Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128;
Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag;
De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
afkoopvoet: verhouding tussen het af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren afkoopwaarde;
balanstotaal: het balanstotaal zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;
FVP-bijdrage: bijdrage, verstrekt op grond van de Wet privatisering FVP, om te voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van een werknemer of zijn nagelaten betrekkingen;
fonds:
1°. pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
2°. beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
loonaanvullingsuitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
opbouwkeuzevoet: verhouding tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd;
overdrachtsdatum: datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken aan de ontvangende uitvoerder;
pensioenregeling:
1°. pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
2°. beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
rechthebbende: degene die in aanmerking komt voor waardeoverdracht;
ruilvoet: verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen;
uitbesteding door een uitvoerder: het door een uitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die deel uitmaken van:
1°. of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf; of
2°. de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan;
uitvoerder:
1°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;
1.
Voor zover een aanvulling op een vervolguitkering of een loonaanvullingsuitkering geen arbeidsongeschiktheidspensioen is als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt deze aanvulling als arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van een van die artikelen aangemerkt indien:
a. de aanvulling op de vervolguitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid toenemen;
b. de aanvulling op de loonaanvullingsuitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid toenemen; of
c. het een eenmalige aanvulling is die wordt verstrekt in verband met werkhervatting of werkuitbreiding.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aanvullingen op een vervolguitkering of op een loonaanvullingsuitkering, indien het verzoek tot algemeen verbindend verklaring is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 15 juli 2008 houdende enige wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten.

Hoofdstuk 2. Informatie

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 21, vierde lid, 38, tweede lid, 39, tweede lid, 40, derde lid, 41, tweede lid, 42, derde lid, 43, tweede lid, 44, derde lid, 45, derde lid, 45a, tweede lid 46, vijfde lid, 46a, vijfde lid, 48, vijfde lid, 49, vierde lid, en 51, tiende lid, van de Pensioenwet en de artikelen 48, derde lid, 49, tweede lid, 50, tweede lid, 51, derde lid, 52, tweede lid, 53, derde lid, 54, tweede lid, 55, derde lid, 56, derde lid, 56a, tweede lid, 57, vijfde lid, 57a, vijfde lid, 59, vijfde lid, 60, vierde lid, en 62, tiende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
1.
De informatie over de kenmerken van de pensioenregeling en de uitvoering van de pensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval het volgende:
a. de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling voorziet;
b. de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling niet voorziet;
c. de wijze waarop pensioen wordt opgebouwd;
d. de keuzemogelijkheden van de deelnemer of gewezen deelnemer waarin de pensioenregeling voorziet;
e. de risico’s;
f. de soorten uitvoeringskosten; en
g. de beleidsdekkingsgraad met een omschrijving van de gevolgen ervan.
2.
De uitvoerder maakt bij het verstrekken van de informatie, bedoeld in het eerste lid, gebruik van de opschriften en iconen in de volgorde waarin ze staan in laag 1 van de Pensioen1-2-3, zoals deze op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars is opgenomen.
3.
Ten behoeve van de vergelijkbaarheid van de pensioenregeling wordt de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, en informatie over de jaarlijkse pensioenopbouw, de risico’s en de beleidsdekkingsgraad tevens verstrekt met gebruikmaking van sjablonen die op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars zijn opgenomen.
4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de opschriften, iconen en sjablonen, bedoeld in het tweede en derde lid.
Artikel 3. Mogelijkheid toezichthouder tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid
De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer.
1.
De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel c, en 44, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel c, en 55, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 2, eerste lid, onderdeel e, en derde lid, wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd.
3.
De informatie over toeslagverlening die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen tien jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd en of dit in overeenstemming met het toeslagenbeleid is geweest.
1.
De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel d, en 44, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel d, en 55, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 2, eerste lid, onderdeel e, en derde lid, wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste drie jaar is doorgevoerd.
3.
De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste tien jaar is doorgevoerd.
Artikel 6. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming
De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over:
a. de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens;
b. het recht op waardeoverdracht, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, of de mogelijkheid tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de Pensioenwet dan wel artikel 86 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
c. de consequenties van arbeidsongeschiktheid;
d. het actueel zijn van een herstelplan of geactualiseerd herstelplan; en
e. het vervallen van de dekking tegen het risico op overlijden indien nabestaandenpensioen werd verworven op basis van risicofinanciering.
Artikel 7. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding
De uitvoerder verstrekt de gewezen partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens.
Artikel 7a. Verstrekken informatie voorafgaand aan of bij pensioeningang
De uitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde wordt voorafgaand aan of bij de pensioeningang in ieder geval informatie over:
a. het recht te kiezen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 60 van de Pensioenwet dan wel artikel 72 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van opbouw van ouderdomspensioen en partnerpensioen;
b. de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 66 tot en met 69 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 tot en met 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens of een fiscaal bovenmatige pensioenaanspraak;
c. de mogelijkheid tot of het recht op waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 80, 81, 81a, tweede lid, en 81b, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 88, 89, 89a, tweede lid, en 89b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een aan te wenden kapitaal op de pensioendatum; en
d. andere keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt.
1.
Voor de weergave op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, bedoeld in artikel 45, tweede lid, artikel 46, eerste en derde lid, en artikel 51, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56, tweede lid, artikel 57, eerste en derde lid, en artikel 62, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt gebruik gemaakt van de scenariosets, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en de rekenmethodiek die omschreven is op de website van De Nederlandsche Bank.
2.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de rekenmethodiek.
1.
De uitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, waarbij de artikelen 2 en 3 van overeenkomstige toepassing zijn.
2.
De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken wordt overeenkomstig artikel 9 vastgesteld.
1.
De opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken bevat:
a. in geval van een uitkeringsovereenkomst dan wel uitkeringsregeling een opgave van de hoogte van het periodiek uit te keren pensioen vanaf de ingangsdatum van het pensioen;
b. in geval van een kapitaalovereenkomst dan wel kapitaalregeling een opgave van de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de ingangsdatum van het pensioen en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal daarvoor wordt aangewend; of
c. in geval van een premieovereenkomst dan wel premieregeling:
1°. wanneer de premie wordt belegd, een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum met de daarbij gehanteerde veronderstellingen en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal daarvoor wordt aangewend;
2°. de hoogte van de periodieke uitkering wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend; of
3°. de hoogte van het voor periodieke uitkeringen aan te wenden verzekerd kapitaal wanneer de premie voor de ingangsdatum van het pensioen reeds daarvoor wordt aangewend en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum wanneer het kapitaal daarvoor wordt aangewend.
2.
Bij de indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en onderdeel c, onder 1° en 3°, worden de op het moment van het verzoek bij de pensioenuitvoerder geldende tarieven gehanteerd. De periodieke uitkeringen worden gecorrigeerd voor te verwachten prijsinflatie. Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald met welke te verwachten prijsinflatie gecorrigeerd wordt. Bij het verstrekken van de indicatie wijst de pensioenuitvoerder er op dat het risico dat de definitieve pensioenuitkering afwijkt van de indicatie bij de betrokkene ligt.
3.
Bij de in het eerste lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren.
1.
Indien sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer tijdens de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer en de gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen.
2.
De uitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek:
a. informatie over het van toepassing zijn van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van de Pensioenwet dan wel artikel 166 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en
b. informatie over de aanstelling van een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van de Pensioenwet dan wel artikel 168 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
3.
De uitvoerder verstrekt de deelnemer of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van uitruil als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 72, 73 of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor de deelnemer.
a. de administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid;
b. de kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid; en
c. de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
2.
De informatie over uitvoeringskosten die op de website wordt geplaatst betreft:
a. voor fondsen en premiepensioeninstellingen: de administratieve uitvoeringskosten als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde en de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen;
b. voor verzekeraars: de administratieve uitvoeringskosten als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde en de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten:
1°. bij uitkeringsovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten dan wel uitkeringsregelingen en kapitaalregelingen, indien de kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht als percentage van het gemiddeld belegd vermogen, en indien de kosten niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht, met vermelding dat deze kosten niet zijn opgenomen omdat zij niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht;
2°. bij premieovereenkomsten of premieregelingen waarbij de premie wordt belegd tot de pensioendatum als percentage van het gemiddeld belegd vermogen en bij overige premieovereenkomsten of premieregelingen, indien de kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht als percentage van het gemiddeld belegd vermogen, en indien de kosten niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht, met vermelding dat deze kosten niet zijn opgenomen omdat zij niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht;
3.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
1.
Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de modellen voor het uniform pensioenoverzicht vast.
2.
De modellen voor het uniform pensioenoverzicht worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars.
3.
Een uitvoerder verstrekt een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan een ieder die in de gehele of in een deel van de voor het uniform pensioenoverzicht relevante periode deelnemer bij die pensioenuitvoerder was.
1.
Voor de elektronische verstrekking van informatie door middel van een externe berichtenbox wordt MijnOverheid.nl gebruikt.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de elektronische informatieverstrekking.
1.
Een vermindering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten wordt door de uitvoerders binnen vier maanden verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt.
2.
Een andere wijziging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten dan bedoeld in het eerste lid wordt door de uitvoerders binnen vier maanden nadat de wijziging in de administratie van de uitvoerders is doorgevoerd verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt.
3.
Het pensioenregister geeft in ieder geval inzicht in de hoogte van het te bereiken pensioen door:
a. weergave in netto bedragen per maand en in bruto bedragen per jaar;
b. de mogelijkheid om ter vergelijking het huidige netto inkomen per maand in te voeren.
4.
Met betrekking tot de keuzes ten aanzien van ouderdomspensioen worden in ieder geval de indicatieve gevolgen op het pensioeninkomen getoond van het vervroegen of uitstellen van de pensioeningangsdatum.
5.
Met betrekking tot belangrijke gebeurtenissen worden in ieder geval bij nabestaandenpensioen de gevolgen getoond van overlijden op het moment van de uitvraag, na beëindiging van de deelneming en na pensionering.
1.
Artikel 9e, derde lid, onderdeel b, wordt gerealiseerd met ingang van 1 januari 2016.
2.
Artikel 9e, eerste lid, en tweede lid, voor zover het betreft een collectieve wijziging, worden gerealiseerd met ingang van 1 maart 2016.
3.
Artikel 9e, vierde en vijfde lid, worden gerealiseerd met ingang van 1 juli 2016.
4.
Artikel 9e, tweede lid, voor zover het betreft een individuele wijziging, wordt gerealiseerd met ingang van 1 juli 2017.
1.
De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het pensioenbeheer. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor:
a. het vaststellen en innen van de premie;
b. registratie van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
c. informatieverstrekking aan en communicatie met deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever;
d. het bestuur; en
e. het toezicht door de toezichthouders.
2.
De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het beheer van het belegde vermogen, met uitzondering van de transactiekosten. Onder de kosten van vermogensbeheer wordt onder meer begrepen de kosten voor:
a. fiduciair vermogensbeheer;
b. bewaarloon; en
c. advieskosten.
3.
De transactiekosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor de transacties in vermogenstitels. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor:
a. aankoop en verkoop van vermogensbestanddelen;
b. acquisitie van beleggingen; en
c. deelname aan beleggingsfondsen.
4.
Kosten die niet kunnen worden toebedeeld aan een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden naar rato over de drie categorieën verdeeld.
1.
De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaalbedrag en als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde.
2.
De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaal bedrag en als percentage van het in het verslagjaar gemiddeld belegde vermogen.

Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 25, derde lid, Pensioenwet en artikel 4a, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
1.
Bij de regeling over de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling in de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt, zowel bij de kosten die in mindering kunnen worden gebracht op een afgescheiden vermogen als bij de kosten die ten laste kunnen worden gebracht van de premie, onderscheid gemaakt tussen:
a. administratieve uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid;
b. vermogensbeheerskosten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid; en
c. transactiekosten als bedoeld in artikel 10a, derde lid.
2.
Overige kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling en niet als kosten in de zin van een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden toebedeeld worden volgens een vaste verdeelsleutel over de drie categorieën verdeeld. Daarbij worden deze kosten nader gespecificeerd.
3.
De wijze waarop de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bepaald is volledig en duidelijk gespecificeerd.
Artikel 10d. Kwaliteit van de dienstverlening
In de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt een regeling opgenomen waaruit blijkt welke diensten worden uitgevoerd, onder welke voorwaarden dat gebeurt en waarbij in ieder geval afspraken worden opgenomen over indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening.

Hoofdstuk 3. Fondsbestuur

Bepaling ter uitvoering van artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
1.
Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen voor fondsen de Code Pensioenfondsen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en de Pensioenfederatie op 6 september 2013 en voor verzekeraars de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en het Verbond van Verzekeraars op 18 december 2013. Deze laatste code is van overeenkomstige toepassing op premiepensioeninstellingen.
2.
Een uitvoerder doet in het bestuursverslag mededeling over de naleving van de principes, bedoeld in het eerste lid. Indien een uitvoerder de principes niet heeft nageleefd of niet voornemens is deze in het lopende en daarop volgende boekjaar na te leven, doet hij daarvan in het bestuursverslag gemotiveerd opgave.

Hoofdstuk 4. Uitbesteding

Bepalingen ter uitvoering van artikel 34, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
a. taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid;
b. werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen;
c. indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde.
1.
Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.
2.
In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:
a. welke werkzaamheden worden uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de administratieve organisatiebeschrijving van het fonds, alsmede de voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt;
b. sluitende afspraken in beleggingsmandaten bij uitbesteding van vermogensbeheer;
c. de informatie-uitwisseling tussen het fonds en de derde;
d. de verplichting voor de derde om informatie waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn wettelijke taak om vraagt rechtstreeks aan de toezichthouder ter beschikking te stellen;
e. de mogelijkheid voor het fonds om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt;
f. de verplichting voor de derde om het fonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde;
g. de mogelijkheid voor de toezichthouder om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; en
h. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het fonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
1.
Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.
2.
Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
3.
Een fonds hanteert een adequate selectieprocedure voor derden aan wie werkzaamheden worden uitbesteed. Het fonds legt vast op grond van welke afwegingen zij tot de keuze voor een bepaalde derde is gekomen.
4.
Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.
5.
Een fonds heeft zicht op het beloningsbeleid van de derde aan wie werkzaamheden worden uitbesteed, betrekt het beloningsbeleid bij de keuze voor de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed en maakt zijn beleid dienaangaande openbaar.

Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 60, elfde lid, 61, vijfde lid, 62, zesde lid, 66, elfde lid en 69, vijfde lid, van de Pensioenwet, de artikelen 72, elfde lid, 73, vijfde lid, 74, zesde lid en 78, elfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
1.
Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 60, 61 of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72, 73, 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld.
2.
De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61, vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72, vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
3.
In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming.
1.
De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69 van de Pensioenwet dan wel bedoeld in de artikelen 78 en 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.
2.
Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers.
3.
De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Artikel 17. Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten
Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is.

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 71, zevende lid, 72a, eerste lid en 76, negende lid, van de Pensioenwet en artikel 82, zevende lid en 83a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
1.
De deelnemer wiens verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen, vraagt een opgave als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling binnen zes maanden na aanvang van de verwerving.
2.
Indien op grond van artikel 74, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 85, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de plichten van de overdragende en de ontvangende uitvoerder, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, herleven, wordt de in het eerste lid omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen verlengd tot zes maanden na die herleving.
1.
De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:
a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd;
b. de toeslagverlening;
c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en
d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.
Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing.
2.
Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.
Artikel 19. Opgave informatie aan de uitvoerder
De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.
1.
De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a. de aanvullende bijdrage bedraagt meer dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde; en
b. de betreffende werkgever is een kleine werkgever.
2.
Een kleine werkgever als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarin de in het derde lid bedoelde situatie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv, is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar.
3.
Indien de overdragende pensioenuitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18 of de ontvangende pensioenuitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, stelt hij de betreffende werkgever in de gelegenheid om binnen een maand na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan te tonen dat de werkgever een kleine werkgever is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Tevens wordt de betreffende werkgever gevraagd of hij, indien hij een kleine werkgever is, bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende pensioenuitvoerder informeert de ontvangende pensioenuitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen.
4.
Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aantoont een kleine werkgever te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangenomen dat hij geen kleine werkgever is.
5.
Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende pensioenuitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.
6.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen.
1.
De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en de aanvullende bijdrage meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde.
2.
Indien de overdragende uitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, of de ontvangende uitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, wordt de betreffende werkgever gevraagd binnen een maand na ontvangst van het verzoek aan te geven of hij bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende uitvoerder informeert de ontvangende uitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen.
3.
Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aangeeft bereid te zijn de aanvullende bijdragen te betalen, wordt aangenomen dat hij hiertoe niet bereid is.
4.
Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk.
5.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling vanaf 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen.
Artikel 20. Opgave informatie aan de rechthebbende
De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd.
1.
Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder.
2.
Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn of worden verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid.
3.
Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22. Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder
De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.
2.
Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder.
3.
De overdrachtswaarde wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald.
4.
De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.
5.
De termijnen, genoemd in dit hoofdstuk, zijn op waardeoverdracht van pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 21, tweede lid, niet eerder van toepassing dan nadat de overdragende uitvoerder de FVP-bijdrage heeft ontvangen.
1.
De vaststelling door fondsen of de plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege de in artikel 72, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, vindt plaats per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de beleidsdekkingsgraad op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand.
2.
Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie na de datum waarop de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt, verhindert de opschorting de verdere afhandeling van deze waardeoverdracht niet.
3.
Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer die een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 schriftelijk over de opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan.
4.
De plicht tot waardeoverdracht herleeft zodra de ontvangende en de overdragende uitvoerder niet langer in de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie verkeren. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
5.
Als de plicht tot waardeoverdracht na een periode van opschorting vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie herleeft, geldt het volgende:
a. indien de datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18, ligt voor de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht herleeft en de gegevens, bedoeld in artikel 20, niet aan de deelnemer zijn verstrekt voor de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort, is, in afwijking van de definitie, bedoeld in artikel 1, de overdrachtsdatum de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht is herleefd;
b. indien de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 voor de herleving van de plicht tot waardeoverdracht, vraagt de ontvangende uitvoerder binnen drie maanden na herleving van de plicht tot waardeoverdracht aan de overdragende uitvoerder een opgave als bedoeld in artikel 18, tenzij de plicht tot waardeoverdracht weer is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling beschreven situatie.
6.
Indien in de in het tweede lid beschreven situatie de deelnemer voor de datum van inwerkingtreding van het Besluit van 12 november 2009 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regeling voor waardeoverdracht en de kostenregeling (Stb. 2009, 598), een verzoek tot waardeoverdracht als bedoeld in artikel 21 heeft gedaan dat niet is afgehandeld vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, stelt de ontvangende uitvoerder de deelnemer in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken.
Artikel 24. Overschrijding termijnen
Overschrijding van de in dit hoofdstuk gestelde termijnen door de overdragende of ontvangende uitvoerder wordt de deelnemer niet tegengeworpen.
1.
De overdrachtswaarde van pensioenaanspraken is ten minste gelijk aan de contante waarde van de over te dragen pensioenaanspraken op de overdrachtsdatum en wordt berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief. Het standaardtarief wordt berekend op basis van marktwaardering.
2.
Indien de overdrachtswaarde niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de pensioenaanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.
3.
Bij de berekening van de overdrachtswaarde mogen buiten beschouwing blijven:
a. partnerpensioen dat is verzekerd op risicobasis, wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen; en
b. aanspraken op partnerpensioen of nettopensioen die achterblijven bij de overdragende uitvoerder.
4.
De overdrachtswaarde wordt, in afwijking van het eerste lid, niet berekend op basis van het standaardtarief indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit:
a. een kapitaalovereenkomst of kapitaalregeling;
b. een premieovereenkomst of premieregeling, waarbij de premie wordt belegd; of
c. een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal.
5.
Onze Minister stelt regels voor de berekening van de overdrachtswaarde in de in het vierde lid genoemde gevallen.
Artikel 26. Overdrachtswaarde niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken
Indien bij een uitkeringsovereenkomst, een uitkeringsregeling of een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie onmiddellijk na het beschikbaar stellen wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering de overdrachtswaarde niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de oude werkgever of van het fonds waar de regeling was ondergebracht.
1.
Onze Minister stelt regels voor de berekening van de inkoop van pensioenaanspraken op grond van de overdrachtswaarde in de pensioenregeling van de ontvangende uitvoerder.
2.
In geval van waardeoverdracht naar een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd wordt de overdrachtswaarde binnen een week na ontvangst van de overdrachtswaarde aangewend voor de aankoop van beleggingseenheden.
1.
De na waardeoverdracht verkregen aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, worden behandeld alsof zij in die regeling zelf zijn opgebouwd, waarbij zij ook ten aanzien van de toeslagverlening op dezelfde manier behandeld worden.
2.
Indien de ontvangende uitvoerder een beroepspensioenregeling uitvoert, kan worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van de toeslagverlening indien toepassing van het eerste lid op dat punt zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat.
3.
Indien in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de overdrachtswaarde omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.
4.
In een pensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.
1.
De voorzitter van een omgekeerd gemengd bestuur als bedoeld in artikel 99 van de Pensioenwet bepaalt de agenda van de overleggen van het bestuur en het niet uitvoerend deel van het bestuur.
2.
De voorzitter van een omgekeerd gemengd bestuur ziet toe op een goede samenstelling en het functioneren van het bestuur en is namens het bestuur eerste aanspreekpunt voor het verantwoordingsorgaan over het functioneren van het bestuur.
1.
De niet uitvoerende bestuurders bij een omgekeerd gemengd bestuur als bedoeld in artikel 99 van de Pensioenwet stellen een auditcommissie bedrijfseconomische aspecten en risicobeheer in. Deze auditcommissie is in ieder geval belast met toezicht op:
a. de risicobeheersing;
b. het beleggingsbeleid;
c. de financiële informatieverschaffing door het fonds.
2.
De Nederlandsche Bank kan ontheffing verlenen van het eerste lid indien op andere wijze wordt voorzien in adequaat toezicht op het in het vorige lid genoemde.
1.
De raad van toezicht van een fonds kan de bestuurders van het fonds schorsen of ontslaan wegens disfunctioneren.
2.
Van disfunctioneren als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake indien het bestuur een besluit heeft genomen zonder de op grond van artikel 104, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 110a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling benodigde goedkeuring van de raad van toezicht en het bestuur niet aannemelijk maakt dat dit nodig was in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden dan wel voortvloeit uit een aanwijzing van de toezichthouder, een last onder dwangsom of rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijk voorschrift.
3.
Het bestuur van een fonds legt de benoeming van een kandidaat bestuurder voor aan de raad van toezicht. De raad van toezicht kan de benoeming van deze kandidaat bestuurder beletten indien deze niet voldoet aan de profielschets.
1.
De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid en de betrouwbaarheid van een persoon die het beleid van een fonds bepaalt of mede bepaalt, bedoeld in artikel 106 van de Pensioenwet dan wel artikel 110c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voorafgaand aan de benoeming van deze persoon en op ieder ander moment, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.
2.
De Nederlandsche Bank toetst de geschiktheid en betrouwbaarheid van een persoon die het intern toezicht van een fonds door een visitatiecommissie uitoefent, bedoeld in artikel 106 van de Pensioenwet dan wel artikel 110c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien daar, naar het oordeel van de Nederlandsche Bank, aanleiding toe bestaat.
Artikel 31. Betrouwbaarheid
De Nederlandsche Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 106, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 110c, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.
Artikel 32. Antecedenten
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in ieder geval in aanmerking de in de bijlage bij dit besluit genoemde antecedenten.
1.
De Nederlandsche Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 31 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:
a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
b. van de Landelijke Officier van Justitie verkregen gegevens uit de politieregisters;
c. gegevens uit de registratie, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet controle op rechtspersonen;
d. gegevens en inlichtingen, verkregen van de Belastingdienst;
e. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;
f. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
g. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
h. gegevens uit openbare bronnen;
i. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 31 bedoelde persoon betrokken is geweest;
j. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene; of
k. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij ministeriële regeling aan te wijzen bronnen.
2.
Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Nederlandsche Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Nederlandsche Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Nederlandsche Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:
a. de reden van het nadere onderzoek;
b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen; en
c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
1.
De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 31 staat niet buiten twijfel indien:
a. deze onherroepelijk veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak minder dan acht jaren zijn verstreken;
b. deze veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van de bijlage bij dit besluit, waarbij de uitspraak nog niet onherroepelijk is of waarbij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht of meer jaren zijn verstreken;
c. deze veroordeeld is ter zake van een overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake de rijksbelastingen of artikel 65 van de Invorderingswet 1990, waarbij betrokkene veroordeeld is tot een gevangenisstraf of boete; of
d. deze een vergrijpboete van meer dan € 62.500 opgelegd heeft gekregen ter zake van een feit, genoemd in onderdeel 5 van de bijlage bij dit besluit, en het besluit waarbij de vergrijpboete is opgelegd onherroepelijk is geworden of waarbij ten minste de rechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
2.
De Nederlandsche Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 35, afwijken van het eerste lid, ten aanzien van de onderdelen b, c en d.
Artikel 35. Vaststelling betrouwbaarheid
De Nederlandsche Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 31, in aanmerking:
a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
b. de belangen die de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling beogen te beschermen; en
c. de overige belangen van het fonds en de betrokkene.
1.
Tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een fonds kunnen in ieder geval niet worden benoemd personen die door deze benoeming meer dan 1 voltijd equivalent aan werkzaamheden als bestuurder of in een toezichthoudend orgaan zouden verrichten.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij rechtspersonen een functie als:
a. bestuursvoorzitter of bestuurder ten minste als 0,6;
b. voorzitter van een toezichthoudend orgaan ten minste als 0,4; en
c. lid van een toezichthoudend orgaan ten minste als 0,2.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij grote fondsen een functie als:
a. bestuursvoorzitter ten minste als 0,6;
b. bestuurder ten minste als 0,4;
c. voorzitter van een raad van toezicht ten minste als 0,2; en
d. lid van een raad van toezicht ten minste als 0,1.
4.
Voor de toepassing van het eerste lid telt als voltijd equivalent bij kleine fondsen een functie als:
a. bestuursvoorzitter ten minste als 0,3;
b. bestuurder ten minste als 0,2;
c. voorzitter van een raad van toezicht ten minste als 0,2; en
d. lid van een raad van toezicht ten minste als 0,1.
5.
Voor de toepassing van dit artikel:
a. wordt verstaan onder een klein fonds: een fonds met een beheerd vermogen van niet meer dan € 10 miljard;
b. wordt verstaan onder een groot fonds: een fonds met meer dan € 10 miljard beheerd vermogen;
c. betreft de verwijzing naar rechtspersonen de rechtsvorm van de naamloze vennootschap en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, niet heeft voldaan aan ten minste twee van de vereisten, bedoeld in artikel 397, eerste en tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, onderscheidenlijk de stichting, bedoeld in artikel 297a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet zijnde een fonds;
d. telt de benoeming bij verschillende rechtspersonen die met elkaar in een groep zijn verbonden, als één benoeming;
e. wordt verstaan onder toezichthoudend orgaan: een raad van toezicht, een raad van commissarissen of indien bij een rechtspersoon de bestuurstaken zijn verdeeld over uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders, niet uitvoerende bestuurders;
f. geldt een tijdelijke aanstelling overeenkomstig artikel 349a, tweede lid, of artikel 356, onder c, van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek, niet als benoeming.
6.
De nietigheid van de benoeming op grond van de vorige leden heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming waaraan is deelgenomen.
1.
De Nederlandsche Bank verleent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 114 van de Pensioenwet en artikel 113a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
2.
Bij de aanvraag van de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstrekt:
a. een door een accountant gecontroleerde en gewaarmerkte balans van het fonds met als peildatum de datum van omzetting van het fonds in een andere rechtsvorm; en
b. de schriftelijk vastgelegde afspraken over de besteding van het vermogen van het fonds en de vruchten daarvan na de omzetting.
1.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 21, eerste lid, tweede lid, tweede zin, vierde lid, 29, eerste lid, 29, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid, 33, voor zover het betreft communicatie en de klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 36, 38 tot en met 51, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s, 52, tweede tot en met zesde lid, 66, derde en vierde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid, 71, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 74, tweede en derde lid, 76, derde en negende lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 83, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 134, tweede lid van de Pensioenwet.
2.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 38, 39, eerste lid, 39, zevende lid, voor zover het betreft de overeenkomstige toepassing van artikel 39, eerste lid, 42, voor zover het betreft communicatie en de klachtenregeling van verzekeraars en premiepensioeninstellingen, 44, 48 tot en met 62, met uitzondering van de berekeningen ten behoeve van de weergave op basis van scenario’s, 63, tweede tot en met zesde lid, 78, derde en vierde lid, 79, tweede lid, 80, tweede lid, 82, derde lid, voor zover het de opgave van pensioenaanspraken betreft, 85, tweede en derde lid, 91, tweede, lid, onderdeel a, voor zover het betrekking heeft op het informeren van de daarin genoemde personen en 129, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
3.
De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van de regels, gesteld bij of krachtens de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling , met uitzondering van de regels genoemd in het eerste en tweede lid.
Artikel 37. Uitzondering bevoegdheden
De Stichting Autoriteit Financiële Markten beschikt niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 172, 173 en 174 van de Pensioenwet en de artikelen 167, 168 en 169 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
1.
De Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank maken afspraken over:
a. de uitwisseling van gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 205 van de Pensioenwet en artikel 199 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
b. de afstemming van beleidsregels, met name over de inzet van handhavinginstrumenten;
c. de wijze waarop en het moment wanneer informatie over de toepassing van een handhavinginstrument wordt uitgewisseld;
d. het overnemen van elkaars oordeel.
2.
De afspraken, bedoeld in het eerste lid, worden schriftelijk vastgelegd en zijn openbaar. De afspraken worden ter kennisneming gezonden aan Onze Minister.
1.
De toezichthouder deelt Onze Minister schriftelijk mee welk bestuurslid dan wel directielid fungeert als aanspreekpunt voor Onze Minister.
2.
De toezichthouder stelt Onze Minister schriftelijk in kennis van wijzigingen in de samenstelling en taakverdeling binnen het bestuur of de directie.
1.
De toezichthouder richt zijn organisatie zodanig in dat de uitvoering van het toezicht onafhankelijk kan plaatsvinden.
2.
De toezichthouder beschikt over een beleid met betrekking tot het vervullen van nevenbetrekkingen. Dit beleid richt zich op het voorkomen van nevenbetrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid.
3.
De toezichthouder besteedt de oordeelsvorming en de toepassing van handhavinginstrumenten niet uit.
4.
De toezichthouder beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en over een systeem van periodieke interne controle.
1.
De gegevens van fondsen die door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 204, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 198, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, kunnen worden gepubliceerd, hebben betrekking op
a. de beleidsdekkingsgraad;
b. de reële dekkingsgraad;
c. het vereist eigen vermogen;
d. het belegd vermogen;
e. kwartaalrendementen;
f. de premie;
g. het aantal deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden;
h. de toeslagverlening;
i. de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten; en
j. de uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, onderdeel a.
2.
De publicatie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop aan het fonds het besluit tot publicatie bekend is gemaakt.
3.
Bij periodieke publicatie van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks aan het fonds, voorafgaand aan de eerste publicatie in dat jaar, het besluit tot publicatie bekend gemaakt, waarbij vermeld wordt op welke data de gegevens in dat jaar gepubliceerd zullen worden.
4.
Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de publicatie opgeschort totdat de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan.

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Bepalingen ter uitvoering van artikel 112a, derde en negende lid, van de Pensioenwet
1.
De Nederlandsche Bank verleent op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 112a, tweede lid, van de Pensioenwet. Deze aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door De Nederlandsche Bank beschikbaar gesteld formulier.
2.
De Nederlandsche Bank bericht de aanvrager onverwijld van de ontvangst van de aanvraag.
3.
De Nederlandsche Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst op de aanvraag.
4.
De Nederlandsche Bank stelt de Autoriteit Financiële Markten in de gelegenheid te adviseren over gedragstoezichtaspecten van de vergunningaanvraag.
5.
De gegevens, bedoeld in artikel 40c, worden in zodanige vorm verstrekt dat een goede beoordeling door De Nederlandsche Bank mogelijk is.
1.
De gegevens, bedoeld in artikel 112a, derde lid, van de Pensioenwet zijn:
a. een opgave van de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de internetpagina van het algemeen pensioenfonds;
b. een opgave van de statutaire zetel en de statutaire naam;
c. een opgave van het nummer van inschrijving in het handelsregister;
d. een gewaarmerkt afschrift van de statuten;
e. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
f. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106 van de Pensioenwet is bepaald met betrekking tot de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen;
g. gegevens op basis waarvan De Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 106a van de Pensioenwet met betrekking tot bestuurders en leden van de raad van toezicht is bepaald over het tijdsbeslag;
h. een beschrijving van besturing en toezicht in de organisatie, mede in relatie tot de voorziene collectiviteitkringen;
i. een beschrijving van de wijze waarop, in overeenstemming met de rangregeling, de scheiding wordt gewaarborgd tussen de afgescheiden vermogens die per collectiviteitkring worden aangehouden, overeenkomstig artikel 123 van de Pensioenwet;
j. een programma van werkzaamheden die het algemeen pensioenfonds voornemens is te verrichten;
k. bescheiden waaruit het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet blijkt, inclusief bescheiden waaruit blijkt dat het algemeen pensioenfonds gedurende de eerste drie jaren doorlopend kan beschikken over het wettelijk vereiste weerstandsvermogen;
l. een beschrijving van de werkzaamheden die worden uitbesteed, voorzien van een op een risicoanalyse gebaseerde onderbouwing;
m. een beschrijving van de inrichting van de organisatie met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet, inclusief een eigen risicobeoordeling;
n. de uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsovereenkomsten die het algemeen pensioenfonds voornemens is te sluiten, of indien hiervan nog geen sprake is, een modeluitvoeringsovereenkomst;
o. het pensioenreglement of de pensioenreglementen die het algemeen pensioenfonds op grond van artikel 35 van de Pensioenwet heeft opgesteld ten behoeve van de collectiviteitkring of collectiviteitkringen of indien hiervan nog geen sprake is een modelpensioenreglement; en
p. een beschrijving van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten als bedoeld in artikel 102a, eerste lid, van de Pensioenwet.
2.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een opgave van de relevante diploma’s;
d. een kopie van een geldig identiteitsbewijs; en
e. een opgave van referenten.
3.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de functie;
b. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
c. gegevens met betrekking tot de antecedenten, bedoeld in de bijlage bij dit besluit; en
d. een opgave van referenten.
4.
Het programma van werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, bevat ten minste:
a. een beschrijving van het bedrijfsmodel en verdienmodel;
b. een raming voor de eerste drie boekjaren van de kosten; en
c. een raming voor de eerste drie kalenderjaren van de liquiditeitspositie.
1.
De Nederlandsche Bank kan een verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:
a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;
b. de vergunninghouder, naar later blijkt, bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, en kennis omtrent de juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
c. de vergunninghouder omstandigheden of feiten heeft verzwegen op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd;
d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens de Pensioenwet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen;
e. de vergunninghouder geen gebruik van de vergunning heeft gemaakt binnen een termijn van twaalf maanden na vergunningverlening;
f. de vergunninghouder de vergunningplichtige activiteit gedurende meer dan zes maanden heeft beëindigd;
g. de vergunninghouder het bedrijf ten behoeve waarvan de vergunning is verleend, geheel of gedeeltelijk overdraagt;
h. de vergunninghouder wordt ontbonden;
i. niet blijkt dat de jaarrekening of de staten een getrouw beeld geeft of geven van de grootte en de samenstelling van het vermogen van het algemeen pensioenfonds en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;
j. de vergunninghouder in staat van faillissement is komen te verkeren.
2.
De Nederlandsche Bank kan bij het besluit tot intrekking van een vergunning tevens bepalen dat het algemeen pensioenfonds binnen een door De Nederlandsche Bank te stellen termijn het bedrijf geheel of gedeeltelijk afwikkelt. Bij een afwikkeling, al dan niet bepaald door De Nederlandsche Bank, wordt het algemeen pensioenfonds of de curator in faillissement van het algemeen pensioenfonds aangemerkt als vergunninghoudende onderneming.
1.
Het weerstandsvermogen, bedoeld in artikel 112a, achtste lid, van de Pensioenwet bedraagt ten minste 0,2% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen met een minimum van € 500.000 en een maximum van € 20 miljoen.
2.
Voor de dekking van aansprakelijkheidsrisico’s wordt het weerstandsvermogen, bedoeld in het eerste lid, verhoogd met 0,1% van de waarde van het beheerd pensioenvermogen, tenzij het algemeen pensioenfonds een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening heeft die zijn aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van zijn bedrijf en voor gevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste 0,75% van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk.
3.
In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het weerstandsvermogen meer dan het resultaat van de berekeningswijze overeenkomstig dit artikel, indien de risicoanalyse van het algemeen pensioenfonds daartoe aanleiding geeft.
4.
Het weerstandsvermogen van het algemeen pensioenfonds wordt gevormd door de vermogensbestanddelen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 8 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
5.
Het algemeen pensioenfonds toetst ten minste een keer per jaar of de beroepsaansprakelijkheidsverzekering nog in overeenstemming is met de eisen, bedoeld in het tweede lid, dan wel vaker wanneer sprake is van een wijziging van omstandigheden die hierop van invloed zijn.
1.
De uitvoering van het nettopensioen door een fonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. ouderdomspensioen of nabestaandenpensioen op opbouwbasis heeft het karakter van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij het fonds het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen belegt tot een onder b genoemd moment van omzetting;
b. omzetting van het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke uitkering kan plaatsvinden op het moment dat de deelnemer overlijdt, gepensioneerde of gewezen deelnemer wordt of in de tien jaren voorafgaand aan de pensioendatum op basis van een kostendekkend tarief;
c. de omzetting van het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke uitkering vindt plaats door inkoop in de basispensioenregeling waarbij:
1°. uitsluitend rekening wordt gehouden met de levensverwachting van de groep deelnemers aan het nettopensioen; en
2°. het nettopensioen een voorwaardelijke toeslagverlening kent;
d. ingeval de verplichtingen van het fonds ten aanzien van het nettopensioen toenemen als gevolg van een verschil in de stijging van de levensverwachting tussen de deelnemers aan het nettopensioen en de deelnemers aan de basispensioenregeling, vermindert het fonds de voorwaardelijke toeslagverlening bij het nettopensioen totdat deze toename van de verplichtingen bij het nettopensioen is gecompenseerd;
e. ingeval het fonds een incidentele bijstorting ontvangt van de werkgever vermindert het fonds de voorwaardelijke toeslagverlening bij het nettopensioen, voor zover deze storting ten goede is gekomen aan het nettopensioen;
f. in geval van een nabestaandenpensioen op risicobasis of een premievrijstelling in verband met arbeidsongeschiktheid stelt het fonds de hierop betrekking hebbende premie vast rekening houdend met de kenmerken van de groep deelnemers aan het nettopensioen;
g. het fonds rekent de kosten behorend bij het nettopensioen apart toe;
h. het fonds houdt voor het nettopensioen een gescheiden administratie bij, waaruit ten minste blijken:
1°. de voor het nettopensioen ingelegde premies;
2°. de met de beschikbaar gestelde premies behaalde rendementen;
3°. de waarde van de pensioenverplichtingen;
4°. de actuariële gegevens over de groep deelnemers aan het nettopensioen die ten grondslag liggen aan de premie en aan de waardering van de pensioenverplichtingen, waaronder de geschatte levensverwachting en risico’s op arbeidsongeschiktheid en vooroverlijden;
5°. de toeslagverlening en de toepassing van de onderdelen d en e.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, zijn de artikelen 128, eerste lid, van de Pensioenwet en 123, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van toepassing op het nettopensioen rekening houdend met tariefgrondslagen passend bij de groep deelnemers aan het nettopensioen.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen of premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verzekerd bij een verzekeraar.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Bepalingen ter uitvoering van artikel 179, eerste en tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, eerste en tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling
1.
De toezichthouder stelt een bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het basisbedrag, bedoeld in artikel 179, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 174, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.
2.
De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.
3.
De toezichthouder verlaagt of verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of verhoging rechtvaardigt.
Artikel 49. Recidive
De door de toezichthouder met toepassing van artikel 48 vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.
1.
De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.
2.
De toezichthouder kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.
1.
De toezichthouder houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden.
2.
De toezichthouder kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 48, 49 en 50 verlagen met maximaal 75 procent.
Artikel 51a. Indeling naar categorie
12 13 13a 14 15 16 29 31 33
Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen Boetecategorie
1
1
1
1
2
2
2
2
2
1.
Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Pensioenwet is als volgt beboetbaar:
2.
Overtreding van een voorschrift, gesteld in een hierna genoemd artikel van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is als volgt beboetbaar:
3.
Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van de Algemene wet bestuursrecht is als volgt beboetbaar:
4.
Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van dit besluit is als volgt beboetbaar:
5.
Overtreding van een voorschrift gesteld in een hierna genoemd artikel van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is als volgt beboetbaar:
artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet van Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling">
Artikel 52. Overgangsrecht in verband met artikel 18 en artikel 22 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
1.
Ten aanzien van de in artikel 18, derde lid, van de Invoerings- en aanpassingwet Pensioenwet bedoelde pensioentoezeggingen, welke op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c en vierde lid, onderdeel c, van de Pensioen- en spaarfondsenwet al zijn ondergebracht bij een verzekeraar en waarbij na de datum van inwerkingtreding van artikel 1 van de Pensioenwet geen verwerving van pensioen meer plaats vindt, blijft de Pensioen- en spaarfondsenwet en hoofdstuk I en III van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet van toepassing.
artikel 35a van Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling">
Artikel 52a. Overgangsrecht in verband met artikel 35a
Artikel 35a is niet van toepassing op benoemingen tot bestuurder of lid van de raad van toezicht van een fonds voor 1 juli 2014.
artikel 9, tweede lid van Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling">
Artikel 52b. Overgangsrecht artikel 9, tweede lid
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 53. Overgangsrecht overdrachtsdatum
De definitie van overdrachtsdatum, bedoeld in artikel 1, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit van 2 december 2015 tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht (Stb. 469) blijft van toepassing indien de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, voor dat tijdstip aan de deelnemer heeft verstrekt.
Artikel 55. Overgangsrecht
[Wijzigt dit besluit.]
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, met uitzondering van de artikelen 2 tot en met 10 en artikel 15.
2.
De artikelen 2 tot en met 10 treden in werking met ingang van 1 januari 2008.
Artikel 64. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 18 december 2006
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
Uitgegeven de achtentwintigste december 2006
De Minister voor Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Informatie
+ Hoofdstuk 2a. Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds
+ Hoofdstuk 3. Fondsbestuur
+ Hoofdstuk 4. Uitbesteding
+ Hoofdstuk 5. Uitruil, afkoop en gelijke behandeling
+ Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht
+ Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds
+ Hoofdstuk 7. Geschiktheid, betrouwbaarheid en tijdsbeslag
+ Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders
+ Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds
+ Hoofdstuk 9. Nettopensioen
+ Hoofdstuk 10. Boeteregeling
+ Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken