Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2007. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit verplichte beroepspensioenregeling

Uitgebreide informatie
Besluit van 15 december 2005, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit verplichte beroepspensioenregeling)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 oktober 2005, nr. AV/PB/05/80703;
Gelet op de artikelen 37, vijfde lid, 38, tweede lid, 40, zesde lid, 41, vierde lid, 62, 63, vijfde lid en 70, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;
De Raad van State gehoord (advies van 21 november 2005, no. W.12.05.0465/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 2005, nr. AV/PB/2005/95808;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet verplichte beroepspensioenregeling ;
b. ruilvoet: verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen;
c. opbouwkeuzevoet: verhouding tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd;
d. afkoopvoet: verhouding tussen het af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren afkoopsom;
e. afkoopsom: afkoopsom van de aanspraken op pensioen zoals berekend op grond van artikel 12;
f. waardeoverdracht: overdracht van de afkoopsom ter verwerving van met de waarde van die afkoopsom overeenkomende aanspraken in de regeling van de overnemende pensioenuitvoerder;
g. rechthebbende: degene die in aanmerking komt voor waardeoverdracht op grond van artikel 41 van de wet;
h. reguliere beroepspensioenregeling: beroepspensioenregeling waarbij de pensioenaanspraken in de zin van de artikelen 29 en 30 van de wet worden uitgedrukt in euro pensioen dan wel in euro pensioenkapitaal;
i. niet-reguliere beroepspensioenregeling: beroepspensioenregeling waarbij de pensioenaanspraken in de zin van de artikelen 29 en 30 van de wet worden uitgedrukt in beleggingseenheden;
j. overdrachtsdatum: aanvangsdatum van de deelname aan de pensioenregeling van de overnemende pensioenuitvoerder;
k. staten: de jaarlijks door ieder beroepspensioenfonds bij De Nederlandsche Bank N.V. in te dienen gegevens met de daarbij behorende omslag.
2.
Indien een rechthebbende gelijktijdig aan meerdere pensioenregelingen deelneemt en de deelneming aan één van deze regelingen is geëindigd, en vervolgens waardeoverdracht plaatsvindt van de pensioenregeling waaraan de deelneming is geëindigd naar een van de andere regelingen, is de overdrachtsdatum, in afwijking van het eerste lid, onderdeel j, de datum waarop de deelneming aan de pensioenregeling is geëindigd.
1.
Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 37 of 38 van de wet, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld.
2.
De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 37, derde lid, en 38, eerste lid, van de wet.
3.
In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming.
1.
De afkoopsom, bedoeld in artikel 40, vijfde lid, van de wet, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet.
2.
Er wordt voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde afkoopvoet vastgesteld.
3.
De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
Artikel 4. Informatieverplichting recht op waardeoverdracht
De pensioenuitvoerder informeert de rechthebbende bij beëindiging en bij aanvang van de deelname aan de beroepspensioenregeling terstond over zijn recht op waardeoverdracht als bedoeld in artikel 41 van de wet.
1.
De rechthebbende die overweegt gebruik te maken van zijn recht op waardeoverdracht, verzoekt de overnemende pensioenuitvoerder een opgave als bedoeld in artikel 6 te verstrekken:
a. binnen zes maanden na de aanvangsdatum van de deelname aan een beroepspensioenregeling;
b. binnen zes maanden na de datum van beëindiging van een van de deelnames in geval van gelijktijdige deelneming aan meerdere pensioenregelingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
2.
De rechthebbende kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 9, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het nabestaandenpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen genoemd in de artikelen 6, eerste lid, 7, 8 en 9, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De overnemende pensioenuitvoerder vraagt binnen één maand na ontvangst van het verzoek, bedoeld in artikel 5, eerste lid, aan de overdragende pensioenuitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de afkoopsom en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:
a. de nominale pensioenaanspraken waarop de afkoopsom is gebaseerd;
b. de wijze waarop deze aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de overdragende pensioenuitvoerder, worden aangepast;
c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum;
d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van artikel 41 van de wet.
2.
Indien de overdragende pensioenuitvoerder een niet-reguliere pensioenregeling uitvoert, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing.
Artikel 7. Opgave informatie aan de pensioenuitvoerder
De overdragende pensioenuitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 6, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de overnemende pensioenuitvoerder.
Artikel 8. Opgave informatie aan de rechthebbende
De overnemende pensioenuitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 6, binnen twee maanden na ontvangst aan de rechthebbende onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de beroepspensioenregeling, ondergebracht bij de overnemende pensioenuitvoerder, zullen worden behandeld.
1.
Indien de rechthebbende gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 6, en, indien van toepassing, artikel 5, tweede lid, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de overnemende pensioenuitvoerder.
2.
Indien de rechthebbende gehuwd is, moet de echtgenoot verklaren in te stemmen met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het nabestaandenpensioen.
3.
Indien de echtgenoot niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het nabestaandenpensioen, is artikel 45 van de wet hierop van overeenkomstige toepassing
1.
De overnemende pensioenuitvoerder stelt de overdragende pensioenuitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht.
2.
Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voor rekening van de overnemende pensioenuitvoerder.
3.
De afkoopsom wordt binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende pensioenuitvoerder aan de overnemende pensioenuitvoerder betaald.
4.
De overdragende pensioenuitvoerder is rente verschuldigd aan de overnemende pensioenuitvoerder over de afkoopsom over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de afkoopsom wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht van een niet-reguliere regeling naar een andere niet-reguliere regeling betreft. Bij overdracht van een niet-reguliere naar een reguliere regeling wordt de rente geacht in de afkoopsom begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente.
Artikel 11. Overschrijding termijnen
Overschrijding van de in deze paragraaf gestelde termijnen door de overdragende of overnemende pensioenuitvoerder wordt de rechthebbende niet tegengeworpen .
1.
Voor pensioenaanspraken die voortvloeien uit een reguliere beroepspensioenregeling is de afkoopsom gelijk aan de contante waarde van de over te dragen nominale aanspraken op de overdrachtsdatum en wordt deze afkoopsom berekend op basis van het standaardtarief. Onze Minister stelt regels inzake het standaardtarief.
2.
Indien de afkoopsom niet op basis van het standaardtarief berekend kan worden, worden de aanspraken met behoud van de actuariële gelijkwaardigheid eerst omgezet in pensioenaanspraken waarop het standaardtarief wel toegepast kan worden.
3.
Bij de berekening van de afkoopsom blijven buiten beschouwing:
a. toekomstige voorwaardelijke aanpassingen van de aanspraken;
b. nabestaandenpensioen dat is verzekerd op risicobasis, wezenpensioen en invaliditeitspensioen; en
c. aanspraken op nabestaandenpensioen die achterblijven bij de overdragende pensioenuitvoerder.
4.
Indien de pensioenaanspraken voortvloeien uit een niet-reguliere beroepspensioenregeling, is de afkoopsom gelijk aan de waarde van de beleggingseenheden op de datum waarop de beleggingen contant worden gemaakt.
Artikel 13. Afkoopsom niet gelijk aan waarde gefinancierde deel van de aanspraken
Indien de afkoopsom niet gelijk is aan de waarde van het gefinancierde deel van de aanspraken, komt het verschil ten gunste, respectievelijk ten laste, van de overdragende pensioenuitvoerder.
1.
De door de overdragende pensioenuitvoerder opgegeven afkoopsom wordt aangewend voor ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en overige pensioenvormen op basis van de beroepspensioenregeling, ondergebracht bij de overnemende pensioenuitvoerder.
2.
Onze Minister stelt regels inzake de berekening van pensioenaanspraken op grond van de afkoopsom in de pensioenregeling van de overnemende pensioenuitvoerder, voor de situatie waarin waardeoverdracht naar een reguliere beroepspensioenregeling plaatsvindt.
3.
In geval van waardeoverdracht naar een niet-reguliere beroepspensioenregeling wordt de afkoopsom binnen een week aangewend voor beleggingseenheden.
1.
De na waardeoverdracht verkregen aanspraken worden in de beroepspensioenregeling, ondergebracht bij de overnemende pensioenuitvoerder, behandeld alsof zij in de regeling zelf zijn opgebouwd.
2.
Indien in de beroepspensioenregeling, ondergebracht bij de overnemende pensioenuitvoerder, pensioenopbouw plaatsvindt op basis van dienstjaren, wordt de afkoopsom omgezet in voor de pensioenopbouw meetellende dienstjaren.
3.
In een beroepspensioenregeling die voor de pensioenopbouw rekent met een maximaal te bereiken aantal dienstjaren, geldt dat, indien toepassing van het tweede lid leidt tot meer dan het maximale aantal dienstjaren, het meerdere wordt behandeld als een bij ontslag verkregen pensioenaanspraak in die regeling.
Artikel 16. Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota
De actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de wet bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de hoofdlijnen van het interne beheersingssysteem en van de opzet van de administratieve organisatie en interne controle;
b. voorzover van toepassing procedures en criteria voor het deelnemerschap;
c. de aanspraken die voor de deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden voortvloeien uit de beroepspensioenregeling;
d. de uit de aangegane verplichtingen voortspruitende risico’s die in eigen beheer zijn gehouden dan wel zijn herverzekerd of overgedragen;
e. de financiële opzet; en
f. de financiële sturingsmiddelen.
Artikel 17. De financiële opzet
De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld in artikel 16, onderdeel e, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de reservering;
b. het premiebeleid;
c. het beleggingsbeleid; en
d. de wijze waarop bij de reservering, het premiebeleid en het beleggingsbeleid rekening is gehouden met eventuele voorwaardelijke indexering.
Artikel 18. De financiële sturingsmiddelen
De beschrijving van de financiële sturingsmiddelen, bedoeld in artikel 16, onderdeel f, bevat in ieder geval een beschrijving van de sturingsmogelijkheden van het beroepspensioenfonds ten aanzien van het premiebeleid, het beleggingsbeleid alsmede van het beleid met betrekking tot de aanpassingen van de aanspraken.
Artikel 19. Het beleggingsbeleid
De beschrijving van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 17, onderdeel c, bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. het strategisch beleggingsbeleid, waarin opgenomen een beschrijving van de beleggingsdoelstelling, de samenstelling van de beoogde beleggingsportefeuille alsmede de mate waarin van de beoogde beleggingsportefeuille mag worden afgeweken;
b. de beoogde omvang van het weerstandsvermogen gegeven het beleggingsbeleid;
c. de opzet van de uitvoering van de vermogensbeheersactiviteiten;
d. de wijze van risicometing en –beheersing, met name van marktrisico’s en kredietrisico’s;
e. de opzet van de resultaatsevaluatie met betrekking tot de onderwerpen genoemd in de onderdelen a, b, c en d; en
f. de waarderingsgrondslag van de beleggingen op de balans.
Artikel 20. Afwijking in geval van overdracht of herverzekering van risico’s
Voorzover risico’s zijn overgedragen of herverzekerd overeenkomstig artikel 57 van de wet kan de beschrijving, bedoeld in de artikelen 17, 18 en 19, beperkt blijven tot een verwijzing naar wat daarover in de betreffende overeenkomsten is opgenomen.
Artikel 21. Uitgangspunten oordeelsvorming De Nederlandsche Bank N.V.
De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van de artikelen 16 tot en met 20 zijn zodanig dat De Nederlandsche Bank N.V. op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aan de artikelen 32, 59 en 60 van de wet.
1.
Ieder beroepspensioenfonds vult de staten in. De daartoe vereiste gegevens worden naar waarheid verstrekt en door het bestuur ondertekend. Bestaat het bestuur uit meer dan twee personen, dan worden de staten door twee bestuursleden ondertekend.
2.
Staten die niet van toepassing zijn op een beroepspensioenfonds behoeven niet te worden ingediend. Bij verschil van mening hierover beslist De Nederlandsche Bank N.V.
3.
De staten worden ingevuld volgens het model opgenomen in bijlage A bij het Besluit staten pensioenfondsen . Er worden geen andere posten of rubrieken toegevoegd.
4.
Op de omslag wordt de statutaire naam van het beroepspensioenfonds ingevuld.
5.
De Nederlandsche Bank N.V. kan met betrekking tot het invullen van de staten beleidsregels vaststellen die worden gepubliceerd in de Staatscourant.
1.
De indiening van de staten over een kalenderjaar vindt vóór 1 juli van het daarop volgende kalenderjaar plaats.
2.
De Nederlandsche Bank N.V. kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de verplichting om de staten vóór de datum, genoemd in het eerste lid, in te dienen, onder gelijktijdige vermelding van een latere datum waarvoor de indiening plaatsvindt. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden. De ontheffing kan worden gewijzigd en ingetrokken.
3.
Een aanvraag voor ontheffing wordt vóór 1 mei van het betreffende kalenderjaar bij De Nederlandsche Bank N.V. ingediend.
1.
De staten worden in enkelvoud ingediend bij De Nederlandsche Bank N.V. Indien bij het invullen van de staten gebruik wordt gemaakt van de in het tweede lid bedoelde informatiedragers of informatiemedia, worden deze meegezonden.
2.
Indien de staten worden ingevuld met gebruikmaking van elektronische informatiedragers of informatiemedia, wordt voor de samenstelling en aanlevering van de daarop aanwezige gegevens gebruik gemaakt van de door De Nederlandsche Bank N.V. voor dat doel ter beschikking gestelde programmatuur, overeenkomstig de daarbij gegeven instructies omtrent de volledigheid van de in te dienen gegevens en de uit te voeren consistentiecontrole.
3.
Staat 3.400 (Actuarieel verslag), zoals opgenomen in bijlage A van het Besluit staten pensioenfondsen , wordt voorzien van een verklaring van een actuaris tegen wie De Nederlandsche Bank N.V. geen bedenkingen naar voren heeft gebracht. Met deze verklaring bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat:
a. de technische voorzieningen met inachtneming van de op de staat 3.400, zoals opgenomen in bijlage A van het Besluit staten pensioenfondsen , voorkomende gegevens als geheel op voldoende voorzichtige grondslagen zijn berekend;
b. voldaan is aan artikel 59 van de wet; en
c. de sterftevergelijking juist is weergegeven, waarvan hij als bewijs de staten 3.410 en 3.530, zoals opgenomen in bijlage A van het Besluit staten pensioenfondsen , waarmerkt.
De actuaris kan zijn verklaring nader toelichten of op onderdelen een voorbehoud maken.
4.
Een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarmerkt de staten en voorziet deze van een accountantsverklaring.
Artikel 25. Ontheffing verplichting indiening staten
De Nederlandsche Bank N.V. kan een beroepspensioenfonds ontheffing verlenen van de verplichting om bepaalde staten of gedeelten daarvan in te dienen. Artikel 23, tweede lid, tweede en derde zin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26. Kwartaalrapportages beleggingen
Ieder beroepspensioenfonds dat voor eigen rekening en risico belegt, dient binnen zes weken na afloop van ieder kwartaal bij De Nederlandsche Bank N.V. gegevens in omtrent zijn beleggingen.
Artikel 27. Verstrekking niet-vertrouwelijke gegevens beroepspensioenfondsen
Onze Minister en de Sociaal Economische Raad kunnen kosteloos uit de door De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 70, eerste lid, van de wet verzamelde gegevens beschikken over gegevens uit de statuten en reglementen van beroepspensioenfondsen, alsmede over gegevens uit beslissingen die op grond van de statuten en reglementen worden genomen, die geen vertrouwelijk karakter hebben en die niet zijn persoongegevens als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Artikel 28. Wijziging Besluit staten pensioenfondsen
[Wijzigt het Besluit staten pensioenfondsen.]
Artikel 29. Wijziging Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004.]
Artikel 30. Wijziging Besluit gebruik sofi-nummer Wbp
[Wijzigt het Besluit gebruik sofi-nummer Wbp.]
Artikel 31. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.
Artikel 32. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit verplichte beroepspensioenregeling.
Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 15 december 2005
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,
Uitgegeven de negenentwintigste december 2005
De Minister van Justitie ,
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Definities
+ Paragraaf 2. Gelijke behandeling bij beroepspensioenfondsen
+ Paragraaf 3. Procedureregels bij het recht op waardeoverdracht
+ Paragraaf 4. Rekenregels bij het recht op waardeoverdracht
+ Paragraaf 5. Actuariële en bedrijfstechnische nota
+ Paragraaf 6. Staten beroepspensioenfondsen
+ Paragraaf 7. Verstrekking niet-vertrouwelijke gegevens beroepspensioenfondsen
+ Paragraaf 8. Wijziging andere besluiten
+ Paragraaf 9. Slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht