Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer

Uitgebreide informatie
Besluit van 15 maart 2001, houdende regels voor textielreinigingsbedrijven (Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 16 maart 2000, nr. MJZ2000031894, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op richtlijn nr. 1991/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 1991/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135), richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 maart 1999 betreffende de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEG L 85) en de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 6 juni 2000, nr. W08.00.0121/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 maart 2001, nr. MJZ 2001029286, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;
b. bijlage 1 : bij dit besluit behorende bijlage 1 ;
c. bijlage 2 : bij dit besluit behorende bijlage 2 ;
d. vergunning: vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;
e. reinigen: procesmatig schoonmaken van textiel met behulp van oplosmiddelen in een daarvoor geschikte machine;
f. wassen: procesmatig schoonmaken van textiel met behulp van water in een daarvoor geschikte machine;
g. woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een dienst- of bedrijfswoning:
1°. behorende bij een inrichting als bedoeld in artikel 2, of
2°. die op een bedrijventerrein is gelegen met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare;
h. brandbare vloeistof: stof in vloeibare toestand die of een verfproduct dat een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55°C (K3-vloeistof);
i. gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen ;
j. gevoelig object:
a. woning;
b. dienst- of bedrijfswoning;
c. gezondheidsinstelling;
d. onderwijsinstelling, kantoor en winkel;
k. vuurwerk: vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit .
1.
Dit besluit is van toepassing op inrichtingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van het reinigen, wassen, persen, mangelen, strijken of drogen van textiel.
2.
Dit besluit is eveneens van toepassing op inrichtingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:
a. de totale capaciteit van de inrichting voor het reinigen en wassen groter is dan 25 000 kg per dag;
b. de individuele beladingscapaciteit van de opgestelde machines voor het reinigen groter is dan 50 kg;
c. in de inrichting een installatie aanwezig is, die geschikt is voor de verbranding van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie;
d. in de inrichting één of meer stooktoestellen voor verwarming of warmtekrachtopwekking aanwezig zijn met een thermisch vermogen per toestel van 7 500 kW of meer;
e. in de inrichting textiel wordt geverfd;
f. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks, tenzij sprake is van:
1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,
2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, en
3°. opslaan van vloeistoffen die voor de in de inrichting toegepaste was- en reinigingsmethoden noodzakelijk zijn;
g. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde poetsdoeken, voorzover deze zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstof ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, worden gewassen of gereinigd, of
h. in de inrichting textiel wordt gereinigd of gewassen die met radioactiviteit is besmet;
i. indien de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk.
1.
De voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 en 2, gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
2.
Indien een voorschrift dat is opgenomen in bijlage 1 , hoofdstukken 1 tot en met 3 , of bijlage 2 inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is andere middelen toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere middelen wil toepassen aan het bevoegd gezag, onder overlegging van de in artikel 6, negende lid, bedoelde gegevens. Het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel.
1.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:
a. de in bijlage 1 opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, waterbesparing, lucht, verlichting en bodembescherming, voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 1 is aangegeven, of
b. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, het verbruik van grondstoffen, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting, en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.9.1 van bijlage 1 betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.
2.
De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.
3.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
1.
Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. De melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.
3.
Bij de melding wordt vermeld:
a. het adres van de inrichting;
b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit iemand anders is, van degene die de inrichting drijft of zal drijven;
c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de inrichting;
d. de indeling en uitvoering van de inrichting en
e. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.
4.
Bij de melding wordt de rapportage van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem gevoegd. Het onderzoek naar de nulsituatie richt zich uitsluitend op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatste een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende handelingen plaatsvinden dan wel zullen plaatsvinden.
5.
Indien bij de melding geen rapport van een onderzoek naar de nulsituatie van de bodem is gevoegd, kan het bevoegd gezag besluiten dat een zodanig onderzoek niet is vereist, indien aannemelijk is dat de kans op toekomstige bodemverontreiniging afwezig is.
6.
Bij de melding voor een inrichting waarin wordt gereinigd, wordt een onderzoek naar de dampdoorlaatbaarheid van de bouwkundige scheidingsconstructies tussen de inrichting en niet tot de inrichting behorende ruimten van gevoelige objecten, gevoegd.
7.
De in het derde, vierde en zesde lid bedoelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien degene die de inrichting drijft, deze gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag over die gegevens beschikt.
8.
Degene die de melding doet, geeft bij de melding aan welke gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.
9.
Bij de melding overeenkomstig artikel 4, tweede lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de volgens die melding toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.
1.
Voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a.
2.
De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de vergunning dan wel krachtens het Besluit chemische wasserijen milieubeheer blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a.
1.
Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit chemische wasserijen milieubeheer, meldt degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
2.
De melding geschiedt binnen twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. Artikel 6, derde tot en met het achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, bij het bevoegd gezag een aanvraag om een vergunning is ingediend voor het oprichten van een inrichting waarop dit besluit van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 6.
Artikel 9
Het Besluit chemische wasserijen milieubeheer wordt ingetrokken.
Artikel 10
[Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. ]
Artikel 11
[Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.]
Artikel 12
[Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.]
Artikel 13
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2001.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 maart 2001
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven negenentwintigste maart 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht