Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2005. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening

Uitgebreide informatie
Besluit van 2 november 1990, houdende regels ten aanzien van bekostiging van voorzieningen, steunfuncties, experimenten en samenwerkingsverbanden op het terrein van de jeugdhulpverlening
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 15 december 1989, nr. DJB/BAS/U-891010;
Gelet op artikel 89, eerste lid, van de Grondwet en de artikelen 37 en 53 van de Wet op de jeugdhulpverlening ( Stb. 1989, 360);
De Raad van State gehoord (advies van 29 mei 1990, nr. W13.90 0006);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en van Cultuur mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 11 september 1990, DJB/BAS-90.1016;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de jeugdhulpverlening (Stb. 1989, 360);
b. Onze minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met dien verstande dat met betrekking tot voorzieningen van pleegzorg, waarvan de uitvoerder een instelling is onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Justitie;
c. plan: een plan als bedoeld in artikel 8 van de wet;
d. voorziening van residentiële hulpverlening: een voorziening, behorende tot het type, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder b, van de wet, met uitzondering van inrichtingen;
e. voorziening van ambulante hulpverlening: een voorziening, behorende tot het type, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder d, van de wet, waaronder de centrales voor pleeggezinnen;
f. voorziening voor pleegzorg: een voorziening als bedoeld onder II, onderdeel 8, van de bijlage behorende bij de wet;
g. structureel subsidie: de subsidie, zoals dat in beginsel jaarlijks terugkerend beschikbaar wordt gesteld;
h. werkplan: het werkplan, bedoeld in artikel 2 van het Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening (Stb. 1990, 503);
i. jaarrekening: de balans en de exploitatierekening van een uitvoerder van een voorziening of van degene die een steunfunctie verzorgt, alsmede de toelichting op deze stukken.
Artikel 2
Indien in het plan is vastgesteld dat een voorziening of een steunfunctie in het eerste jaar waarop het plan betrekking heeft voor subsidie in aanmerking komt, wordt aan de uitvoerder of aan degene die een steunfunctie verzorgt, voor de uitvoering van het werkplan subsidie verstrekt overeenkomstig het bepaalde in dit besluit.
Artikel 3
De subsidieverlening ten behoeve van een minderjarige jeugdige wordt geweigerd indien de desbetreffende wettelijke vertegenwoordiger aan Onze minister schriftelijk zijn bedenkingen heeft kenbaar gemaakt de hulpverlening, met dien verstande dat, indien de hulpverlening reeds was aangevangen, deze hulpverlening ten behoeve van een jeugdige vanaf uiterlijk zes weken na ontvangst van het bezwaar door de minister niet langer voor subsidie in aanmerking wordt gebracht. De periode van zes weken, bedoeld in de eerste volzin, wordt verlengd met een periode van ten hoogste dertien weken, indien binnen zes weken na ontvangst van de bedoelde bedenkingen door de minister, door de hulpverlenende voorziening aan de minister wordt bericht, dat de raad voor de kinderbescherming de vraag of ten aanzien van een minderjarige een maatregel van justitiële kinderbescherming moet worden toegepast in onderzoek heeft genomen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, in een voorziening voor pleegzorg of in een instelling voor therapeutische gezinsverpleging, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
1.
De subsidie van een voorziening van ambulante hulpverlening of een steunfunctie bestaat uit de voor het voorgaande jaar ten behoeve van de desbetreffende voorziening of steunfunctie verstrekte structurele subsidie.
2.
Indien een voorziening van ambulante hulpverlening voor de eerste maal voor subsidie in aanmerking wordt gebracht, bestaat de subsidie uit een door Onze minister vast te stellen bedrag dat overeenkomt met het gemiddelde bedrag waarmee een dergelijke voorziening van vergelijkbare omvang wordt gesubsidieerd.
1.
De subsidie van een voorziening van residentiële hulpverlening of van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging wordt bepaald door een bedrag per jeugdige te vermenigvuldigen met de in het plan aan de voorziening toegekende capaciteit. Het bedrag per jeugdige wordt bepaald op het in het voorgaande jaar met betrekking tot de desbetreffende voorziening vastgestelde bedrag.
2.
Indien een voorziening van residentiële hulpverlening of een instelling voor therapeutische gezinsverpleging voor de eerste maal voor subsidie in aanmerking wordt gebracht, bestaat het bedrag per jeugdige voor die voorziening uit het gemiddelde bedrag per jeugdige waarmee een dergelijke voorziening van vergelijkbare omvang wordt gesubsidieerd.
Artikel 7
Het bedrag van de subsidie van een voorziening voor pleegzorg wordt bepaald door een door Onze minister vastgesteld normbedrag per jeugdige te vermenigvuldigen met de in het plan aan de desbetreffende voorziening toegekende capaciteit.
1.
Bij de verlening van een subsidie kan Onze Minister bepalen dat het subsidiebedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
2.
Met het oog op de toepassing van het eerste lid kan Onze Minister bij de verlening van de subsidie tevens bepalen welk deel van het subsidiebedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.
3.
Indien een subsidie met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.
1.
De subsidie ten behoeve van de kosten van uitvoering van een experiment bedraagt een door Onze ministers vastgesteld bedrag.
2.
Een subsidie aan een regionale voorziening wordt niet dan na overleg met de provincie waar het experiment wordt uitgevoerd, verstrekt.
1.
Onze minister kan ten behoeve van kosten in verband met bouw, verbouw of inrichting van een accommodatie subsidie verstrekken aan een uitvoerder of aan degene die een steunfunctie verzorgt naast de subsidie als bedoeld in artikel 2. Deze subsidie bedraagt een door Onze minister vast te stellen bedrag.
2.
Onze minister kan aan een uitvoerder of aan degene die een steunfunctie verzorgt incidenteel ten behoeve van naar zijn oordeel bijzondere doeleinden, naast de subsidie, bedoeld in artikel 2 een extra subsidie verstrekken. Deze subsidie bedraagt een door Onze minister vast te stellen bedrag.
3.
Bij de berekening van het bedrag, bedoeld in het eerste of het tweede lid wordt het eigen vermogen van de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt in aanmerking genomen.
4.
Subsidies als bedoeld in het eerste of het tweede lid worden slechts verstrekt binnen de grenzen van het voor dergelijke subsidies in het plan opgenomen bedrag.
5.
Aan het verstrekken van een subsidie als bedoeld in het eerste of het tweede lid kunnen door Onze minister verplichtingen worden verbonden.
Artikel 11
Indien als direct gevolg van een maatregel van Onze ministers een of meer leden van het personeel van een uitvoerder of van degene die een steunfunctie verzorgt wegens beëindiging of vermindering van werkzaamheden, reorganisatie of fusie worden ontslagen, worden de wachtgelden verband houdende met de afvloeiing gesubsidieerd, mits dit aan Onze minister is verzocht en al datgene is gedaan of gelaten dat nodig was om deze kosten zo laag mogelijk te doen zijn.
1.
Een subsidie als bedoeld in artikel 2, wordt door de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt bij Onze minister aangevraagd vóór 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvrage betrekking heeft, door indiening van een begroting van baten en lasten alsmede een werkplan.
2.
De begroting geeft inzicht in aard, omvang, baten en lasten en bevat ten aanzien van voorzieningen gegevens over de voor het begrotingsjaar toegekende capaciteit in relatie tot de in het begrotingsjaar naar verwachting te realiseren bezetting. Deze begroting is gebaseerd op de beslissing, bedoeld in artikel 13 met betrekking tot het lopende kalenderjaar, met inbegrip van de correcties in verband met algemene of bijzondere beleidswijzigingen. De begroting bevat zowel de baten en lasten van de voorziening of de steunfunctie als de baten en lasten van de uitvoerder of van degene die een steunfunctie verzorgt.
3.
Indien voor een voorziening of een steunfunctie voor de eerste maal subsidie wordt aangevraagd dient de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vóór 1 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvrage betrekking heeft, bij Onze minister in:
a. een gewaarmerkt afschrift van de oprichtingsakte of de statuten van de rechtspersoon;
b. een gewaarmerkt afschrift waaruit de inschrijving van de uitvoerder in het desbetreffende openbare register blijkt;
c. een volledig overzicht van de financiële toestand van de uitvoerder of van degene die een steunfunctie verzorgt, voorzien van een verklaring als bedoeld in artikel 16.
4.
de oprichtingsakte en de statuten van de uitvoerder en van de steunfunctie mogen geen bepalingen bevatten, die strijdig zijn met dit besluit.
5.
Wijzigingen in de in het derde lid, onder a, bedoelde gegevens en gegevens inzake omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van het subsidie worden terstond aan Onze minister overgelegd.
6.
Onze ministers kunnen met betrekking tot de begroting nadere regels stellen.
1.
Onze Minister geeft een beschikking tot verlening van een structurele subsidie op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
2.
De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving van het werkgebied en de aan voorzieningen van residentiële hulpverlening, de instellingen voor therapeutische gezinsverpleging en aan voorzieningen voor pleegzorg toegekende capaciteit.
3.
Aan de subsidie-ontvanger kunnen voorschotten worden verleend.
4.
Het bedrag van de verleende structurele subsidie wordt verlaagd voorzover het bedrag van de risicoreserve, bedoeld in artikel 14, wordt overschreden.
1.
De ontvanger van een structurele subsidie vormt, voorzover de subsidie niet is besteed aan de subsidiabel gestelde activiteiten, een risicoreserve.
2.
De risicoreserve bedraagt niet meer dan 5% van de in het desbetreffende jaar verstrekte subsidie en gaat een bedrag van € 227 000 niet te boven.
3.
De risicoreserve, met inbegrip van de inkomsten daaruit, wordt slechts aangewend voor kosten die direct verband houden met de exploitatieuitgaven van de voorziening of de steunfunctie, doch die niet bestreden kunnen worden uit de voor het desbetreffende jaar verleende subsidie.
1.
Binnen dertien weken na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend, dient de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt een aanvraag in voor de subsidievaststelling. De aanvraag gaat vergezeld van een jaarrekening en een verslag van de werkzaamheden over het voorgaande jaar, volgens een door Onze Minister vastgesteld model.
2.
De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten aan het einde van het boekjaar weer. De historische aanschaffingsprijzen van onroerende goederen en inventarisgoederen, vervoermiddelen en overige duurzame activa met een historische aanschaffingsprijs van meer dan € 450 alsmede de kosten van verbouwing van onroerende goederen worden in de toelichting op de balans opgenomen. De afschrijvingen, bestemmingsgiften en ontvangen subsidies met betrekking tot deze posten komen in de toelichting op de balans tot uitdrukking. Jaarlijks wordt voor groot onderhoud niet meer gereserveerd dan 3% van het subsidie van het desbetreffende jaar. De reserve groot onderhoud gaat een maximum van 15% van het subsidie van het desbetreffende jaar niet te boven. Uitgaven voor groot onderhoud dienen op de reserve groot onderhoud te worden afgeboekt. Subsidie-overschotten worden als risico-reserve in de balans opgenomen.
3.
De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer alsmede, voor wat betreft de voorzieningen van residentiële hulpverlening, de voorzieningen voor pleegzorg en de instellingen voor therapeutische gezinsverpleging, gegevens over de toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting. Op onroerende goederen, verbouwingen, inventarisgoederen, vervoermiddelen en overige duurzame activa met een historische aanschaffingsprijs van meer dan € 450 wordt afgeschreven volgens de lineaire methode. De afschrijving is gebaseerd op de historische aanschaffingsprijs, nadat daarop ontvangen bestemmingsgiften en investeringssubsidies in mindering zijn gebracht. De afschrijving wordt voor onroerende goederen gespreid over veertig jaren, voor verbouwingen over tien jaren en voor inventarisgoederen, vervoermiddelen en overige duurzame activa over tenminste vijf jaren.
4.
Bij de samenstelling van de jaarrekening wordt een bestendige gedragslijn gevolgd. De jaarrekening sluit aan op de ingediende begroting. Bij iedere post van de jaarrekening wordt zoveel mogelijk het bedrag van het daaraan voorafgaande boekjaar vermeld, alsmede het bedrag van de voor dat jaar van toepassing zijnde begroting. In de toelichting worden de waarderingsgrondslagen van actief- en passiefposten vermeld.
1.
De jaarrekening is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2.
De accountant rapporteert tevens omtrent de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde, met uitzondering van bepalingen de kwaliteit van de jeugdhulpverlening betreffende. Onze Ministers kunnen nadere regelen geven met betrekking tot de wijze, waarop de financiële controle op de naleving van de subsidievoorwaarden geschiedt.
3.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de voor het boekjaar begrote exploitatielasten van de uitvoerder, van degene die een steunfunctie verzorgt of van het samenwerkingsverband minder bedragen dan € 250 000 en de som van de op grond van dit besluit toegezegde subsidies met betrekking tot dat jaar minder bedraagt dan € 125 000.
Artikel 17
Het verslag van de werkzaamheden geeft een duidelijk inzicht in de aard en de omvang van de werkzaamheden van de voorziening of de steunfunctie. De verrichte werkzaamheden worden vergeleken met de voorgenomen werkzaamheden die in het ingediende werkplan tot uitdrukking zijn gebracht. Tevens vermeldt het verslag in hoeverre de nagestreefde doelstelling is bereikt.
Artikel 17a
Onze Minister kan een of meer subsidieplafonds vaststellen voor het verstrekken van subsidies voor de uitvoering van experimenten.
1.
Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling als datum van de ontvangst geldt.
2.
Indien met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen is bepaald dat aanvragen op een of meer bepaalde data in een kalenderjaar worden ingediend, voorziet Onze Minister in een gelijktijdige beslissing met betrekking tot soortgelijke experimenten op basis van vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie.
1.
Een subsidie ten behoeve van de kosten van de uitvoering van een experiment wordt tijdig voor de aanvang van het experiment aangevraagd. Onze Minister kan, met het oog op een onderlinge afweging van aanvragen, bepalen dat aanvragen op een of meer bepaalde data in een kalenderjaar worden ingediend. De indiening van de aanvraag gaat vergezeld van een begroting met toelichting en een beschrijving van het experiment. De beschrijving bevat de aard en de doelstelling van het experiment en de wijze waarop de resultaten van het experiment worden gemeten en geïmplementeerd en de termijn waarover het experiment zich uitstrekt. De begroting geeft inzicht in de aard en omvang van de baten en lasten van het experiment.
2.
Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel indien een aanvraagdatum is bepaald, binnen dertien weken na de vastgestelde datum. De artikelen 13, derde lid, 14, eerste lid, 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
1.
Een subsidie als bedoeld in artikel 10 wordt aangevraagd door indiening van een begroting met toelichting. De begroting geeft inzicht in de aard en omvang van de baten en lasten in verband met de bouw, verbouw of inrichting van een accommodatie of in verband met de bijzondere doeleinden.
2.
Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. De artikelen 13, derde lid, 14, eerste volzin van het eerste lid, 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie geeft Onze Minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.
2.
Bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van een residentiële voorziening of van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging vindt bij een niet gerealiseerde bezetting van meer dan 10% een percentuele verlaging van de subsidie plaats. De percentuele verlaging is het percentuele verschil tussen 90% van de aan de voorziening toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting, vermenigvuldigd met de uitkomst van de volgende formule:
,
met een maximum van 50% van de verleende subsidie.
3.
Bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van een voorziening voor pleegzorg wordt bij een niet gerealiseerde bezetting van meer dan 10% een bedrag in mindering gebracht dat overeenkomt met de vermenigvuldiging van het door Onze minister vastgestelde normbedrag pleegvergoeding met het verschil tussen 90% van de toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting.
1.
De uitvoerder, of degene die een steunfunctie verzorgt, verzekert zijn burgerrechtelijke aansprakelijkheid tegenover derden voor een som van tenminste € 450 000 per gebeurtenis en per geval.
2.
De uitvoerder, of degene die een steunfunctie verzorgt verzekert zijn onroerende goederen tegen brandschade naar herbouwwaarde en zijn roerende goederen tegen brandschade, waterschade en diefstal.
3.
De uitvoerder van een voorziening voor pleegzorg of een voorziening van residentiële hulpverlening verzekert de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van bij zijn voorziening geplaatste jeugdigen, indien deze aansprakelijkheid niet reeds is verzekerd.
1.
De administratie wordt op inzichtelijke wijze gevoerd en geeft een juist beeld van het tunctioneren van de voorziening of de steunfunctie.
2.
Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar.
3.
Voor alle ontvangsten en uitgaven zijn deugdelijke bewijsstukken aanwezig, waaruit de aard en de omvang van de geleverde goederen en verrichte diensten blijken.
4.
De administratie en de daarbijbehorende bewijsstukken worden ten minste gedurende tien jaren bewaard.
1.
In de gevallen, genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidie-ontvanger aan Onze Minister een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd. De vergoeding bestaat uit het bedrag waarmee de subsidiëring door de Staat heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen.
2.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van eigendommen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de uitvoerder of door degene die een steunfunctie verzorgt is ontvangen. Indien het een onroerende zaak betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
3.
Indien de werkzaamheden van de uitvoerder of van degene die een steunfunctie verzorgt met toestemming van Onze minister door een andere uitvoerder of verzorger van een steunfunctie worden voortgezet en de activa en passiva tegen boekwaarde aan die ander in eigendom worden overgedragen, is de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt ter zake in afwijking van het eerste lid geen vergoeding verschuldigd.
1.
Voor het ter beschikking stellen van goederen aan of voor het verrichten van diensten voor derden, behoudens indien het rechtspersonen of natuurlijke personen betreft waarvoor de werkzaamheden bestemd zijn, brengt de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt een vergoeding in rekening die tenminste kostendekkend is.
2.
Voor het aan hem ter beschikking stellen van goederen betaalt de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt aan een rechtspersoon die de ondersteuning van de voorziening of steunfunctie ten doel heeft, geen hogere vergoeding dan het bedrag dat ter zake op grond van de historische kostprijs en rekening houdende met de voor de uitvoerder of voor degene die een steunfunctie verzorgt geldende afschrijvingspercentages in redelijkheid in rekening kan worden gebracht.
3.
Voor het te zijnen behoeve verrichten van diensten welke in het algemeen door uitvoerders of degenen die een steunfunctie verzorgen in eigen beheer worden verricht, betaalt de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt aan een rechtspersoon die de ondersteuning van de voorziening of de steunfunctie ten doel heeft, geen hogere vergoeding dan het bedrag dat het doen verrichten van dergelijke diensten door andere dan dergelijke organisaties gebruikelijk kan worden geacht.
4.
Indien bij Onze minister het vermoeden is gerezen dat het bepaalde in de voorgaande leden niet is nageleefd, spant de uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt zich desgevraagd in om de jaarrekening van de desbetreffende rechtspersoon te overleggen.
Artikel 26
Onze minister kan, indien daar dringende redenen voor zijn, een uitvoerder of degene die een steunfunctie verzorgt desgevraagd, al dan niet onder voorwaarden, ontheffing verlenen van een of meer bepalingen bij of krachtens dit besluit gesteld.
Artikel 27
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1990.
Artikel 28
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 2 november 1990
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
De Staatssecretaris van Justitie,
Uitgegeven de vierde december 1990
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. Berekening van de subsidie
+ Hoofdstuk III. Structurele subsidies
+ Hoofdstuk IV. Experimentensubsidies en subsidies als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid.
+ Hoofdstuk V. Vaststelling van het subsidie
+ Hoofdstuk VI. De verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ Hoofdstuk VII. Overgangs- en Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht