Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005

Uitgebreide informatie
Besluit van 23 juli 2005, houdende bepalingen tot uitvoering van de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 26 juli 2004, Generale Thesaurie, Directie Financiële Markten, Afdeling Marktgedrag en effectenverkeer, nr. FM 2004-987M;
Gelet op artikel 5, eerste lid, artikel 6, eerste, vijfde en zesde lid, 9, tweede lid, artikel 12, eerste, tweede, derde en zevende lid, artikel 17a, zevende lid, artikel 17c, eerste en vijfde lid, en artikel 33d, eerste lid en derde lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;
De Raad van State gehoord (advies van 22 november 2004, nr. W06.04.0404/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 13 juli 2005 (nr. 2005-01746 FM);
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die niet in dienstbetrekking staat tot de desbetreffende beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder;
b. bestuurder: een ieder die een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder krachtens wet vertegenwoordigt dan wel binnen een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder het beleid bepaalt;
c. financiële instrumenten:
1°. aandelen en andere met aandelen gelijk te stellen waardebewijzen die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn;
2°. obligaties en andere schuldinstrumenten die op de kapitaalmarkt verhandelbaar zijn;
3°. alle andere gewoonlijk verhandelde waardebewijzen waarmee financiële instrumenten als bedoeld onder 1° en 2° via inschrijving of omruiling kunnen worden verworven of die in contanten worden afgewikkeld;
4°. geldmarktinstrumenten die gewoonlijk op de geldmarkt worden verhandeld, liquide zijn en waarvan de waarde te allen tijde nauwkeurig kan worden vastgesteld;
5°. rechten van deelneming in beleggingsinstellingen waarvan de rechten op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;
6°. financiële futures, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die aanleiding geven tot afwikkeling in contanten;
7°. rentetermijncontracten, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die gericht zijn op verrekening in geld;
8°. rente- en valutaswaps en swaps betreffende aan aandelen of aan een aandelenindex gekoppelde kasstromen, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die gericht zijn op verrekening in geld;
9°. opties ter verwerving of vervreemding van bovengenoemde instrumenten, met inbegrip van gelijkwaardige instrumenten die gericht zijn op verrekening in geld;
d. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste tien procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen ten minste tien procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling, waarbij bij het bepalen van het aantal stemrechten dat iemand in een onderneming of instelling heeft, tot diens stemrechten mede worden gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 12 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in ter beurze genoteerde vennootschappen;
e. gelieerde partij:
1°. een rechtspersoon of natuurlijke persoon die met een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of met een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder in een groep is verbonden;
2°. een rechtspersoon of natuurlijke persoon die direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor invloed van betekenis kan worden uitgeoefend op het zakelijk of financieel beleid van een beheerder of beleggingsmaatschappij;
3°. een natuurlijke persoon die in een familierechtelijke betrekking staat tot een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of tot een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° en 2°;
4°. een natuurlijke persoon die een persoonlijke relatie heeft met een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of met een natuurlijke persoon als bedoeld onder 1° en 2°, in welke relatie hij het handelen van de bestuurder of de natuurlijke persoon met betrekking tot de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder kan beïnvloeden;
5°. een rechtspersoon waarin een bestuurder van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder of een natuurlijke persoon als bedoeld onder 3° en 4°, direct of indirect stemrecht kan uitoefenen of anderszins bepaalde rechten kan uitoefenen waardoor sprake is van invloed van betekenis op het zakelijk of financieel beleid van die rechtspersoon;
6°. een natuurlijke persoon die toezicht houdt op het beleid en de algemene gang van zaken van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder;
f. gereglementeerde markt: een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, veertiende lid, van richtlijn nr. 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen nr. 85/611/EEG en nr. 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad (PbEU L 145);
g. incourante beleggingen: beleggingen die niet worden verhandeld via een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt;
h. op- en afslagen: de bedragen waarmee de door de deelnemers voor rechten van deelneming in de beleggingsinstelling betaalde of ontvangen prijs of terugbetaling worden verhoogd onderscheidenlijk verlaagd ten opzichte van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming;
i. retourprovisie: het gedeelte van een door of ten laste van een beleggingsinstelling voor een dienst van een derde te betalen of betaalde vergoeding dat direct of indirect door de ontvanger wordt terugbetaald;
j. toezichthouder: Onze Minister dan wel de rechtspersoon of rechtspersonen waaraan ingevolge artikel 29, eerste lid, van de wet taken en bevoegdheden zijn overgedragen;
k. wet: de Wet toezicht beleggingsinstellingen .
Artikel 2
Het bij of krachtens dit besluit bepaalde ten aanzien van een beleggingsinstelling die een beleggingsmaatschappij met aparte beheerder is, is gericht tot de beheerder.
1.
Het dagelijks beleid van de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders wordt bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de beheerder onderscheidenlijk de bewaarders.
2.
Het beleid van de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Indien toezicht wordt gehouden op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarder, wordt dit toezicht gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
1.
De beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders beschikken over een minimum bedrag aan eigen vermogen van € 225.000 onderscheidenlijk € 112.500.
2.
De samenstelling van het eigen vermogen voldoet aan door de toezichthouder te stellen regels in overeenstemming met Titel V, hoofdstuk 2, afdeling 1 van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126) en richtlijn nr. 93/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PbEG L 141).
3.
Iedere bewaarder treft maatregelen met het oog op de aansprakelijkheid voor schade die voor de bewaarder kan voortvloeien uit brand, vervoer van geld en waardepapieren, fraude of beroving.
Artikel 5
Het dagelijks beleid van de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders wordt bepaald door ten minste twee natuurlijke personen die volgens wet , statuten of reglementen bevoegd zijn deze te vertegenwoordigen.
Artikel 6
De personen die het dagelijks beleid bepalen van de in Nederland gevestigde beheerder of de beleggingsmaatschappij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee hoofdzakelijk vanuit Nederland.
Artikel 7
De activa van een beleggingsfonds dat de beheerder voornemens is te beheren worden bewaard door een bewaarder die uitsluitend ten behoeve van het beleggingsfonds bewaart, indien op grond van het beleggingsbeleid van het desbetreffende beleggingsfonds een reëel risico bestaat dat het vermogen van het beleggingsfonds ontoereikend zal zijn voor voldoening van vorderingen als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de wet en dat het eigen vermogen van de bewaarder ontoereikend zal zijn voor voldoening van dergelijke vorderingen.
1.
De beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders beschikken over een beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle.
2.
De beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle van de beheerder voorziet voor iedere beleggingsinstelling die hij voornemens is te beheren in een afzonderlijke administratieve organisatie en een afzonderlijk systeem van interne controle.
3.
De beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle voorziet ten minste in procedures en maatregelen die waarborgen dat:
a. elke transactie waarbij de beleggingsinstelling is betrokken, kan worden gereconstrueerd;
b. het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling overeenkomstig het beleggingsbeleid en de bij of krachtens de wet gestelde regels wordt belegd;
c. het besluitvormingsproces en de gemaakte afspraken binnen de beheerder, beleggingsinstelling en bewaarders inzichtelijk zijn;
d. een functiescheiding bestaat tussen het verrichten van rechtshandelingen met betrekking tot het vermogen van de beleggingsinstelling en het controleren en administreren van deze handelingen;
e. een betrouwbare, juiste en consistente intrinsieke waarde van de belegginginstelling wordt bepaald;
f. het proces van intrinsieke waardebepaling binnen de beheerder en de beleggingsmaatschappij wordt gescheiden van de overige activiteiten van de beheerder en de beleggingsmaatschappij;
g. de berekening van de intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling aansluit bij de financiële administratie;
h. klachten zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en binnen een redelijke termijn worden afgehandeld;
i. de risico’s die samenhangen met het beleggingsproces op een systematische wijze worden beheerst en geanalyseerd;
j. de grootte en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld;
k. de bestuurders regelmatig, alsmede tussentijds in het geval zich bijzondere omstandigheden voordoen, worden geïnformeerd over de bedrijfsvoering;
l. er, voor zover mogelijk, een systematische, toegankelijke en actuele administratie van deelnemers in de beleggingsinstelling is waarin, voor zover van toepassing, de met de deelnemers gemaakte afspraken inzichtelijk worden gemaakt;
m. de integriteit, voortdurende beschikbaarheid en beveiliging van de geautomatiseerde gegevens zijn gegarandeerd; en
n. nagegaan wordt in hoeverre overeenkomstig de beschreven procedures voor administratieve organisatie wordt gehandeld, gesignaleerd wordt wanneer en in hoeverre daarvan wordt afgeweken en aanpassing van het feitelijk handelen mogelijk is.
4.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in het derde lid.
1.
Indien de activa van een beleggingsinstelling door een bewaarder worden bewaard, gaan de beheerder en de bewaarder een schriftelijke overeenkomst aan terzake van beheer en bewaring.
2.
De tussen de beheerder en een bewaarder gesloten overeenkomst ter zake van beheer en bewaring bepaalt in ieder geval dat:
a. de bewaarder bij het bewaren in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling optreedt;
b. de bewaring ten name van de beleggingsinstelling op een zodanige wijze geschiedt dat over de in bewaring gegeven activa slechts kan worden beschikt door de beheerder en de bewaarder tezamen;
c. de bewaarder de in bewaring gegeven activa slechts afgeeft tegen ontvangst van een verklaring van de beheerder waaruit blijkt dat afgifte wordt verlangd in verband met de regelmatige uitoefening van de beheerfunctie;
d. de bewaarder volgens het recht van de staat waar de beheerder zijn zetel heeft jegens de beleggingsinstelling en de deelnemers aansprakelijk is voor door hen geleden schade voorzover de schade het gevolg is van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen, ook indien de bewaarder de bij hem in bewaring gegeven activa geheel of gedeeltelijk aan een derde heeft toevertrouwd;
e. indien bewijzen van rechten van deelneming worden afgegeven, deze bewijzen door de bewaarder worden ondertekend; en
f. een voorstel door de beheerder tot wijziging van de tussen de beleggingsinstelling en de deelnemers geldende voorwaarden, tezamen met de bewaarder wordt gedaan.
Artikel 10
De beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders treffen maatregelen om te voldoen aan het bij of krachtens de artikelen 30 tot en met 33 bepaalde.
1.
De beheerder heeft een registratiedocument beschikbaar waarin gegevens zijn opgenomen over de beheerder, de soorten beleggingsinstellingen die hij beheert of voornemens is te beheren en, indien van toepassing, de bewaarders.
2.
Het registratiedocument bevat ten minste de gegevens, bedoeld in bijlage A .
1.
De beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders behoren niet tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de beheerder, de beleggingsinstellingen die de beheerder voornemens is te beheren of de bewaarders.
2.
De beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders zijn niet in een groep verbonden met een natuurlijke persoon of een rechtspersoon indien het recht van een staat die geen lidstaat is, dat op die persoon van toepassing is, een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de beheerder, de beleggingsinstellingen die de beheerder voornemens is te beheren of de bewaarders.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de beleggingsmaatschappij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet.
1.
Bij de aanvraag van een vergunning legt de beheerder de volgende informatie over:
a. het registratiedocument, bedoeld in artikel 11;
b. een beschrijving van het beleggingsbeleid van de beleggingsinstellingen die de beheerder voornemens is te beheren;
c. de statuten van de beheerder;
d. een beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle van de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders;
e. indien van toepassing: de overeenkomst, bedoeld in artikel 9 of artikel 18;
f. een beschrijving van de maatregelen, bedoeld in artikel 10;
g. gegevens ten aanzien van de groep waartoe de beheerder en, indien van toepassing, de bewaarders behoren;
h. voor zover verschenen, de jaarrekeningen over de laatste drie jaren en, voor zover op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vereist, de op die jaarrekeningen betrekking hebbende verklaringen, bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de laatste halfjaarcijfers; en
i. gegevens waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 6, en artikel 9 van de wet, voor zover deze artikelen van toepassing zijn.
2.
Bij de aanvraag van een vergunning legt de beleggingsmaatschappij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, die een beheerder heeft de volgende informatie over:
a. gegevens ten aanzien van de groep waartoe de beleggingsmaatschappij behoort; en
b. gegevens waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de vereisten bedoeld in de artikelen 6, en, voor zover van toepassing, 9 van de wet.
Artikel 14
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op beheerders en beleggingsmaatschappijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet.
Artikel 15
Een houder van een gekwalificeerde deelneming in de beheerder heeft op grond van die deelneming geen invloed of kan op grond van die deelneming geen invloed hebben op de beheerder die in strijd is met een gezonde of prudente bedrijfsvoering van de beheerder.
1.
In afwijking van artikel 4 heeft de beheerder een eigen vermogen van ten minste € 125.000 en heeft de beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, een eigen vermogen van ten minste € 300.000.
2.
Indien de beheerder een vermogen beheert van meer dan € 250.000.000, heeft hij een aanvullend eigen vermogen van ten minste 0,02 procent van het bedrag waarmee de waarde van het beheerde vermogen het bedrag van € 250.000.000 overstijgt.
3.
Het ingevolge het eerste en tweede lid vereiste eigen vermogen bedraagt ten hoogste € 10.000.000.
4.
Tot het beheerde vermogen, bedoeld in het tweede lid, wordt gerekend het vermogen van de beleggingsinstellingen waarover de beheerder het beheer voert met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan hij het beheer heeft uitbesteed, met uitzondering van de delen van het vermogen waarvan het beheer door derden aan hem is uitbesteed.
5.
Onverminderd het eerste en tweede lid, beschikt de beheerder over een eigen vermogen van ten minste 25 procent van zijn vaste kosten in het afgelopen boekjaar. De toezichthouder kan bepalen dat het krachtens de vorige volzin vereiste percentage wordt aangepast in geval sprake is van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de beheerder sinds het voorgaande boekjaar.
6.
Wanneer de beheerder zijn werkzaamheden niet gedurende een volledig boekjaar heeft uitgeoefend, bedraagt het eigen vermogen, bedoeld in het vijfde lid, een kwart van het voor de werkzaamheden van de beheerder begrote bedrag voor de vaste kosten.
7.
De vaste kosten, bedoeld in het vijfde lid, omvatten alle kosten, met uitzondering van:
a. de variabele kosten van werknemers waarvan het dienstverband niet onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
b. de kosten van werknemers waarvan het dienstverband onverwijld en zonder schadeloosstelling kan worden opgezegd;
c. de variabele kosten betreffende de voor de beheerder verrichte effectendiensten;
d. de afschrijvingen;
e. de rentekosten over achtergestelde leningen, die op basis van artikel 4, tweede lid, door de toezichthouder zijn aangemerkt als bestanddeel van het eigen vermogen;
f. de buitengewone kosten met een eenmalig karakter; en
g. de overige, door de toezichthouder goedgekeurde, variabele kosten.
1.
Indien de beleggingsmaatschappij wordt beheerd door een beheerder heeft de beheerder zijn zetel in Nederland.
2.
Indien de rechten van deelneming van de beleggingsmaatschappij zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt, effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt en door haar uitsluitend op die gereglementeerde markten, effectenbeurzen of andere markten worden verhandeld, is de beleggingsmaatschappij niet gehouden haar activa bij een bewaarder in bewaring te geven. De statuten van de beleggingsmaatschappij vermelden in dat geval de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van die rechten.
3.
De beleggingsmaatschappij is ook niet gehouden haar activa bij een bewaarder in bewaring te geven indien haar rechten van deelneming voor ten minste tachtig procent op een in de statuten vermelde gereglementeerde markt, effectenbeurs of een geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld en:
a. de belangen van de deelnemers in de beleggingsmaatschappij worden beschermd op een wijze die gelijkwaardig is aan de bescherming uit hoofde van de wet en dit besluit;
b. de rechten van deelneming zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt van de lidstaat waar zij verhandeld worden;
c. de door de beleggingsmaatschappij buiten de gereglementeerde markt, effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt om verrichte transacties in haar rechten van deelneming slechts tegen beurskoers plaatsvinden;
d. de statuten de gereglementeerde markt, effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt vermelden waarvan de notering de prijs bepaalt voor de transacties die door de beleggingsmaatschappij in de staat waar die gereglementeerde markt, effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt gelegen is, buiten de gereglementeerde markt of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt om worden verricht; en
e. de statuten de methoden voor de berekening van de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming vermelden.
Artikel 18
Onverminderd artikel 9, tweede lid, bepaalt een overeenkomst tussen de beheerder en een bewaarder dat de bewaarder:
a. zich ervan vergewist dat de emissie, verkoop, inkoop en intrekking van alsmede terugbetaling op rechten van deelneming voor rekening van de beleggingsinstelling, overeenkomstig de wet of de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling geschieden;
b. zich ervan vergewist dat bij transacties met betrekking tot de activa van de beleggingsinstelling de tegenprestatie binnen de gebruikelijke termijnen wordt voldaan;
c. zich ervan vergewist dat de opbrengsten van de beleggingsinstelling een bestemming krijgen in overeenstemming met de wet of de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling;
d. zich ervan vergewist dat de waarde van de rechten van deelneming wordt berekend overeenkomstig de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling; en
e. de aanwijzingen van de beheerder dient uit te voeren, tenzij deze in strijd zijn met de wet of de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling.
Artikel 19
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op beheerders, beleggingsinstellingen en bewaarders als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet en accountants als bedoeld in artikel 12, zevende lid, van de wet.
1.
Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op beheerders en bewaarders.
2.
Het dagelijks beleid van een beleggingsmaatschappij die een aparte beheerder heeft wordt bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de beleggingsmaatschappij.
3.
Het beleid van de beleggingsmaatschappij, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beleggingsmaatschappij wordt gehouden door personen wier betrouwbaarheid buiten twijfel staat.
4.
Indien zich een wijziging van de antecedenten van de personen, bedoeld in artikel 3 en het tweede en derde lid, voordoet, stelt de beheerder de toezichthouder daarvan onverwijld nadat hij daarvan kennis heeft genomen schriftelijk in kennis.
1.
Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing op het eigen vermogen van beheerders en bewaarders.
2.
Indien het eigen vermogen van een beheerder of bewaarder niet voldoet aan artikel 4 meldt de beheerder of de bewaarder dit onverwijld aan de toezichthouder en brengt hij het eigen vermogen binnen een door de toezichthouder te stellen termijn in overeenstemming met artikel 4.
1.
Een beleggingsfonds of beleggingsmaatschappij waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald, houdt liquiditeitswaarborgen aan ter grootte van minimaal tien procent van het beheerde vermogen onderscheidenlijk het eigen vermogen.
2.
In afwijking van het vorige lid kan, indien uit een overeengekomen ontbindings- of beëindigingsregeling vooraf bekend is voor welk bedrag op een bepaalde datum wordt ingekocht, worden volstaan met dat bedrag.
3.
De beleggingsinstelling meldt aan de toezichthouder onverwijld het niet tijdig kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid of tweede lid.
4.
De toezichthouder stelt regels met betrekking tot de categorieën van goederen die als liquiditeitswaarborgen als bedoeld in het eerste lid kunnen gelden.
Artikel 23
Het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder wordt bepaald door ten minste twee natuurlijke personen die volgens wet , statuten of reglementen bevoegd zijn deze te vertegenwoordigen.
Artikel 24
De personen die het dagelijks beleid van een in Nederland gevestigde beheerder of een in Nederland gevestigde beleggingsmaatschappij bepalen verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee hoofdzakelijk vanuit Nederland.
Artikel 25
De activa van een beleggingsfonds worden bewaard door een bewaarder die uitsluitend ten behoeve van het beleggingsfonds bewaart, indien op grond van het beleggingsbeleid van het desbetreffende beleggingsfonds een reëel risico bestaat dat het vermogen van het beleggingsfonds ontoereikend zal zijn voor voldoening van vorderingen als bedoeld in artikel 16a, eerste lid, van de wet en dat het eigen vermogen van de bewaarder ontoereikend zal zijn voor voldoening van dergelijke vorderingen.
1.
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder handelt in het belang van de deelnemers in de beleggingsinstelling.
2.
Een beheerder of beleggingsmaatschappij behandelt deelnemers onder vergelijkbare omstandigheden op gelijke wijze.
3.
Door of namens een beleggingsinstelling worden geen transacties uitgevoerd voor haar rekening met een zodanige frequentie of van een zodanige omvang dat dit gezien de omstandigheden kennelijk slechts strekt tot bevoordeling van de beheerder, de beleggingsinstelling of met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen.
4.
Een beheerder of beleggingsmaatschappij benadert personen die geen deelnemer zijn in de beleggingsinstelling direct noch indirect telefonisch, elektronisch of in persoon, tenzij:
a. de betrokkene daarmee vooraf uitdrukkelijk schriftelijk dan wel elektronisch heeft ingestemd; of
b. de betrokkene in het contact slechts schriftelijk of elektronisch informatiemateriaal wordt aangeboden.
5.
Het vierde lid is niet van toepassing ten aanzien van natuurlijke personen of rechtspersonen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in beleggingsobjecten.
1.
Indien een beheerder of een bewaarder opdracht verleent aan een derde om een of meer werkzaamheden in het kader van het beheer van een door de beheerder beheerde beleggingsinstelling onderscheidenlijk de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling te verrichten, is het volgende van toepassing:
a. de beheerder of de bewaarder blijft voor de toepassing van de wet verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden;
b. de opdrachtverlening aan de derde belemmert niet een doeltreffend toezicht op de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder;
c. de opdrachtnemer is op ieder door de beheerder, de door de beheerder beheerde beleggingmaatschappij of de bewaarder gewenst moment in staat verantwoording af te leggen over de door hem uitgevoerde werkzaamheden en de beheerder, de door de beheerder beheerde beleggingsmaatschappij of de bewaarder daar inzicht in te bieden;
d. de beheerder of de bewaarder kan te allen tijde instructies omtrent de uitvoering van de werkzaamheden geven aan de opdrachtnemer en kan de opdracht met onmiddellijke ingang beëindigen indien dit in het belang van de beleggers is; en
e. de opdrachtnemer is, gelet op de aard van de opdracht, aantoonbaar in staat om de opdracht in overeenstemming met de wet te vervullen.
2.
Een beheerder verleent geen opdracht aan een derde om het beleggingsbeleid van een door hem beheerde beleggingsinstelling te bepalen.
3.
Iedere overeenkomst die een beheerder of een bewaarder aangaat met een derde in het kader van het beheer van de door de beheerder beheerde beleggingsinstelling onderscheidenlijk de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling, wordt schriftelijk vastgelegd.
1.
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op beheerders en bewaarders.
2.
Een beheerder zendt een afschrift van iedere met een bewaarder gesloten overeenkomst alsmede van wijzigingen of aanvullingen van die overeenkomst binnen twee weken na ondertekening, wijziging of aanvulling van de overeenkomst aan de toezichthouder.
1.
Een beheerder of bewaarder handelt overeenkomstig de in artikel 8 bedoelde beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle en de door de toezichthouder op grond van het vierde lid van dat artikel gestelde regels.
2.
De administratieve organisatie en het systeem van interne controle worden regelmatig geëvalueerd en zonodig geactualiseerd.
3.
Een beheerder of bewaarder verstrekt op verzoek aan de toezichthouder een actuele versie van de beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle.
1.
Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder voert een beleid ter zake van het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen. Dit beleid vindt zijn neerslag in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen.
2.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan het beleid en de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen.
1.
Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder voert een beleid dat ertoe strekt dat:
a. de betrokkenheid van de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder en hun werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de beheerder, de beleggingsinstelling, de bewaarder of in de financiële markten schaden, wordt voorkomen;
b. de betrokkenheid van de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder en hun werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn dat deze het vertrouwen in de beheerder, de beleggingsinstelling, de bewaarder of in de financiële markten schaden, wordt voorkomen;
c. niet wegens de deelnemers in de beleggingsinstelling het vertrouwen in de beheerder, de beleggingsinstelling, de bewaarder of de financiële markten wordt geschaad.
2.
Het in het eerste lid bedoelde beleid vindt zijn neerslag in organisatorische en administratieve procedures en maatregelen. Deze procedures en maatregelen omvatten in ieder geval:
a. de behandeling en administratieve vastlegging van incidenten die een ernstig gevaar vormen voor een integere bedrijfsvoering van de beheerder, de beleggingsinstelling of van de bewaarder voor zover het betreft een gedraging van een personeelslid of van een persoon die het dagelijks beleid bepaalt dan wel mede bepaalt, de houder van een gekwalificeerde deelneming of van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die werkzaamheden verricht ten behoeve van de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder;
b. de beoordeling, met het oog op de belangen van deelnemers of potentiële deelnemers in de beleggingsinstelling, of de betrouwbaarheid van een personeelslid dat de beheerder, de beleggingsmaatschappij of de bewaarder voornemens is te benoemen in een integriteitsgevoelige functie, buiten twijfel staat. Onder integriteitsgevoelige functie wordt in dit verband verstaan:
1°. een leidinggevende functie onder directe verantwoordelijkheid van de bepalers of medebepalers van het dagelijks beleid van de beheerder, de beleggingsmaatschappij of de bewaarder;
2°. een functie waaraan overigens een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsvoering van de beheerder, de beleggingsmaatschappij of van de bewaarder.
3.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan het beleid en de organisatorische en administratieve procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten voldoen.
1.
Een beheerder of bewaarder onderzoekt, op verzoek van de toezichthouder, of in de administratie van de door hem beheerde beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de beleggingsinstellingen waarvan hij de activa beheert bepaalde personen of instellingen voorkomen die naar het oordeel van Onze Minister, in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten, de integriteit van de financiële sector kunnen schaden.
2.
De beheerder, de beleggingsmaatschappij of de bewaarder verstrekt de uitkomst van het in het eerste en tweede lid bedoelde onderzoek, binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn, aan de toezichthouder.
Artikel 33
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot door een beheerder of bewaarder aan de toezichthouder, ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bij en krachtens de artikelen 30 tot en met 32 bepaalde, te verstrekken gegevens.
Artikel 34
Ten minste een maal per jaar voert een onafhankelijke deskundige de waardering van de incourante beleggingen van de beleggingsinstelling uit.
Artikel 35
Een beleggingsinstelling bepaalt telkens wanneer zij haar rechten van deelneming emitteert, verkoopt, inkoopt of daarop terugbetaalt de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming en publiceert de intrinsieke waarde onverwijld op de website van haar beheerder, onder vermelding van het moment waarop de bepaling van de intrinsieke waarde plaatsvond.
1.
Een reclame-uiting over een beheerder of een beleggingsinstelling is inhoudelijk juist en niet misleidend.
2.
In een reclame-uiting worden in ieder geval vermeld:
a. de naam van de beheerder of de beleggingsinstelling;
b. het feit dat het een beheerder of een beleggingsinstelling betreft;
c. dat de beheerder of de beleggingsinstelling is geregistreerd bij de toezichthouder; en
d. waar het prospectus, bedoeld in artikel 41, voor het publiek verkrijgbaar is.
3.
Het tweede lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op reclame-uitingen op radio en televisie.
4.
De toezichthouder kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste of tweede lid.
1.
De onderwerpen, bedoeld in artikel 12, zevende lid, van de wet, zijn:
a. het accountantsverslag aan de bestuurders en de raad van commissarissen;
b. de managementletter;
c. correspondentie tussen de accountant en de beheerder en de beleggingsmaatschappij die rechtstreeks betrekking heeft op de accountantsverklaring bij de jaarrekening van de beheerder of de beleggingsinstelling.
2.
Indien de accountant, bedoeld in artikel 12, zevende lid, van de wet, schriftelijk inlichtingen verstrekt aan de toezichthouder over de in het voorgaande lid genoemde onderwerpen, zendt hij onverwijld aan de beheerder een afschrift van de stukken en van de begeleidende brief.
3.
De managementletter, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevat in ieder geval:
a. een verklaring van de accountant of en zo ja, in hoeverre hij de administratieve organisatie en het systeem van interne controle heeft beoordeeld; en
b. de belangrijkste bevindingen van de accountant naar aanleiding van zijn werkzaamheden.
1.
Een beheerder meldt een voorgenomen wijziging van of aanvulling op onderdelen van het registratiedocument, bedoeld in artikel 11, voor zover het betreft de gegevens, bedoeld in bijlage A , aan de toezichthouder. Deze wijzigingen of aanvullingen, met uitzondering van wijzigingen van of aanvullingen op gegevens als bedoeld in onderdeel 3.3 of 3.6 van bijlage A , worden niet ingevoerd voordat de toezichthouder zijn instemming heeft verleend.
2.
Indien de voorgenomen wijziging of aanvulling betrekking heeft op de vermelding van een persoon als bedoeld in artikel 3 verstrekt de beheerder gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichthouder kan beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3. Indien de toezichthouder een derde verzoekt om nadere inlichtingen over de in de eerste volzin bedoelde persoon, doet hij daarvan mededeling aan de beheerder.
3.
Instemming wordt geacht te zijn verkregen indien de toezichthouder niet heeft beslist ten aanzien van de wijziging of aanvulling binnen vier weken na ontvangst van de melding of, indien hij daarom heeft verzocht, binnen vier weken na ontvangst van nadere inlichtingen.
4.
In afwijking van het derde lid wordt instemming met een wijziging of aanvulling als bedoeld in het tweede lid geacht te zijn verkregen indien de toezichthouder niet heeft beslist ten aanzien van de wijziging of aanvulling binnen zes weken na ontvangst van de melding of zes weken na mededeling aan de beheerder van de ontvangst van de in het tweede lid bedoelde inlichtingen.
5.
De toezichthouder kan de instemming, bedoeld in het derde lid, intrekken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest voor het tijdstip waarop de instemming is verleend, de toezichthouder tot een ander oordeel zou zijn gekomen.
1.
Een beheerder maakt een voorstel tot wijziging van de voorwaarden die gelden tussen een door hem beheerde beleggingsinstelling en de deelnemers bekend in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad of aan het adres van iedere deelnemer alsmede op zijn website. De beheerder licht het voorstel tot wijziging van de voorwaarden toe op zijn website. Gelijktijdig met de bekendmaking van het voorstel tot wijziging meldt de beheerder deze aan de toezichthouder.
2.
Een beheerder maakt een wijziging van de voorwaarden die gelden tussen een door hem beheerde beleggingsinstelling en de deelnemers bekend in een advertentie in een landelijk verspreid Nederlands dagblad of aan het adres van iedere deelnemer alsmede op zijn website. De beheerder licht de wijziging van de voorwaarden toe op zijn website. Gelijktijdig met de bekendmaking van de wijziging meldt de beheerder deze aan de toezichthouder.
3.
Indien door de wijziging van de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, rechten of zekerheden van de deelnemers worden verminderd of lasten aan de deelnemers worden opgelegd, wordt de wijziging tegenover de deelnemers niet ingeroepen voordat drie maanden zijn verstreken na de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, en kunnen de deelnemers binnen deze periode onder de gebruikelijke voorwaarden uittreden.
4.
Indien door de wijziging van de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling wordt gewijzigd, wordt de wijziging niet ingevoerd voordat drie maanden zijn verstreken na de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, en kunnen de deelnemers binnen deze periode onder de gebruikelijke voorwaarden uittreden.
1.
Een beheerder heeft een website waarop hij in ieder geval de krachtens de artikelen 42, derde lid, 44, tweede en vierde lid, en 49, eerste tot en met derde lid, door hem of de door hem beheerde beleggingsinstellingen verkrijgbaar te stellen of te verstrekken informatie publiceert.
2.
Een beheerder rangschikt informatie op de website, voorzover relevant, per afzonderlijke beleggingsinstelling.
3.
Een beheerder vermeldt het adres van de website in het prospectus, bedoeld in artikel 41, en de halfjaarcijfers en het jaarverslag van de beheerder en de beleggingsinstelling.
4.
Indien een beheerder krachtens dit besluit beschikbaar te stellen of te verstrekken informatie op zijn website publiceert of anderszins in elektronische vorm beschikbaar stelt, vermeldt hij daarbij dat desgevraagd een afschrift van die informatie wordt verstrekt en, indien van toepassing, welke kosten daaraan verbonden zijn.
1.
Een beheerder heeft een prospectus beschikbaar over het aanbod van elke door hem beheerde beleggingsinstelling.
2.
Het prospectus bevat de gegevens die voor de beleggers noodzakelijk zijn om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over het aanbod van de beleggingsinstelling en de daaraan verbonden kosten en risico’s.
3.
Het prospectus bevat ten minste het registratiedocument, bedoeld in artikel 11, en de gegevens, vermeld in bijlage B . Tevens bevat het prospectus een verklaring van de beheerder dat hijzelf, de beleggingsinstelling en, indien van toepassing, de bewaarder voldoen aan de bij of krachtens de wet gestelde regels en dat het prospectus voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gesteld regels.
4.
Het prospectus bevat een mededeling van een accountant, onder vermelding van zijn naam en kantooradres, dat het prospectus de ingevolge de wet vereiste gegevens bevat.
5.
In het prospectus worden in afzonderlijke paragrafen de gegevens opgenomen over:
a. de kosten van de beleggingsinstelling en de wijze waarop zij ten laste komen van het resultaat van de beleggingsinstelling in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins direct of indirect ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling, en
b. de aan de beleggingsinstelling verbonden risico’s.
6.
De toezichthouder stelt regels met betrekking tot de wijze waarop in het prospectus inzicht wordt verschaft in het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling en de daaraan ten grondslag liggende berekening. Voorts kan de toezichthouder nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop en de vorm waarin de gegevens, bedoeld in bijlage B , worden opgenomen in het prospectus.
7.
Een beheerder actualiseert de gegevens die in het prospectus zijn opgenomen zodra daartoe aanleiding bestaat.
8.
De toezichthouder kan verlangen dat het prospectus in een of meer door de toezichthouder te bepalen talen beschikbaar wordt gesteld indien dat, gelet op de voorgenomen verspreiding van het prospectus, noodzakelijk is voor een adequate informatieverschaffing aan het publiek.
9.
Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsinstellingen die ter zake van het aanbieden van rechten van deelneming voldoen aan artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
1.
Twee weken voorafgaand aan het aanbod van rechten van deelneming verstrekt een beheerder aan de toezichthouder ten behoeve van opname van de beleggingsinstelling in het register als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de wet de volgende gegevens:
a. naam en adres van de beheerder;
b. naam en adres van de beleggingsinstelling;
c. indien van toepassing: naam en adres van de personen, bedoeld in artikel 20, tweede en derde lid;
d. naam en adres van de eventuele bewaarder;
e. met betrekking tot de eventuele bewaarder: naam en adres van de personen, bedoeld in artikel 3;
f. wijze van in- en verkoop van deelnemingsrechten;
g. een beschrijving van het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling;
h. eventuele notering op een gereglementeerde markt;
i. beoogde datum van aanbod van deelnemingsrechten; en
j. indien het een beleggingsfonds als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet betreft: het fondsreglement.
2.
De beheerder meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, met uitzondering van onderdeel g, twee weken voorafgaand aan de wijziging aan de toezichthouder.
3.
Een beheerder stelt bij aanbod van de rechten van deelneming dan wel bij de schriftelijke aankondiging dat een aanbod zal worden gedaan een prospectus als bedoeld in artikel 41, het fondsreglement of de statuten van de belegginginstelling en, voor zover openbaargemaakt, de jaarrekening van de beleggingsinstelling over de twee voorafgaande jaren kosteloos algemeen verkrijgbaar. In iedere bekendmaking waarin rechten van deelneming worden aangeboden, worden de plaatsen vermeld waar het prospectus voor het publiek verkrijgbaar is.
4.
Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van beleggingsinstellingen die ter zake van het aanbieden van rechten van deelneming voldoen aan artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
1.
Een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder stelt, voor zover Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek niet reeds van toepassing is, jaarlijks een jaarrekening en een jaarverslag op en voegt daaraan de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, toe. Na afloop van de eerste helft van het boekjaar maakt de beheerder of de beleggingsinstelling tevens de halfjaarcijfers op.
2.
Voor zover een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder niet aan Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is onderworpen, is deze titel van overeenkomstige toepassing op zijn onderscheidenlijk haar jaarrekening, overige gegevens bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en jaarverslag, met uitzondering van artikel 403 voor zover het een beheerder betreft.
1.
Jaarlijks binnen vier maanden na afloop van het boekjaar maakt een beheerder, beleggingsinstelling of bewaarder de vastgestelde jaarrekening of, indien de vaststelling niet behoeft plaats te vinden of nog niet heeft plaatsgevonden, de opgemaakte jaarrekening gelijktijdig met het jaarverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, openbaar.
2.
De openbaarmaking geschiedt overeenkomstig de bepalingen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Een beheerder stelt de jaarrekening, de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en het jaarverslag van de beheerder, de beleggingsinstelling en de bewaarder voor de deelnemers in de beleggingsinstelling kosteloos verkrijgbaar.
3.
Gelijktijdig met de openbaarmaking van de jaarrekeningen, bedoeld in het eerste lid, doet de beheerder in een of meer landelijk verspreide Nederlandse dagbladen dan wel aan het adres van iedere deelnemer, opgave van de plaats waar de jaarrekening, alsmede het jaarverslag en de overige gegevens van de beheerder, de beleggingsinstelling en de bewaarder voor de deelnemers in de beleggingsinstelling kosteloos verkrijgbaar zijn. Gelijktijdig met de openbaarmaking zendt de beheerder een afschrift van deze stukken aan de toezichthouder.
4.
Jaarlijks binnen negen weken na afloop van de eerste helft van het boekjaar, maakt een beheerder of een beleggingsinstelling overeenkomstig het derde lid zijn onderscheidenlijk haar halfjaarcijfers openbaar. De beheerder stelt deze voor de deelnemers in de beleggingsinstelling kosteloos verkrijgbaar. Gelijktijdig met de openbaarmaking zendt de beheerder een afschrift van zijn halfjaarcijfers en van de halfjaarcijfers van de beleggingsinstelling aan de toezichthouder.
1.
Onverminderd artikel 43, tweede lid, bevat de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling ten minste de volgende gegevens:
a. een sluitend overzicht van het verloop gedurende het boekjaar van de activa waarbij de beleggingen worden onderscheiden naar soort;
b. een overzicht van de samenstelling van de activa aan het einde van het boekjaar;
c. een vergelijkend overzicht over de laatste drie jaren van de intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling, het aantal uitstaande rechten van deelneming en de intrinsieke waarde per recht van deelneming, een en ander per het einde van het boekjaar;
d. een mededeling in hoeverre incourante beleggingen door een onafhankelijke deskundige zijn gewaardeerd, volgens welke methode de waardering heeft plaatsgevonden, alsmede de regelmaat waarmee deze waardering plaatsvindt;
e. het bedrag der verplichtingen, onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar, die voortvloeien uit dekkingstransacties met betrekking tot koers- en wisselkoersrisico in verband met de beleggingen, voor zover een en ander niet reeds in de balans en winst- en verliesrekening is begrepen;
f. een gespecificeerde opgave van de activa van de beleggingsinstelling die deelnemingen zijn in de zin van artikel 389, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
g. indien de beleggingsinstelling 99 procent van het beheerde vermogen belegt in een andere beleggingsinstelling: de gegevens, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d en e, met betrekking tot de andere beleggingsinstelling;
h. indien van toepassing: een mededeling op welke wijze uitvoering is gegeven aan het beleid, bedoeld in onderdeel XIV van bijlage B ; en
i. indien van toepassing: een mededeling dat de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald en onder welke omstandigheden de beleggingsinstelling dat kan opschorten.
2.
Indien de beleggingsinstelling ten minste 95 procent van het beheerde vermogen indirect belegt in een andere beleggingsinstelling is het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c, d en e van overeenkomstige toepassing met betrekking tot die andere beleggingsinstelling.
3.
Onverminderd artikel 379, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vermeldt de beleggingsinstelling onder de overige gegevens, bedoeld in artikel 43, eerste lid, het totale persoonlijke belang dat de bestuurders van de beheerder of de beleggingsmaatschappij bij iedere belegging van de beleggingsinstelling aan het begin en het einde van het boekjaar hebben gehad.
1.
Onverminderd de artikelen 43, tweede lid, en 45, eerste lid, bevat de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling de volgende gegevens:
a. voor zover van toepassing: de kosten van oprichting van de beleggingsinstelling, de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling en welk gedeelte ten goede is gekomen aan de beheerder, de bewaarder, de bestuurders van de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder, of aan met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen;
b. de naar soort onderscheiden kosten gemoeid met:
1°. het beheer van de beleggingsinstelling;
2°. de bewaring van activa van de beleggingsinstelling;
3°. de accountant;
4°. het toezicht op de beleggingsinstelling; en
5°. de marketing, inclusief de berekeningsgrondslag, en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling;
c. de transactiekosten die geïdentificeerd en gekwantificeerd kunnen worden en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling;
d. indien van toepassing: de kosten die zijn gemaakt of vergoedingen die zijn gevraagd in verband met het in- en uitlenen van financiële instrumenten en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling onderscheidenlijk aan wie deze vergoedingen ten goede zijn gekomen;
e. indien van toepassing: de kosten voor het verlenen van opdrachten aan derden om een of meer werkzaamheden in het kader van het beheer van de beleggingsinstelling of de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling te verrichten en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling;
f. het totaal betaalde bedrag aan vergoedingen voor het aanbrengen van deelnemers indien dit bedrag hoger is dan één tiende procent van het gemiddelde beheerde vermogen van de beleggingsinstelling, de wijze waarop dit bedrag ten laste is gekomen van het resultaat, in mindering is gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste is gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling en, indien van toepassing, de namen van met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen aan wie deze aanbrengprovisies ten goede zijn gekomen;
g. alle andere dan in onderdeel a tot en met f bedoelde naar soort onderscheiden kosten die hoger zijn dan tien procent van de totale kosten, inclusief de berekeningsgrondslag, en de wijze waarop deze kosten ten laste zijn gekomen van het resultaat, in mindering zijn gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste zijn gekomen van de deelnemers in de beleggingsinstelling;
h. de wijze waarop de op- en afslagen zijn berekend, aan wie de op- en afslagen ten goede zijn gekomen en, voor zover van toepassing, de wijze waarop zij zijn verwerkt in de jaarrekening;
i. de overige eenmalige kosten die deelnemers in de beleggingsinstelling betalen bij in- en uittreding, inclusief de berekeningsgrondslag;
j. een vergelijkend overzicht van de naar soort onderscheiden volgens het prospectus, bedoeld in artikel 41, te maken kosten en de daadwerkelijk gemaakte kosten;
k. de naar soort onderscheiden kosten die voortvloeien uit directe of indirecte beleggingen in andere beleggingsinstellingen;
l. het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling gerelateerd aan haar gemiddelde intrinsieke waarde, onder vermelding van de kosten die daarbij buiten beschouwing zijn gelaten; indien de beleggingsinstelling gemiddeld tien procent of meer van haar vermogen direct of indirect in andere beleggingsinstellingen belegt, worden de kosten van de andere beleggingsinstellingen meegenomen bij het bepalen van het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling of wordt vermeld dat en waarom het niet mogelijk is de kosten van een andere beleggingsinstelling mee te nemen, alsmede dat de kosten van de betreffende andere beleggingsinstelling van invloed zijn op het resultaat van de beleggingsinstelling;
m. indien de beleggingsinstelling 99 procent van het beheerde vermogen belegt in een andere beleggingsinstelling: het niveau van de kosten van de andere beleggingsinstelling gerelateerd aan de gemiddelde intrinsieke waarde van de andere beleggingstelling, onder vermelding van de kosten die daarbij buiten beschouwing zijn gelaten;
n. indien van toepassing: de retourprovisies die niet ten goede zijn gekomen aan de beleggingsinstelling en aan wie deze retourprovisies ten goede zijn gekomen;
o. indien van toepassing: de door de beheerder, de bestuurders van de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder, de bewaarder, de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen of derden voor het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de beleggingsinstelling ontvangen of in het vooruitzicht gestelde goederen; en
p. de omloopsnelheid van de activa en een vergelijking met de in het voorgaande boekjaar gerealiseerde omloopsnelheid van de activa.
2.
Indien de beleggingsinstelling ten minste 95 procent van het beheerde vermogen indirect belegt in een andere beleggingsinstelling is het eerste lid, aanhef en onderdeel m, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot die andere beleggingsinstelling.
3.
Het eerste lid, onderdeel p, is niet van toepassing op beleggingsinstellingen die uitsluitend of vrijwel uitsluitend beleggen in onroerend goed.
4.
De toezichthouder stelt regels met betrekking tot de wijze waarop inzicht wordt verschaft in het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdelen l en m, en de daaraan ten grondslag liggende berekening en de wijze van berekening van de omloopsnelheid van de activa, bedoeld in het eerste lid, onderdeel p.
5.
Onverminderd artikel 43, tweede lid, bevat de toelichting op de balans en de winst en verliesrekening van een beheerder ten minste de volgende gegevens:
a. indien van toepassing: de door de beheerder of de bestuurders van de beheerder ontvangen retourprovisies;
b. indien van toepassing: de door de beheerder of de bestuurders van de beheerder voor het uitvoeren van opdrachten ten behoeve van de beheerder of de door de beheerder beheerde beleggingsinstellingen ontvangen of in het vooruitzicht gestelde goederen; en
c. de vergoedingen die zijn ontvangen in verband met het in- en uitlenen van financiële instrumenten van de door de beheerder beheerde beleggingsinstellingen.
6.
De in het eerste en vijfde lid bedoelde gegevens worden cijfermatig en tekstueel toegelicht.
7.
In de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van de beheerder en de beleggingsinstelling worden de in het vijfde onderscheidenlijk het eerste lid bedoelde gegevens in één paragraaf opgenomen.
1.
Onverminderd de artikelen 43, tweede lid, 45, eerste lid, en 46, eerste lid, vermeldt een beleggingsinstelling in de toelichting op de balans en de winst en verliesrekening:
a. indien van toepassing: de met de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen aangegane overeenkomsten en een beschrijving van de hoofdlijnen van die overeenkomsten;
b. welk percentage van het totale transactievolume van de beleggingsinstelling is uitgevoerd via de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen;
c. indien van toepassing: een opsomming van de soorten transacties die via de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen zijn uitgevoerd en de voorwaarden waaronder die transacties plaatsvinden. Indien een transactie met een gelieerde partij niet tegen marktconforme voorwaarden heeft plaatsgevonden wordt tevens de naam van de gelieerde partij, de prijs, de relevante voorwaarden, de getaxeerde waarde en de reden voor niet marktconform handelen vermeld;
d. indien van toepassing: het totaalbedrag gemoeid met transacties met de met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen buiten een gereglementeerde markt, een effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt;
e. indien van toepassing: dat de beleggingsinstelling direct of indirect belegt in een andere beleggingsmaatschappij die een met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partij is of in een andere beleggingsinstelling die beheerd wordt door een met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partij en onder welke voorwaarden verkoop of inkoop van, alsmede terugbetaling op de rechten van deelneming in de andere beleggingsinstelling plaatsvindt;
f. indien van toepassing: beleggingen in met de beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gelieerde partijen, niet zijnde beleggingsinstellingen, die meer dan tien procent van het vermogen van de gelieerde partij of van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling uitmaken, met een uiteenzetting van de relatie met de gelieerde partijen en het land van vestiging van de betreffende gelieerde partijen indien dit niet Nederland is;
g. indien opdracht aan een of meer derden is verleend om een of meer werkzaamheden in het kader van het beheer of de bewaring van de activa van de beleggingsinstelling te verrichten: de naam van de derde(n) en een beschrijving van de werkzaamheden ten aanzien waarvan opdracht is verleend;
h. indien financiële instrumenten worden in- of uitgeleend:
1°. de waarde van de in- en uitgeleende financiële instrumenten; deze informatie dient in de toelichting op de balans onder de balanspost financiële instrumenten te worden vermeld; en
2°. de zekerheden die de beleggingsinstelling heeft verkregen;
i. indien de beleggingsinstelling gemiddeld twintig procent of meer van het beheerde vermogen direct of indirect belegt in een andere beleggingsinstelling:
1°. waar de jaarrekening en het jaarverslag van de andere beleggingsinstelling verkrijgbaar zijn;
2°. of en zo ja, waar de beleggingsinstelling onder toezicht staat;
3°. het relatieve belang van de beleggingsinstelling in de andere beleggingsinstelling;
4°. de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming in de andere beleggingsinstelling aan het einde van het boekjaar;
5°. een beschrijving van het beleggingsresultaat van de andere beleggingsinstelling; en
6°. indien van toepassing: de afspraken tussen de beleggingsinstelling en de andere beleggingsinstelling over de deling van kosten en aan wie het voordeel ten goede is gekomen;
j. indien de beleggingsinstelling 99 procent van het beheerde vermogen belegt in een andere beleggingsinstelling: het beleggingsbeleid van de andere beleggingsinstelling; en
k. een verklaring van de beheerder dat hij voor de beleggingsinstelling beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en systeem van interne controle als bedoeld in artikel 8 die voldoet aan de eisen van de wet en dit besluit en dat de administratieve organisatie en het systeem van interne controle effectief en overeenkomstig de beschrijving functioneren.
2.
Indien de beleggingsinstelling ten minste 95 procent van het beheerde vermogen indirect belegt in een andere beleggingsinstelling is het eerste lid, aanhef en onderdeel j, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot die andere beleggingsinstelling.
3.
De toezichthouder kan op verzoek van de beleggingsinstelling een ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdeel i, indien de noodzakelijke gegevens niet of niet tijdig beschikbaar zijn. In de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening van de beleggingsinstelling wordt vermeld ten aanzien van welke andere beleggingsinstelling ontheffing is verleend, welke informatie niet beschikbaar is en de reden waarom deze informatie niet beschikbaar is.
4.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop en de vorm waarin de informatie, bedoeld in het eerste lid, wordt opgenomen in de jaarrekening.
1.
De halfjaarcijfers van een beleggingsinstelling bevatten ten minste de volgende gegevens:
a. de balans en winst- en verliesrekening, alsmede een mutatie-overzicht van het eigen vermogen van de beleggingsmaatschappij of van het beheerde vermogen van het beleggingsfonds met inachtneming, voor zover de aard van deze stukken dat toelaat, van de bepalingen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
b. een overzicht van de samenstelling van de activa van de beleggingsinstelling;
c. een opgave van de intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling en het aantal uitstaande rechten van deelneming en de intrinsieke waarde per recht van deelneming;
d. indien van toepassing: de vermelding, bedoeld in artikel 45, derde lid;
e. indien van toepassing: een mededeling dat de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald en onder welke omstandigheden de beleggingsinstelling dat kan opschorten; en
f. indien van toepassing: een mededeling dat de beleggingsinstelling interim-dividend heeft uitgekeerd of voornemens is dat te doen.
2.
De halfjaarcijfers van een beheerder bevatten ten minste de balans en winst- en verliesrekening, alsmede een mutatieoverzicht van het eigen vermogen met inachtneming, voor zover de aard van deze stukken dat toelaat, van de bepalingen van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van artikel 403.
3.
Indien de halfjaarcijfers van de beheerder of de beleggingsinstelling door een accountant zijn onderzocht, wordt diens verklaring gevoegd bij de stukken die ingevolge artikel 44, vierde lid, aan de toezichthouder worden gezonden.
1.
Een beheerder verstrekt tegen ten hoogste de kostprijs desgevraagd aan een ieder:
a. de gegevens omtrent de beheerder, de door hem beheerde beleggingsinstellingen en de bewaarders die aan de beleggingsinstellingen zijn verbonden welke ingevolge enig wettelijk voorschrift in het handelsregister moeten worden opgenomen; en
b. de overeenkomst, bedoeld in artikel 9 of artikel 18.
2.
Een beheerder legt een afschrift van zijn vergunning kosteloos ter inzage voor de deelnemers in de beleggingsinstelling en verstrekt tegen ten hoogste de kostprijs desgevraagd een afschrift aan de deelnemers. De beheerder verstrekt tevens tegen ten hoogste de kostprijs desgevraagd aan de deelnemers in de beleggingsinstelling een afschrift van een ingevolge artikel 12, vierde lid, van de wet, door de toezichthouder genomen besluit met betrekking tot de door de hem beheerde beleggingsinstellingen.
3.
Een beheerder stelt ten behoeve van de deelnemers in de beleggingsinstelling maandelijks een opgave met toelichting van de hierna te noemen gegevens op, waarbij tussen de tijdstippen van opstelling een periode van ten minste een week ligt. De opgave is, indien van toepassing, mede door de bewaarder ondertekend en bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de totale waarde van de beleggingen van de beleggingsinstelling;
b. een overzicht van de samenstelling van de beleggingen;
c. het aantal uitstaande rechten van deelneming;
d. voor zover het betreft een beleggingsinstelling waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald: de meest recente intrinsieke waarde van de rechten van deelneming.
De beheerder verstrekt tegen ten hoogste de kostprijs desgevraagd een afschrift van de opgave aan de deelnemers in de beleggingsinstelling.
4.
Een beleggingsinstelling deelt desgevraagd aan een ieder de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming mee. De intrinsieke waarde wordt bepaald op het meest recente moment van in- en uittreden van deelnemers in de beleggingsinstelling.
1.
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder behoort niet tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de beheerder, de beleggingsinstellingen of de bewaarder.
2.
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder is niet in een groep verbonden met een natuurlijke persoon of een rechtspersoon indien het recht van een staat die geen lidstaat is, dat op die persoon van toepassing is een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de beheerder, de beleggingsinstellingen of de bewaarder.
Artikel 51
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op beheerders, beleggingsinstellingen of bewaarders als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de wet.
1.
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op het eigen vermogen van beheerders en van beleggingsmaatschappijen die geen aparte beheerder hebben.
2.
Indien het eigen vermogen van een beheerder of beleggingsmaatschappij niet voldoet aan artikel 16 meldt de beheerder of de beleggingsmaatschappij dit onverwijld aan de toezichthouder en brengt het eigen vermogen binnen een door de toezichthouder te stellen termijn in overeenstemming met artikel 16.
Artikel 53
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder verstrekt geen kredieten voor rekening van derden, stelt zich niet garant en gaat geen borgtochtverplichtingen aan.
Artikel 54
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder verkoopt geen financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, die de beleggingsinstelling niet in eigendom heeft.
1.
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gaat niet als debiteur geldleningen aan.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het aangaan van:
a. kortlopende leningen die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van de activa van de beleggingsinstelling;
b. leningen voor het verwerven van onroerende zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij en die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van haar activa, voor zover de omvang van deze geldleningen tezamen met de omvang van de in onderdeel a genoemde leningen niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar activa;
c. leningen met als doel de verwerving van vreemde valuta waardoor de netto schuld van de beleggingsinstelling niet verandert of zal veranderen.
Artikel 56
Een beheerder die ook diensten van individueel vermogensbeheer verricht als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de wet, belegt de gelden van een belegger niet geheel of gedeeltelijk in door hem beheerde beleggingsinstellingen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de belegger.
Artikel 57
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt uitsluitend belegd in:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een lidstaat;
b. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die zijn toegelaten tot de notering op een effectenbeurs dan wel worden verhandeld op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een staat die geen lidstaat is, voorzover de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling voorzien in belegging in deze financiële instrumenten;
c. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° en met 3°, waarvan het aannemelijk is dat zij binnen een jaar na emissie zullen worden toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt, een effectenbeurs of ter verhandeling zullen worden aangeboden op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt, voorzover de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling voorzien in belegging in deze financiële instrumenten;
d. rechten van deelneming in beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet waarvoor op grond van artikel 5 van de wet een vergunning is verleend of in beleggingsinstellingen die overeenkomstig de richtlijn in een andere lidstaat zijn toegelaten, mits de betreffende beleggingsinstellingen volgens hun statuten of fondsreglementen niet meer dan tien procent van hun beheerde vermogen beleggen in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen;
e. rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen op grond van artikel 17c van de wet, of in beleggingsinstellingen waarop het toezicht naar het oordeel van het bevoegde gezag in andere lidstaten gelijkwaardig is aan de richtlijn en ten aanzien waarvan de samenwerking tussen de bevoegde gezagen genoegzaam is gewaarborgd, indien:
1°. de rechten van deelneming in de beleggingsinstellingen op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;
2°. het reglementaire of statutaire doel van de beleggingsinstellingen uitsluitend is het beleggen in financiële instrumenten of deposito’s met toepassing van het beginsel van risicospreiding;
3°. de op de beleggingsinstellingen toepasselijke regels inzake scheiding van het vermogen, opnemen en verstrekken van leningen en verkopen van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van de richtlijn; en
4°. de beleggingsinstellingen volgens hun statuten of fondsreglementen niet meer dan tien procent van hun beheerde vermogen beleggen in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen;
f. deposito’s;
g. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een lidstaat, voor zover de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin de beleggingsinstelling krachtens haar statuten of reglementen bevoegd is te beleggen;
h. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die zijn toegelaten tot de notering op een effectenbeurs dan wel worden verhandeld op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een staat die geen lidstaat is, voor zover de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin de beleggingsinstelling krachtens haar statuten of fondsreglement bevoegd is te beleggen;
i. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, indien:
1°. de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin beleggingsinstelling krachtens haar statuten of reglementen bevoegd is te beleggen;
2°. de tegenpartij een aan prudentieel toezicht onderworpen instelling is en behoort tot de categorieën die erkend zijn door de toezichthouder of een bevoegd gezag in een andere lidstaat, en
3°. zij aan betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering onderworpen zijn en te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer op initiatief van de beleggingsinstellingen kunnen worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie; of
j. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, die buiten een gereglementeerde markt worden verhandeld, indien de emissie of de emittent van deze instrumenten zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden, en deze instrumenten:
1°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een staat die geen lidstaat is, een deelstaat van een federale staat, dan wel een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten deelnemen;
2°. worden uitgegeven door ondernemingen waarvan financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, worden verhandeld op een gereglementeerde markt, een effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende en open markt;
3°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die in een lidstaat aan prudentieel toezicht is onderworpen of door een instelling die onderworpen is aan prudentieel toezicht dat in ieder geval gelijkwaardig is aan het ingevolge het gemeenschapsrecht geldende prudentieel toezicht; of
4°. worden uitgegeven door andere instellingen waarvoor een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in dit onderdeel, aanhef en onder 1°, 2° en 3°, indien de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves in totaal ten minste € 10.000.000 bedragen en haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig de Vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3 sub g) van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschappen (PbEG L 222), of een rechtspersoon is die binnen een groep ondernemingen waartoe een of meer ter beurze genoteerde ondernemingen behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een rechtspersoon is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat.
Artikel 58
In afwijking van artikel 57 kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling:
a. voor ten hoogste tien procent worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die niet zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, open en erkende markt;
b. indien het een beleggingsmaatschappij betreft: worden belegd in goederen die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid;
c. worden aangehouden in accessoir liquide middelen.
Artikel 59
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt niet belegd in edele metalen dan wel in certificaten die deze metalen vertegenwoordigen.
1.
De risicobeheersingprocedure, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel i, bevat een procedure voor de waardevaststelling van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld. De beleggingsinstelling doet de toezichthouder regelmatig mededeling van de tot haar activa behorende soorten financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, de onderliggende risico’s, de kwantitatieve begrenzingen en de methodes die zijn gekozen om de aan transacties in deze financiële instrumenten verbonden risico’s te ramen.
2.
Het totale risico van een beleggingsinstelling bedraagt niet meer dan tweemaal de totale nettowaarde van de activa. Het totale risico van een beleggingsinstelling wordt met niet meer dan tien procent van de totale nettowaarde van haar portefeuille vergroot door het aangaan van kortlopende leningen, in welk geval het totale risico van de beleggingsinstelling niet meer dan 210 procent bedraagt van de totale nettowaarde van haar portefeuille.
3.
Het totale risico van de beleggingsinstelling in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, overschrijdt niet de totale nettowaarde van de activa. Voor de berekening van het risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.
4.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling kan in het kader van het beleggingsbeleid en binnen de in artikel 64 gestelde begrenzingen worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, voor zover het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal niet de in de artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 gestelde begrenzingen overschrijdt. Indien het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling in op een index gebaseerde financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, wordt belegd, worden die beleggingen voor de toepassing van de in de artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 gestelde begrenzingen bepaalde bovengrens niet samengeteld.
5.
Onverminderd artikel 36 vestigt een beleggingsinstelling die voornamelijk belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, in haar reclame-uitingen duidelijk de aandacht op haar beleggingsbeleid.
6.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de berekening van het risico, de wijze van vaststelling van de dagwaarde van de onderliggende activa, de soorten verplichtingen die leiden tot een tegenpartijrisico, het meewegen van toekomstige marktbewegingen bij de vaststelling en de methodes die mede afhankelijk van de aard van het financiële instrument waarin wordt belegd, voor berekening van de risico’s kunnen worden gehanteerd.
1.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt tot ten hoogste tien procent belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, uitgegeven door één uitgevende instelling. Een beleggingsinstelling belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één instelling.
2.
Het tegenpartijrisico van een beleggingsinstelling bij een transactie in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3.
De totale waarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die de beleggingsinstelling houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bij onderscheidenlijk met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4.
Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, met betrekking tot die instelling.
5.
Bij de berekening van de door de beleggingsinstelling gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de beleggingsinstelling wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De toezichthouder kan nadere regels stellen over de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de beleggingsinstelling gelopen tegenpartijrisico.
1.
In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste vijfentwintig procent worden belegd in obligaties die worden uitgegeven door een kredietinstelling die haar zetel heeft in een lidstaat en die ingevolge de wet van die lidstaat is onderworpen aan een bijzonder overheidstoezicht met het oog op de bescherming van de houders van deze obligaties voor zover de opbrengst van die obligaties overeenkomstig de wet van die lidstaat belegd wordt in activa die gedurende de gehele looptijd van de obligaties voldoende dekking bieden voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen en die bij een in gebreke blijven van de uitgevende instelling bij voorrang bestemd zijn voor de aflossing van de hoofdsom en betaling van de opgebouwde rente.
2.
Indien het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling voor meer dan vijf procent wordt belegd in obligaties als bedoeld in het eerste lid die door één instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van deze beleggingen niet meer dan tachtig procent van de activa van die uitgevende instelling.
1.
In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is, of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen.
2.
Op verzoek van een beleggingsinstelling kan de toezichthouder ontheffing verlenen van het eerste lid en beleggingen voor een hoger percentage dan genoemd in het eerste lid toestaan indien:
a. de beleggingsinstelling financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, van ten minste zes verschillende emissies van een in het eerste lid bedoelde uitgevende staat, openbaar lichaam of internationale organisatie in portefeuille heeft;
b. de financiële instrumenten van een zelfde emissie niet meer bedragen dan dertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling;
c. de uitgevende staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie in de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling wordt genoemd; en
d. de deelnemers in de beleggingsinstelling bescherming genieten die gelijkwaardig is aan de bescherming die voortvloeit uit het eerste lid en de artikelen 61, 62, en 64.
3.
Onverminderd artikel 36 vestigt de beleggingsinstelling in haar reclame-uitingen op opvallende wijze de aandacht op de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, onder vermelding van de staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie die de financiële instrumenten, bedoeld in het tweede lid, uitgeeft of garandeert waarin de beleggingsinstelling voor meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen belegt.
1.
De in de artikelen 62 en 63, eerste lid, bedoelde financiële instrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in artikel 61, derde lid, bedoelde begrenzing van veertig procent.
2.
De overeenkomstig de artikelen 61, 62 en 63, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, dan wel in deposito’s bij of financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 6° tot en met 9°, van die instelling, bedragen in geen geval samen meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
3.
Voor de berekening van de in de artikelen 61, 62 en 63, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de Zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193), of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, als één instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot de groep behoren kunnen worden gecumuleerd tot ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
4.
De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de beleggingsinstelling belegt, worden voor het vaststellen van de in artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de beleggingsinstelling.
1.
In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste twintig procent worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° en 2°, van één uitgevende instelling indien in het fondsreglement of de statuten van de beleggingsinstelling is bepaald dat het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling erop is gericht de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te volgen, en deze index voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de samenstelling van de index is gediversifieerd;
b. de index is representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft; en
c. de index wordt op passende wijze bekendgemaakt.
2.
Indien uitzonderlijke marktomstandigheden daartoe aanleiding geven kan de toezichthouder bepalen dat de begrenzing bedoeld in het eerste lid wordt verhoogd tot vijfendertig procent.
3.
Onverminderd artikel 36 vestigt de belegginginstelling, bedoeld in het eerste lid, in haar reclame-uitingen duidelijk de aandacht op haar beleggingsbeleid.
1.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt tot ten hoogste twintig procent belegd in rechten van deelneming als bedoeld in artikel 57, onderdeel d of e, die zijn uitgegeven door één beleggingsinstelling.
2.
De beleggingen in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 57, onderdeel e, bedragen in totaal niet meer dan dertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
1.
Een beheerder verwerft, voor de door hem beheerde beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet gezamenlijk, niet meer dan twintig procent van de aandelen met stemrecht in één uitgevende instelling.
2.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt niet belegd in meer dan:
a. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1°, zonder stemrecht van één uitgevende instelling;
b. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2°, van één uitgevende instelling;
c. vijfentwintig procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5°, van dezelfde beleggingsinstelling; of
d. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, van één uitgevende instelling.
3.
De in onderdelen b, c en d van het tweede lid genoemde begrenzingen hoeven niet in acht te worden genomen indien de brutowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2° of 4°, of de nettowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5º, op het tijdstip van verwerving, niet kan worden berekend.
Artikel 68
Artikel 67 is niet van toepassing op het verwerven van onderscheidenlijk het beleggen in:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die zijn uitgegeven of worden gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen;
b. aandelen in het kapitaal van een rechtspersoon, gevestigd in een staat die geen lidstaat is, die met inachtneming van de begrenzingen, bedoeld in de artikelen 61, 62, 63, eerste lid, 64, 66 en 67, zijn vermogen in hoofdzaak belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, van uitgevende instellingen, gevestigd in die staat, wanneer krachtens de wet van die staat een dergelijke deelneming voor de beleggingsinstelling de enige mogelijkheid is om in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, van uitgevende instellingen in die staat te beleggen;
c. aandelen in het kapitaal van een dochteronderneming van de beleggingsmaatschappij die uitsluitend ten behoeve van de beleggingsmaatschappij bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verricht in de staat waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van deelnemers.
Artikel 69
De toezichthouder verleent een beleggingsinstelling voor een periode van ten hoogste zes maanden na het aanbod van de rechten van deelneming, bedoeld in artikel 42, eerste lid, op verzoek ontheffing van het bepaalde in de artikelen 61 tot en met 66 indien de beleggingsinstelling de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht neemt.
1.
De in deze paragraaf gestelde begrenzingen gelden niet bij de uitoefening van voorkeursrechten die zijn verbonden aan financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die deel uitmaken van de activa van de beleggingsinstelling.
2.
Wanneer de in deze paragraaf gestelde begrenzingen buiten de wil van de beleggingsinstelling of ten gevolge van de uitoefening van voorkeursrechten worden overschreden, treft de beleggingsinstelling, met inachtneming van de belangen van de deelnemers, bij voorrang de nodige maatregelen opdat deze overschrijding ongedaan wordt gemaakt.
Artikel 71
Een beleggingsinstelling legt binnen vier weken na een verzoek daartoe van de toezichthouder, dan wel binnen vier weken na afloop van het boekjaar, een mededeling van een accountant over aan de toezichthouder waaruit blijkt dat de beleggingsinstelling in overeenstemming heeft gehandeld met de artikelen 56 tot en met 70.
Artikel 72
Gelijktijdig met de verkrijgbaarstelling van het prospectus, bedoeld in artikel 42, derde lid, zendt de beheerder een afschrift van het prospectus en van de financiële bijsluiter, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Besluit financiële dienstverlening, van de beleggingsinstelling aan de toezichthouder.
1.
Onverminderd de artikelen 43, tweede lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, en 47, eerste lid, bevatten de balans en winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling of de toelichtingen daarop de volgende gegevens:
a. tegoeden bij kredietinstellingen;
b. een onderscheid in de overzichten van de beleggingen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdelen a en b, naar:
1°. financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt;
2°. financiële instrumenten die op effectenbeurzen of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markten worden verhandeld;
3°. nieuw uitgegeven financiële instrumenten als bedoeld in artikel 57, onderdeel c; en
4°. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 58, onderdeel a;
c. een sluitend overzicht van de gesaldeerde mutaties in de verslagperiode in het eigen vermogen van de beleggingsmaatschappij of het beheerde vermogen van het beleggingsfonds ten gevolge van en uitgesplitst naar:
1°. inkomsten uit beleggingen;
2°. overige inkomsten;
3°. belastingen;
4°. de bestemming, of voorgestelde bestemming, van het netto-resultaat;
5°. de vermeerdering of vermindering van het eigen vermogen van de beleggingsmaatschappij of van het beheerde vermogen van het beleggingsfonds;
6°. meer- en minderwaarde op beleggingen; en
7°. overige mutaties van de activa en passiva; en
d. het bedrag van de verplichtingen onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar die voortvloeien uit verrichtingen met betrekking tot financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, en voorzover deze niet reeds in de balans en de winst- en verliesrekening zijn opgenomen.
2.
Onverminderd artikel 48 neemt een beleggingsinstelling in de halfjaarcijfers de gegevens op, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zoals deze luidden aan het einde van de eerste helft van het boekjaar.
1.
Een beleggingsinstelling publiceert telkens wanneer zij haar rechten van deelneming emitteert, verkoopt, inkoopt, of daarop terugbetaalt de emissiekoers, de verkoop- onderscheidenlijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling op de website van haar beheerder. De toezichthouder kan de beleggingsinstelling op verzoek toestaan deze bekendmaking eenmaal per maand te doen, indien de belangen van de deelnemers daardoor niet worden geschaad.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede lid.
3.
Onverminderd artikel 35 brengt een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming ten minste tweemaal per week ter kennis van de toezichthouder en publiceert zij de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming tweemaal per maand op de website van haar beheerder waarbij tussen elk van de tijdstippen van publicatie een periode van ten minste een week ligt.
4.
Een beleggingsinstelling verschaft desgevraagd aan een deelnemer gegevens betreffende kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn op het risicobeheer, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico’s en rendementen van de voornaamste categorie financiële instrumenten.
Artikel 75
De artikelen 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing op beheerders, beleggingsmaatschappijen en bewaarders.
Artikel 76
Indien een beheerder opdracht verleent aan een derde om een of meer werkzaamheden in het kader van het beheer van een door hem beheerde beleggingsinstelling te verrichten, is onverminderd artikel 27 met betrekking tot die opdracht het volgende van toepassing:
a. indien de opdrachtverlening het uitvoeren van het beleggingsbeleid betreft, geschiedt dit uitsluitend aan een opdrachtnemer waaraan voor het beheer van beleggingsinstellingen of voor individueel vermogensbeheer een vergunning of erkenning is verleend en die aan prudentieel toezicht is onderworpen;
b. bij opdrachtverlening aan een opdrachtnemer uit een staat die geen lidstaat of niet is aangewezen op grond van artikel 17c, eerste lid, van de wet, is de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in de staat van de zetel van de opdrachtnemer op grond van een overeenkomst gewaarborgd; en
c. de belangen van de opdrachtnemer zijn niet strijdig met die van de beheerder, de bewaarder of de deelnemers in de beleggingsinstelling.
Artikel 77
De statuten of het fondsreglement van een beleggingsinstelling vermelden:
a. de wijze waarop de bepaling plaatsvindt van de emissie-, verkoop- of inkoopprijs, en het bedrag bij terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming;
b. de aard van de kosten die ten laste komen van het resultaat, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.
1.
Een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, draagt een accountant op om zich ten minste eenmaal per kwartaal ervan te vergewissen dat de berekening van de waarde van rechten van deelneming plaatsvindt overeenkomstig haar statuten en dit besluit en dat de activa van de beleggingsmaatschappij zijn belegd in overeenstemming met haar statuten alsmede met de in de artikelen 57 tot en met 70 vervatte regels, waarbij tussen elk van de tijdstippen van vergewissing een periode van ten minste een week ligt.
2.
Een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, koopt of verkoopt al dan niet door tussenkomst van een derde haar rechten van deelneming dan wel geeft deze uit, om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze meer dan vijf procent afwijkt van de intrinsieke waarde.
Artikel 79
Een beleggingsinstelling die belegt in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen die door haar beheerder worden beheerd of door een beheerder waarmee haar beheerder in een groep is verbonden, brengt geen kosten in rekening voor inschrijving of aflossing ten aanzien van de rechten van deelneming in die andere beleggingsinstellingen.
Artikel 80
Artikel 36 is van overeenkomstige toepassing op beheerders als bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de wet.
1.
Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 17c, eerste lid, van de wet, een staat aanwijzen als staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen indien:
a. de in die staat geldende regels voor het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling en het toezicht op de naleving daarvan gelijkwaardig zijn aan het bij of krachtens de wet bepaalde, met betrekking tot:
1°. deskundigheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;
4°. aan de deelnemers in de beleggingsinstelling, de toezichthouder en aan het publiek te verstrekken informatie; en
5°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
b. de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in die staat is gewaarborgd; en
c. voor het bevoegde gezag in die staat regels gelden die gelijkwaardig zijn aan die in de artikelen 26 tot en met 27d van de wet.
2.
Indien Onze Minister een verzoek van een staat, om te beoordelen of in die staat in voldoende mate waarborgen worden geboden ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen in behandeling neemt, vraagt Onze Minister advies aan de toezichthouder alvorens een besluit te nemen over het verzoek.
3.
Het advies aan Onze Minister heeft betrekking op de vraag of de regels in de betrokken staat en het toezicht dat op de naleving daarvan wordt uitgeoefend in de betrokken staat gelijkwaardig zijn aan het bij en krachtens de artikelen 5 en 12 van de wet bepaalde.
4.
Onze Minister verschaft de toezichthouder alle informatie en middelen die nodig zijn om een advies te geven over het verzoek van de desbetreffende staat.
5.
Onze Minister stelt als voorwaarde bij het toewijzen van het verzoek dat de betrokken staat Onze Minister in kennis stelt van wijzigingen in de regels en in het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld in het eerste lid.
6.
Onze Minister verzoekt de toezichthouder in voorkomend geval om aanvullend advies.
7.
Onze Minister kan indien daartoe aanleiding is de aanwijzing tot staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt intrekken.
Artikel 82
De artikelen 36 en 39 tot en met 49 zijn van overeenkomstige toepassing op beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 17c, eerste lid, van de wet.
1.
Het bedrag van de boete, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, tweede volzin, van de wet wordt bepaald op de wijze, voorzien in bijlage C .
2.
De toezichthouder kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.
Artikel 84
[Wijzigt de Wet toezicht beleggingsinstellingen.]
Artikel 85
[Wijzigt het Besluit financiële bijsluiter.]
Artikel 86
[Wijzigt het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag.]
Artikel 87
Het Besluit toezicht beleggingsinstellingen wordt ingetrokken.
Artikel 88
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 89
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Tavarnelle, 23 juli 2005
De Minister van Financiën ,
Uitgegeven de vierde augustus 2005
De Minister van Justitie a.i. ,
Inhoudsopgave
+ § I. Inleidende bepalingen
+ § II. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 5, eerste lid, en 9, tweede lid, van de wet
+ § III. Bepalingen ter uitvoering van artikel 6, eerste en zesde lid, van de wet
+ § IV. Bepalingen ter uitvoering van artikel 12, eerste, tweede en zevende lid, van de wet
+ § V. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 6, vijfde lid, en 12, derde lid, van de wet
+ § VI. Bepaling ter uitvoering van artikel 17a, zevende lid, van de wet
+ § VII. Bepalingen ter uitvoering van artikel 17c van de wet
+ § VIII. Bepaling ter uitvoering van artikel 33d, eerste lid, van de wet
+ § IX. Wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de wet en van andere besluiten
+ § X. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht