1.
Indien Onze Minister het voornemen heeft een besluit te nemen tot intrekking van het besluit waarbij het Nederlanderschap is verkregen of verleend, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan de bij de intrekking rechtstreeks betrokken persoon of personen alsmede aan de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst genomen heeft. Indien Onze Minister het voornemen heeft een besluit te nemen tot intrekking van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet, doet hij daarvan schriftelijk mededeling aan de bij de intrekking rechtstreeks betrokken persoon of personen.
2.
Heeft de betrokken persoon een bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling aan dat adres gezonden; heeft hij geen bekende woon- of verblijfplaats, dan wordt de mededeling gezonden aan zijn laatst bekende adres in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba of door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan zijn laatst bekende adres in het buitenland.
3.
Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen kennis door uitreiking van de in het eerste lid bedoelde mededeling.
4.
Indien Onze Minister zulks noodzakelijk acht, geeft hij van zijn voornemen tevens kennis in een of meer van de lokale bladen van de vermoedelijke verblijfplaats van betrokkenen of in de daarvoor bestemde officiële publicatiebladen, al naar gelang die verblijfplaats.
5.
Onder rechtstreeks betrokken persoon wordt in dit artikel verstaan de Nederlander op wie het in het eerste lid bedoelde voornemen betrekking heeft, alsmede, voor zover zij bij het voornemen een rechtstreeks belang hebben, zijn kinderen en adoptiefkinderen, alsmede zijn echtgenoot of geregistreerde partner. Bij ministeriële regeling kunnen andere personen als betrokken worden aangemerkt.
6.
In de in het eerste lid bedoelde mededelingen vermeldt Onze Minister ten minste
a. de zakelijke inhoud en korte redengeving van zijn voorgenomen besluit,
b. de mogelijkheid voor betrokkenen of de genoemde autoriteiten om hun bedenkingen tegen dit voornemen in te brengen, en op welke wijze en binnen welke termijn dit kan geschieden,
c. dat degene die schriftelijke bedenkingen inbrengt, kan verzoeken dat zijn persoonlijke gegevens niet worden vermeld.
Artikel 67
Onze Minister zendt van de ingebrachte bedenkingen een afschrift aan de in het eerste lid van artikel 66 genoemde personen en indien van toepassing autoriteit.
1.
Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet houdt Onze Minister onder meer rekening met de aard en ernst van de valse verklaring, het bedrog of de verzwijging, de mogelijke staatloosheid van betrokkene na de intrekking, alsook met de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening verlopen is en de overige relevante factoren.
2.
Het besluit tot intrekking als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of tweede lid, van de Rijkswet vermeldt de personen wier Nederlanderschap is ingetrokken.
Artikel 69
Onze Minister neemt een besluit tot intrekking op grond van artikel 14, eerste lid, of tweede lid, van de Rijkswet uiterlijk binnen zestien weken nadat hij de in het eerste lid van artikel 66 bedoelde mededeling gedaan heeft.
1.
Nadat Onze Minister op grond van artikel 14, eerste of tweede lid, of artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, van de Rijkswet een besluit tot intrekking heeft genomen, zendt hij een afschrift van het besluit aan de persoon wiens Nederlanderschap is ingetrokken aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het bijhouden in de basisadministratie van de gegevens over de desbetreffende persoon of aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken. Indien de intrekking is gebaseerd op artikel 14, eerste lid, of artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, wordt tevens een afschrift gezonden aan de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst heeft genomen. Hij zendt, zo nodig, een afschrift aan andere betrokken instanties. Het tweede, derde en vierde lid van artikel 66 zijn van overeenkomstige toepassing.
2.
Voorzoveel van toepassing, bevordert de autoriteit die dit afschrift heeft ontvangen, dat
a. het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap in de basisadministratie wordt verwerkt;
b. de Nederlandse reisdocumenten die waren uitgereikt aan de personen die het Nederlanderschap hebben verloren, overeenkomstig de Paspoortwet worden ingenomen;
c. de betrokkenen worden verwezen naar de Vreemdelingendienst van de politie;
d. de daarvoor in aanmerking komende akten van de burgerlijke stand worden gewijzigd.
3.
Nadat Onze Minister van Buitenlandse Zaken in kennis is gesteld van het besluit tot intrekking bevordert hij dat de handelingen genoemd in het tweede lid, onder b en d, worden verricht.
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk I. – Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk II. – Administratieve behandeling van optieverklaringen
+ Hoofdstuk III. – Administratieve behandeling van naturalisatieverzoeken
+ Hoofdstuk IIIA. Bekendmaking van de verkrijging van het Nederlanderschap
+ Hoofdstuk IV. – Bewijs van Nederlanderschap
- Hoofdstuk V. – Verlies van het Nederlanderschap
+ Hoofdstuk VI. – Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht