Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit toezicht beleggingsinstellingen 2005

Uitgebreide informatie
Artikel 51
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op beheerders, beleggingsinstellingen of bewaarders als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de wet.
1.
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op het eigen vermogen van beheerders en van beleggingsmaatschappijen die geen aparte beheerder hebben.
2.
Indien het eigen vermogen van een beheerder of beleggingsmaatschappij niet voldoet aan artikel 16 meldt de beheerder of de beleggingsmaatschappij dit onverwijld aan de toezichthouder en brengt het eigen vermogen binnen een door de toezichthouder te stellen termijn in overeenstemming met artikel 16.
Artikel 53
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder verstrekt geen kredieten voor rekening van derden, stelt zich niet garant en gaat geen borgtochtverplichtingen aan.
Artikel 54
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder verkoopt geen financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, die de beleggingsinstelling niet in eigendom heeft.
1.
Een beheerder, beleggingsmaatschappij of bewaarder gaat niet als debiteur geldleningen aan.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op het aangaan van:
a. kortlopende leningen die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van de activa van de beleggingsinstelling;
b. leningen voor het verwerven van onroerende zaken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij en die gezamenlijk niet meer bedragen dan tien procent van haar activa, voor zover de omvang van deze geldleningen tezamen met de omvang van de in onderdeel a genoemde leningen niet meer bedraagt dan vijftien procent van haar activa;
c. leningen met als doel de verwerving van vreemde valuta waardoor de netto schuld van de beleggingsinstelling niet verandert of zal veranderen.
Artikel 56
Een beheerder die ook diensten van individueel vermogensbeheer verricht als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de wet, belegt de gelden van een belegger niet geheel of gedeeltelijk in door hem beheerde beleggingsinstellingen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de belegger.
Artikel 57
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt uitsluitend belegd in:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een lidstaat;
b. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die zijn toegelaten tot de notering op een effectenbeurs dan wel worden verhandeld op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een staat die geen lidstaat is, voorzover de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling voorzien in belegging in deze financiële instrumenten;
c. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° en met 3°, waarvan het aannemelijk is dat zij binnen een jaar na emissie zullen worden toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt, een effectenbeurs of ter verhandeling zullen worden aangeboden op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt, voorzover de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling voorzien in belegging in deze financiële instrumenten;
d. rechten van deelneming in beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet waarvoor op grond van artikel 5 van de wet een vergunning is verleend of in beleggingsinstellingen die overeenkomstig de richtlijn in een andere lidstaat zijn toegelaten, mits de betreffende beleggingsinstellingen volgens hun statuten of fondsreglementen niet meer dan tien procent van hun beheerde vermogen beleggen in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen;
e. rechten van deelneming in beleggingsinstellingen met zetel in een staat die door Onze Minister is aangewezen op grond van artikel 17c van de wet, of in beleggingsinstellingen waarop het toezicht naar het oordeel van het bevoegde gezag in andere lidstaten gelijkwaardig is aan de richtlijn en ten aanzien waarvan de samenwerking tussen de bevoegde gezagen genoegzaam is gewaarborgd, indien:
1°. de rechten van deelneming in de beleggingsinstellingen op verzoek van de deelnemers ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald;
2°. het reglementaire of statutaire doel van de beleggingsinstellingen uitsluitend is het beleggen in financiële instrumenten of deposito’s met toepassing van het beginsel van risicospreiding;
3°. de op de beleggingsinstellingen toepasselijke regels inzake scheiding van het vermogen, opnemen en verstrekken van leningen en verkopen van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, vanuit een ongedekte positie gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van de richtlijn; en
4°. de beleggingsinstellingen volgens hun statuten of fondsreglementen niet meer dan tien procent van hun beheerde vermogen beleggen in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen;
f. deposito’s;
g. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt of op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een lidstaat, voor zover de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin de beleggingsinstelling krachtens haar statuten of reglementen bevoegd is te beleggen;
h. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die zijn toegelaten tot de notering op een effectenbeurs dan wel worden verhandeld op een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt in een staat die geen lidstaat is, voor zover de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin de beleggingsinstelling krachtens haar statuten of fondsreglement bevoegd is te beleggen;
i. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, indien:
1°. de waarde afhankelijk is van de in dit artikel genoemde financiële instrumenten en deposito’s, financiële indices, rentetarieven, wisselkoersen of valuta’s waarin beleggingsinstelling krachtens haar statuten of reglementen bevoegd is te beleggen;
2°. de tegenpartij een aan prudentieel toezicht onderworpen instelling is en behoort tot de categorieën die erkend zijn door de toezichthouder of een bevoegd gezag in een andere lidstaat, en
3°. zij aan betrouwbare en verifieerbare dagelijkse waardering onderworpen zijn en te allen tijde tegen hun waarde in het economisch verkeer op initiatief van de beleggingsinstellingen kunnen worden verkocht, te gelde gemaakt of afgesloten door een compenserende transactie; of
j. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, die buiten een gereglementeerde markt worden verhandeld, indien de emissie of de emittent van deze instrumenten zelf aan regelgeving is onderworpen met het oog op de bescherming van beleggers en spaargelden, en deze instrumenten:
1°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of plaatselijke overheid, de centrale bank van een lidstaat, de Europese Centrale Bank, de Europese Unie of de Europese Investeringsbank, een staat die geen lidstaat is, een deelstaat van een federale staat, dan wel een internationale publiekrechtelijke instelling waarin een of meer lidstaten deelnemen;
2°. worden uitgegeven door ondernemingen waarvan financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, worden verhandeld op een gereglementeerde markt, een effectenbeurs of een andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende en open markt;
3°. worden uitgegeven of gegarandeerd door een instelling die in een lidstaat aan prudentieel toezicht is onderworpen of door een instelling die onderworpen is aan prudentieel toezicht dat in ieder geval gelijkwaardig is aan het ingevolge het gemeenschapsrecht geldende prudentieel toezicht; of
4°. worden uitgegeven door andere instellingen waarvoor een gelijkwaardige bescherming van de belegger geldt als is vastgelegd in dit onderdeel, aanhef en onder 1°, 2° en 3°, indien de uitgevende instelling een onderneming is waarvan het kapitaal en de reserves in totaal ten minste € 10.000.000 bedragen en haar jaarrekeningen presenteert en publiceert overeenkomstig de Vierde richtlijn nr. 78/660/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3 sub g) van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschappen (PbEG L 222), of een rechtspersoon is die binnen een groep ondernemingen waartoe een of meer ter beurze genoteerde ondernemingen behoren, specifiek gericht is op de financiering van de groep, of een rechtspersoon is specifiek gericht op de financiering van effectiseringsinstrumenten waarvoor een bankliquiditeitenlijn bestaat.
Artikel 58
In afwijking van artikel 57 kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling:
a. voor ten hoogste tien procent worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die niet zijn toegelaten tot of worden verhandeld op een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, open en erkende markt;
b. indien het een beleggingsmaatschappij betreft: worden belegd in goederen die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheid;
c. worden aangehouden in accessoir liquide middelen.
Artikel 59
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt niet belegd in edele metalen dan wel in certificaten die deze metalen vertegenwoordigen.
1.
De risicobeheersingprocedure, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel i, bevat een procedure voor de waardevaststelling van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld. De beleggingsinstelling doet de toezichthouder regelmatig mededeling van de tot haar activa behorende soorten financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, de onderliggende risico’s, de kwantitatieve begrenzingen en de methodes die zijn gekozen om de aan transacties in deze financiële instrumenten verbonden risico’s te ramen.
2.
Het totale risico van een beleggingsinstelling bedraagt niet meer dan tweemaal de totale nettowaarde van de activa. Het totale risico van een beleggingsinstelling wordt met niet meer dan tien procent van de totale nettowaarde van haar portefeuille vergroot door het aangaan van kortlopende leningen, in welk geval het totale risico van de beleggingsinstelling niet meer dan 210 procent bedraagt van de totale nettowaarde van haar portefeuille.
3.
Het totale risico van de beleggingsinstelling in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, overschrijdt niet de totale nettowaarde van de activa. Voor de berekening van het risico worden de dagwaarde van de onderliggende activa, het tegenpartijrisico, toekomstige marktbewegingen en de voor de liquidatie van de posities beschikbare tijd in aanmerking genomen.
4.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling kan in het kader van het beleggingsbeleid en binnen de in artikel 64 gestelde begrenzingen worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, voor zover het risico met betrekking tot de onderliggende activa in totaal niet de in de artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 gestelde begrenzingen overschrijdt. Indien het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling in op een index gebaseerde financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, wordt belegd, worden die beleggingen voor de toepassing van de in de artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 gestelde begrenzingen bepaalde bovengrens niet samengeteld.
5.
Onverminderd artikel 36 vestigt een beleggingsinstelling die voornamelijk belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, in haar reclame-uitingen duidelijk de aandacht op haar beleggingsbeleid.
6.
De toezichthouder kan regels stellen met betrekking tot de berekening van het risico, de wijze van vaststelling van de dagwaarde van de onderliggende activa, de soorten verplichtingen die leiden tot een tegenpartijrisico, het meewegen van toekomstige marktbewegingen bij de vaststelling en de methodes die mede afhankelijk van de aard van het financiële instrument waarin wordt belegd, voor berekening van de risico’s kunnen worden gehanteerd.
1.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt tot ten hoogste tien procent belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, uitgegeven door één uitgevende instelling. Een beleggingsinstelling belegt niet meer dan twintig procent van het beheerde vermogen in deposito’s bij één instelling.
2.
Het tegenpartijrisico van een beleggingsinstelling bij een transactie in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bedraagt niet meer dan:
a. tien procent van haar vermogen wanneer de tegenpartij een kredietinstelling is; of
b. vijf procent van haar vermogen, in andere gevallen.
3.
De totale waarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die de beleggingsinstelling houdt in uitgevende instellingen waarin zij per instelling voor meer dan vijf procent belegt, bedraagt niet meer dan veertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling. Deze begrenzing is niet van toepassing op deposito’s en transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, bij onderscheidenlijk met financiële instellingen die aan prudentieel toezicht onderworpen zijn.
4.
Onverminderd de in het eerste en tweede lid bepaalde individuele begrenzingen wordt het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste twintig procent belegd in één instelling in een combinatie van:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die door die instelling zijn uitgegeven;
b. deposito’s bij die instelling; of
c. risico’s ten gevolge van transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, die buiten een gereglementeerde markt, effectenbeurs, of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markt worden verhandeld, met betrekking tot die instelling.
5.
Bij de berekening van de door de beleggingsinstelling gelopen risico’s bij beleggingen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordt het risico bepaald aan de hand van het maximale verlies voor de beleggingsinstelling wanneer een tegenpartij in gebreke blijft. De toezichthouder kan nadere regels stellen over de berekening van het tegenpartijrisico en de daarbij in aanmerking te nemen zekerheden als beperking van het door de beleggingsinstelling gelopen tegenpartijrisico.
1.
In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste vijfentwintig procent worden belegd in obligaties die worden uitgegeven door een kredietinstelling die haar zetel heeft in een lidstaat en die ingevolge de wet van die lidstaat is onderworpen aan een bijzonder overheidstoezicht met het oog op de bescherming van de houders van deze obligaties voor zover de opbrengst van die obligaties overeenkomstig de wet van die lidstaat belegd wordt in activa die gedurende de gehele looptijd van de obligaties voldoende dekking bieden voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen en die bij een in gebreke blijven van de uitgevende instelling bij voorrang bestemd zijn voor de aflossing van de hoofdsom en betaling van de opgebouwde rente.
2.
Indien het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling voor meer dan vijf procent wordt belegd in obligaties als bedoeld in het eerste lid die door één instelling zijn uitgegeven, bedraagt de totale waarde van deze beleggingen niet meer dan tachtig procent van de activa van die uitgevende instelling.
1.
In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste vijfendertig procent worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is, of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen.
2.
Op verzoek van een beleggingsinstelling kan de toezichthouder ontheffing verlenen van het eerste lid en beleggingen voor een hoger percentage dan genoemd in het eerste lid toestaan indien:
a. de beleggingsinstelling financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, van ten minste zes verschillende emissies van een in het eerste lid bedoelde uitgevende staat, openbaar lichaam of internationale organisatie in portefeuille heeft;
b. de financiële instrumenten van een zelfde emissie niet meer bedragen dan dertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling;
c. de uitgevende staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie in de statuten of het fondsreglement van de beleggingsinstelling wordt genoemd; en
d. de deelnemers in de beleggingsinstelling bescherming genieten die gelijkwaardig is aan de bescherming die voortvloeit uit het eerste lid en de artikelen 61, 62, en 64.
3.
Onverminderd artikel 36 vestigt de beleggingsinstelling in haar reclame-uitingen op opvallende wijze de aandacht op de ontheffing, bedoeld in het tweede lid, onder vermelding van de staat, het openbaar lichaam of de internationale organisatie die de financiële instrumenten, bedoeld in het tweede lid, uitgeeft of garandeert waarin de beleggingsinstelling voor meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen belegt.
1.
De in de artikelen 62 en 63, eerste lid, bedoelde financiële instrumenten worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in artikel 61, derde lid, bedoelde begrenzing van veertig procent.
2.
De overeenkomstig de artikelen 61, 62 en 63, eerste lid, verrichte beleggingen in door één instelling uitgegeven financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 1° tot en met 4°, dan wel in deposito’s bij of financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, 6° tot en met 9°, van die instelling, bedragen in geen geval samen meer dan vijfendertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
3.
Voor de berekening van de in de artikelen 61, 62 en 63, eerste lid, gestelde begrenzingen worden ondernemingen die tot een groep worden gerekend voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen, overeenkomstig de Zevende richtlijn nr. 83/349/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (PbEG L 193), of andere erkende internationale financiële verslagleggingsregels, als één instelling beschouwd, met dien verstande dat de beleggingen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, eerste volzin, in de afzonderlijke ondernemingen die tot de groep behoren kunnen worden gecumuleerd tot ten hoogste twintig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
4.
De activa van beleggingsinstellingen in wier rechten van deelneming de beleggingsinstelling belegt, worden voor het vaststellen van de in artikelen 61, 62, 63, eerste lid, en 64 bedoelde begrenzingen niet opgeteld bij de beleggingen van de beleggingsinstelling.
1.
In afwijking van artikel 61, eerste lid, kan het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling tot ten hoogste twintig procent worden belegd in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° en 2°, van één uitgevende instelling indien in het fondsreglement of de statuten van de beleggingsinstelling is bepaald dat het beleggingsbeleid van de beleggingsinstelling erop is gericht de samenstelling van een bepaalde aandelen- of obligatie-index te volgen, en deze index voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de samenstelling van de index is gediversifieerd;
b. de index is representatief voor de markt waarop hij betrekking heeft; en
c. de index wordt op passende wijze bekendgemaakt.
2.
Indien uitzonderlijke marktomstandigheden daartoe aanleiding geven kan de toezichthouder bepalen dat de begrenzing bedoeld in het eerste lid wordt verhoogd tot vijfendertig procent.
3.
Onverminderd artikel 36 vestigt de belegginginstelling, bedoeld in het eerste lid, in haar reclame-uitingen duidelijk de aandacht op haar beleggingsbeleid.
1.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt tot ten hoogste twintig procent belegd in rechten van deelneming als bedoeld in artikel 57, onderdeel d of e, die zijn uitgegeven door één beleggingsinstelling.
2.
De beleggingen in rechten van deelneming in beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 57, onderdeel e, bedragen in totaal niet meer dan dertig procent van het beheerde vermogen van de beleggingsinstelling.
1.
Een beheerder verwerft, voor de door hem beheerde beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet gezamenlijk, niet meer dan twintig procent van de aandelen met stemrecht in één uitgevende instelling.
2.
Het beheerde vermogen van een beleggingsinstelling wordt niet belegd in meer dan:
a. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1°, zonder stemrecht van één uitgevende instelling;
b. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2°, van één uitgevende instelling;
c. vijfentwintig procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5°, van dezelfde beleggingsinstelling; of
d. tien procent van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 4°, van één uitgevende instelling.
3.
De in onderdelen b, c en d van het tweede lid genoemde begrenzingen hoeven niet in acht te worden genomen indien de brutowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 2° of 4°, of de nettowaarde van de financiële instrumenten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 5º, op het tijdstip van verwerving, niet kan worden berekend.
Artikel 68
Artikel 67 is niet van toepassing op het verwerven van onderscheidenlijk het beleggen in:
a. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die zijn uitgegeven of worden gegarandeerd door een lidstaat, een openbaar lichaam met verordenende bevoegdheid in een lidstaat, een staat die geen lidstaat is of een internationale organisatie waarin een of meer lidstaten deelnemen;
b. aandelen in het kapitaal van een rechtspersoon, gevestigd in een staat die geen lidstaat is, die met inachtneming van de begrenzingen, bedoeld in de artikelen 61, 62, 63, eerste lid, 64, 66 en 67, zijn vermogen in hoofdzaak belegt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, van uitgevende instellingen, gevestigd in die staat, wanneer krachtens de wet van die staat een dergelijke deelneming voor de beleggingsinstelling de enige mogelijkheid is om in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 3°, van uitgevende instellingen in die staat te beleggen;
c. aandelen in het kapitaal van een dochteronderneming van de beleggingsmaatschappij die uitsluitend ten behoeve van de beleggingsmaatschappij bepaalde beheers-, advies- of verhandelingswerkzaamheden verricht in de staat waar de dochteronderneming is gevestigd, met het oog op de inkoop van rechten van deelneming op verzoek van deelnemers.
Artikel 69
De toezichthouder verleent een beleggingsinstelling voor een periode van ten hoogste zes maanden na het aanbod van de rechten van deelneming, bedoeld in artikel 42, eerste lid, op verzoek ontheffing van het bepaalde in de artikelen 61 tot en met 66 indien de beleggingsinstelling de beginselen van risicospreiding in haar beleggingen in acht neemt.
1.
De in deze paragraaf gestelde begrenzingen gelden niet bij de uitoefening van voorkeursrechten die zijn verbonden aan financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 1° tot en met 4°, die deel uitmaken van de activa van de beleggingsinstelling.
2.
Wanneer de in deze paragraaf gestelde begrenzingen buiten de wil van de beleggingsinstelling of ten gevolge van de uitoefening van voorkeursrechten worden overschreden, treft de beleggingsinstelling, met inachtneming van de belangen van de deelnemers, bij voorrang de nodige maatregelen opdat deze overschrijding ongedaan wordt gemaakt.
Artikel 71
Een beleggingsinstelling legt binnen vier weken na een verzoek daartoe van de toezichthouder, dan wel binnen vier weken na afloop van het boekjaar, een mededeling van een accountant over aan de toezichthouder waaruit blijkt dat de beleggingsinstelling in overeenstemming heeft gehandeld met de artikelen 56 tot en met 70.
Artikel 72
Gelijktijdig met de verkrijgbaarstelling van het prospectus, bedoeld in artikel 42, derde lid, zendt de beheerder een afschrift van het prospectus en van de financiële bijsluiter, bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Besluit financiële dienstverlening, van de beleggingsinstelling aan de toezichthouder.
1.
Onverminderd de artikelen 43, tweede lid, 45, eerste lid, 46, eerste lid, en 47, eerste lid, bevatten de balans en winst- en verliesrekening van een beleggingsinstelling of de toelichtingen daarop de volgende gegevens:
a. tegoeden bij kredietinstellingen;
b. een onderscheid in de overzichten van de beleggingen, bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdelen a en b, naar:
1°. financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de notering op een gereglementeerde markt;
2°. financiële instrumenten die op effectenbeurzen of andere geregelde, regelmatig functionerende, erkende open markten worden verhandeld;
3°. nieuw uitgegeven financiële instrumenten als bedoeld in artikel 57, onderdeel c; en
4°. financiële instrumenten als bedoeld in artikel 58, onderdeel a;
c. een sluitend overzicht van de gesaldeerde mutaties in de verslagperiode in het eigen vermogen van de beleggingsmaatschappij of het beheerde vermogen van het beleggingsfonds ten gevolge van en uitgesplitst naar:
1°. inkomsten uit beleggingen;
2°. overige inkomsten;
3°. belastingen;
4°. de bestemming, of voorgestelde bestemming, van het netto-resultaat;
5°. de vermeerdering of vermindering van het eigen vermogen van de beleggingsmaatschappij of van het beheerde vermogen van het beleggingsfonds;
6°. meer- en minderwaarde op beleggingen; en
7°. overige mutaties van de activa en passiva; en
d. het bedrag van de verplichtingen onderscheiden naar soort aan het einde van het boekjaar die voortvloeien uit verrichtingen met betrekking tot financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9°, en voorzover deze niet reeds in de balans en de winst- en verliesrekening zijn opgenomen.
2.
Onverminderd artikel 48 neemt een beleggingsinstelling in de halfjaarcijfers de gegevens op, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zoals deze luidden aan het einde van de eerste helft van het boekjaar.
1.
Een beleggingsinstelling publiceert telkens wanneer zij haar rechten van deelneming emitteert, verkoopt, inkoopt, of daarop terugbetaalt de emissiekoers, de verkoop- onderscheidenlijk inkoopprijs en het bedrag van de terugbetaling op de website van haar beheerder. De toezichthouder kan de beleggingsinstelling op verzoek toestaan deze bekendmaking eenmaal per maand te doen, indien de belangen van de deelnemers daardoor niet worden geschaad.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede lid.
3.
Onverminderd artikel 35 brengt een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming ten minste tweemaal per week ter kennis van de toezichthouder en publiceert zij de intrinsieke waarde van de rechten van deelneming tweemaal per maand op de website van haar beheerder waarbij tussen elk van de tijdstippen van publicatie een periode van ten minste een week ligt.
4.
Een beleggingsinstelling verschaft desgevraagd aan een deelnemer gegevens betreffende kwantitatieve begrenzingen die van toepassing zijn op het risicobeheer, de daartoe gekozen methodes en de recente ontwikkeling van de risico’s en rendementen van de voornaamste categorie financiële instrumenten.
Artikel 75
De artikelen 17 en 18 zijn van overeenkomstige toepassing op beheerders, beleggingsmaatschappijen en bewaarders.
Artikel 76
Indien een beheerder opdracht verleent aan een derde om een of meer werkzaamheden in het kader van het beheer van een door hem beheerde beleggingsinstelling te verrichten, is onverminderd artikel 27 met betrekking tot die opdracht het volgende van toepassing:
a. indien de opdrachtverlening het uitvoeren van het beleggingsbeleid betreft, geschiedt dit uitsluitend aan een opdrachtnemer waaraan voor het beheer van beleggingsinstellingen of voor individueel vermogensbeheer een vergunning of erkenning is verleend en die aan prudentieel toezicht is onderworpen;
b. bij opdrachtverlening aan een opdrachtnemer uit een staat die geen lidstaat of niet is aangewezen op grond van artikel 17c, eerste lid, van de wet, is de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in de staat van de zetel van de opdrachtnemer op grond van een overeenkomst gewaarborgd; en
c. de belangen van de opdrachtnemer zijn niet strijdig met die van de beheerder, de bewaarder of de deelnemers in de beleggingsinstelling.
Artikel 77
De statuten of het fondsreglement van een beleggingsinstelling vermelden:
a. de wijze waarop de bepaling plaatsvindt van de emissie-, verkoop- of inkoopprijs, en het bedrag bij terugbetaling van de waarde van de rechten van deelneming;
b. de aard van de kosten die ten laste komen van het resultaat, in mindering worden gebracht op het beheerde vermogen of anderszins ten laste komen van de deelnemers in de beleggingsinstelling.
1.
Een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, draagt een accountant op om zich ten minste eenmaal per kwartaal ervan te vergewissen dat de berekening van de waarde van rechten van deelneming plaatsvindt overeenkomstig haar statuten en dit besluit en dat de activa van de beleggingsmaatschappij zijn belegd in overeenstemming met haar statuten alsmede met de in de artikelen 57 tot en met 70 vervatte regels, waarbij tussen elk van de tijdstippen van vergewissing een periode van ten minste een week ligt.
2.
Een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid, koopt of verkoopt al dan niet door tussenkomst van een derde haar rechten van deelneming dan wel geeft deze uit, om te voorkomen dat de waarde van haar rechten van deelneming ter beurze meer dan vijf procent afwijkt van de intrinsieke waarde.
Artikel 79
Een beleggingsinstelling die belegt in rechten van deelneming in andere beleggingsinstellingen die door haar beheerder worden beheerd of door een beheerder waarmee haar beheerder in een groep is verbonden, brengt geen kosten in rekening voor inschrijving of aflossing ten aanzien van de rechten van deelneming in die andere beleggingsinstellingen.
Inhoudsopgave
+ § I. Inleidende bepalingen
+ § II. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 5, eerste lid, en 9, tweede lid, van de wet
+ § III. Bepalingen ter uitvoering van artikel 6, eerste en zesde lid, van de wet
+ § IV. Bepalingen ter uitvoering van artikel 12, eerste, tweede en zevende lid, van de wet
- § V. Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 6, vijfde lid, en 12, derde lid, van de wet
+ § VI. Bepaling ter uitvoering van artikel 17a, zevende lid, van de wet
+ § VII. Bepalingen ter uitvoering van artikel 17c van de wet
+ § VIII. Bepaling ter uitvoering van artikel 33d, eerste lid, van de wet
+ § IX. Wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de wet en van andere besluiten
+ § X. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht