hetzelfde orgaan een of meer betrekkingen bekleedt met elk een omvang van minder dan een normbetrekking, wordt de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag vastgesteld op een evenredig deel en wel in dezelfde verhouding als het feitelijke genoten salaris dat met die betrekking dan wel betrekkingen bij hetzelfde orgaan met een omvang van minder dan een normbetrekking staat tot het salaris dat in die maand in de betrekking bij een normbetrekking zou zijn ontvangen. Indien in de in de vorige volzin bedoelde kalendermaand sprake is van betrekkingen waarvoor bij een normbetrekking verschillende schalen gelden, geldt in die kalendermaand het laagste van toepassing zijnde salaris bij normbetrekking.
2.
Ten aanzien van de betrokkene die bij een orgaan een betrekking korter dan een maand, maar langer dan de helft van die maand bekleedt wordt de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag berekend op dezelfde wijze als in het eerste lid bepaald, met dien verstande dat het aldus berekende bedrag vermenigvuldigd wordt met het aantal kalenderdagen van de desbetreffende maand en vervolgens gedeeld door het aantal kalenderdagen waarover de benoeming dan wel de benoemingen zich uitstrekt.
3.
De tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag bedragen nooit meer dan het volledige bedrag aan tegemoetkoming, toeslag en aanvullende toeslag per kalendermaand.
1.
Het orgaan, bedoeld in artikel 8, kan verlangen dat de betrokkene voor de toekenning van een tegemoetkoming relevante bescheiden overlegt.
2.
Indien de betrokkene niet voldoet aan het verzoek om bescheiden over te leggen, kan de uitbetaling van de tegemoetkoming, de toeslag en de aanvullende toeslag worden opgeschort.
Artikel 10c
Het orgaan, bedoeld in artikel 8, is bevoegd hetgeen op grond van dit besluit onverschuldigd is betaald, geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, of in mindering te brengen op een later te betalen uitkering op grond van dit besluit:
a. gedurende vijf jaren na de dag van betaalbaarstelling indien het door toedoen van de betrokkene onverschuldigd heeft betaald;
b. gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in de overige gevallen waarin het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat het orgaan onverschuldigd betaalde.
1.
De tegemoetkomingen, de toeslag en de aanvullende toeslag krachtens dit besluit, worden niet gerekend tot het ambtelijk inkomen in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet.
2.
De toeslag en de aanvullende toeslag krachtens dit besluit worden niet gerekend tot de inkomsten, bedoeld in artikel 2 van de Regeling ziektekostenvoorziening overheidspersoneel.
Artikel 13
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere voorschriften voor de uitvoering van dit besluit worden vastgesteld.
1.
De interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 en het Besluit inkomenstoeslag belanghebbenden in de zin van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 zijn met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit niet meer van toepassing op betrokkenen bedoeld in artikel 1, eerste lid.
2.
Het Besluit gewijzigde betaalmaanden Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 wordt ingetrokken met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 15
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en wordt aangehaald als Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 7 april 1995
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
Uitgegeven de elfde mei 1995
De Minister Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 10a
Artikel 10b
Artikel 10c
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken