Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2008. U leest nu de tekst die gold op -.

Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer

Uitgebreide informatie
Besluit van 18 oktober 2001, houdende regels voor voorzieningen en installaties (Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 april 2001, nr. MJZ2001038858, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op richtlijn nr. 1991/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 1991/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135), artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer, de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, voorzover het betreft artikel 1, onder f en g, artikel 2, eerste lid, onder c, ten derde, artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, en op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer, voorzover het betreft artikel 1, onder h, en artikel 4, tweede lid;
De Raad van State gehoord (advies van 27 juni 2001, nr. W08.01.0179/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 oktober 2001, nr. MJZ2001111.453, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. andere geluidsgevoelige gebouwen: andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning te verlenen voor een inrichting als bedoeld in artikel 2;
c. vergunning: vergunning die is verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer;
d. bijlage 1 : de bij dit besluit behorende bijlage 1 ;
e. bijlage 2 : de bij dit besluit behorende bijlage 2 ;
f. bijlage 3 : de bij dit besluit behorende bijlage 3 ;
g. inrichting type A: inrichting als bedoeld in artikel 2, niet zijnde een inrichting type B of een inrichting type C;
h. inrichting type B: onderdeel van een inrichting als bedoeld in artikel 2, voor welke inrichting een andere algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheergeldt;
i. inrichting type C: onderdeel van een inrichting als bedoeld in artikel 2, voor welke inrichting het in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer gestelde verbod blijft gelden;
j. brandbare vloeistof: vloeistof of een verfproduct waarvan het vlampunt gelegen is op 55 °C of hoger (K3-vloeistof);
k. gevaarlijke stof: stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen ;
l. propaan: product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voorzover de dampspanning bij 343 K (70 °C) ten hoogste 3 100 kPa (31 bar) bedraagt;
m. vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie, als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns ;
n. afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen ;
o. gasfles: cilindrische drukhouder, voorzien van één aansluiting met klep- of naaldafsluiter, die bedoeld is voor meermalig gebruik en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter;
p. woning: gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor bewoning wordt gebruikt of daartoe is bestemd, met uitzondering van een dienst- of bedrijfswoning:
1°. behorende bij een inrichting als bedoeld in artikel 2, of
2°. die op een bedrijventerrein is gelegen met een gemiddelde dichtheid aan dienst- of bedrijfswoningen van ten hoogste één per hectare;
q. geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
r. warmtekrachtinstallatie: installatie toegerust voor het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend;
s. piekniveau (LAmax): maximaal geluidniveau gemeten in de meterstand« F» of «fast»;
t. vuurwerk: vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit .
1.
Dit besluit is van toepassing op een inrichting of een onderdeel daarvan, waarbij uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van:
a. het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid, voorzover:
1°. de ontwerpcapaciteit meer dan 10 Nm 0 3 /h bedraagt bij een maximale incidentele inlaatzijdige werkdruk van meer dan 20 kPa en een maximale inlaatzijdige werkdruk van ten hoogste 1 600 kPa, of de ontwerpcapaciteit meer dan 650 Nm 0 3 /h bedraagt bij een maximale incidentele inlaatzijdige werkdruk van ten hoogste 20 kPa, of de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 1 600 kPa en ten hoogste 10 000 kPa bedraagt,
2°. geen odorisatie-apparatuur aanwezig is,
3°. geen antivries-injectie-apparatuur aanwezig is,
4°. geen expansieturbine aanwezig is,
5°. het geen ondergronds of gedeeltelijk ondergronds station betreft waarvan de nominale ontwerpcapaciteit meer dan 6 000 Nm 0 3 /h bedraagt, de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan 1 600 kPa en ten hoogste 10 000 kPa bedraagt of de inhoud van de behuizing meer dan 15m 3 bedraagt;
b. het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie, voorzover:
1°. de installatie geen groter nominaal elektrisch vermogen heeft dan 10 MW,
2°. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;
c. het verstoken van brandstoffen voor verwarmingsdoeleinden, voorzover:
1°. de stookinstallatie voor verwarming geen groter thermisch vermogen heeft dan 7 500 kW per toestel,
2°. ten behoeve van de stookinstallatie geen andere brandstof dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie wordt gebruikt,
3°. het verstoken van brandstoffen niet geschiedt in een inrichting type B of C;
d. het tot stand brengen en in bedrijf houden van verbindingen ten behoeve van het transport van spraak, data en beeld door middel van telecommunicatie-apparatuur, voorzover niet van installaties voor de omzetting van die elektrische energie in stralingsenergie gebruik wordt gemaakt;
e. het omzetten van windenergie in elektrische energie in één of meer windturbines, voorzover:
1°. windturbines elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de bodem of waterbodem in de vorm van een mast,
2°. windturbines zijn voorzien van een horizontale draaias van de rotor,
3°. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en de dichtstbijzijnde woning of andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, ten minste viermaal de ashoogte bedraagt, en
4°. de windturbine of het samenstel van windturbines een gezamenlijk elektrisch vermogen heeft, kleiner dan 15 MW;
f. het doorvoeren, opslaan, bufferen of keren van rioolwater, hemelwater of oppervlaktewater of water ten behoeve van verwarmings- of koelingsdoeleinden, alsmede het onttrekken, zuiveren, doorvoeren, opslaan, bufferen of keren van grondwater of oppervlaktewater voor drinkwaterdoeleinden;
g. het reinigen van binnen de inrichting vrijgekomen grond of grondwater, voorzover:
1°. geen afvalwater wordt gebracht in het oppervlaktewater, in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater, of in een werk dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam, onderscheidenlijk,
2°. afvalwater wordt gebracht in een voorziening voor inzameling en transport van afvalwater of in een werk dat is aangesloten op een inrichting voor het zuiveren van afvalwater in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam en waarop artikel 4 van het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering van toepassing is, of
h. het bewaren van propaan, voorzover:
1°. het bewaren van propaan geschiedt in bovengrondse reservoirs elk met een inhoud van ten hoogste 13 m 3 ,
2°. niet meer dan twee reservoirs binnen de inrichting aanwezig zijn, en
3°. propaan, behoudens voor het leegmaken voor verplaatsing van een reservoir, uitsluitend in de gasfase aan een reservoir wordt onttrokken.
2.
Dit besluit is eveneens van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met h.
1.
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting type A, indien:
a. in de inrichting of een onderdeel daarvan één of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn, die kunnen worden gebruikt voor het verstoken van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie;
b. in de inrichting of een onderdeel daarvan koel- en vriesinstallaties of warmtepompen aanwezig zijn met een capaciteit of een totale capaciteit van meer dan 200 kg ammoniak of van meer dan 100 kg propaan, butaan of mengsels van propaan en butaan;
c. afvalstoffen worden op- of overgeslagen, die van buiten de inrichting afkomstig zijn, voorzover de inrichting beschikt over een capaciteit:
1°. van meer dan 35 m 3 voor de opslag van afvalstoffen,
2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of
3°. van meer dan 1000 m 3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen;
d. vloeibare gevaarlijke stoffen, vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of brandbare vloeistoffen in tanks worden op- of overgeslagen, tenzij sprake is van:
1°. opslaan in ondergrondse tanks waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is,
2°. opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks, of
3°. opslaan van stoffen, genoemd in voorschrift 2.1.5 van bijlage 2 , voorzover niet meer dan in totaal 10 000 kg van de in voorschrift 2.1.5 van bijlage 2 bedoelde stoffen aanwezig is;
e. voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het afleveren aan voertuigen die niet in hoofdzaak voor eigen gebruik zijn, van autogas of andere brandstoffen;
f. de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor de opslag van vuurwerk.
2.
Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, ten aanzien waarvan gedeputeerde staten ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer het bevoegd gezag zijn.
1.
De voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 en 2 gelden voor een ieder die een inrichting type A drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
2.
De voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 gelden voor een ieder die een inrichting type B of C drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.
3.
Indien een voorschrift dat is opgenomen in bijlage 1 , hoofdstukken 1 tot en met 8 , of bijlage 2 , hoofdstukken 1 tot en met 3 , inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast, meldt degene die de inrichting drijft en die voornemens is andere middelen toe te passen, dit voornemen ten minste vier weken voordat hij die andere middelen wil toepassen aan het bevoegd gezag, onder overlegging van de in artikel 6, elfde lid, bedoelde gegevens. Het bevoegd gezag beslist over de juistheid van een gekozen middel.
1.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot:
a. de in bijlage 1 opgenomen voorschriften ten aanzien van de veiligheid van toestellen en installaties voor warmtekracht, waterwinning, waterbeheer en watertransport, onderzoek naar hinder door slagschaduw of lichtschittering, metingen van emissies naar de lucht of riolering, voorzover dat in bijlage 1 is aangegeven,
b. de in bijlage 2 opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, trilling, energie, afvalstoffen, afvalwater, lucht, verlichting en opslag, voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 2 is aangegeven, of
c. de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit, de veiligheid van de opslag van stoffen, het verbruik van grondstoffen, onderzoek naar bodemverontreiniging, voorzover dat in hoofdstuk 4 van bijlage 2 is aangegeven, de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting en de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken waarop voorschrift 1.7.1 van bijlage 2 betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.
2.
De nadere eisen gelden voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de nadere eisen worden nageleefd.
3.
Het bevoegd gezag kan nadere eisen wijzigen of aanvullen in het belang van de bescherming van het milieu, of wijzigen of intrekken indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
1.
Degene die een inrichting type A, B of C opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
2.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een inrichting type A, B of C en het veranderen van de werking daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens.
3.
Bij de melding wordt vermeld:
a. het adres van de inrichting,
b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel verandert of de werking daarvan verandert, en, indien degene die de inrichting drijft of zal drijven, een andere persoon is, de naam en het adres van die persoon,
c. de aard en omvang van de activiteiten of processen in de inrichting,
d. de indeling en uitvoering van de inrichting, en
e. het tijdstip waarop de inrichting in werking zal zijn, de verandering daarvan gereed zal zijn, dan wel de verandering van de werking daarvan verwezenlijkt zal zijn.
4.
Bij de melding wordt tevens een rapport van een akoestisch onderzoek gevoegd, indien het geheel of gedeeltelijk een inrichting betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b of onder e.
5.
Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van verrichte geluidmetingen of geluidberekeningen of aan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 , kan worden voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden overschreden.
6.
Voorzover het een melding betreft als bedoeld in het tweede lid, is het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek alleen vereist, indien een beoogde uitbreiding of verandering van de inrichting of het veranderen van de werking daarvan naar verwachting van nadelige invloed kan zijn op de geluidbelasting die door de inrichting wordt veroorzaakt.
7.
Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek niet is vereist, indien het aannemelijk is dat het geluidniveau en het piekniveau veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden, bedoeld in voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 . Voor een inrichting als bedoeld onder artikel 2, eerste lid, onder e, is een akoestisch onderzoek niet vereist, indien de afstand van een windturbine tot de dichtstbijzijnde woning meer bedraagt dan 100 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 20 meter en tot 30 meter; 200 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 30 meter en tot 50 meter, en 300 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf 50 meter.
8.
Bij de melding wordt tevens een rapport met betrekking tot emissies naar de lucht en het water gevoegd, indien het geheel of gedeeltelijk een inrichting betreft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder g. Uit dit rapport moet blijken welke emissies naar de lucht en het water optreden en welke voorzieningen zijn getroffen om deze emissies te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken.
9.
De in het derde tot en met vijfde lid en achtste lid vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt, indien het bevoegd gezag over die gegevens beschikt.
10.
Degene die de melding doet, geeft bij de melding aan welke van de ingevolge dit artikel over te leggen gegevens hij reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft.
11.
Bij de melding overeenkomstig artikel 4, derde lid, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat met de volgens die melding toe te passen andere middelen een ten minste gelijkwaardige bescherming voor het milieu wordt bereikt.
Artikel 7
Een voor een inrichting waarvan een inrichting type C onderdeel uitmaakt, krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleende vergunning, geldt ook voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting type C, dan wel het veranderen van de werking daarvan, voorzover dit oprichten, in werking hebben of veranderen van de inrichting type C, dan wel het veranderen van de werking betrekking heeft op het drijven van die inrichting type C.
1.
Voor een inrichting die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit reeds was opgericht en waarvoor onmiddellijk daaraan voorafgaand een vergunning in werking en onherroepelijk was, blijven de voorschriften van die vergunning in verbinding met de gegevens die behoren bij de aanvraag, alsmede de aanvraag voorzover die deel uitmaakt van de vergunning en gegevens bevat die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften, gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, behoudens eerdere wijziging of intrekking van die voorschriften, gedurende drie jaar na het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit op die inrichting, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a of b.
2.
De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit golden krachtens de vergunning dan wel krachtens het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, blijven gelden als nadere eis, bedoeld in artikel 5, na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit, mits het voorschrift betrekking heeft op een onderwerp dat is genoemd in artikel 5, eerste lid, onder a of b.
1.
Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een inrichting reeds is opgericht en voor die inrichting onmiddellijk voor dat tijdstip geen vergunning in werking en onherroepelijk was of geen melding was gedaan krachtens het Besluit opslag propaan milieubeheer, het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer, het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer, meldt degene die de inrichting drijft, aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
2.
De melding geschiedt binnen twaalf weken na het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt. Artikel 6, derde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien op het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, een aanvraag om een vergunning voor het oprichten van een inrichting is ingediend en waarop dit besluit op de inrichting van toepassing is of zal zijn, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. De aanvraag wordt in dat geval aangemerkt als een melding overeenkomstig artikel 6.
Artikel 10
[Wijzigt het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer.]
Artikel 11
[Wijzigt het Besluit tankstations milieubeheer.] .
Artikel 12
[Wijzigt het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer.] .
Artikel 13
[ Wijzigt het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer.]
Artikel 14
[Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.]
Artikel 15
[Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.]
Artikel 16
[Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer.]
Artikel 17
[Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.]
Artikel 18
[Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.]
Artikel 19
[Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.]
Artikel 20
[Wijzigt het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer.]
Artikel 21
Het Besluit opslag propaan milieubeheer , het Besluit riool- of poldergemalen milieubeheer , het Besluit propaan in de bouw milieubeheer en het Besluit gasdrukregel- en meetstations milieubeheer worden ingetrokken.
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 december 2001.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 18 oktober 2001
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Uitgegeven de dertigste oktober 2001
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Artikel 23
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken