Let op. Deze wet is vervallen op 1 juli 2014. U leest nu de tekst die gold op 30 juni 2014.

Besluit voorzieningen Remigratiewet

Uitgebreide informatie
Besluit van 14 oktober 1999 tot het stellen van nadere regels met betrekking tot voorzieningen ten behoeve van remigratie (Besluit voorzieningen Remigratiewet)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, van 9 juli 1999, nr. CIM99/76314;
Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Remigratiewet;
De Raad van State gehoord (advies van 20 augustus 1999, nr. W04.99.0342/1);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid, van 7 oktober 1999, nr. CIM99/81518;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: de Remigratiewet ;
b. remigratievoorzieningen: de periodieke uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet en de voorziening, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet;
c. remigratie-uitkering: de periodieke uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet.
3.
Onder kind wordt in de artikelen 7, derde lid, 15, vierde lid, 16, eerste en derde lid, en 17, tweede lid, mede verstaan het kind, bedoeld in artikel 1, derde lid, van de wet.
1.
De kosten van het vervoer van de remigrant, zijn partner en hun kinderen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet worden vergoed overeenkomstig de door Onze Minister vast te stellen normbedragen.
2.
De kosten van het vervoer van de bagage, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de wet worden vergoed, voor zover die bagage de door Onze Minister vast te stellen omvang niet te boven gaat en overeenkomstig de door Onze Minister vast te stellen normbedragen.
3.
De normbedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen per bestemmingsland verschillend worden vastgesteld.
1.
De kosten van het vervoer van een bedrijfsinventaris, of de kosten van het vervoer van een personenauto of andere hulpmiddelen voor een gehandicapte naar het bestemmingsland tot de plaats van bestemming, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet worden vergoed overeenkomstig de werkelijk gemaakte kosten tot de door Onze Minister vast te stellen maximale bedragen.
2.
Onze Minister kan bepalen welke kosten als kosten van vervoer als bedoeld in het eerste lid, worden beschouwd.
Artikel 4
De opslagkosten van de goederen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, in het bestemmingsland worden vergoed overeenkomstig de werkelijk gemaakte kosten tot een door Onze Minister vast te stellen maximaal bedrag per dag voor een periode van maximaal 14 dagen, de periode van kosteloze opslag daaronder begrepen.
1.
In de kosten van hervestiging na aankomst in het bestemmingsland, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt tegemoet gekomen overeenkomstig een bedrag dat gelijk is aan tweemaal de hoogte van de remigratie-uitkering gedurende de eerste maand van verblijf in het bestemmingsland.
2.
Een remigrant aan wie een remigratie-uitkering is verstrekt heeft geen recht op een tegemoetkoming in de kosten van hervestiging in het bestemmingsland als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6
Onze Minister stelt regels over de wijze en het tijdstip waarop de in de artikelen 2, 3 en 4 bedoelde vergoedingen en de in artikel 5 bedoelde tegemoetkoming in de kosten van hervestiging worden uitbetaald.
1.
Onze Minister stelt het bruto bedrag vast van de remigratie-uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet.
2.
De hoogte van het bruto bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan per bestemmingsland verschillend worden vastgesteld.
3.
De hoogte van het bruto bedrag, bedoeld in het eerste lid, is verschillend al naar gelang er sprake is van een alleenstaande remigrant, een remigrant met partner, dan wel van een alleenstaande remigrant met een kind.
4.
De hoogte van het bruto bedrag, bedoeld in het eerste lid, kan verschillend zijn:
a. afhankelijk van de loonheffing die op de remigratie-uitkering moet worden ingehouden, waarbij:
voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet hebben bereikt uitsluitend rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, en
voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben bereikt rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting, bedoeld in de artikelen 22, 22b respectievelijk 22c van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. al naar gelang er wel of niet een verzekering tegen ziektekosten is gesloten.
5.
Voor de vraag op welk bruto bedrag van de remigratie-uitkering op grond van het derde lid aanspraak bestaat is bepalend de toestand op de datum van vertrek uit Nederland, een en ander onverminderd de artikelen 14, 15, tweede lid, en 17.
1.
De vastgestelde bruto bedragen, bedoeld in artikel 7, worden door Onze Minister jaarlijks aangepast aan de hand van de helft van het percentage waarmee de bijstandsnormen in het voorafgaande kalenderjaar met toepassing van artikel 38, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet werk en bijstand zijn gewijzigd.
2.
De vastgestelde bruto bedragen, bedoeld in artikel 7, kunnen door Onze Minister worden aangepast op het moment dat een wijziging optreedt in de in te houden loonheffing.
1.
De remigratie-uitkering wordt per maand uitbetaald.
2.
Indien de maandelijkse remigratie-uitkering, bedoeld in het eerste lid, minder dan € 22,69 bedraagt, kan de som van de remigratie-uitkeringen eenmaal per jaar worden uitbetaald.
1.
In de kosten van het sluiten van een verzekering tegen ziektekosten in het bestemmingsland als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet wordt tegemoet gekomen met een door Onze Minister vast te stellen bruto bedrag.
2.
De artikelen 7, derde, vierde en vijfde lid, en 8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het bedrag, bedoeld in het eerste lid.
3.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt per maand uitbetaald.
1.
Op de remigratie-uitkering wordt in mindering gebracht het bruto bedrag van de uitkeringen of inkomensvoorziening op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten , de Algemene Ouderdomswet , de Algemene nabestaandenwet , de Toeslagenwet , waarop de remigrant of zijn partner over het uitkeringstijdvak aanspraak heeft.
2.
Op de remigratie-uitkering wordt niet in mindering gebracht het bruto bedrag van de tegemoetkoming op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen , waarop de remigrant of zijn partner over het uitkeringstijdvak aanspraak heeft.
3.
In het bruto-bedrag van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet wordt niet begrepen de tegemoetkoming op grond van artikel 29a van die wet.
1.
Om voor de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 11 van de wet, in aanmerking te komen dient de remigrant een aanvraag in bij de SVB.
2.
Op een aanvraag wordt binnen vier maanden beslist.
Artikel 13
Indien de remigrant, en voor zover van toepassing, zijn partner en kinderen niet binnen een termijn van zes maanden na de datum van de beschikking tot toekenning van de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, eerste en tweede lid, van de wet, zijn geremigreerd, kan de beschikking geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, tenzij de remigrant of zijn partner van de overschrijding van die termijn redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
1.
Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in op de eerste dag na die van vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland.
2.
Het recht op de remigratievoorzieningen gaat in ieder geval niet eerder in dan op de eerste dag van de maand na die waarop het besluit op de aanvraag is genomen.
3.
De SVB kan het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op het belang van de remigrant, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.
Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, en artikel 11, eerste lid, van de wet gaat in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
5.
Het recht van de partner op de voorziening, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet gaat in op de eerste dag van de maand waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
6.
Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de wet gaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant of zijn partner is overleden.
7.
Het recht op de voorziening, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet gaat in op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand waarin de remigrant en zijn partner niet meer in leven zijn.
1.
Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 11, eerste lid, van de wet vervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
2.
Het recht op de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 11, eerste lid, van de wet wordt omgezet in een recht op de voorzieningen, bedoeld in die artikelen, als ware de remigrant een alleenstaande remigrant met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de remigrant is opgehouden met zijn partner een gezamenlijke huishouding te voeren.
3.
Het recht op de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet vervalt met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.
4.
Na het overlijden van de personen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt aan:
a. de partner of aan de remigrant, of indien deze er niet zijn, aan
b. de kinderen of indien deze er niet zijn, aan
c. de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de SVB op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de SVB heeft, onderscheidenlijk hebben ingediend.
1.
Met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgend op de maand van overlijden van een kind dan wel met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin een kind niet langer minderjarig is, vervalt zijn evenredig deel van het recht op de helft van de voorzieningen, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet.
2.
Na het overlijden van de kinderen, bedoeld in het eerste lid, worden de nog verschuldigde voorzieningen verstrekt aan de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de SVB op billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt, onderscheidenlijk komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de SVB heeft, onderscheidenlijk hebben ingediend.
1.
In geval twee alleenstaande remigranten die ieder afzonderlijk recht hebben op de remigratievoorzieningen met elkaar huwen of hun partnerschap laten registreren, of een gezamenlijke huishouding gaan voeren, waarbij betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, en er geen bloedverwantschap is in de eerste graad, worden de twee afzonderlijke rechten op de remigratievoorzieningen omgezet in een recht op de remigratievoorzieningen als waren zij een remigrant en partner.
2.
Indien de alleenstaande remigrant of de alleenstaande partner geen kinderen meer heeft worden de remigratievoorzieningen aan de gewijzigde omstandigheden aangepast.
3.
De aanpassingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaan in op de eerste dag van de maand na die waarin de wijziging der omstandigheden plaatsvond.
Artikel 19
Artikel 8, eerste lid, is niet van toepassing op personen die voor de dag van inwerkingtreding van deze wet zijn geremigreerd.
Artikel 20
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.
Artikel 21
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit voorzieningen Remigratiewet.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.
's-Gravenhage, 14 oktober 1999
De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,
Uitgegeven de achtentwintigste oktober 1999
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen
+ Hoofdstuk 2. Regels over de hoogte van de vergoedingen, de tegemoetkomingen in de kosten en de remigatievoorzieningen
+ Hoofdstuk 3. Regels over samenloop van de periodieke uitkering met andere uitkeringen
+ Hoofdstuk 4. Regels inzake de aanvraag om te kunnen remigreren met de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk II van de wet
+ Hoofdstuk 5. Overige regels inzake de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk II van de wet
+ Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken