Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2009. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2009.

Besluit vervoer binnenvaart

Uitgebreide informatie
Besluit van 11 mei 1992, houdende regels ter uitvoering van de Wet vervoer binnenvaart
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 oktober 1991, nr. WJZ/V125647, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Gelet op de artikelen 1, onderdeel c , 2, derde lid, 5, eerste lid, 7, 8, 9, tweede lid, 11, eerste en vierde lid, 19, 20, tweede en vierde lid, 24, 25, 26, 27, eerste lid, 33, 39, 41, tweede lid, 42, eerste lid, 47, 54 en 57 van de Wet vervoer binnenvaart ( Stb. 1991, 711);
Gezien het advies van de Adviescommissie Goederenvervoer, bedoeld in artikel 6 van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart ( Stb. 1951, 472);
De Raad van State gehoord (advies van 17 maart 1992, no. W09.91.0594);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 april 1992, WJZ/V222249, Directoraat-Generaal voor het Vervoer, Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet vervoer binnenvaart ;
b. Lid-Staat: staat, lid van de Europese Gemeenschappen;
c. Richtlijn 87/540/EEG: Richtlijn 87/540 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge erkenning van dit beroep betreffende diploma's, certificaten en andere titels ( PbEG L 322/20);
d. Verordening (EEG) nr. 2919/85: Verordening (EEG) nr. 2919/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985, houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de Rijnvaart behoren ( PbEG L 280/4);
e. binnenwateren: de wateren, die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de kust gaande lijn, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c , van de Binnenschepenwet ( Stb. 1981, 678), en vastgesteld bij koninklijk besluit van 2 juni 1982 ( Stb. 1982, 363).
Artikel 2
De wet is niet van toepassing op:
a. binnenschepen met een laadvermogen van minder dan twintig metrieke ton dan wel met een waterverplaatsing van minder dan tien m 3 ;
b. binnenschepen met een permanente ligplaats;
c. binnenschepen met een nagenoeg permanente ligplaats, voor zover deze binnenschepen voor speciale doeleinden worden gebruikt;
d. bunkerstations, drijvende werktuiglijke inrichtingen en in aanbouw zijnde binnenschepen;
e. binnenschepen die worden gebruikt voor het vervoer van personen, voor zover niet sprake is van beroepsvervoer;
f. binnenschepen die worden gebruikt door of ten behoeve van de openbare dienst, voor zover niet sprake is van beroepsvervoer van goederen;
g. overzetveren als bedoeld in de Verenwet ( Stb. 1921, 838);
en
h. vissersschepen en bunschepen, voor zover deze binnenschepen worden gebruikt voor het vervoer van vis als bedoeld in de Visserijwet 1963 ( Stb. 312).
Artikel 3
Onze Minister kan ter uitvoering van verdragen de wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing verklaren op bepaalde vormen van vervoer met binnenschepen, soorten binnenschepen, vervoer op bepaalde binnenwateren of vervoer onder bepaalde omstandigheden.
Artikel 4
De wet is niet van toepassing op schepen, welke zowel voor de vaart op zee als op de binnenwateren kunnen worden gebruikt, voor zover deze schepen vervoer tussen twee punten verrichten waarbij gedeeltelijk over zee wordt gevaren.
Artikel 5
Het bepaalde in hoofdstuk 2, tweede, vierde en zesde afdeling, van de wet is niet van toepassing op:
a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer dan tweehonderd metrieke ton bedraagt en:
1°. het dek zodanig is aangebracht dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bovendeks lading kan worden vervoerd, voor zover:
- het begin- en eindpunt van het vervoer zijn gelegen binnen dezelfde gemeente; of
- het begin- en eindpunt van het vervoer zijn gelegen binnen eenzelfde havengebied;
2°. welke zijn voorzien van bodemkleppen in het laadruim of zijn ingericht als splijtbakken, voor zover deze binnenschepen worden gebruikt voor het vervoer van zand, grint, klei en soortgelijke goederen naar een stortplaats op de binnenwateren, alsmede voor het vervoer van uitrustingsstukken van baggermateriaal;
3°. welke zijn voorzien van luchtkasten en een beuninhoud hebben, die zich ten opzichte van het laadvermogen minimaal als 1:1,6 en maximaal als 1:1,7 verhoudt, voor zover deze binnenschepen worden gebruikt voor het vervoer naar en van een werkobject, waarbij degene die het vervoer verricht dezelfde dient te zijn als degene die het werkobject uitvoert;
4°. welke zijn ingericht voor bergingswerkzaamheden, voor zover deze binnenschepen worden gebruikt voor bergingswerk;
5°. welke zijn ingericht voor het zuigen van schelpen, voor zover deze binnenschepen worden gebezigd voor het vervoer van de door deze schepen zelf opgezogen schelpen;
6°. welke worden gebruikt door baggerbedrijven bij de uitvoering van waterbouwkundige werken, voor zover deze binnenschepen ter plaatse daarvan worden gebruikt;
7°. welke worden gebruikt voor het vervoer van drinkwater; of
8°. welke worden gebruikt voor het vervoer van koopwaren, waarmee op de binnenwateren ten behoeve van schepen of hun opvarenden handel wordt gedreven, mits uit een desbetreffend uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat vorengenoemde handel door de in het Handelsregister vermelde persoon of onderneming wordt verricht en deze een vergunning voor het uitoefenen van de algemene ambulante handel of een ventvergunning heeft;
b. vervoer van:
1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden gebruikt voor het beroepsvervoer van personen;
2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd;
3°. aan de vervoerder toebehorende goederen mits het totale gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de goederen voor eigen gebruik bestemd zijn;
c. vervoer met andere binnenschepen, dan bedoeld in de onderdelen ben c, waarvan het laadvermogen niet meer dan vijftig metrieke ton bedraagt.
Artikel 5a
Hoofdstuk 2, tweede afdeling, paragraaf 2, en zesde afdeling, van de wet is niet van toepassing op sleep- en duwboten.
1.
Aanvragen tot het geven van de volgende beschikkingen worden ingediend bij Onze Minister:
a. afgifte van een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet;
b. afgifte van een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet;
c. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
d. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
e. verlening, wijziging of intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet;
f. verlening, wijziging of intrekking van een vergunning voor voortzetting van het beroepsvervoer van goederen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 18, eerste lid, van de wet;
g. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een vergunning als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
h. verlening van een ontheffing van de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;
i. afgifte of wijziging van een vergunningbewijs als bedoeld in artikel 22 van de wet;
j. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een vergunningbewijs als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
k. [vervallen;]
l. verlening of doorhaling van een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet;
m. voortzetting of doorhaling van een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet;
n. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
o. afgifte of wijziging van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet;
p. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
q. kennisneming en verbetering van de geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel 54, onderdeel d , van de wet.
2.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met p alsmede onderdeel q, voor zover sprake is van aanvragen tot verbetering van de geregistreerde gegevens, worden aangemerkt als aanvragen om registratie respectievelijk wijziging van die registratie als bedoeld in artikel 54, onderdeel a , van de wet.
Artikel 8
Op een aanvraag tot het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met j, en n tot en met q, met uitzondering van de aanvraag tot kennisneming van de geregistreerde gegevens, beslist Onze Minister binnen vier weken. De aanvraag tot kennisneming van de geregistreerde gegevens heeft een beslistermijn van twee weken. Indien de aanvraag een beschikking als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel l of m, betreft, geldt een beslistermijn van acht weken.
Artikel 10
Ambtshalve intrekking onderscheidenlijk ambtshalve doorhaling van de in artikel 7, eerste lid, onderdelen a , b , e , f en h onderscheidenlijk l en mbedoelde beschikkingen geschiedt met inachtneming van een redelijke termijn.
Artikel 11
Onze Minister geeft regels omtrent vorm en inhoud van de in artikel 7, eerste lid, onderdelen a , b , e , f , h , i , l , m en obedoelde beschikkingen.
Artikel 12
Onze Minister geeft regels omtrent het controleerbaar zijn van de in artikel 7, eerste lid, onderdelen a , b , i en obedoelde beschikkingen.
1.
Voor verloren geraakte, versleten of teniet gegane exemplaren van de in artikel 7, eerste lid, onderdelen a , b , e , f , i , l , m en obedoelde beschikkingen kunnen door Onze Minister gewaarmerkte afschriften worden verstrekt.
2.
De verloren geraakte of versleten documenten verliezen in dat geval hun geldigheid.
1.
Een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet wordt afgegeven, indien wordt voldaan aan de eisen gesteld in artikel 3 tot en met 5 van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85.
2.
Onze Minister kan in het geval dat een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, wordt aangevraagd in verband met het verrichten van vervoer in andere gevallen dan vervoer tussen twee punten gelegen aan de wateren, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte, uitzonderingen toestaan wat betreft de eis van meerderheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c , onder cc , alsmede artikel 3, tweede lid, van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85, op voorwaarde dat het doel van Aanvullend Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte niet in gevaar wordt gebracht en hij tevens de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde algemene voorwaarden, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85, overeenkomstig toepast.
3.
Onze Minister kan regels geven omtrent de toepassing van het verbod, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, op transitvervoer.
Artikel 15
Als bewijs dat is voldaan aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet is overlegging vereist van:
a. een door Onze Minister aangewezen vakdiploma;
b. een door Onze Minister aangewezen bewijsstuk respectievelijk verklaring als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet; of
c. een door Onze Minister aangewezen geëigend document als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
1.
Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet aan een persoon die aantoonbaar beschikt over een praktijkervaring van ten minste drie jaar in het dagelijks beheer van de betrokken onderneming, indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 87/540/EEG.
2.
Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, wordt de ontheffing vermeld in de vergunning.
Artikel 17
Onder een overeenkomstig bewijsstuk als bedoeld in artikel 26 van de wet, wordt verstaan een door de bevoegde autoriteit van een andere Lid-Staat, van een van de overige Staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland afgegeven en door Onze Minister aangewezen:
a. document dat vergelijkbaar is met de vergunning, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet;
b. document dat vergelijkbaar is met het vergunningbewijs, bedoeld in artikel 22 van de wet; of
c. attest als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 87/540/EEG.
1.
Een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet wordt door Onze Minister verleend indien:
a. er een rechtstreeks verband bestaat tussen het verrichten van eigen vervoer en de overige bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten, waarbij wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:
1°. het eigen vervoer vormt een onlosmakelijk onderdeel van het productieproces van degene op wiens naam de goederen worden vervoerd of van de bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten, die voor eigen rekening en risico met betrekking tot de desbetreffende goederen worden uitgeoefend door degene op wiens naam de goederen worden vervoerd; en
2°. het eigen vervoer vormt in het geheel van de bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten geen hoofdactiviteit, maar een werkzaamheid van ondersteunende aard ten behoeve van de hoofdactiviteit in die zin dat het voortbestaan van de onderneming in redelijkheid niet afhankelijk is van de eigen vervoeractiviteiten per binnenschip;
b. degene die het eigen vervoer verricht, gedurende een periode, die langer is dan de periode waarbinnen het vervoer plaatsheeft, de voortdurende en uitsluitende beschikking heeft over de te vervoeren goederen;
c. het bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschip of binnenschepen eigendom is danwel zijn van de aanvrager of gedurende een termijn van tenminste een jaar op basis van een huurovereenkomst of overeenkomst tot huurkoop uitsluitend ter beschikking staat van de aanvrager; en
d. het bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschip of binnenschepen wordt bemand danwel worden bemand door de aanvrager of door personeel in loondienst van de aanvrager.
2.
De huurovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gesloten na tussenkomst van of namens Onze Minister alsmede te voldoen met inachtneming van de navolgende voorwaarden:
1°. de aanvraag tot het huren van een binnenschip wordt ingediend bij Onze Minister;
2°. de in de aanvraag gestelde eisen en voorwaarden zijn van redelijke aard;
3°. de aanvraag wordt gedurende twee weken ter inzage gelegd bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
4°. door of namens Onze Minister wordt een binnenschip met een vergunningbewijs dat door een vergunninghouder is aangemeld en dat aan de eisen en voorwaarden, bedoeld onder 2°, voldoet, toegewezen aan de aanvrager; indien meerdere binnenschepen zijn aangemeld, heeft de toewijzing plaats door loting;
5°. in de huurovereenkomst van het binnenschip wordt rekening gehouden met de kostprijselementen welke voor het betrokken vervoer van toepassing zijn.
3.
Indien sprake is van een huurovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet door Onze Minister verleend voor een periode, die gelijk is aan de duur van die huurovereenkomst met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c.
1.
In het geval de vervoers- en overige ondernemingsactiviteiten, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel a, zijn ondergebracht in verschillende, juridisch gescheiden eenheden of ondernemingen wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 25, een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet door Onze Minister verleend indien de betrokken ondernemingen in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij als onderdelen van dezelfde organisatie beschouwd kunnen worden.
2.
De aanvrager moet de verwevenheid, bedoeld in het eerste lid, aantonen:
a. door overlegging van een verklaring dat de betrokken ondernemingen als één ondernemer worden aangemerkt in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 ( Stb. 329);
b. door overlegging van een beschikking op basis van artikel 15 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 ( Stb. 469) waarbij de betrokken ondernemingen tezamen als één fiscale eenheid worden aangemerkt;
c. danwel op andere wijze.
3.
In het geval dat het eerste lid van toepassing is, staat danwel staan, in afwijking van het bepaalde in artikel 61, eerste lid, onderdeel c , het bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschip of binnenschepen uitsluitend ter beschikking van de gescheiden juridische eenheden of ondernemingen, welke in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij als onderdelen van dezelfde organisatie beschouwd kunnen worden.
Artikel 27
Onze Minister geeft regels omtrent de bescherming van de geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel 54, onderdeel c , van de wet.
Artikel 28
Onze Minister geeft regels omtrent de verstrekking van gegevens betreffende het vervoer als bedoeld in artikel 57 van de wet.
Artikel 30
Een inschrijving eigen vervoer ten aanzien van een binnenschip, dat de ingeschrevene niet in eigendom heeft, wordt op diens aanvraag telkenmale voor een jaar verleend, indien:
a. de huurovereenkomst ter zake van het betrokken binnenschip vóór 1 april 1982 is gesloten en op het tijdstip waarop de inschrijving wordt verleend van kracht is; en
b. het brandmerk, het laadvermogen en de eigenaar danwel eigenaren van het betrokken binnenschip dezelfde zijn gebleven.
Artikel 33
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervoer binnenvaart.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 mei 1992
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Uitgegeven de veertiende mei 1992
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen met betrekking tot ingevolge de wet te geven beschikkingen
+ Hoofdstuk 3. Toelating van binnenschepen tot het vervoer op de Nederlandse binnenwateren
+ Hoofdstuk 4. Toegang tot het beroep
+ Hoofdstuk 5
+ Hoofdstuk 6. Inschrijving binnenlands eigen vervoer
+ Hoofdstuk 7. Registratie
+ Hoofdstuk 8. Gegevens betreffende het vervoer
+ Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht