Besluit van 8 november 2012, strekkende tot uitvoering van EU-verordeningen op het terrein van de financiële markten en tot wijziging van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband daarmee (Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 5 september 2012, Directie Financiële Markten, FM/2012/1280M;
Gelet op de artikelen 1:24, derde lid, 1:25, derde lid, 1:25a, tweede lid, 1:25c, 1:79, eerste lid, onderdeel b, 1:80, eerste lid, onderdeel b, 1:81, en 1:97, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op het financieel toezicht;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 2012, nr. W06.12.0379/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 2 november 2012, Directie Financiële Markten, nr. FM/2012/1478 M;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
bevoegde autoriteit: de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 2;
verordening (EG) nr. 809/2004 (prospectus): verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU 2004 L 149);
verordening (EG) nr. 1287/2006 (MiFID): verordening (EG) nr. 1287/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (PbEU 2006 L 241);
verordening (EG) nr. 924/2009 (grensoverschrijdende betalingen): verordening (EG) nr. 924/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Gemeenschap en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2560/2001 (PbEU 2009 L 266);
verordening (EG) nr. 1060/2009 (ratingbureaus): verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PbEU 2009 L 302);
verordening (EU) nr. 583/2010 (essentiële beleggersinformatie): verordening (EU) nr. 583/2010 van de Europese Commissie van 1 juli 2010 tot uitvoering van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft essentiële beleggersinformatie en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan als de essentiële beleggersinformatie of het prospectus op een andere duurzame drager dan papier of via een website wordt verstrekt (PbEU 2010 L 176);
verordening (EU) nr. 1031/2010 (veiling van broeikasgasemissierechten): verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Europese Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2010 L 302);
verordening (EU) nr. 236/2012 (short selling en kredietverzuimswaps): verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 betreffende short selling en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps (PbEU 2012 L 86);
verordening (EU) nr. 260/2012 (betaaldiensten): verordening (EU) nr. 260/2012 van 14 maart 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PbEU 2012 L 94);
verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR): verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli inzake otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PbEU 2012, L 201);
verordening (EU) nr. 345/2013 (Europese durfkapitaalfondsen): verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PbEU 2013, L 115);
verordening (EU) nr. 346/2013 (Europese sociaalondernemerschapsfondsen): verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PbEU 2013, L 115);
verordening (EU) nr. 575/2013 (Kapitaalvereisten): verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176);
verordening (EU) nr. 806/2014 (gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme): verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 225);
verordening (EU) nr. 909/2014 (centrale effectenbewaarinstellingen): verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PbEU 2014, L 257);
Verordening (EU) nr. 2015/760 (Europese langetermijnbeleggingsinstellingen): verordening (EU) nr. 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PbEU 2015, L 123);
verordening (EU) nr. 2015/35 (Solvabiliteit II): gedelegeerde verordening (EU) nr. 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PbEU L 12).
1.
Als bevoegde autoriteit in de zin van de hierna genoemde verordeningen, belast met de uitvoering en handhaving van de bij of krachtens die verordeningen gestelde regels, worden aangewezen:
a. voor verordening (EG) nr. 809/2004 (prospectus): de Autoriteit Financiële Markten;
b. voor verordening (EG) nr. 1287/2006 (MiFID): de Autoriteit Financiële Markten;
c. voor verordening (EG) nr. 924/2009 (grensoverschrijdende betalingen): de Autoriteit Financiële Markten;
d. voor verordening (EG) nr. 1060/2009 (ratingbureaus):
1°. ten aanzien van de gehele verordening met uitzondering van artikel 4, eerste lid, voor zover het een bank, centrale tegenpartij, herverzekeraar, pensioenfonds, premiepensioeninstelling of verzekeraar betreft, en artikel 5 bis, eerste lid: de Autoriteit Financiële Markten;
2°. ten aanzien van artikel 4, eerste lid, voor zover het een bank, centrale tegenpartij, herverzekeraar, pensioenfonds, premiepensioeninstelling of verzekeraar betreft, en artikel 5 bis, eerste lid: de Nederlandsche Bank;
e. voor verordening (EU) nr. 583/2010 (essentiële beleggersinformatie): de Autoriteit Financiële Markten;
f. voor verordening (EU) nr. 1031/2010 (veiling van broeikasgasemissierechten), voor zover het betreft de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen als bedoeld in artikel 18, tweede en derde lid, en tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van die vergunningen: de Autoriteit Financiële Markten;
g. voor verordening (EU) nr. 236/2012 (short selling en kredietverzuimswaps): de Autoriteit Financiële Markten;
h. voor verordening (EU) nr. 260/2012 (betaaldiensten):
1°. ten aanzien van de artikelen 3 tot en met 6 en 9 de Nederlandsche Bank;
2°. ten aanzien van artikel 8 de Autoriteit Consument en Markt;
i. voor verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR):
1°. ten aanzien van de artikelen 4, 9,11, 12, voor zover de financiële tegenpartij een bank, verzekeraar, herverzekeraar of pensioenfonds is, alsmede ten aanzien van de artikelen 14 tot en met 21, 25, tot en met 35 en 40 tot en met 54: de Nederlandsche Bank;
2°. ten aanzien van de artikelen 4, 9, 11, 12, voor zover de financiële tegenpartij geen bank, verzekeraar, herverzekeraar of pensioenfonds is, alsmede ten aanzien van de artikelen 5 tot en met 8, 10, 36 tot en met 39, 57, 59, 61 tot en met 63, 68 en 71 tot en met 74: de Autoriteit Financiële Markten;
j. voor verordening (EU) nr. 345/2013 (Europese durfkapitaalfondsen): de Autoriteit Financiële Markten;
k. voor verordening (EU) nr. 346/2013 (Europese sociaalondernemerschapsfondsen): de Autoriteit Financiële Markten;
l. voor verordening (EU) nr. 575/2013 (Kapitaalvereisten): de Nederlandsche Bank;
m. voor verordening (EU) nr. 909/2014 (centrale effectenbewaarinstelllingen):
1°. ten aanzien van de artikelen 9, voor zover het een bank betreft, 39 tot en met 47, 54 tot en met 57 en 59 en 60: de Nederlandsche Bank;
2°. ten aanzien van de artikelen 3 tot en met 7, 9, voor zover het een andere onderneming dan een bank betreft, 16 tot en met 20, 23, 26 tot en met 38 en 48 tot en met 53: de Autoriteit Financiële Markten;
n. voor verordening (EU) nr. 2015/760 (Europese langetermijnbeleggingsinstellingen): de Autoriteit Financiële Markten;
n. voor verordening (EU) nr. 2015/35 (Solvabiliteit II): de Nederlandsche Bank.
2.
De Europese Centrale Bank treedt in de plaats van de Nederlandsche Bank als bevoegde autoriteit als bedoeld in het eerste lid, indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PbEU 2013, L 287).
1.
De Nederlandsche Bank vraagt advies aan de Autoriteit Financiële Markten voordat zij:
a. beslist op een aanvraag als bedoeld in de artikelen 14, 15 en 17 van verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR), of in het kader van artikel 3:28a van de wet, voor zover betrekking hebbend op de artikelen 26 tot en met 35 en 51 tot en met 54 van die verordening, indien in dat kader dient te worden beoordeeld of wordt voldaan aan het bij of krachtens het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen bepaalde; of
b. een vergunning intrekt op grond van artikel 20 van verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR).
2.
De Autoriteit Financiële Markten brengt het advies schriftelijk uit binnen zes weken na het verzoek.
3.
De Nederlandsche Bank volgt het advies, bedoeld in het eerste lid, tenzij zwaarwegende redenen betreffende de soliditeit van de aanvrager of de stabiliteit van het financiële stelsel naar het oordeel van de Nederlandsche Bank aanleiding tot afwijking geven. Indien de Nederlandsche Bank overweegt af te wijken, stelt zij de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid om haar advies mondeling toe te lichten. De Nederlandsche Bank motiveert een afwijking schriftelijk.
4.
Het advies, bedoeld in het eerste lid, maakt deel uit van het besluit ten aanzien van de vergunning, instemming of intrekking.
1.
Indien de Autoriteit Financiële Markten voornemens is een vergunning te verlenen als bedoeld in de artikelen 16 of 19 van verordening (EU) nr. 909/2014 (centrale effectenbewaarinstellingen), een vergunning in te trekken op grond van artikel 20 van die verordening of op grond van artikel 1:79 of 1:80 van de wet een besluit te nemen ter zake van overtreding van de artikelen 26 tot en met 31 en 48 tot en met 53 van die verordening, stelt zij de Nederlandsche Bank van het voorgenomen besluit in kennis.
2.
Indien de Nederlandsche Bank naar aanleiding van een inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, oordeelt dat zwaarwegende redenen betreffende de soliditeit van de betrokken onderneming of de stabiliteit van het financiële stelsel daar aanleiding toe geven, kan zij een bindende aanbeveling doen aan de Autoriteit Financiële Markten omtrent een besluit als bedoeld in het eerste lid.
3.
Een bindende aanbeveling als bedoeld in het tweede lid is met redenen omkleed en wordt binnen zes weken na de inkennisstelling, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk ingediend.
4.
De Autoriteit Financiële Markten geeft uitvoering aan de bindende aanbeveling, bedoeld in het tweede lid. Indien de Autoriteit Financiële Markten uitvoering geeft aan de aanbeveling door een besluit te nemen, maakt de aanbeveling deel uit van het te nemen besluit.
Artikel 3
Als orgaan als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de verordening (EG) nr. 924/2009 (grensoverschrijdende betalingen) en artikel 12 van de verordening (EU) nr. 260/2012 (betaaldiensten) wordt aangewezen de Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening.
Artikel 3a
Als nationale afwikkelingsautoriteit in de zin van verordening (EU) nr. 806/2014 (gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme), belast met de uitvoering en handhaving van de bij of krachtens die verordening gestelde regels, wordt aangewezen de Nederlandsche Bank. De artikelen 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4
De bevoegde autoriteit kan ter zake van overtreding van voorschriften gesteld ingevolge de in de bijlage 1 genoemde artikelen een last onder dwangsom opleggen.
1.
De bevoegde autoriteit kan ter zake van overtreding van voorschriften gesteld ingevolge de in de bijlage 2 genoemde artikelen, met toepassing van de in die bijlage aangegeven tariefnummers, een bestuurlijke boete opleggen.
2.
Paragraaf 1 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector is voor de toepassing van het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
De bevoegde autoriteit maakt een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete openbaar, indien de bestuurlijke boete is opgelegd ter zake van overtreding van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7 eerste en tweede lid, 8, 9, eerste lid, eerste volzin en tweede lid, 17, zevende en negende tot en met elfde lid, 18 en 19 van de verordening (EU) nr. 236/2012 (short selling en kredietverzuimswaps).
Artikel 7
[Wijzigt het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector. ]
1.
Dit besluit, met uitzondering van de artikelen 7 en 8, treedt in werking met ingang van:
a. ten aanzien van verordening (EU) nr. 236/2012 (short selling en kredietverzuimswaps): de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst;
b. ten aanzien van de overige in artikel 1 genoemde verordeningen: 1 januari 2013.
2.
Artikel 7 treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
3.
Artikel 8 treedt in werking op het tijdstip waarop de in dat artikel bedoelde wet in werking treedt.
Artikel 10
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 8 november 2012
De Minister van Financiën,
Uitgegeven de twintigste november 2012
De Minister van Veiligheid en Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 2a
Artikel 2b
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht