1.
Bij het afleggen van een optieverklaring verstrekt de optant betreffende zichzelf, voorzoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:
a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
c. adres, postcode en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit of nationaliteiten;
f. tegenwoordige en, voor zoveel nodig, eerdere verblijfsrechtelijke status;
g. duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en, indien van toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het Koninkrijk;
h. indien van toepassing, bestaan en duur van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel de ontbinding daarvan, alsmede ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met e;
i. indien van toepassing, betreffende de minderjarige kinderen van de optant, de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met e, en onder g;
j. indien van toepassing, betreffende de ouders of grootouders van de optant, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met g. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, onder i tot en met o, van de Rijkswet kunnen onder de gegevens bedoeld in onderdeel e mede worden begrepen de historische gegevens betreffende de nationaliteit van de ouders of grootouders van de optant;
k. indien het een minderjarige betreft over wie gezag wordt uitgeoefend, de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met e van degene of degenen die dit gezag uitoefenen;
l. de overige gegevens die naar het oordeel van de tot het in ontvangst nemen van de verklaring bevoegde autoriteit nodig zijn voor de beoordeling van het geval.
2.
In de optieverklaring vermeldt de optant de minderjarige kinderen en kindskinderen die hij in zijn optie wenst te betrekken. Hij verstrekt over hen, voorzoveel mogelijk, de gegevens bedoeld in het eerste lid.
3.
Betrekt de optant in zijn optieverklaring mede een kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, dan is vereist dat het kind op de wijze bepaald in artikel 3 verklaart in te stemmen met de optie.
4.
De optant legt een schriftelijke en ondertekende verklaring over dat de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen. Behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist, verklaart hij op dezelfde wijze dat in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde gegevens naar waarheid zijn verstrekt en dat geen relevante gegevens zijn verzwegen.
5.
De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst neemt, kan verlangen dat de optant de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.
6.
Heeft de optant een of meer nationaliteiten waarvan hij verplicht is afstand te doen, dan legt hij een verklaring over houdende dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de verkrijging van het Nederlanderschap zijn andere nationaliteit of nationaliteiten te verliezen.
1.
De burgemeester neemt de optieverklaringen in ontvangst van optanten die als ingezetenen van zijn gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen.
2.
Hij neemt tevens in ontvangst de optieverklaringen van optanten die ingevolge wettelijke voorschriften niet voor inschrijving als ingezetene in de basisregistratie personen in aanmerking komen, indien zij hoofdverblijf hebben in zijn gemeente.
3.
Hij neemt bovendien in ontvangst de optieverklaringen van optanten die in zijn gemeente verblijf hebben en nergens ter wereld hun hoofdverblijf.
4.
De in het eerste tot en met het derde lid bedoelde optanten ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
5.
De burgemeester neemt geen optieverklaringen in behandeling van anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
6.
Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en een dienststempel.
1.
Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt de burgemeester de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 . Tenzij de optant voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2.
Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de beslissing tot ontheffing van die betaling neemt de burgemeester de optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
1.
Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen, toetst de burgemeester de door de optant verstrekte gegevens aan de gegevens die in de basisregistratie personen zijn opgenomen.
2.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen ingezetenen zijn van zijn gemeente verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de betreffende gemeente om binnen vier weken, of aan de gezaghebber van het betreffende openbaar lichaam, dan wel aan Onze Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao of Sint Maarten om binnen tien weken de hem verstrekte gegevens te toetsen.
3.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt hij, zo nodig, Onze Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4.
Hij verzoekt Onze Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5.
Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
6.
De in het tweede tot en met het vierde lid genoemde autoriteiten zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
1.
Behoudens in de gevallen waarin toelating niet vereist is, onderzoekt de burgemeester de verblijfsrechtelijke status van de optant en van de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2.
Behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is bepaald, onderzoekt de burgemeester of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Rijkswet, jegens de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
3.
In de gevallen, bedoeld in het zesde lid van artikel 6 van de Rijkswet, treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden overgebracht.
4.
Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de naamsvaststelling kenbaar te maken.
1.
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat is voldaan aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2.
De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3.
De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig hoofdstuk IIIA.
4.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt alsook betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
1.
De burgemeester zendt de optieverklaring, de afgelegde waarheidsverklaringen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, de verklaring, bedoeld in artikel 6, zesde lid, de gegevens betreffende de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister.
2.
Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende documenten, alsmede afschriften van de bevestigingen gedurende tenminste twaalf jaar na de bekendmaking.
1.
Onze Minister neemt de optieverklaringen in ontvangst van optanten die als ingezetenen zijn ingeschreven in de basisadministratie van het betreffende openbare lichaam.
2.
Hij neemt tevens in ontvangst de optieverklaringen van optanten die ingevolge de ter plaatse geldende voorschriften omtrent de basisadministratie niet voor inschrijving als ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien zij hoofdverblijf hebben in het betreffende openbare lichaam.
3.
Hij neemt bovendien in ontvangst de optieverklaringen van optanten die in het betreffende openbare lichaam verblijf hebben en nergens ter wereld hoofdverblijf hebben.
4.
De in het eerste tot en met het derde lid bedoelde optanten ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
5.
Onze Minister neemt geen optieverklaringen in behandeling van anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
6.
Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en een dienststempel.
1.
Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt Onze Minister de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 . Tenzij de optant voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2.
Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de beslissing tot ontheffing van die betaling, neemt Onze Minister de optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
1.
Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen, toetst Onze Minister de door de optant verstrekte gegevens aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen.
2.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in zijn openbaar lichaam verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, de gezaghebber van het betreffende openbaar lichaam om binnen vier weken, en Onze Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten of de burgemeester van de gemeente om binnen tien weken de hem verstrekte gegevens te toetsen.
3.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt hij, zo nodig, Onze Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4.
Hij verzoekt in het voorkomende geval Onze Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5.
Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
6.
De in het tweede tot en met het vierde lid genoemde autoriteiten zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
1.
Behoudens in de gevallen waarin toelating niet vereist is, onderzoekt Onze Minister de verblijfsrechtelijke status van de optant en van de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2.
Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid , aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is bepaald, onderzoekt Onze Minister of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Rijkswet, jegens de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
3.
In de gevallen, bedoeld in het zesde lid van artikel 6 van de Rijkswet, treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden overgebracht.
4.
Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de naamsvaststelling kenbaar te maken.
1.
Nadat Onze Minister heeft vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2.
De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3.
De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig hoofdstuk IIIA.
4.
Bij regeling van Onze Minister kunnen, de gezaghebber gehoord, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
1.
De Gouverneur neemt de optieverklaringen in ontvangst van optanten die als ingezetenen zijn ingeschreven in de basisadministratie van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
2.
Hij neemt tevens in ontvangst de optieverklaringen van optanten die ingevolge de ter plaatse geldende voorschriften omtrent de basisadministratie niet voor inschrijving als ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien zij hoofdverblijf hebben in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
3.
Hij neemt bovendien in ontvangst de optieverklaringen van optanten die in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten verblijf hebben en nergens ter wereld hoofdverblijf.
4.
De in de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde optanten ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
5.
De Gouverneur neemt geen optieverklaringen in behandeling van anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
6.
Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en een dienststempel.
1.
Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt de Gouverneur de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 . Tenzij de optant voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2.
Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de beslissing tot ontheffing van die betaling, neemt de Gouverneur de optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
1.
Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen, verzoekt de Gouverneur Onze Minister van Algemene Zaken die het aangaat de door de optant verstrekte gegevens te toetsen aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen.
2.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de gemeente of de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam om binnen tien weken de hem verstrekte gegevens te toetsen.
3.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk, verzoekt hij, zo nodig, Onze Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4.
Hij verzoekt in het voorkomende geval Onze Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5.
Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
6.
De in het tweede tot en met het vierde lid genoemde autoriteiten zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
1.
Behoudens in de gevallen waarin toelating niet is vereist, onderzoekt de Gouverneur de verblijfsrechtelijke status van de optant en van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd. Zo nodig verwijst hij de optant voor een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2.
Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens is bepaald, laat de Gouverneur onderzoeken of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Rijkswet, jegens de optant of de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
3.
In de gevallen bedoeld in het zesde lid van artikel 6 van de Rijkswet treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden overgebracht.
4.
Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de naamsvaststelling kenbaar te maken.
1.
Nadat de Gouverneur heeft vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2.
De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3.
De bekendmaking van de bevestiging geschiedt overeenkomstig hoofdstuk IIIA.
4.
Bij regeling van Onze Minister kunnen, de Gouverneurs gehoord en indien het hen betreft na overleg met de Ministers van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten, nadere regels worden gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, alsook betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
1.
De Gouverneur zendt de optieverklaring, de waarheidsverklaringen, bedoeld in artikel 6, vierde lid, de verklaring, bedoeld in artikel 6, zesde lid, de gegevens betreffende de toelating en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister. Hij zendt tevens een afschrift van de optieverklaring en van de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de Ministers van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.
2.
Hij archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende documenten alsmede afschriften van de bevestigingen gedurende tenminste twaalf jaar na de bekendmaking.
1.
Onze Minister van Buitenlandse Zaken neemt de optieverklaringen in ontvangst op de diplomatieke of consulaire post in het ressort waar de optant zijn hoofdverblijf heeft.
2.
Hij neemt eveneens de optieverklaringen in ontvangst van optanten die verblijf hebben in het buitenland en nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben.
3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde optanten ontvangen een afschrift van hun optieverklaring.
4.
Onze Minister van Buitenlandse Zaken neemt geen optieverklaringen in behandeling van anderen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid.
5.
Optieverklaringen worden bij ontvangst voorzien van een datum en een dienststempel.
1.
Alvorens de optieverklaring in behandeling te nemen onderzoekt Onze Minister van Buitenlandse Zaken de betalingsverplichting van de optant overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 . Tenzij de optant voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij bij het afleggen van zijn optieverklaring het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde optiegeld.
2.
Na de betaling van het verschuldigde optiegeld, of na de beslissing tot ontheffing van die betaling, neemt Onze Minister van Buitenlandse Zaken de optieverklaring in behandeling en beoordeelt hij deze op haar volledigheid. Zo nodig verzoekt hij om aanvulling van de gegevens.
1.
Nadat hij de optieverklaring in behandeling heeft genomen, toetst Onze Minister van Buitenlandse Zaken de door de optant verstrekte gegevens aan de gegevens die in zijn administratie zijn opgenomen.
2.
Met betrekking tot personen die in de optieverklaring zijn genoemd en die hoofdverblijf hebben binnen het Koninkrijk verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de burgemeester van de gemeente of de gezaghebber van het betrokken openbaar lichaam, dan wel Onze Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, om de hem verstrekte gegevens binnen tien weken te toetsen.
3.
[Vervallen.]
4.
Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens welke niet op de in het eerste en tweede lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
5.
De in het tweede lid genoemde autoriteiten zijn verplicht de genoemde medewerking te verlenen.
1.
Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Rijkswet en waar dit overigens bepaald is, onderzoekt Onze Minister van Buitenlandse Zaken of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Rijkswet, jegens de optant en de personen die tot medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar.
2.
In de gevallen bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de Rijkswet treedt hij met de optant in overleg over de vaststelling en de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de personen die in de optieverklaring zijn genoemd, en over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de optant en van de personen die hij in zijn optie wenst te betrekken, zullen worden overgebracht.
3.
Hij stelt de andere in de optieverklaring genoemde personen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de optie alsook inzake de naamsvaststelling kenbaar te maken.
1.
Nadat Onze Minister van Buitenlandse Zaken heeft vastgesteld dat voldaan is aan de vereisten, die aan de optie zijn gesteld, bericht hij de optant schriftelijk de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap bekendgemaakt zal worden onder vermelding van de namen van de personen die in deze bekendmaking betrokken zullen zijn. Hij bericht gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen zijn besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2.
De bevestiging vermeldt de naam, woonplaats en geboortedatum van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
3.
Bij regeling van Onze Minister worden, na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken, regels gesteld betreffende de wijze waarop de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de optant wordt bekendgemaakt, en kunnen regels gesteld worden betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de optant en van de personen die in de verkrijging delen.
4.
Indien de bekendmaking van de bevestiging door uitreiking geschiedt, is daarop hoofdstuk IIIA, met uitzondering van het gestelde in artikel 60a, vierde lid, van toepassing.
1.
Onze Minister van Buitenlandse Zaken zendt de optieverklaring, de afgelegde waarheidsverklaringen, bedoeld in artikel 6, vierde lid,de verklaring, bedoeld in artikel 6, zesde lid, en de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap in afschrift aan Onze Minister.
2.
Onze Minister van Buitenlandse Zaken archiveert de optieverklaringen en de daarbij behorende documenten alsmede de afschriften van de bevestigingen op een door hem nader vast te stellen wijze.
Artikel 30a
Bij ministeriële regeling kan na overleg met de Ministers van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden bepaald in welke gevallen het doen van afstand, als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, niet zal worden verlangd.
1.
Indien een optant verplicht is om na de totstandkoming van de optie het mogelijke te zullen doen om zijn andere nationaliteit of nationaliteiten te verliezen, wordt hem na de optie door Onze Minister bericht dat hij binnen een termijn van drie maanden een verzoek moet doen tot afstand van die andere nationaliteit of nationaliteiten. Van dit bericht wordt een afschrift gezonden aan de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen.
2.
Heeft de optant het verzoek tot afstand dan wel een verklaring van afstand bij de autoriteiten van het land of de landen van zijn andere nationaliteit of nationaliteiten ingediend of aangeboden en is daarover door deze nog geen beslissing genomen, dan verzoekt Onze Minister na zes maanden de betrokkene hem te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het verlies van de andere nationaliteit of nationaliteiten.
3.
Verlenen de autoriteiten van het land van de andere nationaliteit geen of onvoldoende medewerking aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan beslist Onze Minister over de gevolgen daarvan voor de afstandsverplichting.
1.
Wordt Onze Minister het bewijs overgelegd dat de andere nationaliteit of een der andere nationaliteiten is verloren, dan zendt hij een gewaarmerkt afschrift daarvan aan de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen.
2.
De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, aan wie het bewijs van het verlies van een andere nationaliteit wordt overgelegd, zendt een gewaarmerkt afschrift daarvan aan Onze Minister.
3.
Onze Minister dan wel de in het tweede lid bedoelde autoriteit zendt tevens een gewaarmerkt afschrift aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de persoon wiens verlies van die andere nationaliteit het betreft.
4.
De in het derde lid bedoelde autoriteit bevordert, voor zover van toepassing, dat het verlies van de andere nationaliteit of nationaliteiten in de desbetreffende basisadministratie wordt verwerkt.
Artikel 30d
Tenzij hij wegens de omstandigheden van het geval anders beslist, gaat Onze Minister na verloop van de in het eerste lid van artikel 30b bepaalde termijn over tot de intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. – Algemene bepalingen
- Hoofdstuk II. – Administratieve behandeling van optieverklaringen
+ Hoofdstuk III. – Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
+ Hoofdstuk IIIA. Bekendmaking van de verkrijging van het Nederlanderschap
+ Hoofdstuk IV. – Bewijs van Nederlanderschap
+ Hoofdstuk V. – Verlies van het Nederlanderschap
+ Hoofdstuk VI. – Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht