Let op. Deze wet is vervallen op 27 september 2012. U leest nu de tekst die gold op 26 september 2012.

Besluit vergunningen mobiele telecommunicatie

Uitgebreide informatie
Besluit van 4 augustus 1994, houdende regels in verband met mobiele telecommunicatie volgens het systeem GSM
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 1994, nr. 94/13082/HP Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Gelet op de artikelen 4, 13a, 13b, 13g, 13h, 13i, 13k, 13r, 13s, 13w en 41 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;
De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 1994, nr. W09.94.0335);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 juli 1994, nr. 94/17845/HP, Hoofddirectie Telecommunicatie en Post;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet op de telecommunicatievoorzieningen;
b. de houder van de concessie: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet;
c. aanvraag: een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 13 a , eerste lid, van de wet;
d. gebruiker: degene die rechtstreeks met de houder van een vergunning of met een van zijn dienstaanbieders een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot de levering van een GSM-dienst, een ERMES-dienst of een DCS 1800-dienst;
e. GSM: het systeem voor openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele communicatie te land, zoals omschreven in de bijlage bij aanbeveling nr. 87/371/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987, inzake de gecoördineerde invoering van openbare paneuropese digitale cellulaire mobiele communicatie te land in de Gemeenschap (PbEG L 196) en zoals omschreven in de ERC Decision nr. ERC/DEC/(97)02 van 21 maart 1997;
f. ERMES: het systeem voor een openbare paneuropese semafoondienst te land, zoals omschreven in de bijlage bij aanbeveling nr. 90/543/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 oktober 1990, inzake de gecoördineerde invoering in de Gemeenschap van een openbare paneuropese semafoondienst te land ( PbEG L 310);
g. DCS 1800: het systeem voor openbare digitale cellulaire mobiele telecommunicatie te land, zoals gestandaardiseerd door het Europese Telecommunicatie Standaardisatie Instituut (ETSI);
Artikel 2
Als technische systemen als bedoeld in artikel 13 a , eerste lid, van de wet worden aangewezen GSM, ERMES en DCS 1800.
Artikel 3
Het aantal vergunningen, bedoeld in artikel 13 b van de wet bedraagt:
a. voor GSM twee, waarvan een vergunning krachtens artikel 13 i van de wet wordt verleend aan Koninklijke PTT Nederland N.V.;
b. voor ERMES drie, waarvan een vergunning krachtens artikel 13 i van de wet wordt verleend aan Koninklijke PTT Nederland N.V.;
c. voor DCS 1800, 16;
d. voor DCS 1800 gecombineerd met GSM, twee.
Artikel 3a
Onze Minister bepaalt welke radio-frequenties voor de uitvoering van de vergunningen voor DCS 1800 en voor DCS 1800 gecombineerd met GSM, beschikbaar zijn.
1.
De veiling van het gebruiksrecht op radio-frequenties voor DCS 1800, en voor DCS 1800 gecombineerd met GSM vindt plaats over meer ronden, waarbij alle beschikbare radio-frequenties simultaan worden aangeboden. De deelnemers aan de veiling brengen hun biedingen schriftelijk in.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde veiling plaatsvindt, alsmede regels omtrent de wijze van betaling van het verschuldigde bedrag.
Artikel 4
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning en omtrent de inhoud van de aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens.
1.
Onze Minister maakt binnen drie weken na de inwerkingtreding van dit besluit in de Staatscourant bekend wanneer de procedure voor het aanvragen van een vergunning voor GSM zal beginnen.
2.
Onze Minister stelt een tenderdocument op, waarin een overzicht wordt gegeven van de gestelde regels omtrent de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning voor GSM en van de gestelde regels omtrent de inhoud van de aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens. In het tenderdocument wordt voorts informatie gegeven over de aanvraagprocedure.
3.
Binnen twee weken na het tijdstip waarop de in het eerste lid bedoelde bekendmaking in de Staatscourant is gepubliceerd, kan een ieder aan Onze Minister een verzoek doen om toezending van het tenderdocument. Het tenderdocument wordt uitsluitend verzonden aan degene die daarvoor een bedrag van f 500,- heeft betaald als tegemoetkoming in de kosten van de vervaardiging.
1.
Een aanvraag wordt slechts in behandeling genomen indien de aanvraag voldoet aan de regels, gesteld bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 4.
2.
Onze Minister deelt de aanvrager mede of de aanvraag in behandeling wordt genomen.
Artikel 7
Onze Minister beslist op de aanvraag om een vergunning voor GSM binnen dertig weken na de bekendmaking, bedoeld in artikel 5, eerste lid.
1.
Een vergunning voor GSM wordt verleend voor een periode van 15 jaren.
2.
Een vergunning voor ERMES wordt verleend voor een periode van 10 jaren.
3.
Een vergunning voor DCS 1800 wordt verleend voor een periode van 15 jaren.
4.
Een vergunning voor DCS 1800 gecombineerd met GSM wordt verleend voor een periode van 15 jaren.
Artikel 10
In afwijking van de artikelen 5 en 9 geldt, indien een vergunning wordt verleend na een voorafgaande intrekking op grond van artikel 13v van de wet, dat:
a. Onze Minister binnen drie weken na de intrekking van de vergunning in de Staatscourant bekend maakt op welk tijdstip de procedure voor het aanvragen van een vergunning zal beginnen, en
b. de door Onze Minister te verlenen vergunning wordt verleend voor een periode die uiterlijk eindigt op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de ingetrokken vergunning geëindigd zou zijn.
1.
Uiterlijk drie jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de vergunningen voor GSM, ERMES, DCS 1800 en DCS 1800 gecombineerd met GSM zijn verleend, is verstreken, maakt Onze Minister zijn voornemen met betrekking tot de verlengbaarheid van de vergunningen bekend. Indien zijn voornemen strekt tot verlengbaarheid, geeft hij daarbij tevens aan onder welke voorschriften en beperkingen en volgens welke procedure naar zijn voorlopig oordeel tot verlenging kan worden overgegaan.
2.
Onze Minister geeft belanghebbenden de gelegenheid om binnen een maand hun zienswijze met betrekking tot het voornemen te geven.
3.
Na afloop van de periode, bedoeld in het tweede lid, neemt Onze Minister binnen drie maanden een besluit over de verlengbaarheid van de vergunning, de aan de verlenging te verbinden voorschriften en beperkingen en de te volgen procedure. Hij maakt dit besluit in de Staatscourant bekend en stelt de houders van een vergunning in kennis van zijn besluit.
4.
De houders van een vergunning delen binnen twee maanden na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, aan Onze Minister mede of zij in aanmerking willen komen voor verlenging van hun vergunning. Indien zij daarvoor in aanmerking willen komen wordt de vergunning verlengd. Van deze verlenging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant .
5.
Indien een houder van een vergunning geen verlenging van de vergunning wenst, maakt Onze Minister dit in de Staatscourant bekend binnen twee weken na het tijdstip waarop de houder van een vergunning heeft meegedeeld dat hij niet voor verlenging in aanmerking wil komen. Binnen tien weken na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip worden bij ministeriële regeling regels gesteld omtrent de indiening en behandeling van aanvragen om een vergunning door anderen dan de houder van een vergunning en omtrent de inhoud van deze aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens.
6.
De verlenging van een vergunning, bedoeld in het vijfde lid, vindt niet later plaats dan een jaar voor het tijdstip waarop de periode waarvoor de lopende vergunning is verleend, is verstreken.
7.
De verlenging dan wel de verlening van een vergunning zal slechts éénmaal voor een periode van ten hoogste vijf jaar geschieden.
8.
Met betrekking tot de verlenging van een vergunning is artikel 12 van overeenkomstige toepassing.
1.
De houder van een vergunning draagt er zorg voor dat zijn telecommunicatie-infrastructuur:
a. wat betreft GSM en ERMES, ten minste van de door hem in de aanvraag opgegeven capaciteit is, en, wat betreft GSM, van voldoende capaciteit is om het verkeer van, naar en tussen zijn gebruikers af te wikkelen, en, wat betreft ERMES, het verkeer naar zijn gebruikers af te wikkelen,
b. beantwoordt aan de door internationale organisaties vastgestelde normen, standaarden en specificaties, onder meer wat betreft de voor GSM, ERMES en DCS 1800 gestelde kwaliteitseisen, zoals deze onder andere zijn vastgesteld door het Europese Telecommunicatie Standaardisatie Instituut of door de Internationale Telecommunicatie Unie en, wat GSM en ERMES betreft, ten minste van de door hem in de aanvraag opgegeven kwaliteit is,
c. vanaf een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen tijdstip aftapbaar is,
d. geschikt is om daarover ten minste de diensten te verrichten die hem bij vergunning zijn opgelegd,
e. geschikt is om daarover door dienstaanbieders als bedoeld in artikel 13s van de wet alle diensten aan te bieden, die deze dienstaanbieders willen aanbieden,
f. beveiligd is tegen ongeoorloofd gebruik door derden, en
g. kan samenwerken met toegelaten randapparatuur.
2.
Onze Minister geeft na overleg met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan de houder van een vergunning voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen en te treffen voorzieningen met betrekking tot de aftapbaarheid van de telecommunicatie-infrastructuur.
Artikel 14
De houder van een vergunning is verplicht een geschillencommissie in te stellen voor geschillen over de toepassing en de uitleg van algemene voorwaarden ten behoeve van diegenen die uitsluitend of hoofdzakelijk anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelend, rechtstreeks met hem een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot de levering van de hem bij vergunning opgelegde GSM-diensten, ERMES-diensten of DCS 1800-diensten.
1.
De houder van een vergunning is verplicht:
a. ten minste de hem bij vergunning opgelegde diensten aan te bieden, en
b. de diensten te verrichten in overeenstemming met de door internationale organisaties vastgestelde normen, standaarden, specificaties, en de voor GSM, ERMES en DCS 1800 gestelde kwaliteitseisen.
2.
De houder van een vergunning voor GSM, voor DCS 1800 en voor DCS 1800 gecombineerd met GSM is tevens verplicht er voor te zorgen dat zijn gebruikers door het kiezen van een alarmnummer kunnen communiceren met een nooddienst die werkzaam is in de regio waarin de gebruiker zich bevindt op het tijdstip waarop hij het alarmnummer kiest.
3.
De houder van een vergunning voor GSM en de houder van een vergunning voor DCS 1800 gecombineerd met GSM zijn tevens verplicht:
a. te garanderen dat aan eenieder via één informatienummer inlichtingen worden verstrekt over het nummer van zijn gebruikers, tenzij het een geheim nummer betreft, en
b. te garanderen dat zijn gebruikers toegang hebben tot de nummerinformatiediensten van de telecommunicatie-infrastructuren waarmee zijn telecommunicatie-infrastructuur gekoppeld is en te garanderen dat diegenen die gebruik maken van de gekoppelde telecommunicatie-infrastructuren toegang hebben tot zijn nummerinformatiedienst.
1.
De houder van een vergunning is verplicht het lidmaatschap van door Onze Minister aan te wijzen internationale organisaties aan te vragen.
2.
Indien het lidmaatschap verkregen is, is de houder van een vergunning verplicht de besluiten die door deze organisaties zijn genomen na te leven en medewerking te verlenen aan standaardisatiewerkzaamheden voor zover betrekking hebbend op het hem betreffende systeem.
1.
De houder van een vergunning draagt er zorg voor dat met betrekking tot de telecommunicatie-infrastructuur en de diensten de wettelijke voorschriften met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in acht worden genomen. Tevens is hij, indien dat voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk blijkt, verplicht verdergaande waarborgen te stellen met betrekking tot het verzorgen en beheren van informatie.
2.
De houder van een vergunning draagt er zorg voor dat met betrekking tot de diensten het telefoon- en telegraafgeheim, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Grondwet wordt nageleefd.
3.
De houder van een vergunning is verplicht in de arbeidsvoorwaarden voor zijn personeel bepalingen op te nemen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van diegenen die gebruik maken van zijn telecommunicatie-infrastructuur. Voor zover derden betrokken zijn bij de uitvoering van activiteiten met betrekking tot de telecommunicatie-infrastructuur en de diensten, dient de houder van een vergunning er voor zorg te dragen dat ten aanzien van die derden en hun personeel overeenkomstige bepalingen worden gesteld.
Artikel 18
De houder van een vergunning voor GSM, voor ERMES, en voor DCS 1800 gecombineerd met GSM is verplicht de tarieven voor de door hem te verrichten diensten bekend te maken. Hij stelt op verzoek een tarievenblad aan een ieder beschikbaar.
1.
De houder van een vergunning is verplicht de in artikel 13 s , eerste lid, van de wet bedoelde voorzieningen te verstrekken in de aantallen en van een zodanige kwaliteit en capaciteit als de dienstaanbieders verzoeken.
2.
De houder van een vergunning is niet verplicht te voldoen aan verzoeken van dienstaanbieders om voorzieningen ter beschikking te stellen indien door het voldoen aan een dergelijk verzoek de navolgende wezenlijke vereisten onvoldoende gewaarborgd zijn:
a. de veiligheid van het functioneren van de telecommunicatie-infrastructuur,
b. het behoud van de integriteit van de telecommunicatie-infrastructuur,
c. de interoperabiliteit van diensten, in gerechtvaardigde gevallen,
d. de bescherming van gegevens, in passende gevallen,
e. de veiligheid van diegenen die gebruik maken van zijn telecommunicatie-infrastructuur,
f. de veiligheid van het personeel van de houder van een vergunning, en
g. de eisen die aan de telecommunicatie-infrastructuur zijn gesteld op het gebied van elektromagnetische compatibiliteit,
h. de bescherming van de telecommunicatie-infrastructuur tegen schade,
i. een doelmatig gebruik van frequenties, in voorkomende gevallen,
j. samenwerking van toegelaten randapparatuur die bestemd is voor aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur waarvoor vergunning is verleend, met die telecommunicatie-infrastructuur, of
k. onderlinge samenwerking van toegelaten randapparatuur die bestemd is voor aansluiting op de telecommunicatie-infrastructuur waarvoor vergunning is verleend.
3.
Aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, hoeft de houder van een vergunning eveneens niet te voldoen, indien dat van hem niet gevergd kan worden, omdat als gevolg van de door hem te treffen voorzieningen ter voldoening aan het verzoek de continuïteit van zijn bedrijfsvoering ernstig in gevaar wordt gebracht.
4.
Aan een verzoek als bedoeld in het eerste lid, dient de houder van een vergunning niet te voldoen indien de dienstaanbieder zich tegenover hem niet verbindt medewerking te verlenen aan de uitvoering van een bevoegd gegeven bijzondere last tot het afluisteren of opnemen van telecommunicatie die over de telecommunicatie-infrastructuur wordt afgewikkeld.
Artikel 20
Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke informatie de houder van een vergunning aan Onze Minister, onderscheidenlijk aan het college, dient te verschaffen ten dienste van het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de wet bepaalde. Bij deze regeling wordt bepaald op welke tijdstippen deze informatie wordt verschaft. Daarbij wordt tevens bepaald op welke tijdstippen deze informatie dient te worden verschaft.
Artikel 21
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van radiofrequenties door de houder van een vergunning.
1.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a, b, d en g, 14 en 15, indien de houder van een vergunning een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 17, onderdeel a, van het Frequentiebesluit heeft ingediend waarop de artikelen 13, eerste lid, onderdelen a, b, d en g, 14 en 15 van toepassing zijn.
2.
Aan een ontheffing kunnen voorschriften en voorwaarden verbonden worden.
1.
Voorzieningen, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de wet zijn in ieder geval:
a. lokaties waar de koppeling van de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning aan de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie kan plaatsvinden,
b. koppelvlakken tussen de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de vergunning en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie die voldoen aan de door de houder van een vergunning gevraagde capaciteit, kwaliteit en eigenschappen,
c. een systeem waarmee het verkeer tussen de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van een vergunning en de geschakelde telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie kan worden gemeten en verrekend.
2.
De houder van de concessie stelt de in het eerste lid bedoelde voorzieningen en de vaste verbindingen ten behoeve van de koppeling als bedoeld in het eerste lid, aan de houder van een vergunning ter beschikking binnen vier weken nadat deze een verzoek daartoe aan de houder van de concessie heeft gedaan indien de gevraagde voorzieningen in vooraanleg reeds aanwezig zijn.
In geval de gevraagde voorzieningen niet in vooraanleg aanwezig zijn dient de houder van de concessie binnen vier weken aan de houder van een vergunning een bindende offerte te leveren waarin in ieder geval is opgenomen:
a. een beschrijving van de te leveren voorzieningen, waarbij is uitgegaan van de door de houder van een vergunning gevraagde voorzieningen, en
b. de prijs waarvoor en de termijn waarbinnen de gevraagde voorzieningen door de houder van de concessie geleverd zullen worden.
Artikel 23
Van een aanvraag tot verlening van toestemming als bedoeld in artikel 13r van de wet wordt mededeling gedaan in de Staatscourant . het college maakt daarbij tevens bekend dat hij voornemens is de toestemming te verlenen.
Artikel 24
Onverminderd het bepaalde in artikel 12, is de houder van een vergunning een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag verschuldigd in verband met het door Onze Minister onderscheidenlijk het college uitgeoefende toezicht op de naleving door een houder van een vergunning van de bij of krachtens de wet gegeven regels, voorschriften en beperkingen.
Artikel 26
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
Artikel 27
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vergunningen mobiele telecommunicatie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 4 augustus 1994
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de vijfentwintigste augustus 1994
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ § 1. Algemene bepalingen
+ § 2. Vergunningverlening
+ § 3. Verlenging van de vergunning
+ § 4
+ § 5. Verplichtingen van de houder van een vergunning
+ § 6. Verplichtingen voor de houder van de concessie
+ § 7. Overige bepalingen
+ § 8. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken