Let op. Deze wet is vervallen op 15 december 2004. U leest nu de tekst die gold op 14 december 2004.

Besluit tender investeringsprogramma's provincies 2000

Uitgebreide informatie
Besluit van 20 januari 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies aan provincies in het kader van de tender investeringsprogramma's provincies 2000 (Besluit tender investeringsprogramma's provincies 2000)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 augustus 2000, nr. WJZ 00037834;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
De Raad van State gehoord (advies van 21 november 2000, nr. W10.00.0377/II);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 januari 2001, nr. WJZ 01002593;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. provinciale visie: door gedeputeerde staten vastgestelde analyse over de komende periode van vijf jaren, met een vooruitblik over de vijf daarop volgende jaren, van de huidige en toekomstig gewenste situatie ten aanzien van het regionale economische investeringsklimaat, de daaruit voortvloeiende knelpunten en kansen en de gekozen oplossingsrichtingen om de gewenste situatie te bereiken;
b. investeringsprogramma: door gedeputeerde staten vastgesteld overzicht van projecten en beleidsvoornemens, dat bestaat uit ten minste één project anders dan een infrastructuurproject en één beleidsvoornemen die elk bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het regionale investeringsklimaat;
c. project: een ontwikkelingsproject, een herstructureringsproject, een infrastructuurproject dan wel een combinatie hiervan;
d. ontwikkelingsproject: aanleg van een nieuwe bedrijfslocatie;
e. herstructureringsproject: planmatige verbetering van het vestigingsklimaat op een bestaande bedrijfslocatie, waarbij de bedrijfsbestemming behouden blijft;
f. infrastructuurproject: aanleg van met een bedrijventerrein rechtstreeks verband houdende noodzakelijke ontsluitende infrastructuur naar bestaande spoor-, auto- en waterwegen;
g. beleidsvoornemen: samenhangend geheel van voorgenomen activiteiten gericht op de versterking van de productiestructuur, de verbetering van de bestuurlijke samenwerking, de bevordering van ondernemerschap, de verbetering van de arbeidsmarkt, de verbetering van de technologieontwikkeling of de verbetering van het woonmilieu in de regio;
h. bedrijfslocatie: bedrijventerrein of bedrijfsverzamelgebouw dan wel een combinatie hiervan;
i. bedrijventerrein: terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door vestigingen ten behoeve van handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie, daaronder niet begrepen een locatie in overwegende mate bestemd voor kantoren, detailhandel of horeca;
j. bedrijfsverzamelgebouw: gebouw dat bestemd en geschikt is om een tijdelijk onderdak te bieden aan ondernemers en dat voorziet in ondersteuning van die ondernemers door het aanbieden van gemeenschappelijke beheersdiensten, facilitaire en administratieve diensten;
k. openbaar lichaam: openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin gemeenten samenwerken;
l. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste één gemeente.
2.
In een investeringsprogramma zijn geen projecten of beleidsvoornemens opgenomen die reeds opgenomen zijn geweest in een investeringsprogramma dat als bijlage behoorde bij een aanvraag waarop door Onze Minister reeds eerder een beschikking tot subsidieverlening krachtens dit besluit is gegeven.
1.
Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een provincie voor het door haar geven van beschikkingen tot subsidieverlening aan gemeenten, openbare lichamen of samenwerkingsverbanden ten behoeve van het uitvoeren van in een investeringsprogramma opgenomen projecten.
2.
Geen subsidie wordt verstrekt voor zover bij de vaststelling van de subsidie blijkt dat:
a. er geen negatief verschil bestaat tussen opbrengsten en kosten van een project;
b. ter zake van een project reeds eerder door Onze Minister subsidie is verstrekt op grond van het Besluit stimulering ruimte voor economische activiteit of het Besluit uitkeringen bedrijfsomgeving stedelijke knooppunten ;
c. de bijdrage van de provincie aan de van een investeringsprogramma deel uitmakende projecten gezamenlijk minder dan 15 procent bedraagt van de door Onze Minister te verstrekken subsidie;
d. een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in strijd is met artikel 87 van het Verdrag inzake de Europese Unie.
1.
De subsidie bedraagt het negatieve verschil tussen opbrengsten en kosten verminderd met bijdragen van derden en subsidies van andere bestuursorganen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen tot een maximum van 50 procent van het negatieve verschil tussen kosten en opbrengsten van elk project afzonderlijk en bedraagt niet meer dan een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag voor de van een investeringsprogramma deel uitmakende projecten gezamenlijk, van welk bedrag niet meer dan € 900 000 wordt verstrekt voor infrastructuurprojecten.
2.
Onder negatief verschil tussen opbrengsten en kosten wordt verstaan de noodzakelijke, rechtstreeks aan een project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag gemaakte, betaalde en voor rekening van de gemeenten, openbare lichamen of samenwerkingsverbanden komende kosten, verminderd met alle aan dat project toe te rekenen opbrengsten.
3.
Als kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. wat betreft de kosten van verwerving van grond: de koopsom en overdrachtskosten;
b. wat betreft de kosten van verwerving van onroerende zaken, andere dan grond: de koopsom en overdrachtskosten tot een maximum van 20 procent van de totale in aanmerking te nemen kosten van het project;
c. kosten van grondonderzoek;
d. kosten van bodemsanering tot een maximum van 20 procent van de totale in aanmerking te nemen kosten van het project;
e. kosten van bouwrijp maken;
f. kosten van voorzieningen voor verkeer;
g. kosten van de aanleg van leidingen voor gas, elektriciteit en water;
h. kosten van de aanleg van leidingen voor telecommunicatie;
i. kosten van de aanleg van riolering tot aan het perceel;
j. kosten van de aanleg van openbare verlichting;
k. kosten van door de bevoegde instanties voorgeschreven brandvoorzieningen;
l. wat betreft bedrijfsverzamelgebouwen: de bouwkosten exclusief bouwrente;
m. verschuldigde omzetbelasting, indien degene die de kosten heeft gemaakt omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
4.
In afwijking van het tweede lid worden mede als kosten in aanmerking genomen binnen tien jaar voor de indiening van de aanvraag gemaakte kosten van verwerving van grond en andere onroerende zaken.
5.
In afwijking van het tweede lid kunnen van activiteiten waarvoor verplichtingen zijn aangegaan en die tot uitvoering zijn gebracht kosten die nog niet zijn betaald in aanmerking worden genomen, zodanig dat het subsidiebedrag dat uit het eerste lid voortvloeit met maximaal 5 procent wordt verhoogd.
6.
Als opbrengst wordt in aanmerking genomen wat betreft de opbrengst uit uitgifte van grond en de opbrengst van bedrijfsverzamelgebouwen de door een onafhankelijke taxateur vastgestelde marktwaarde uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van verkoop, of in geval van erfpacht of verhuur uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment waarop de erfpacht of de verhuur ingaat. In geval van nog niet uitgegeven grond wordt als opbrengst in aanmerking genomen de door een onafhankelijke taxateur vastgestelde verwachte marktwaarde uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van indiening van de aanvraag om subsidievaststelling.
7.
In afwijking van het zesde lid kan, in geval van verkoop van grond bij opbod volgens een open en onvoorwaardelijke biedprocedure die openbaar is gemaakt, het beste of enige bod als opbrengst in aanmerking worden genomen.
8.
Onverminderd het zevende lid worden, in het geval dat de feitelijke opbrengst hoger is dan de in het zesde lid bedoelde taxatiewaarde, in afwijking van het zesde lid, eerste volzin, als opbrengst de feitelijke opbrengst in aanmerking genomen.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling wordt ieder begrotingsjaar een subsidieplafond vastgesteld voor het in dat jaar verlenen van subsidies krachtens dit besluit.
1.
Er is een commissie die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit besluit.
2.
De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste vier andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren.
3.
De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste twee jaren benoemd. Zij zijn ten hoogste tweemaal opnieuw benoembaar.
4.
De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
5.
Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
6.
In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien.
7.
Het beheer van de bescheiden betreffende de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
8.
De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9.
De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk drie jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
1.
Bij ministeriële regeling worden de periodes vastgesteld waarin aanvragen om subsidie moeten zijn ontvangen.
2.
Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
3.
Een aanvraag gaat vergezeld van:
1.° een provinciale visie waarin ruimtelijk-economische kansen en knelpunten centraal staan, waarbij aandacht wordt besteed aan de afweging tussen herstructurering van bestaande en nieuw te ontwikkelen bedrijfslocaties en waarbij niet ruimtelijk-economische kansen en knelpunten worden belicht voor zover deze een rol spelen in de provincie,
2.° een investeringsprogramma dat bestaat uit de volgende onderdelen:
een beschrijving van de mate waarin het investeringsprogramma bijdraagt aan het verbeteren de kwaliteit van het regionale investeringsklimaat,
een beschrijving van de mate waarin het investeringsprogramma bijdraagt aan het verbeteren van het aanbod van bedrijfslocaties zoals dat in de provinciale visie is geschetst,
een haalbaarheidsanalyse waarin de bestuurlijke, juridische, financieel-economische, organisatorische en milieutechnische haalbaarheid van de projecten in beeld wordt gebracht,
een financieringsopzet van het investeringsprogramma waarin de verhouding tussen de hoogte van de gevraagde subsidie en de financieringsbegroting zijn opgenomen en
een gemotiveerde beschrijving van het draagvlak bij de betrokken gemeenten en het georganiseerde bedrijfsleven voor de uitvoering van de in het investeringsprogramma opgenomen projecten en beleidsvoornemens,
een projectplan,
3.° andere bescheiden overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Artikel 7
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na afloop van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde periode.
Artikel 8
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen.
1.
Onze Minister wint omtrent een aanvraag waarop niet met toepassing van artikel 8 afwijzend wordt beslist het advies in van de commissie, bedoeld in artikel 5.
2.
De commissie neemt in aanmerking de verhouding tussen de provinciale taakstelling en de nationale taakstelling met betrekking tot de voorziene spanning tussen vraag en aanbod van te ontwikkelen bedrijventerreinen en met betrekking tot de omvang van de oppervlakte verouderde bedrijventerreinen.
3.
De commissie toetst de aanvragen voorts op de volgende onderdelen:
a. de mate waarin het investeringsprogramma bijdraagt aan de in de visie gesignaleerde behoefte aan verbetering van de kwaliteit van het regionale investeringsklimaat en
b. de haalbaarheid van het geheel van projecten.
4.
De in het tweede lid bedoelde verhouding wordt uitgedrukt in een bij ministeriële regeling aan de hand van recente ramingen te bepalen aantal punten.
5.
De mate waarin het investeringsprogramma bijdraagt aan de in de visie gesignaleerde behoefte aan verbetering van de kwaliteit van het regionale investeringsklimaat wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:
a. de bijdrage die ontwikkelingsprojecten leveren aan de verbetering van de kwantitatieve aanbodsituatie en de bijdrage die herstructureringsprojecten leveren aan de verbetering van de kwalitatieve aanbodsituatie, beide in termen van het totaal aantal bruto hectaren;
b. de bijdrage van het geheel van projecten aan de volgende beleidsdoelen:
1°. het verbeteren van de bereikbaarheid van bestaande bedrijventerreinen,
2°. het beschikbaar komen van ruimte voor bedrijven die als gevolg van extensief ruimtegebruik of nadelige effecten op de omgeving moeilijk plaatsbaar zijn maar die voor de regionaal-economische structuur van belang zijn,
3°. het bevorderen van ondernemerschap door het realiseren van bedrijfsverzamelgebouwen;
c. de bijdrage van projecten aan duurzaamheid op bedrijventerreinen, uitgedrukt in:
1°. goed beheer,
2°. multimodaliteit en optimaal gebruik van bestaande infrastructurele voorzieningen,
3°. optimalisatie van personen- en goederenvervoer,
4°. meervoudig en collectief ruimtegebruik en
5°. industriële ecologie;
d. de bijdrage van de beleidsvoornemens aan de in de visie gesignaleerde behoefte aan verbetering van het regionale investeringsklimaat door het wegnemen van knelpunten of het benutten van potenties uitgedrukt in impulsen voor:
1°. versterking van de productiestructuur,
2°. verbetering van de bestuurlijke samenwerking,
3°. bevordering van ondernemerschap,
4°. verbetering van de arbeidsmarktsituatie,
5°. technologieontwikkeling,
6°. verbetering van het woonmilieu.
6.
De in het derde lid, onder b, bedoelde haalbaarheid van het geheel van projecten wordt bepaald aan de hand van een haalbaarheidsanalyse die de provincie uitvoert op basis van door de betrokken gemeenten in te vullen lijsten waarin kansen en risico's worden belicht.
7.
De wegingsfactoren van de in het tweede, derde, vijfde en zesde lid bedoelde toetsingscriteria worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
8.
De commissie rangschikt de aanvragen naar gelang van de eindscore.
1.
Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie, bedoeld in artikel 5.
2.
Onze Minister kan afwijken van het eerste lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Artikel 11
De subsidie-ontvanger legt de in de artikelen 12 en 14 opgenomen verplichtingen bij haar subsidieverlening op aan de gemeenten, de openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden. De in de artikelen 12, 13 en 14 opgenomen verplichtingen gelden tot de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld.
1.
De gemeenten, de openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden maken binnen achttien maanden na de subsidieverlening door Onze Minister aan de provincie een aanvang met de uitvoering van de projecten.
2.
De gemeenten, de openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden voeren het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.
3.
Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het tweede lid voorschriften verbinden.
1.
De subsidie-ontvanger brengt jaarlijks aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het investeringsprogramma.
2.
De subsidie-ontvanger dient haar aanvraag tot subsidievaststelling bij Onze Minister in binnen zes maanden na afloop van een periode van uiterlijk zeseneenhalf jaar na de datum waarop de beschikking tot subsidieverlening is afgegeven.
3.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een formulier, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
4.
De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring met betrekking tot de projecten, een eindverslag omtrent de uitvoering van het investeringsprogramma en andere bescheiden overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
1.
De provincie, de gemeenten, de openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden voeren een administratie, zodanig dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle kosten en opbrengsten kunnen worden afgelezen.
2.
De gemeenten, de openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden verlenen de door Onze Minister aangewezen toezichthouders alle medewerking die deze redelijkerwijs kunnen vorderen bij de uitoefening ten opzichte van de gemeenten, de openbare lichamen en de samenwerkingsverbanden van de bevoegdheden die in Hoofdstuk 5, Afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht aan toezichthouders zijn toegekend, daaronder niet begrepen de bevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 van die wet.
1.
Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt kan jaarlijks op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister een voorschot worden verstrekt.
2.
Een voorschot wordt berekend aan de hand van een in de beschikking tot subsidieverlening vermeld percentage van het totaal van de ter zake van de projecten betaalde kosten, vermeerderd met het totaal aan uit ter zake van de projecten aangegane verplichtingen voortvloeiende, in het jaar volgend op de datum van indiening van de aanvraag verwachte betalingen, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
1.
Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 13, eerste lid.
2.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
Artikel 17
Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor haar geldende verplichtingen.
Artikel 18
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.
Artikel 19
Tot 1 januari 2002 luidt het bedrag, genoemd in artikel 3, eerste lid, f 1 833 390,00.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tender investeringsprogramma's provincies 2000.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 januari 2001
De Staatssecretaris van Economische Zaken,
Uitgegeven de dertigste januari 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag
+ § 3. Subsidieverlening en verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. Subsidievaststelling
+ § 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht