Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit vangnetregeling huursubsidie

Uitgebreide informatie
Besluit van 20 mei 1998, houdende regels ter invulling van hoofdstuk 4A van de Huursubsidiewet (Besluit vangnetregeling huursubsidie)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 april 1998, nr. MJZ98035960, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 26a, derde en vierde lid, 26b, vijfde lid, 26c, zevende lid, juncto artikel 28, derde lid, en artikel 29, eerste lid, 26d, eerste lid, 26f, vijfde lid, en 46 van de Huursubsidiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 23 april 1998, nr. W08.98.0139.);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 mei 1998, nr. MJZ 98045794, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder wet: Huursubsidiewet .
Artikel 2
Burgemeester en wethouders stellen bij de aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de huurlasten de identiteit van de huurder vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan op in de administratie, bedoeld in artikel 48a, eerste lid, van de wet.
1.
Het actueel inkomen, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, onder a, van de wet, wordt vastgesteld aan de hand van door de huurder en de medebewoners over te leggen stukken die naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor een deugdelijke onderbouwing van dat inkomen noodzakelijk zijn.
2.
Voor het vaststellen van het recht op een bijzondere bijdrage in de huurlasten stellen burgemeester en wethouders het actueel inkomen forfaitair vast aan de hand van het inkomen over een langere periode dan over de eerste kalendermaand van het betreffende bijdragetijdvak, voorzover het patroon van de inkomensverwerving of de hoogte van het inkomen over een langere periode daartoe aanleiding geeft.
3.
Voor de toepassing van artikel 26a, eerste lid, onder a, van de wet worden inkomsten aangemerkt als te zijn genoten op het tijdstip, bedoeld in artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de bepaling van het actueel inkomen. Daartoe kunnen regels behoren over de bepaling van het netto inkomen. Daarbij kunnen voorts gevallen worden aangegeven waarin bij de bepaling van het actueel inkomen medebewoners of inkomensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing worden gelaten. Bij de bepaling van het netto inkomen of het geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten van inkomensbestanddelen kan van het derde lid worden afgeweken.
Artikel 4
Burgemeester en wethouders stellen, aan de hand van een door de verhuurder gedane opgave, de rekenhuur vast.
Artikel 5
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het onderzoek door burgemeester en wethouders van de aanvragen om een bijzondere bijdrage in de huurlasten.
1.
Indien blijkt dat het verschil tussen het actueel inkomen en het rekeninkomen ten minste gelijk is aan het verschil, genoemd in artikel 26b, eerste lid, van de wet, maar deze omstandigheid niet of nauwelijks tot een daling van het netto inkomen heeft geleid, is artikel 26b, eerste lid, van de wet niet van toepassing.
2.
Een wijziging van feiten en omstandigheden die van belang is voor de vaststelling van het actueel inkomen en zich gedurende het betreffende bijdragetijdvak voordoet, kan eerst voor het daaropvolgende tijdvak in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht op een bijzondere bijdrage in de huurlasten.
3.
Artikel 26b, eerste lid, van de wet is niet van toepassing indien de inkomensdaling een vrijwillig karakter heeft.
1.
Voorschotverlening door Onze Minister aan burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, heeft zowel betrekking op de vergoeding van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en de voorschotten daarop als op de vergoeding van de uitvoeringskosten van de gemeente.
2.
Een aanvraag tot het verlenen van een voorschot wordt ingediend na afloop van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
3.
Het aanvragen van een voorschot vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
4.
Burgemeester en wethouders verstrekken bij de aanvraag tot het verlenen van een voorschot de volgende gegevens:
a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voorschotten op de vergoeding van de uitvoeringskosten;
b. het totaalbedrag aan betaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
c. de in de maand waarop de voorschotaanvraag betrekking heeft van de huurder terugontvangen bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
d. een verklaring van burgemeester en wethouders omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens.
5.
Het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:
a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205;
b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een voorschot kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.
6.
Onze Minister onderzoekt of aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk vier weken na ontvangst van een aanvraag om voorschotverlening over tot het betaalbaar stellen van het voorschot.
7.
Indien niet aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, kan Onze Minister de voorschotverlening opschorten.
1.
De einddeclaratie van de kosten, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, vindt plaats overeenkomstig een bij ministeriële regeling vast te stellen model.
2.
Burgemeester en wethouders verstrekken bij de einddeclaratie de volgende gegevens:
a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de vergoeding van de uitvoeringskosten;
b. het totaalbedrag aan uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;
c. het totaal aan betaalbaar gestelde voorschotbedragen, bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, over de maanden in het subsidiejaar onderverdeeld naar verstrekte bijzondere bijdrage in de huurlasten en naar de vergoeding van de uitvoeringskosten;
d. de ontvangsten van de van de huurder teruggevorderde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop in het betreffende subsidiejaar;
e. een uiteenzetting over het beleid dat de gemeente heeft gevoerd ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijzondere bijdrage in de huurlasten;
f. indien de declaratie van uitbetaalde bijdragen en uitvoeringskosten van de gemeenten € 18 500 of meer bedraagt, de verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet.
3.
De totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:
a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: € 205;
b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: € 91, een en ander met dien verstande dat voor de behandeling van maximaal twee aanvragen per subsidiejaar per huishouden een vergoeding kan worden verkregen tot ten hoogste € 205.
4.
Onze Minister vergoedt uitsluitend de kosten voorzover deze door een in het tweede lid, onder f, bedoelde verklaring met een goedkeurende strekking zijn gedekt.
5.
Onze Minister onderzoekt of aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk acht weken na ontvangst van de einddeclaratie over tot vaststelling van de vergoeding van de kosten.
6.
Indien niet aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, stelt Onze Minister burgemeester en wethouders in de gelegenheid om alsnog binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn aan de voorwaarden te voldoen. Onze Minister kan de vaststelling van de vergoeding opschorten tot uiterlijk acht weken na het verstrijken van deze termijn.
1.
De verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, dient ter vaststelling van de naleving van de in artikel 8 aan burgemeester en wethouders gestelde voorwaarden, ter vaststelling van de uitvoeringskosten en ter vaststelling van de deugdelijkheid van de door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens.
2.
De verklaring wordt opgesteld met inachtneming van het in de bijlage opgenomen protocol en overeenkomstig het in de bijlage opgenomen model.
3.
De verklaring dient in ieder geval betrekking te hebben op:
a. de naleving door burgemeester en wethouders van de in de wet en de daarop berustende bepalingen gestelde voorwaarden en
b. de getrouwheid van de door burgemeester en wethouders in het betreffende subsidiejaar gedeclareerde kosten.
4.
De verklaring heeft uitsluitend een goedkeurende strekking voorzover, naar het oordeel van de deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, de som van de fouten bij de uitbetalingen van bijzondere bijdragen in de huurlasten niet meer bedraagt dan:
a. indien het totale bedrag van de in het subsidiejaar uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten meer dan € 900 000 bedraagt: 2% van het uitbetaalde bedrag;
b. indien dat bedrag meer dan € 450 000, doch € 900 000 of minder bedraagt: 3% van het uitbetaalde bedrag;
c. indien dat bedrag meer dan € 220 000, doch € 450 000 of minder bedraagt: 4% van het uitbetaalde bedrag;
d. indien dat bedrag meer dan € 110 000, doch € 220 000 of minder bedraagt: 5% van het uitbetaalde bedrag;
e. indien dat bedrag meer dan € 50 000, doch € 110 000 of minder bedraagt: 6% van het uitbetaalde bedrag, of
f. indien dat bedrag € 50 000 of minder bedraagt: 10% van het uitbetaalde bedrag.
5.
De deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, stelt een rapport van bevindingen bij de verklaring op, waarin hij zijn oordeel geeft over de wijze waarop burgemeester en wethouders de juistheid en volledigheid van de bij de aanvragen verstrekte gegevens hebben onderzocht en over het verdere gevoerde beleid op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Artikel 10
Burgemeester en wethouders verrekenen of vorderen geheel of gedeeltelijk de bijzondere bijdrage in de huurlasten, dan wel het daarop verstrekte voorschot terug, indien deze ten onrechte is verstrekt doordat:
a. de huurder of de medebewoners een onjuiste opgave hebben gedaan van het rekeninkomen of het netto inkomen;
b. het rekenvermogen meer bedraagt dan het toepasselijke bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, van de wet;
c. de huurder een onjuiste opgave van de huurprijs heeft gedaan of
d. de huurder een onjuiste opgave van de samenstelling van het huishouden, aanwezige medebewoners of onderhuurders heeft gedaan.
Artikel 11
[Wijzigt het Huursubsidiebesluit.]
Artikel 12
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1998.
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vangnetregeling huursubsidie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 20 mei 1998
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven negende juni 1998
De Minister van Justitie a.i.,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Vaststelling bijzondere bijdrage in de huurlasten
+ Hoofdstuk 3 Financiële. afwikkeling gemeenten –rijk
+ Hoofdstuk 4. Terugvordering en verrekening
+ Hoofdstuk 5. Wijziging van het huursubsidiebesluit
+ Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken