1.
Onze Minister neemt naturalisatieverzoeken in behandeling van personen die als ingezetenen zijn ingeschreven in de basisadministratie van het betreffende openbare lichaam.
2.
Hij neemt tevens in behandeling naturalisatieverzoeken van personen die ingevolge wettelijke voorschriften niet voor inschrijving als ingezetene in de basisadministratie in aanmerking komen, indien zij hoofdverblijf hebben in het betreffende openbare lichaam.
3.
Hij neemt bovendien in ontvangst naturalisatieverzoeken van personen die in het betreffende openbare lichaam verblijf hebben en nergens ter wereld hun hoofdverblijf.
4.
De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde personen ontvangen een afschrift van hun naturalisatieverzoek.
5.
Naturalisatieverzoeken van andere personen dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid worden door hem niet in behandeling genomen.
6.
Naturalisatieverzoeken worden bij ontvangst voorzien van een datum en een dienststempel.
1.
De verzoeker legt bij zijn verzoek het in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, bedoelde inburgeringsdiploma of certificaat over, tenzij artikel 3 of 4 van het Besluit naturalisatietoets van toepassing is.
2.
Alvorens het verzoek in behandeling genomen wordt, onderzoekt Onze Minister de betalingsverplichting van de verzoeker overeenkomstig het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 . Tenzij de verzoeker voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt, betaalt hij ter gelegenheid van de indiening van zijn verzoek het volgens het Besluit optie- en naturalisatiegelden 2002 verschuldigde naturalisatiegeld.
1.
Nadat hij het verzoek tot naturalisatie in behandeling genomen heeft, toetst Onze Minister de door de verzoeker verstrekte gegevens aan de gegevens die in de basisadministratie zijn opgenomen.
2.
Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die geen ingezetene zijn van zijn openbaar lichaam verzoekt hij zo nodig, al naar gelang de plaats waar zij volgens de basisadministratie als ingezetene zijn ingeschreven, aan de gezaghebber van het betreffende openbaar lichaam om binnen vier weken, en aan de burgemeester van de gemeente of aan Onze Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om binnen tien weken de hem verstrekte gegevens te toetsen.
3.
Met betrekking tot personen die in het naturalisatieverzoek zijn genoemd en die geen hoofdverblijf hebben in het Koninkrijk verzoekt hij, zo nodig, Onze Minister van Buitenlandse Zaken de hem verstrekte gegevens zo mogelijk binnen tien weken te toetsen.
4.
Hij verzoekt Onze Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van personen, bedoeld in artikel 39, tweede lid, binnen vier weken te toetsen aan de gegevens die zijn opgenomen in het door deze gehouden register.
5.
Hij onderzoekt, voor zover mogelijk, de juistheid van de gegevens die niet op de in het eerste tot en met het vierde lid aangegeven wijze kunnen worden getoetst.
1.
Onze Minister onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de verzoeker en de personen om wier medeverlening wordt verzocht, alsmede of er ernstige vermoedens bestaan als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet jegens de verzoeker of de personen die tot medeverkrijging van het Nederlanderschap in het naturalisatieverzoek zijn genoemd, indien zij ouder zijn dan zestien jaar. Zo nodig verwijst hij de verzoeker voor een bewijs van toelating naar de daartoe bevoegde instanties.
2.
Hij onderzoekt eveneens of deze personen aan de overige voor hun naturalisatie gestelde voorwaarden voldoen.
3.
In de gevallen bedoeld in artikel 12 van de Rijkswet overlegt Onze Minister met de verzoeker over de vaststelling en de spelling van geslachtsnaam en voornaam of voornamen van de verzoeker alsmede van de personen om wier medeverlening is verzocht, en over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de namen van de verzoeker en van de personen om wier medeverlening wordt verzocht, zullen worden overgebracht. Hij vraagt, zo nodig, de toestemming van de verzoeker tot wijziging van de naam.
4.
Onze Minister stelt de andere in het verzoek genoemde personen, die de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de wettelijke vertegenwoordiger en de in het vierde lid van artikel 2 van de Rijkswet bedoelde andere ouder van deze personen op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de naturalisatie alsook inzake de naamswijziging en naamsvaststelling kenbaar te maken.
1.
Onze Minister zendt de uittreksels van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap onverwijld ter bekendmaking toe aan de autoriteit van de woonplaats van de verzoeker. Hij zendt het besluit tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek toe aan de verzoeker onder vermelding van de termijn waarbinnen tegen het besluit bezwaar gemaakt kan worden.
2.
De bekendmaking van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap geschiedt overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IIIA.
3.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld betreffende de wijze van bekendmaking van de verlening van het Nederlanderschap alsook betreffende de inname van de door de bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk afgegeven verblijfsdocumenten van de verzoeker en van de personen die in de naturalisatie delen.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. – Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. – Administratieve behandeling van optieverklaringen
- Hoofdstuk III. – Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
+ Hoofdstuk IIIA. Bekendmaking van de verkrijging van het Nederlanderschap
+ Hoofdstuk IV. – Bewijs van Nederlanderschap
+ Hoofdstuk V. – Verlies van het Nederlanderschap
+ Hoofdstuk VI. – Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht