Let op. Deze wet is vervallen op 27 juli 2005. U leest nu de tekst die gold op 26 juli 2005.

Besluit waardering activa

Uitgebreide informatie
Besluit van 22 december 1983, houdende regels over de inhoud, de grenzen en de wijze van toepassing in de jaarrekening van waardering van activa tegen actuele waarde
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 2 mei 1983, nr. 234/683;
Overwegende dat artikel 33 lid 1 van de vierde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht van 29 juli 1978 ( Pb. 222 van 14 augustus 1978) een lidstaat verplicht om, indien het naar zijn recht is toegestaan materiële of financiële vaste activa of voorraden in de jaarrekening anders te waarderen dan op de grondslag van verkrijgings- of vervaardigingsprijs, de inhoud, de grenzen en de wijze van toepassing van deze methoden nader te regelen, en dat titel 8 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dergelijke waarderingen toestaat;
Gelet op artikel 384 lid 4 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
De Raad van State gehoord, advies van 31 augustus 1983, nr. WO3.83.0272/04.3.34;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 15 december 1983, Stafafdeling wetgeving Privaatrecht, nr. 663/683;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
Als actuele waarde waartegen materiële vaste activa, financiële vaste activa en voorraden in de jaarrekening kunnen worden gewaardeerd, komt in aanmerking de vervangingswaarde, bedrijfswaarde of opbrengstwaarde. Deze waarden worden zo nodig geraamd.
Artikel 2
Onder de vervangingswaarde wordt verstaan het bedrag dat nodig zou zijn om in de plaats van een goed dat bij de bedrijfsuitoefening is of wordt gebruikt, verbruikt of voortgebracht, een ander goed te verkrijgen of te vervaardigen dat voor de bedrijfsuitoefening een in economisch opzicht gelijke betekenis heeft.
Artikel 3
Onder de bedrijfswaarde wordt verstaan de waarde, ten tijde van de waardering, van het aan een goed of samenstel van goederen toe te rekenen deel van de netto-omzet die kan worden verkregen met de uitoefening van het bedrijf waartoe het dient of is bestemd.
Artikel 4
Onder de opbrengstwaarde wordt verstaan het bedrag waartegen een goed bestens kan worden verkocht, onder aftrek van de nog te maken kosten.
Artikel 5
Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een goed dat tot de materiële vaste activa behoort, zal worden vervangen door een goed dat voor de bedrijfsuitoefening een in economisch opzicht gelijkwaardige betekenis zal hebben, wordt het gewaardeerd tegen vervangingswaarde.
Artikel 6
Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat goederen die tot de materiële vaste activa behoren, niet zullen worden vervangen, worden zij tegen bedrijfswaarde gewaardeerd, indien zij nog voor de bedrijfsuitoefening dienen of zijn bestemd. Zo niet, dan worden zij gewaardeerd tegen opbrengstwaarde.
Artikel 7
Voor zover mag worden aangenomen dat voorraden zullen worden vervangen, worden zij tegen vervangingswaarde gewaardeerd, maar indien hun opbrengstwaarde lager is, worden zij overeenkomstig artikel 8 gewaardeerd.
Artikel 8
Voor zover niet mag worden aangenomen dat voorraden zullen worden vervangen, worden zij tegen opbrengstwaarde gewaardeerd. Rekening moet worden gehouden met de nog te maken kosten om van de voorraden gerede produkten te maken, voor zover dit nog in het bedrijf zal geschieden.
Artikel 9
In de toelichting moet worden uiteengezet hoe de vervangingswaarde, bedrijfswaarde of opbrengstwaarde is bepaald, waartegen goederen zijn gewaardeerd die bij de bedrijfsuitoefening zijn of worden gebruikt of verbruikt.
Artikel 10
Indien een deelneming tegen netto-vermogenswaarde wordt gewaardeerd, zijn de artikelen 5- 9 van toepassing op de waardering van de activa van de rechtspersoon of vennootschap waarin wordt deelgenomen.
Artikel 11
Goederen die opbrengsten kunnen opleveren zonder dat zij in de bedrijfsuitoefening worden gebruikt of verbruikt, worden gewaardeerd tegen opbrengstwaarde.
Artikel 12
Wanneer de opbrengstwaarde van de in artikel 11 bedoelde goederen wordt geraamd, moet worden toegelicht:
a. welke wijze van raming is toegepast,
b. indien reeds voor de balansdatum is geraamd: hoe oud de raming is,
c. indien de raming is afgeleid van het verwachte rendement, welke verwachtingen de rechtspersoon daaromtrent heeft en welke rentevoet is toegepast.
1.
Als actuele waarde waartegen beleggingen van verzekeringsmaatschappijen als bedoeld in artikel 427 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden gewaardeerd, komt slechts in aanmerking de marktwaarde, onverminderd het bepaalde in artikel 389 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek .
2.
Onder de marktwaarde van beleggingen van verzekeringsmaatschappijen in terreinen en gebouwen wordt verstaan het bedrag waartegen deze beleggingen door een willige verkoper ondershands aan een van de verkoper onafhankelijke koper kunnen worden verkocht, aannemende dat de marktvoorwaarden een regelmatige transactie mogelijk maken en dat, gelet op de aard van de goederen, onderhandelingen over de verkoop in een normaal tijdsbestek kunnen geschieden.
3.
De marktwaarde van deze beleggingen wordt ten minste eens in de vijf jaar voor ieder terrein of gebouw afzonderlijk bepaald overeenkomstig algemeen erkende methoden. In de toelichting bij de jaarrekening wordt aangegeven welk deel van de terreinen en gebouwen in welk boekjaar is gewaardeerd.
4.
Onder de marktwaarde van beleggingen van verzekeringsmaatschappijen in effecten die in een prijscourant van een Nederlandse of buitenlandse beurs zijn opgenomen, wordt verstaan de prijs van deze effecten volgens de prijscourant op de balansdatum of op de laatste dag voordien, indien op de balansdatum niet gehandeld is.
5.
Onder de marktwaarde van andere beleggingen van verzekeringsmaatschappijen dan bedoeld in het tweede of vierde lid, waarvoor een markt bestaat, wordt verstaan de gemiddelde prijs op deze markt van die beleggingen op de balansdatum of op de laatste dag voordien, indien op de balansdatum niet gehandeld is. De marktwaarde van de overige beleggingen wordt overeenkomstig artikel 4 bepaald.
6.
Onverminderd artikel 4 worden de gemaakte of nog te maken kosten op de waarde van een belegging van een verzekeringsmaatschappij in mindering gebracht, indien deze belegging na afloop van het boekjaar, maar voordat de jaarrekening is opgemaakt, is verkocht of het voornemen bestaat deze belegging kort nadien te verkopen.
Artikel 14
Dit besluit kan worden aangehaald als "Besluit waardering activa".
1.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop titel 8 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek kracht van wet verkrijgt.
2.
Het is van toepassing op jaarrekeningen waarop titel 8 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is.
Lasten en bevelen dat dit besluit in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
’s-Gravenhage, 22 december 1983
De Minister van Justitie,
Uitgegeven de dertigste december 1983
De Minister van Justitie,
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken