Besluit van 9 januari 1940, tot vaststelling van regelen omtrent den Electriciteitsraad en commissies van dien Raad en omtrent het bureau van dien Raad
Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 13 December 1939, La. E, Afdeeling Waterstaatsrecht;
Overwegende, dat ter uitvoering van artikel 14, achtste en twaalfde lid van de Electriciteitswet, bij algemeenen maatregel van bestuur regelen behooren te worden vastgesteld omtrent den Electriciteitsraad en commissies van dien Raad en omtrent het bureau van dien Raad, bij die wet bedoeld;
Den Raad van State gehoord (advies van 28 December 1939, no 38);
Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 8 Januari 1940, La. A, Afdeeling Electriciteitsvoorziening;
Hebben goedgevonden en verstaan:
omtrent den Electriciteitsraad en commissies van dien Raad en omtrent het bureau van dien Raad de volgende regelen vast te stellen:
Artikel 1
De Voorzitter van den Raad stelt, in de gevallen, dat daartoe naar zijn meening aanleiding bestaat, en verder in de gevallen, dat daartoe door den Raad is besloten, aanvragen om advies bij den Raad ingekomen omtrent onderwerpen, voor de behandeling waarvan een vaste dan wel een bijzondere commissie, als bedoeld bij artikel 14, zevende lid, van de Electriciteitswet, is ingesteld, in handen van die commissie.
Artikel 2
De Voorzitter van den Raad heeft het recht de vergaderingen der commissies bij te wonen en aan de beraadslagingen in die vergaderingen deel te nemen, ook indien hij geen voorzitter der commissie is en heeft in dit laatste geval in die vergaderingen raadgevende stem.
1.
Op verzoek van een commissie, als bedoeld bij artikel 14, zevende lid van de Electriciteitswet, kan de Raad leden dier commissie, niet zijnde leden van den Raad, in zijn vergaderingen toelaten ter bijwoning van en deelneming aan de beraadslaging over onderwerpen, welke door die Commissie zijn behandeld.
2.
Die leden hebben alsdan raadgevende stem.
1.
De adviezen van den Raad en de voorstellen van de commissies aan dien Raad worden opgesteld overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid der vergadering; van afwijkende gevoelens van de minderheid wordt desverlangd in het advies of het voorstel melding gemaakt.
2.
De leden van den Raad en van de commissies zijn bevoegd afzonderlijk aanteekeningen bij het advies en het voorstel te voegen, mits het daarin uitgesproken gevoelen verdedigd zij in de vergadering, waarin het uit te brengen advies werd behandeld of het voorstel werd opgemaakt.
3.
In de vergadering van den Raad en van de commissies, waarin zij tegenwoordig zijn, hebben de in artikel 14, negende lid van de Electriciteitswet, bedoelde ambtenaren en heeft ook de Secretaris raadgevende stem.
Artikel 5
De leden van den Raad en van de commissies onthouden zich van stemming over onderwerpen, welke hun, hun echtgenooten of hun bloed- of aanverwanten - den derden graad ingesloten - persoonlijk aangaan of waarin zij als gelastigden zijn betrokken.
Artikel 6
Zonder toestemming van Onzen Minister van Waterstaat wordt aan de door den Raad en door de commissies behandelde zaken geen bekendheid gegeven.
Artikel 7
In de vergadering van den Raad kan geen besluit worden genomen, indien niet ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is.
1.
De Raad vergadert zoo dikwijls de Voorzitter dit noodig acht of het door ten minste vijf leden met opgave van redenen wordt gevraagd.
2.
De vergaderingen worden gehouden te 's-Gravenhage, tenzij de Voorzitter een andere gemeente daartoe aanwijst.
Artikel 9
Een verslag van het verhandelde in de vergaderingen van den Raad en van commissies wordt zoodra mogelijk, door den Voorzitter en den Secretaris van den Raad onderteekend, gezonden aan Onzen Minister van Waterstaat en tevens aan de hoofden der andere Departementen van Algemeen Bestuur, die zich in de vergadering hebben doen vertegenwoordigen.
Artikel 10
De commissies, bedoeld bij artikel 14, zevende lid van de Electriciteitswet, zijn bevoegd ook eigener beweging aan den Raad voorstellen te doen omtrent onderwerpen, voor de behandeling waarvan zij zijn ingesteld.
Artikel 11
Van de vaste commissies, bedoeld bij artikel 14, zevende lid, van de Electriciteitswet, worden de Voorzitter en de leden door Onzen Minister van Waterstaat en van de daarbij bedoelde bijzondere commissies worden de Voorzitter en de leden door den Voorzitter van den Raad aangewezen.
1.
Commissies, als bedoeld bij artikel 14, zevende lid, van de Electriciteitswet, bestaan uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden, waarvan ten minste de kleinste meerderheid wordt benoemd uit leden van den Raad.
2.
De leden der commissies treden om de twee jaar af en zijn aanstonds weder benoembaar.
3.
Hij die tot lid is benoemd ter vervulling van een tusschentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip, waarop degene, in wiens plaats hij is benoemd, moest aftreden.
4.
Hij, die als lid van den Raad zitting heeft in een commissie, verliest het lidmaatschap dezer commissie, wanneer hij ophoudt lid van den Raad te zijn.
Artikel 13
Het secretariaat eener commissie wordt waargenomen door den Secretaris of een Adjunct-Secretaris.
1.
De Raad stelt ter regeling van zijn werkzaamheden en van de werkzaamheden van vaste en bijzondere commissies, als bedoeld bij artikel 14, zevende lid, van de Electriciteitswet een reglement vast.
2.
Het reglement en de daarin gebrachte wijzigingen treden niet in werking dan nadat zij door Onzen Minister van Waterstaat zijn goedgekeurd.
1.
De leden van den Raad en van de commissies ontvangen vergoeding van reis- en verblijfkosten; bovendien kan aan de leden een presentiegeld worden toegekend.
2.
Door Ons kan aan Secretaris en aan Adjunct-Secretaris(sen) als zoodanig een bezoldiging worden toegekend.
1.
Het hoofd en het personeel van het bureau van den Raad worden, behoudens het bepaalde bij het volgende lid, op voordracht van den Voorzitter van den Raad door of vanwege Onzen Minister van Waterstaat in dienst gesteld.
2.
Secretaris en Adjunct-Secretaris(sen) maken als zoodanig deel uit van het in het vorig lid bedoelde bureau.
3.
Slechts in bijzondere gevallen kan de Voorzitter van den Electriciteitsraad als hoofd van het bureau worden aangewezen.
Artikel 17
Het bureau bereidt de behandeling van zaken in den Raad voor en verschaft aan den Raad de noodige voorlichting.
Artikel 18
De verdere regeling van de organisatie en de werkzaamheden van het bureau alsmede van de wijze van samenwerking van den Raad en het bureau met de andere Rijksdiensten geschiedt zoo noodig door Onzen Minister van Waterstaat, na overleg met den Voorzitter van den Raad.
Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad geplaatst en in afschrift aan den Raad van State medegedeeld zal worden.
's-Gravenhage, den 9den Januari 1940
De Minister van Waterstaat,
Uitgegeven den zestienden Januari 1940.
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Van den Electriciteitsraad en van de Commissies van dien Raad, bedoeld bij artikel 14, zevende lid van de Electriciteitswet
+ § 2. Van het bureau van den Raad, bedoeld bij artikel 14, twaalfde lid van de Electriciteitswet
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht